Zondag 29/01/2023

InterviewRose Wylie

Rose Wylie, 88 jaar en de hipste hedendaagse artieste: ‘Mijn man hield van mijn werk. Hij was lange tijd de enige’

Rose Wylie in haar cottage in Kent: ‘Dit lijkt wel een gangsternest, vind je niet? Het schuilhol van een drugsbaron! En toch is het mijn huis, haha.’  Beeld Sam Wright
Rose Wylie in haar cottage in Kent: ‘Dit lijkt wel een gangsternest, vind je niet? Het schuilhol van een drugsbaron! En toch is het mijn huis, haha.’Beeld Sam Wright

De hipste hedendaagse kunstenaar? De Britse Rose Wylie, 88 jaar, stelt vanaf vandaag t­entoon in het S.M.A.K. in Gent. ‘Ik ben bloody ­serious over de stomste dingen. Ziedaar, de kern van mijn werk.’

Danny Ilegems

Hoe verder de trein zich van Londen verwijdert, hoe troostelozer het uitzicht wordt. Rechts een opeenvolging van weinig idyllische stads- en dorpskernen: smalle rijhuisjes van donkerbruine baksteen, braakland, naargeestigheid. Links een horizon van roestige kranen en vervallen loodsen die een postindustriële kustlijn doen vermoeden. Pas aan het einde van de rit, wanneer de hogesnelheidstrein van Southeastern het hart van het oude graafschap Kent door­klieft, wordt het decor wat minder benauwend. Glooiend grasland, een wijndomein hier, een fruitboomgaard daar, een golfterrein aan de einder: het landschappelijk ennui van oude plaatjesboeken.

“Gelieve alleen de naam van de straat en het dorp te noemen tegen de taxichauffeur”, was mij op het hart gedrukt. “Die van de bewoner mag onder geen beding vallen.”

“Er is maar één straat in dat dorp”, grijnst de chauffeur. “Ik heb al véél volk afgezet op dat adres.” Te vrezen valt dat de anonimiteit van de bewoner vervlogen is.

De taxi houdt halt bij een oud huis met een brede gevel in donkerrode baksteen. Dat het een cottage uit de 17de eeuw is, wordt binnen pas duidelijk: een inkomhalletje met een manshoge open haard, een wirwar van smalle ruimtes met ongelijk liggende vloeren, kleine ramen, scheve deuren, krakende trapjes. De bomen en struiken van de verwilderde achtertuin zijn tot tegen, en hier en daar zelfs tot in het huis gegroeid.

Hier woont en werkt de hipste hedendaagse kunstenaar van Groot-Brittannië en ver daarbuiten. Haar naam is Rose Wylie. Ze is onlangs 88 jaar geworden.

Ze groeide op in deze streek. Ze is van de ­generatie die the blitz nog heeft mee­gemaakt, de Duitse bommenregen op Britse steden aan het begin van de Tweede Wereldoorlog. In de jaren 50 doorliep ze eerst de kunstacademie van Dover en daarna een lerarenopleiding in Londen. Daar kwam ze de schilder Roy Oxlade tegen. Ze trouwden en kregen kort na elkaar drie kinderen, waarna Rose Wylie de kunst de kunst liet.

BIO

geboren in 1934 in Kent, Engeland • studeerde aan de Dover School of Art en het Royal College of Art • trouwde en kreeg drie kinderen met de schilder Roy Oxlade (1929-2014) • werd pas een beetje bekend toen ze al bijna 80 was • trad in 2017 toe tot de galerie van David Zwirner (New York, Londen, Parijs, Hongkong) • exposeerde in 2020 voor het eerst in New York

Begin jaren 80 nam ze de kwast opnieuw ter hand, nadat ze aan het Royal College of Art in Londen een masterdiploma had behaald. Een kwarteeuw lang bedreef ze haar kunst in afzondering en volstrekte anonimiteit. Vrijwel niemand wist van haar bestaan af. Niemand lette op haar, niemand keek naar haar werk om.

