Maandag 22/07/2019

Interview Boeken

Rotterdams burgemeester Ahmed Aboutaleb: ‘Gedichten zijn een steun als je eenzaam bent’

Ahmed Aboutaleb. Beeld Erik Smits

De Rotterdamse burgemeester Ahmed Aboutaleb (58) bundelde voor 50 jaar Poetry International vijftig wereldgedichten. Zijn liefde voor poëzie ontstond al in zijn kindertijd in Marokko, toen hij naar een radiofeuilleton luisterde.

BIO groeide op in Beni Sidel in Marokko • kwam in 1976 naar Nederland, volgde een opleiding ­telecommunicatie • werkte als verslaggever voor Veronica en RTL Nieuws • in 2004 wethouder voor de PvdA in ­Amsterdam, in 2007 staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid • werd in 2009 ­burgemeester van Rotterdam • weekblad Elsevier verkoos hem in 2014 tot Nederlander van het Jaar  

Met de schoenpoetser begint het. Want die deed hem denken aan zijn jeugd. Als burgemeester van Rotterdam en verklaard poëzie­liefhebber mocht Ahmed Aboutaleb (58, geboren in Beni Sidel in Marokko), bij gelegenheid van het 50-jarige bestaan van het plaatselijke festival Poetry International, evenzovele gedichten uit de wereld­poëzie kiezen. Dat is de bloemlezing Lees! geworden die zopas bij uitgeverij Douane is verschenen, een veelkleurige verzameling met onder anderen Ingrid Jonker, Joseph Brodsky, Jules Deelder, Wendy Cope (speciaal voor deze bundel vertaald, door Vicky Francken), Ramsey Nasr, Jopi Hart, Sappho en Ester Naomi Perquin.

De bundel opent met ‘De schoenpoetser’, van Jamal Addine Aloumari, over een man die zich onderdanig naar voeten buigt, in de hitte, en die zich inspant om zwartvale schoenen glans te geven, en zich niet door minachting te laten deren. Zo is het, knikt de burgemeester, die met moeite even tijd vrij kon maken tussen een vergadering en een reis naar Tokio door, in zijn werkkamer op de Coolsingel.

Aboutaleb: “Dat gedicht is magisch. Dat is mijn jeugd, die schoenpoetser. Maar niet alleen dat. Ik zal het uitleggen: een paar jaar geleden was ik in Rabat. Tussen de oude en de nieuwe stad ligt een grote straat die Zondags­poort heet. Vroeger mochten schoenpoetsers vrijelijk langs de caféterrassen in de binnenstad gaan, en dan maakten ze hun aanwezigheid kenbaar door met hun borstels te roffelen op de houten kisten die ze bij zich hebben. Maar tegenwoordig mogen ze nog maar op één plek staan: in die grote straat, waar ik graag kom omdat je daar een klein restaurantje hebt waar ze slakken hebben die je staande kunt eten.

“Goed, daar zag ik een hele batterij van die mensen. In het voorbijlopen zag ik een jonge schoenpoetser op zijn krukje zitten, wachtend op een klant, lezend in een dik Frans boek. Wat leest hij, wilde ik weten, en liep een paar keer heen en weer om de titel van het boek te kunnen zien. Het was Shakespeare, in het Frans.

“Je zou denken: schoenpoetsers, dat zijn de losers van de samenleving. Die hebben weinig onderwijs genoten en als laatste optie zijn ze dit gaan doen. Ik dacht: door die jongen laat ik mijn schoenen poetsen. Ik ben daar gaan zitten, om een gesprek met hem te kunnen voeren. Hij bleek een academische opleiding te hebben gevolgd, maar had geen baan kunnen vinden.”

Welke studie?

Aboutaleb: “Filosofie.”

Uw schoenen werden door een filosoof gepoetst.

“Hij vond het geen vervelend werk. Ik heb hem vorstelijk betaald – niet zozeer voor het schoenpoetsen, als wel voor het gesprek. Aan hem denk ik óók, bij dat gedicht, over die man die zich onderdanig buigt naar voeten. Maar die zijn waardigheid behoudt.”

U heeft toegankelijke gedichten gekozen. Was dat een selectie­criterium?

“Nee, ik heb gekozen wat mij aanspreekt. Poëzie is voor mij een verdwaalde hobby. Een heel prettige bijkomstigheid. Een hoekje waarin je je kunt terugtrekken.”

