Zondag 22/09/2019

Voorpublicatie

S.M.A.K.-directeur Philippe Van Cauteren schrijft brief aan Jan Hoet: ‘Museum is machine tegen onverschilligheid’

Directeur Philippe Van Cauteren in het S.M.A.K. Beeld Eric de Mildt

De voorbije jaren schreef S.M.A.K.-directeur Philippe Van Cauteren verschillende brieven aan kunstenaars. Hij bundelde ze in een boek dat begint met een brief aan zijn voorganger Jan Hoet, over het nieuwe S.M.A.K. dat hij voor ogen heeft – drie keer zo groot als het huidige museum. Vermoedelijk prijskaartje: 60 miljoen euro, “slechts een fractie van de waarde van de collectie van S.M.A.K.”. Een exclusieve voorpublicatie van de brief.

In 1983 organiseerde het toenmalige MHK (Museum van Hedendaagse Kunst, in 1999 omgedoopt tot S.M.A.K.) een tentoonstelling naar aanleiding van de 25ste verjaardag van de vriendenvereniging Vereniging voor het Museum van Hedendaagse Kunst met als titel Museum zoekt museum: projecten voor een autonoom museum van hedendaagse kunst, in confrontatie met opties en realisaties in binnen- en buitenland. Misschien klinkt het verbazingwekkend, maar ongeveer 35 jaar later is het museum nog steeds op zoek! In drie decennia is de wereld en de kunstwereld rondom het museum vanzelfsprekend veranderd, maar de elementaire noden van het museum blijven nog dezelfde. 

Nu de Vrienden van het S.M.A.K. hun zestigste verjaardag vieren, zou een gelijkaardige tentoonstelling een zinvolle opzet kunnen zijn. Maar een museum zoekt vanzelfsprekend méér dan een museum. Een museum zoekt betekenis en probeert een rol op te nemen in de ons omringende complexe gefragmenteerde wereld. Welke plek kan het museum zijn wanneer het culturele aanbod overwegend gedicteerd wordt door behapbaar entertainment? Wat betekent het museum morgen als fysieke plaats in een realiteit die toenemend virtueel en digitaal is? Hoe verhoudt het museum zich tegenover het toenemende dictaat van het getal, de middelmatigheid van het meten? En hoe weet het museum aanknoping te vinden bij de culturele veelzijdige en sociaal diverse maatschappij die we vandaag zijn? Voor wie is het museum met andere woorden gedacht? 

Een mogelijk antwoord op deze vragen geef ik best aan de hand van een citaat uit een brief van 28 juni 2017 aan Gregor Jansen, directeur van de Kunsthalle Düsseldorf: “In een toenemend conservatieve wereld wordt het instituut, kunsthalle of museum, een refuge voor ideeën, een machine tegen de onverschilligheid. Het is een pulserend orgaan dat als membraan functioneert tussen de kunst en de wereld. De rol van een instituut verandert met de tijd, maar de waarden blijven: het instituut heeft de recente kunstgeschiedenis als paravent waarvoor zich het kwetsbare artistieke experiment van het nu voltrekt, los van markteconomische speculaties. De bedreiging voor deze waarde zit hem niet in het speculatieve elan van de kunstmarkt, maar in de behandeling van instituten door een technocratie die de kunst inschuift in bijvoorbeeld citymarketing. Instituten moeten opbrengen, efficiënt en daadkrachtig functioneren, ingeschakeld worden in een groter wervend principe in de lokaliteit waarvan ze deel uit maakt. De impact wordt dan gemeten aan de hand van de bezoekersfrequentie. De echte impact, en dus de noodzaak van een instituut, laat zich echter niet aflezen uit een hysterisch succes van een moment, maar uit een inhoudelijke verwevenheid met de werkelijkheid waarvan de instelling deel uit maakt. Instellingen zijn er in de eerste plaats voor kunstenaars, én voor het publiek dat de bereidheid heeft zich bloot te stellen aan dat wat nog niet geconsacreerd is. Hoeveel tijd hebben we nog nodig voor begrepen wordt dat een kunsthalle of museum een even groot belang heeft als een gerechtsgebouw of supermarkt? Hoe lang duurt het nog vooraleer begrepen wordt dat de rest van de eenentwintigste eeuw in Europa cultureel zal en moet zijn?”

Jan Hoet. Beeld Arne Deboosere / Toerisme Oostende

Het is met andere woorden mijn overtuiging dat de vitale functies van het museum zich nog maar langzaam aan het uitrollen zijn. Nu de meeste institutionele structuren (de economie, de politiek, het gezin) hun failliet aantonen, blijft in mijn overtuiging slechts het instituut museum overeind. Om dit waar te maken moet het museum een metamorfose ondergaan door de verwevenheid met de werkelijkheid verder te ontwikkelen. Het museum moet niet gedacht worden vanuit afstand, maar vanuit nabijheid. Niet vanuit zekerheden, maar vanuit de twijfel. Het museum voor hedendaagse kunst moet worden vermenselijkt door fijnmazig aanknoping te zoeken bij de wereld waar het deel van uitmaakt. 