Tien jaar geleden, toen ze al bijna 80 was, begon haar ster een beetje te rijzen, zij het in beperkte kring. Vijf jaar geleden werd ze opgenomen in de artiestenstal van David Zwirner, de megagalerie met vestigingen in New York, Londen, Parijs en Hongkong. Twee jaar geleden was haar werk voor het eerst te zien in New York en Hongkong. En nu is Rose Wylie het succesnummer van de internationale kunstmarkt. Iedereen is in de ban van haar, de strengste en meest gezaghebbende kunstcritici voorop. Sommigen geloven zelfs dat haar werk “de weg voorwaarts in de schilderkunst” wijst. De invloedrijke Amerikaanse kunstenaar en schrijver David Salle typeert haar werk als “ambachtelijk geschilderde memes”.

En Rose Wylie, zij is nauwelijks onder de ­indruk.

Het atelier bevindt zich op de eerste verdieping, onder het dakgebinte. Het is een puinhoop die gelijkenissen vertoont met de studio die Francis Bacon gebruikte in zijn gloriedagen, de legendarische zwijnenstal in Reece Mews. Een dik tapijt van krantenpapier op de vloer, een hoge stapel verkreukelde kranten, lege verfpotten en ander klein gevaarlijk afval in het midden van de ruimte. Op elk oppervlak zitten klieders en spatten. De ramen aan de straatkant worden gebruikt om verf uit gebruikte kwasten te wrijven, het daglicht raakt er amper nog door. Tegen de twee vrije muren zijn grote lappen ruw canvas aangebracht. Het zijn deze muren die de omvang van haar werk bepalen. De meeste van haar schilderijen zijn tweeluiken van bijna twee meter hoog en vier meter breed.

Vandaag hangen er twee doeken die bijna klaar zijn. Tegen de ene muur een beeld van haar huis met daarnaast een tak van een braamstruik. De bijbehorende tekst luidt: ‘My house, front and back. A drawing.’ Tegen de andere een nieuwe aflevering uit haar reeks Film Notes: beelden die ze maakt nadat ze een film heeft gezien die haar heeft geraakt. Deze keer is het een scène uit For a Few Dollars More, de ­spaghettiwestern van Sergio Leone.

In het midden van de studio heeft Rose Wylie twee vouwstoeltjes klaargezet. “Wees gerust, ze zijn proper”, lacht ze. “Dus u komt helemaal uit België? Ik hou van België!”

Rose Wylie is momenteel te zienb in het S.M.A.K. Beeld  Dirk Pauwels
Rose Wylie is momenteel te zienb in het S.M.A.K.Beeld Dirk Pauwels

Bent u er vaak geweest?

“Eén keer. En één keer zijn we er met de wagen door gereden, over wegen vol putten en scheuren. Belgium is funny. Een beetje surreëel.”

Zoals uw schilderijen. De woorden die u erop aanbrengt doen me aan de poëzie van Marcel Broodthaers denken.

Oh great, ik hou van Broodthaers!”

Sommige van uw beelden hebben ook een Magritte-factor. Absurditeit die zich presenteert als normaliteit. Of normaliteit die iets absurds blijkt te hebben.

“Ik hou van Magritte!”

Uw humor is niet Brits.

“Helemaal niet! Daar ben ik te traag voor. Ik doe niet aan snelle grappenmakerij. Mijn humor is veeleer... (denkt na) onbedoeld, of in ieder geval ongeforceerd. Eigenlijk komt hij voort uit het feit dat ik bloody serious ben over de stomste, simpelste dingen. Zo, hiermee hebben we de kern van mijn werk blootgelegd. We kunnen al stoppen!”

Vertel eens over uw bezoek aan België.

“Het is lang geleden. Ik herinner me een winkel waar ze vrouwenschoenen verkochten in de vorm van dierenhoeven. Ik weet niet meer waar het was, in Brussel of in Antwerpen.”

Waren dat de legendarische Tabi-schoenen van Martin Margiela?

“Dus u kent de ontwerper? Ik had op dat moment nog nooit van de man gehoord. Maar ik vond die schoenen wel intrigerend. Een ontwerper die een vrouwenvoet er laat uitzien als een dierenpoot, die de vrouw omzet in een dier: hoe fascinerend! Wat wilde hij daarmee zeggen? Wat moest ik ervan denken?