Die functie heeft poëzie voor u altijd al gehad?

“In toenemende mate, ja. Een toevluchtsoord. Als je helemaal in beslag wordt genomen door wereldse beslommeringen, dan kan ik me hiermee afzonderen, zonder dat ik het gevoel heb dat ik moet presteren. Het is zondagmiddag, het regent een beetje, je hebt een goede stoel, en een krukje waar je je voeten op kunt leggen, een kopje thee naast je. Dan ga je in een dichtbundel bladeren. En dan ben je écht weg. En soms krijg je dan een glimlach; als je een dichter leest die iets heel moois heeft gemaakt.”

Toen hij nog maar kort burgemeester was, was Aboutaleb te zien tijdens Poetry International, met voordrachten in het Nederlands en Arabisch van de Syrische dichter en Nobelprijs-kandidaat Adonis (89, klemtoon op de laatste lettergreep), die sinds de jaren 60 in vrijwillige ballingschap in Parijs woont en werkt. Die is uiteraard ook in Lees! opgenomen, met regels over de kinderjaren, ‘lente van het verleden’, de tijd van vóór het slagveld van de volwassenheid.

“Hem heb ik een paar keer ontmoet. Fascinerende man. We lijken qua achtergrond een beetje op elkaar. Allebei in een dorp geboren, op een plek waar weinig onderwijs was, en dan bij toeval toch iets worden. Hij omdat hij de kans kreeg om op zijn 12de voor de Syrische president een gedicht voor te lezen. Vanaf dat moment werd hij gezíén. Uiteindelijk wilde hij niet in zijn eigen land blijven en woont hij al heel lang lichtelijk eenzaam in Parijs. Heel treurig.

“Veel Arabische poëten worden, vanwege hun scheppingen, door de gevestigde orde als oproerkraaiers gezien. Ik vind Adonis een soort Simon Carmiggelt van de Arabische wereld: een goeie verteller en waanzinnig scherpe observator.”

Er waren geen boeken of kranten thuis bij Ahmed Aboutaleb, in het dorp van zijn geboorte in het Rif­gebergte. De eerste gedichten kwamen zijn leven binnen via de radio, de magische box. “Een oom wees mij op een radio­feuilleton, in klassiek Arabisch, best moeilijk voor mij om te volgen – ik ben een Berber­jongen, dus mijn moedertaal van voordat ik naar de basisschool ging, was Berbers.

“Dat feuilleton was eerst vroeg in de avond, en verschoof toen naar later. Dat vond ik vervelend. Want ik, een jaar of 7, viel daarbij vaak in slaap, en liet dan de radio aan. En dan waren ’s morgens de batterijen leeg. Van die batterijen uit Spanje, TUDR stond erop, geen goed spul. Daar kreeg ik ruzie over met mijn moeder, want die batterijen waren duur en er moesten elke keer vier van die dingen in.

“Het feuilleton was van een Marokkaanse hoorspelschrijver, die twee jaar geleden is overleden, Mohammed Hassan Al Jundi. Het ging over een held die op een paard het kwaad in de hele wereld bestreed. In rijmvorm. Bijna op de manier waarop de Koran is geschreven: dichterlijk, meesterlijk en met virtuoos rijm. Ik ging er helemaal in op.

“Die held kon beschikken over alle djinns, mythische onzichtbare wezens. Als hij een kwalijke figuur ergens aan het andere eind van de wereld wilde straffen, dan hoefde hij maar met de vingers te knippen en stuurde hij zijn djinns erop af, om die te halen. En hij was zachtmoedig. Want hij maakte aan niemands leven een einde.”

Een vredelievende avonturier en held, die alles met woorden af kon.

“Heel poëtisch. En ongeremd lyrisch.”

Me dunkt nogal wat anders dan Martin Bril, die u ook citeert, met een minigedicht over Nederland:

Verkeersdrempels

Rotondes en overal

Te huur:

Bedrijfsruimte

Een klein land

Veel dromen

Aboutaleb: “En Jules Deelder kan het zelfs in één enkele regel: ‘De Omgeving van de Mens is de Medemens.’ De Nederlandse dichtkunst is fantastisch als ze op zoek gaat naar de dubbelzinnigheid van woorden, en in het observeren van wat jou en mij niet zou opvallen. Arabische dichters daarentegen zoeken het maatschappelijk engagement, soms met alle consequenties van dien. In de Koran staat dat dichters dwalenden zijn. De Perzische poëet Mansur Al-Hallaj is in de tiende eeuw na Christus vermoord vanwege zijn teksten, omdat hij het bestaan van God ter discussie stelde. ‘God, wat is dat eigenlijk’, zei hij. ‘Kijk naar mij; ik ben het.’ Dat werd hem fataal.