Het museum als plek is een dun membraan dat de noodzakelijke verbindingen mogelijk maakt tussen kunstenaar en publiek. Het museum is een huis met vele kamers, een lichaam waar geheugen, engagement, twijfel en emancipatie kernwaarden zijn. De toekomst van het museum hangt niet alleen van het museum zelf af, maar krijgt richting door de collectie van het museum. De collectie van een museum voor hedendaagse kunst is de protagonist die er ons telkens aan herinnert hoe de hedendaagse kunst fundamenteel anders is dan de schone kunsten. De collectie is lichaam en huid, geheugen en inzicht, referentie en profiel. 

Een museum voor hedendaagse kunst als S.M.A.K. filtert zijn identiteit uit die collectie. De verzameling is een gelaagd weefsel, langzaam haperend opgebouwd, en vormt een beweeglijk geheel dat weerbarstig de kunstgeschiedenis omarmt en er ook tegelijkertijd afstand van neemt. Een collectie kan tenslotte ook gedacht worden als een ensemble attitudes van kunstenaars vastgehouden in materiële objecten die we het liefst als kunstwerken omschrijven. 

Maar ook het museum zelf is een attitude. Het is een overtuiging die het belang onderstreept van de rol van de kunstenaar als diegene die een museum verplicht de collectie vanuit het heden te denken. In S.M.A.K. wordt de kunstenaar en zijn werk niet bijgezet in de inventaris van een instituut, maar draagt deze bij tot het permanent dynamisch herdenken van de notie verzamelen en tentoonstellen. Meer dan ooit, nu de kunst niet langer vanuit geo-culturele centra gedacht wordt, is dit het geval. 

Het museum moet een wendbaar geheel zijn dat alert de spasmen van de samenleving en de wereld absorbeert, én dat de kunstenaar het comfort geeft  zich open te plooien tot de rand waar het museum de samenleving raakt. Dit kan voor de gebruikers van het museum (kunstenaar, publiek, onderzoeker, medewerker, toerist) enkel als de verzameling van een museum zichtbaar aanwezig is, aanraakbaar en bruikbaar. 

Beeld Belga

Het deficit van S.M.A.K. is de onmogelijkheid om op substantiële manier het weefsel van de collectie permanent zichtbaar te maken. Net zoals in alles wat S.M.A.K. onderneemt, wil het museum ook niet doen alsof de collectie getoond wordt. De collectie van S.M.A.K. – nog altijd de belangrijkste publieke kunst van na 1945 – kan slechts in zijn gelaagdheid en complexiteit voor de gebruiker worden uitgerold als vijfhonderd werken permanent worden getoond. Dit kan enkel in een nieuw adequaat museumgebouw. En ik sluit me graag bij de formulering van de kunstenaar Thomas Hirschorn aan: “This museum must be home, a shelter: no more fancy, narcissistic and useless museum architecture.” 

De contouren en proporties van het museumgebouw moet worden gedicteerd door de collectie en het gebruik. De collectie spreekt, de architectuur luistert. Een museum is niet meer dan een dak waaronder het performante evenement van tonen, denken, verzamelen, handelen, genieten en waarderen van kunst gebeurt. 

In 1958 schreef de Braziliaanse architecte Lina Bo Bardi de inspirerende tekst
Houses or Museums? Volgens haar kunnen bij de planning van een stad twee cruciale openbare gebouwen, die vaak nog geassocieerd worden met een intellectuele luxe, niet ontbreken: het museum en de bibliotheek. Onlangs heeft de bibliotheek van Coussée en Goris aan de Waalse Krook in Gent getoond wat een dienende architectuur voor de stad en zijn gebruikers aan dynamiek betekenen kan. Waar wacht de stad nog op om de overtuiging van Lina Bo Bardi kracht bij te zetten? 

Is het niet de plicht van een stad als Gent om hun verzameling hedendaagse kunst ten dienste te stellen van de gebruiker, net zoals dit gebeurd is met de verzameling boeken van de bibliotheek. De investering in en de kosten van een nieuw gebouw zijn slechts een fractie van de waarde van de collectie van S.M.A.K. De impact en de betekenis van een nieuw gebouw overstijgen elke meetbare inschatting, maar benadrukken met een engagement voor de kunst dat Gent een stad is van kunst en cultuur, breed uitgedragen, met zorg en aandacht voor de toekomstige ontwikkeling van de stad. Het belang van een nieuw museumgebouw wordt met helderheid slechts ingefluisterd door één enkel element: de collectie van gisteren en de aankopen van morgen. De keuze is er een die met een vanzelfsprekendheid gemaakt moet worden. 

Beeld rv

Als er in Gent op een juiste manier hommage kan worden gebracht aan de oprichter en stichter van S.M.A.K., dan is dat niet door met een kleine geste een plein zijn naam te geven. Maar dan is dit door consequent het nationale en internationale belang van de collectie te herkennen door er de juiste behuizing voor te voorzien. S.M.A.K. omschrijft zichzelf graag als het museum van de twijfel, maar als er aan één ding niet getwijfeld wordt dan is het aan dat nieuwe genereuze gebouw als huis en schuilplaats voor de kunst. 

Brieven aan hedendaagse kunstenaars van Philippe Van Cauteren (inclusief brieven aan onder meer Michaël Borremans, Berlinde De Bruyckere, Jan Fabre, Mark Manders, Thomas Ruff, Ed Templeton, Rinus Van de Velde en Vincent van Gogh) is nu uit bij Uitgeverij Hannibal. uitgeverijkannibaal.be

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234