“Ik ging de winkel binnen om de schoenen na te tekenen. De uitbaatster was not amused. Ze dacht dat ik kwam spioneren, dat ik de schoenen wilde namaken en verkopen tegen een lagere prijs. Haha! Ik zei: ‘Néé, ik ben kunstenaar, ik wil ze tekenen omdat ik ze zo interessant vind.’ Ik heb er naderhand een schilderij van gemaakt: twee rode vrouwenbenen met die schoenen. Ik heb het al lang niet meer gezien, ik weet niet waar het is.”

Uw tentoonstelling in het S.M.A.K. draagt de ­titel picky people notice...,. Welke betekenis geeft u eraan?

Picky people zijn mensen die alleen de fouten in mijn schilderijen zien. Een woord dat verkeerd gespeld is, een lijntje dat scheef staat, een haartje dat in de verf is blijven steken: kleine details die helemaal niks met de kwaliteit van het beeld te maken hebben. Picky people zijn dus eigenlijk gemene mensen, die altijd spijkers op laag water zoeken. Mensen die nooit zullen zeggen: ‘O, wat een verrukkelijk schilderij!’ ­People who miss the point. Door die titel te gebruiken zeg ik tegen hen: ‘Ik ken u wel, ik weet hoe u bent, maar kijk nu voor één keer naar de essentie.’ Als je een magnifiek stuk van Beet­hoven hebt gehoord, zeg je toch ook niet: ­‘Jamaar, hij was wel doof!’”

null Beeld  Dirk Pauwels
Beeld Dirk Pauwels

Bent u zelf picky?

“In sommige opzichten ben ik extreem picky. (schiet in de lach) Vooral als het over schilderijen gaat! Ik kan er niet tegen dat een schilderij te goedkoop is, of te arty, te simpel of te weinig simpel, te elegant of te weinig elegant...”

U kunt er ook niet tegen dat men uw schilderijen met kindertekeningen vergelijkt.

“Omdat het niet juist is. Kinderen doen wat ze doen omdat ze niet anders kunnen, omdat ze nog niet geleerd hebben hoe het anders kan. Ik streef er bewust naar dat mijn werk niet-gesofisticeerd lijkt en extreem toegankelijk is. Dat het er, kortom, niet uitziet als grote kunst. Maar ik kan best verdragen dat men mijn beelden vergelijkt met primitieve kunst. Of dat men ze instinctief en direct noemt, spontaan en speels, wars van elk academisme. Ik maak nu eenmaal geen catwalkkunst.”

De tentoonstelling in Gent opent met een schilderij van een Duitse vliegende bom, met een grote swastika erop. Bepaald niet kinderachtig.

“Ik heb die bommen zien vliegen toen ik een kind was! Alleen die swastika’s stonden er niet op, die heb ik er zelf aan toegevoegd. We noemden ze doodlebugs. Ze waren donker en dreigend, als middeleeuwse draken die door de lucht zoefden.”

Ze komen voortdurend terug in uw werk.

“Ja, wat de Mont Sainte-Victoire was voor ­Cézanne, zijn de doodlebugs voor mij. (lacht) Ik hou van herhaling. In feite bestaat ons hele leven uit herhaling. We trekken elke dag schoenen aan, poetsen elke dag op ongeveer hetzelfde uur onze tanden, eten op ongeveer dezelfde tijdstippen. Zelden verschilt de volgende dag van de vorige.”

Staan de doodlebugs voor een oerangst uit uw jeugd die u nooit meer heeft verlaten?

“Het was geen angst, het was opwinding! Ik was zes jaar toen de oorlog uitbrak. Mijn vroegste angst, dat was de boze stiefmoeder uit Sneeuwwitje en de zeven dwergen (de Disney-film die uitkwam in 1937, red.)! Haar ervoer ik pas als een reële dreiging. Ze maakte deel uit van een familie, ze had tot mijn familie kunnen behoren! Maar zo’n doodlebug vloog hoog in de lucht. Als de motor nog ronkte, wist je al dat hij verderop zou neerkomen, en niet op je eigen kop. Zolang je geen dierbare verloor, en dat was in onze ­familie gelukkig niet het geval, bleef de oorlog abstract. Hij drong niet binnen in je intieme kring.”