“Observatie en betrokkenheid kunnen samengaan: van Joseph Brodsky neem ik het prachtige ‘Rotterdams dagboek’ op, geschreven in 1973 tijdens een bezoek aan Poetry International, vertaald door Peter Zeeman:

We drinken wijn en voeren dialogen

in een gebouw dat naar de sterren reikt

op een niveau dat eerder werd bereikt

door hen die hier destijds de lucht in vlogen.

Een gedicht, vindt u, moet de lezer iets vertellen.

“Ja. Ik ben helaas van poëzie en engagement.”

Hoezo helaas?

“Nou, veel mensen gaan alleen voor schoonheid van poëzie.”

En sommigen houden van hermetische poëzie. Maar ik tref in Lees! geen Gerrit Kouwenaar aan. Naar zijn werk grijpt u niet, op een zondagmiddag.

“Klopt. Dat komt niet in mij op.” (zijn gezicht drukt uit dat hij dat geen gemis vindt)

En als Kouwenaar een Rotterdammer was geweest, zou u hem dan wel lezen?

“Daar zegt u iets. Want dat is fascinerend en ook ongrijpbaar: Rotterdam en poëzie. Dit is vanouds een stad met blauwe banen, de blue jobs, mensen met blauwe overalls, in de haven. Vet aan je handen. En toch is diezelfde stad sinds jaar en dag vervlochten met poëzie.

“De arbeiders en het intellect hebben elkaar in Rotterdam gevonden in poëzie. In geen andere stad ter wereld staan poëzieregels op de vuilniswagens.

“En Poetry is populair. Dichters uit de hele wereld kun je hier zien en horen – en het is, weet ik uit ervaring, heel fascinerend om een halfuur te luisteren naar een Japanse dichter van wie je geen woord verstaat. Als hij goed kan voordragen, gebeurt er iets met je.”

Aboutaleb: ‘De arbeiders en het intellect hebben elkaar in Rotterdam gevonden in poëzie. In geen andere stad ter wereld staan poëzieregels op de vuilniswagens.’ Beeld Hollandse Hoogte / Peter Hilz

Poëzie kan u tot steun zijn, schrijft u in het voorwoord, want ‘eenzaamheid lijkt verbonden te zijn met het ambt’. Dat zie ik niet onmiddellijk. U bent hier de hele dag omgeven door mensen.

“En toch is het een eenzaam beroep. Uiteindelijk moet je in je eentje beslissingen nemen. Ik heb prachtige mensen om me heen, goede adviseurs. Maar aan alle vraagstukken zitten meerdere kanten.

“En als je in een crisis terechtkomt, ben je helemaal eenzaam, want dan trekken veel mensen hun handen van je af – niemand wil geassocieerd worden met een bestuurder die in een crisis zit. Het burgemeesterschap is een eenzaam beroep.”

U zetelt hier nu tien jaar. Dus u bent in dat decennium meer poëzie gaan lezen.

“Inderdaad. Ik heb een hele stapel op mijn bureau thuis. En ’s avonds, als er in het hele huis lichtjes uitgaan, gaat er bij mij nog een lampje aan.”

Is poëzie gezelschap, het horen van een andere stem?

“Ik moet afkicken. En daarvoor moet ik terug naar een andere wereld. Net zoals mensen soms met vakantie moeten, om te ontladen.

“Het is net ramadan geweest, en in die periode las ik veel in de Koran. Dat is voor mij één groot gedicht. Ik kan je een soera (hoofdstuk, red.laten zien die uit 160 regels bestaat, die op rijm eindigen. Allemaal! Op dezelfde letter. Ik kan zo’n tekst op een poëtische manier opdreunen voor mezelf. Er zit ritme in, cadans. Maar ook zitten er dingen in die mij het leven doen relativeren.

“Als je negen miljard mensen bij elkaar roept op een congres en die vraag je om een vlieg te maken, dan kunnen ze dat niet. We maken ten hoogste een onding dat we een robot noemen. We zijn niet meer dan een klein beestje op aarde.