Een ander terugkerend thema in uw oeuvre is sport, met name tennis en voetbal. U hebt een tennistafereel geschilderd met het opschrift ‘England beats Belgium’.

“Ja, een portret van Andy Murray, waarschijnlijk tijdens een Davis Cup-match tegen België. Ik hou van dat werk! It’s so funny. Het ging er mij niet om wie gewonnen of verloren had, hoor, ik ben niet competitief ingesteld...”

Waarom tennis en voetbal?

“Met wijlen mijn echtgenoot keek ik vaak naar sportwedstrijden op tv. Hij hield van voetbal, ik zag liever tennis. Sportvedetten, en ook popsterren, zijn heel bruikbaar in mijn werk. Iedereen kent ze, ze zijn even laagdrempelig als high street fashion. (lachje) In tegenstelling tot schrijvers, filosofen en oh la la-art people (Wylie doelt op zelfvoldane mensen uit de kunstwereld, red.). Ik schilder ze net omdát die beelden al in het collectief geheugen zitten. Dus de toeschouwer kan perfect nagaan hoe ik ze getransformeerd heb: ‘Is dit Wayne Rooney? Bah, hij lijkt er niet op! En is dit Henry Thierry?’”

‘Ik kan best verdragen dat men mijn werk instinctief en direct, spontaan en speels noemt. Ik maak nu eenmaal geen catwalkkunst.’ Beeld Photo News
‘Ik kan best verdragen dat men mijn werk instinctief en direct, spontaan en speels noemt. Ik maak nu eenmaal geen catwalkkunst.’Beeld Photo News

Thierry Henry, bedoelt u?

“Ja, die. Zei ik het verkeerd? Haha. Hij viel me destijds op omdat hij zo’n mooie loopstijl had, sierlijk en een beetje loom, alsof hij een paar centimeter boven het gras zweefde. En ik hield ook van de vorm van zijn hoofd. Tot zover mijn kennis over Henry Thierry. Zeg ik het nu goed? Is hij een Belg?”

Nee, een Fransman, maar hij is wel assistent-­coach van de Belgische nationale ploeg.

“Interessant. Zo zie je maar: ik weet helemaal niks van voetbal. Ik let alleen maar op de beelden. Ik kijk naar de figuren, naar de shirts en de kousen die de voetballers dragen, naar de clubkleuren en de vlaggen, naar de dresscodes van de supporters. Ik hou van emblemen. Die zijn per definitie niet arty. Die zijn écht, ze komen ergens vandaan, ze verwijzen naar een geschiedenis...”

Veel van uw beelden en kleuren hebben iets tijdloos. Alsof ze nieuw en oud tegelijkertijd zijn, postmodern en premodern.

“Ja, ik geloof dat ik nogal transhistorisch ben, hihi. Ik gebruik beelden, kleuren en symbolen die er altijd zijn geweest. Ik hou van oude kunst en middeleeuwse kunst, van volkskunst en volksdevotie, van prehistorische grotschilderingen en tribale kunst, van popcultuur en Mexicaanse retablo’s. Heb je naar de begrafenis van Queen Elizabeth II gekeken op tv? De kleurenpracht van dat gebeuren! De leesbaarheid ervan ook, met al die wimpels, schilden, emblemen en symbolen. Dat was geen spektakel dat je kunt weergeven in flauwe waterverf, hè?

(wijst naar het nieuwe schilderij van haar huis) “Dit lijkt wel een gangsternest, vind je niet? Het schuilhol van een Colombiaanse drugsbaron! En toch is het mijn huis, haha.”

De twee lichtblauwe wolken erboven zijn fantastisch. Hoe ze contrasteren met het bruin van de gevel.

“Ja! Italiaanse renaissance, het blauw van Titiaan! Dat was het laatste wat ik heb toegevoegd. Waardoor het schilderij compleet van aanschijn veranderde. It jumped up, het maakte een sprongetje. Oorspronkelijk waren die wolken roze. Het hele ding was roze. It was rubbish.

Het is ook een cartoonesk beeld. In de linker­bovenhoek zweemt het naar Philip Guston.

“Dat bedoel ik! Het is allemaal aan elkaar gelinkt: cartoons, de spontane lijnen die kinderen trekken, tribale kunst, de grotschilderingen uit de prehistorie... Directheid is de verbindende factor. Het is niet zo belangrijk dat het beeld accuraat en haarfijn geschilderd is, het gaat om de opwinding en de overtuiging waarmee het wordt vastgelegd.”

Eigenlijk bent u een late generatiegenoot van de grote Engelse expressionisten: Lucian ­Freud, Francis Bacon, Frank Auerbach, Leon Kossoff. Van het getormenteerde dat hun werk kenmerkte – agressie, angst, verscheurdheid, twijfel – is in het uwe geen spoor. Alsof u in een andere tijd hebt geleefd. Hoe komt dat?

“Twijfels heb ik anders genoeg. De hele activiteit van het schilderen bestaat uit niets anders dan twijfelen. Twijfelen over wát je gaat schilderen en twijfelen over wanneer je moet stoppen. En als het ene schilderij af is, twijfelen over wat het volgende moet worden. Iets gelijkaardigs, of iets totaal anders?”

Ik zie alleen maar onwankelbare overtuiging, grenzeloos zelfvertrouwen en dolle schilderspret.

“Omdat ik mijn twijfels verstop. I cover them up! Dat is het verschil tussen mij en kunstenaars als Auerbach of Giacometti. Zij tonen het hele maakproces in hun werk; van elke fase die het heeft doorlopen blijft wel iets over. Maar ik hou van klaarheid en duidelijkheid. Ik hou van emblematische beelden. Dus ik werk mijn twijfels en mijn mislukkingen gewoon weg, ik wis die sporen uit.

“Soms plak ik een lap onbeschilderde canvas over een vlak dat mij niet aanstaat. En wanneer ik met olieverf op papier werk, schilder ik vaak zoveel versies over elkaar dat het papier zo dik wordt als karton. Ik maak ook collages met de beste stukken uit verschillende werken. Dat mag dan wel plezant lijken, maar het is en blijft verschrikkelijk moeilijk om het resultaat te ­bereiken dat ik wil bereiken.

(wijst opnieuw naar het schilderij van haar huis) “Kijk naar de bladeren uit mijn tuin die ik naast het beeld van het huis heb geschilderd. Dat zijn de blaadjes van een braamstruik. De eerste tekening die ik ervan heb gemaakt, echt waar, je wilt niet weten hoe slecht die was. Zo armzalig, zo ordinair, zo wanhopig: lager kon ik niet vallen.

null Beeld Courtesy the artist and David Zwirner
Beeld Courtesy the artist and David Zwirner

“Vervolgens ben ik er aan beginnen te werken, want ik had dat stuk nodig, anders viel het hele schilderij in duigen. Negen uur heb ik eraan gezeten! Negen uur van miserabele besluiteloosheid. Negen uur knippen en plakken, opnieuw en opnieuw en opnieuw. Tot ik eindelijk de tekening had die als basis heeft gediend voor wat je nu ziet.

“Het overzetten ervan op doek was opnieuw zo’n calvarie. De blaadjes waren te klein, ze hadden geen nerven, ze waren krachteloos. (denkt na) Nu ik er mezelf over hoor praten, denk ik: wat een droevig antwoord op een nochtans uiterst pertinente vraag! (lacht) Maar het is de harde waarheid. Het merendeel van wat ik doe komt niet tot stand in vlagen van vreugde en geluk.”

Nu weet ik nog niet hoe het komt dat uw ­tijdgenoten u niet hebben beïnvloed.

“Het minder melodramatische antwoord is: omdat ze geen tijdgenoten waren, kunsthistorisch gezien. Ik ben pas begonnen toen hun tijd voorbij was.”

Voelt u zich een Engelse kunstenaar?