“Uit de Koran kan ik ook een aansporing halen om mijn gedrag vorm te geven. Tien jaar geleden werd ik burgemeester. Op de dag van mijn installatie had ik een indrukwekkend akkefietje met Marco Pastors, de toenmalige leider van Leefbaar Rotterdam (een lokale politieke rechtse partij, red.). Hij gaf me een envelop, en daar stond op: ‘Koninklijk Paleis Rabat’. Daar moest ik mijn Marokkaanse paspoort in stoppen, was de suggestie, en die envelop naar Rabat sturen.

“De grootst denkbare belediging voor mij, op de dag van mijn beëdiging. Daar kun je heel kwaad om worden. Maar diezelfde Pastors is nu mijn zeer gewaardeerde medewerker als directeur van het bureau Nationaal Programma Rotterdam Zuid. Ik heb hem op die plek benoemd. Omdat ik heb geleerd dat boosheid niet langer dan drie dagen mag duren. En de sterkste mens is degene die als eerste de band probeert te herstellen; niet degene die het conflict voortzet.

“Hij weet ook dat ik er zo over denk. Dienstbaarheid is van groot belang, en vergevingsgezindheid. Geen moment is in mijn hoofd opgekomen: die man krijgt die job niet, omdat hij mij destijds zwaar heeft beledigd.”

Dat zegt de Koran u. Een gedicht. Leest u het Oude Testament ook op die manier?

“Nee. Want ik vind het Oude Testament, en het Nieuwe nog sterker, minder poëtisch.”

Het Hooglied! Job! Prediker!

“Zeker, dat komt erin voor. Maar in zijn algemeenheid vind ik de Bijbel meer een verhaal. Een vertelling. Dat geldt ook voor de Talmoed, voor de Thora, dat ik vooral een chronologisch boek vind, met die eindeloze serie namen: de zoon van die, van die, van die. Alleen de Koran kan uit het hoofd worden gereciteerd, omdat het een gedicht is. Ik oefen weleens om stukken ervan in het hoofd te krijgen. Door de cadans kun je dan bijna los van de grond komen.

“Nederlandse voordrachtskunst is zelden mooi. Maar ik moet een uitzondering maken voor Ramsey Nasr. Die kan fabelachtig voordragen. Kijk, dát is mijn tent waarin ik vlucht.”

Dus Nasr zien we ook in Lees!. En Günter Grass, die velen niet als dichter kennen.

“Maar dat is mooi. Grass begint zo: ‘Ga niet naar het bos/ in het bos is het bos./ Wie naar het bos gaat/ en bomen zoekt,/ die wordt in het bos niet meer gezocht.’ Dat doet me denken aan een gedicht van Adonis, waarin hij een eenzame boom beschrijft. Maar die boom is eigenlijk niet eenzaam. Een boom met één vogel is namelijk een boom met een violist, zegt Adonis. En een boom met heel veel vogels is een boom met een orkest. Dát zijn de momenten dat er bij mij, in mijn eenzame tent, een glimlach verschijnt.”

Krijgt u geen zin om zelf eens iets te schrijven?

“De afgelopen jaren heb ik nauwelijks tijd gehad voor iets anders dan het lezen van beleidsstukken. Maar zeker, ik denk erover om het te proberen, zelf poëzie te schrijven. Vooral in het Arabisch kan ik de roerselen van mijn ziel kwijt. Ik moet er de tijd voor hebben.”

Kan dat tijdens uw burgemeesterschap nog?

“Nee, dat is voor daarna. Ik zie twee boeken voor me: het is mijn ambitie om mijn verhaal aan de mensen te vertellen; geen autobiografie – geen geklets over kopjes koffie die ik met Wouter Bos (voormalig PvdA-leider en vicepremier, red.) heb gedronken, daar zit niemand op te wachten –, maar de lessen uit mijn leven. En een tweede deel zou in versvorm kunnen zijn.”

We mogen eertijds het poëziedebuut van Ahmed Aboutaleb verwachten?

“Dat zou zomaar kunnen.”

Poetry International, concertgebouw De Doelen, Rotterdam, nog het hele weekend.

Ahmed Aboutaleb (samenstelling), Lees! – 50 gedichten uit de wereldpoëzie, Douane, 91 p., 15 euro.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
© 2019 MEDIALAAN nv - alle rechten voorbehouden