“Ja en nee. Ik ben het natuurlijk wel, en het feit dat ik hier ben opgegroeid en altijd heb gewoond zal mijn werk wel enigszins kleuren, maar ik ontleen mijn eigenwaarde en mijn identiteit niet aan mijn nationaliteit. Dat interesseert mij totaal niet. Ik vind het zo onbelangrijk dat ik er zelfs niet over wil nadenken. Als je kunstenaar bent, gaat het om je werk en wat je uitdrukt in je werk. Al de rest is bullshit.”

Vorig jaar zei u in een interview met Paris ­Review: ‘In mijn werk kan ik ontsnappen aan klimaatverandering en hongersnoden, aan alles wat er nu bezig is in de wereld en wat ik zo haat.’

(opgewonden) “Ja, het is toch obsceen wat er nu gebeurt? Gruwelijk, afschuwelijk! Het gaat opnieuw over territorium en grenzen. Poetin roept Oekraïne uit tot Russisch grondgebied. Dat was het ooit, maar nu niet meer. Wat zal het volgende zijn? Dat Engeland roept dat India van ons is? Waar zijn we mee bezig? En dan dat dreigen met nucleaire wapens...

(denkt na) “Ik probeer in mijn politieke opstelling even duidelijk te zijn als in mijn werk. Ik ben groen. Ik ben tegen kernenergie. Wind en zon, dat zijn onze natuurlijke energiebronnen. Ik ben tegen de consumptiemaatschappij. Ik koop nooit iets, behalve verf, canvas en hout om mijn doeken mee op te spannen. Ik eet uitsluitend lokaal geproduceerde producten. Reizen doe ik niet meer, en al zeker niet met het vliegtuig. Het is zo simpel als wat. Eigenlijk ben ik een niet-actieve activist.”

Het is niet zo dat u de wereld de rug hebt toegekeerd, dat u verkiest om ongeïnformeerd te zijn?

“Neenee, ik ben liever geïnformeerd. Ik kijk elke dag naar het journaal. En dan haat ik wat ik zie.”

Toen u begin jaren 80 voltijds begon te schilderen had u twee kunstopleidingen achter de rug, en een half leven doorgebracht aan de zijde van een professionele kunstenaar. Wist u meteen wat u wilde maken? Zat u meteen op het juiste spoor?

“Ik had me twintig jaar lang beziggehouden met de opvoeding van onze kinderen, maar ik had niet op een andere planeet gezeten, hè. Ik was de evolutie van de kunst op de voet blijven volgen: het abstract-expressionisme, het Duitse expressionisme, de popart, de conceptuele kunst. We gingen naar tentoonstellingen, ik las de belangrijke publicaties, ik volgde bepaalde kunstenaars, af en toe gaf ik een beetje les... Je zou kunnen zeggen dat ik al een paar decennia bezig was toen ik eindelijk begon. (lacht) Ik was al een kunstenaar, alleen geen actieve, uitvoerende kunstenaar.

null Beeld Courtesy the artist and David Zwirner
Beeld Courtesy the artist and David Zwirner

“Dus de dag dat ik voor dat lege canvas stond en mijn kwast in de verf doopte, had ik niet bepaald last van plankenkoorts. Ik voerde de beelden uit die zich al in mijn hoofd hadden gevormd. En het was precies zoals ik het me had voorgesteld.

“Maar diezelfde dag ben ik wel gestopt met lezen. Vroeger las ik elke dag, de hele tijd, echt heel veel. Romans, poëzie, filosofie, noem maar op. Nu lees ik alleen nog kranten en af en toe een kunsttijdschrift. Schilderen, je eigen beeldenwereld creëren, valt onmogelijk te combineren met iets anders. Voor mij toch. Vanaf het moment dat ik mijn eigen verhaal in beelden begon te vertellen, ben ik opgehouden de verhalen van anderen te lezen.”

En vervolgens kreeg u een kwarteeuw lang geen reactie op wat u deed. Uw werk werd totaal genegeerd. Was dat niet frustrerend?

(aarzelt) “Mijn kunst slorpte mij helemaal op. Ik was alleen maar bezig met het creëren van beelden die werkten voor mij, die het karakter en de kwaliteit bezaten die ik erin wilde leggen, die écht waren, waarin ik kon geloven. Een voordeel van niet erkend worden is dat je in de luwte kunt werken: je wordt niet bekritiseerd, niet aangevallen, niet vergeleken met anderen. (denkt lang na) Mijn man hield van mijn werk. Dat was belangrijk. Hij moedigde me aan en steunde me. (krijgt glazige ogen) Maar inderdaad, hij was lange tijd de enige. Het was een moeilijke situatie. Veel mensen zouden er in mijn plaats mee gestopt zijn.”

Hoe komt het dat u dat niet hebt gedaan?

(lacht) “Ik had de omgekeerde reactie. Het gebrek aan respons maakte me zo mogelijk nog vastbeslotener om er iets van te maken. ‘I’ll show them’, dacht ik bij mezelf. ‘Mijn dag zal komen!’”

Bent u blij dat het succes u op de valreep toch te beurt is gevallen? Of doet het u ­weinig?

“Uiteraard ben ik blij. Maar ik ben ook blij dat het mij pas op latere leeftijd is overkomen. Een ster worden op jonge leeftijd: dat moet je echt niet willen, dan zit je pas goed in de val. Want dan word je gereduceerd tot een product met een beperkt aantal kenmerken, een naam met een imago. Iets nieuws proberen wordt ronduit gevaarlijk. Je loopt het risico dat iedereen zijn interesse verliest, gewoon omdat je niet meer aan het verwachtingspatroon beantwoordt. En zo word je de gevangene van je succes. Scary, als je het mij vraagt. Daar ben ik toch maar mooi aan ontsnapt!”

Heeft uw roem ook een tol? Voelt u druk?

“Ik trek het mij niet aan. Dat kan ik me permitteren, op mijn leeftijd. De enige druk die ik toelaat, is de druk die ik mezelf opleg. Vroeger werd ik voortgedreven door een verlangen naar erkenning, nu sloof ik me uit om de kwaliteit hoog te houden, om mezelf te blijven verrassen. Kunst is drassig terrein, weet u. Kunst kan zo verschrikkelijk slecht zijn: ordinaire rommel, criminele crap, foute boel. Dat moet je allemaal zien te vermijden. Geloof me, dat is hard werken.”

Werkt u nog elke dag?

“Bijna elke dag. En bijna elke nacht. Ik leef tegenwoordig op het ritme van de student: laat opblijven, laat opstaan. Mijn probleem is: ik kan niet stoppen. Het gebeurt dat ik ’s avonds nog wat tv zit te kijken, mij voorneem om rond middernacht naar bed te gaan, hier nog even binnenglip, iets zie wat mij niet bevalt, en prompt besluit om het schilderij waaraan ik bezig ben ingrijpend te veranderen. En dan blijf ik toch weer bezig tot drie, vier uur ’s ochtends. Het is dwangmatig, vrees ik.”

Is uw werkwijze veranderd sinds de dood van uw man in 2014?

“Ik werk nu meer en langer. Ik heb toch niks anders te doen. Niemand onderbreekt mij, ik moet voor niemand zorgen. Weet u wat mij nu de meeste voldoening geeft? Het feit dat ik eindelijk kan praten over mijn werk, met interessante mensen uit alle hoeken van de wereld. Zelfs met mensen uit België!”

Ik merk het. Men had mij gezegd dat dit gesprek maximaal anderhalf uur mocht duren omdat interviews u uitputten. We zitten hier ondertussen al zes uur.

‘En we zijn vergeten te eten! Sara (Chan, communicatiedirecteur bij David Zwirner, red.) heeft allerlei lekkers meegebracht uit Londen: Vacherin Mont d’Or-kaas, ham met truffels, artisjokken, oude parmigiano reggiano en héérlijke Chocolossus-biscuits van Fortnum & Mason. Kent u die? Beter dan Belgische chocolade! Beter dan kunst! Kom, aan tafel.”

Rose Wylie is met de expo picky people notice..., nog tot 30 april te zien in het S.M.A.K. in Gent, smak.be

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234