Zaterdag 19/10/2019

Interview

Roland Van Campenhout: “Mijn slechte ervaringen zijn ook mijn zegen geweest”

Roland Van Campenhout. Beeld Jef Boes

Als een strandjutter raapt Roland Van Campenhout (74) op zijn nieuwste plaat alle aangespoelde muzikale invloeden, die doorheen zijn leven van betekenis waren. Wij trokken met hem mee à la recherche du temps perdu.

Roland – aan zijn voornaam heeft hij genoeg – komt fluks binnengewaaid in een Gentse koffiezaak. Een aristocratische bontjas hangt om zijn schouders. De pels gaat hem eerlijk gezegd uitstekend af, als de Peetvader van de Belgische blues. Een titel waar hij nochtans niet zoveel mee heeft. Op decoratie is hij nooit uit geweest. En die ridderslag dekt eigenlijk maar deels de lading. Op Folksongs from a Non-Existing Land grasduint hij door folk, sjamanistische psychedelica, mantra’s en oosterse sfeerschepping. Lichtende voorbeelden als Bob Dylan, Joni Mitchell en Woody Guthrie zijn trouwens nooit ver weg.

Volwassenheid

Met een aanstekelijk enthousiasme en evenveel kinderlijke fantasie lijkt de nieuwe plaat gemaakt. Daar kan hij zich in vinden: “Volwassenheid vind ik een van de engste woorden”, geeft Roland grinnikend toe. Vroeger schreef zijn leraar Nederlands bovendien al op zijn rapport dat hij “last had van te veel fantasie”. Dat is kennelijk nooit verdwenen. “Ik zie op deze plaat een onbestaande wildernis voor me: een imaginaire wereld die eindeloze creativiteit voortbrengt.” Met Roland doken wij dan weer in zijn wilde verleden, op zoek naar de roots van zijn blues. Maar eerst moeten we toch even onze mentale gezondheid checken.

Ben ik ziek in mijn hoofd, of hoor ik u écht zingen over “clouds of semen” in ‘Swamp Adversity’?

(lacht) “Wees gerust: dat klopt. Die tekst werd geïnspireerd door James Booker, The Piano Prince of New Orleans. Ooit leerde hij Dr. John nog piano spelen en hij woonde ook een tijdje bij mij in Latem. Een onverbeterlijke junkie, maar net zo goed een tot de verbeelding sprekende figuur. Booker heeft een hele tijd in Angola State Prison vastgezeten (de grootste gevangenis in de VS, GVA). En je kan je ongetwijfeld iets voorstellen bij mannen die lange tijd in eenzame bewaring zitten: die masturberen als bezeten. Ik zal nooit vergeten hoe hij vertelde over die ‘wolk van zaad’ die over de celblokken hing. Ik vond dat een mooi, zij het ranzig beeld. (lacht) Dat net dit de eerste zin van de plaat is geworden, waarmee ik de luisteraar verwelkom, vond ik trouwens ook best geestig.”

Booker is een van uw vele generatiegenoten en vrienden die het niet lang heeft uitgezongen.

(knikt bedachtzaam) “Sommige jongens werden niet ouder dan 40, 50. Folkzanger Tim Hardin heeft ook nog even bij me ingewoond: zalig om muziek mee te spelen, maar ook al zo getroebleerd. Hij spoot methadon, in zijn linkerzak zaten uppers en in de rechter downers. En altijd een flacon bourbon binnen handbereik, om die pillen door te spoelen. Ik kon er indertijd wel wat van, maar ik zocht die gevaarlijke grens niet bewust op, zoals hij. Vandaag ben ik dus gelukkig nog altijd in goede gezondheid. (tikt op de tafel) Touchons du bois. Al vrees ik dat dit een formica tafeltje is.”

U noemde zichzelf nooit een hippie, maar beatnik. Die hadden zoals bekend een zwak voor heroïne. Heeft u zich ooit tot zulke rotzooi laten verleiden?

“Ik heb één keer heroïne gesnoven. Never again. Ik dacht dat het coke was, als dat al een verdediging kan zijn. (grinnikt) Mijn bassist ging na een royale snuif metéén - plof! - tegen de grond. Mij ging het veel beter af: zestien uur lang heb ik gitaar zitten spelen. Ik voelde me hemels. Ik waande me in de warme buik van mijn moeder. Ik besefte meteen dat ik razendsnel verslaafd kon raken aan dat spul.

“De ondraaglijke
comedown heeft me daar misschien van gespaard. Elléndig voelde ik me een dag na die ene sniff. Ik heb me er dus maar één keer aan laten vangen. Wel heb ik in die periode van alles wel eens geproefd. Het was de tijd van de psilocybine, de mushrooms. Zéér leuk. Die kon je toen trouwens zonder probleem verkrijgen. Daar hoefde je geen schimmige dealer voor aan te spreken.

“Met mescaline ben ik ook nooit slecht gevaren. En nadien de lsd, hè: dan trok ik de stad uit en stond ik een uur lang een boom te knuffelen. Nooit een
bad trip gehad. Misschien omdat ik alles in moderatie deed, en ook al niet zo’n angstig persoon ben. Alleen als ik bij de tandarts moet komen, schijt ik in mijn broek.” (lacht)

Roland Van Campenhout. Beeld Jef Boes

Ik had het niet direct uit dié hoek zien aankomen, maar Helmut Lotti heeft uw muziek misschien nog ooit het mooist omschreven.

“Ah bon. Wat zei hij dan?”

“De blues van Roland is donkerder en rootsier dan andere. Het lijkt alsof die vanuit de grond naar boven komt gekropen.”

“Dat heeft Helmut goed opgemerkt. (glimlacht) Dat gevoel heb ik inderdaad. Ze komt misschien zelfs rechtstreeks uit de kleiputten van de Rupelstreek waar ik ben opgegroeid. Sowieso speelt er vaak iets donker door mijn hoofd, wanneer ik de blues speel. Die móét namelijk zo doorleefd klinken, met hart en ziel. Er is weliswaar een grotere markt voor virtuozen die de juiste, pijnlijke grimassen maken op eenvoudig verzoek, maar ik zie te vaak dat ze het niet menen. Zoiets zou ik niet kunnen: na een concert voel ik me opgeladen én leeggezogen. Zoals het hoort. Op onvoorspelbare wijze jagen meestal herinneringen door mijn hoofd. Vrolijk zijn die niet altijd: dan denk ik aan mijn moeder die gestorven is, of aan mijn vader die verdronk in de kleiputten.”

U was vijf, toen uw vader stierf. Te jong om zo’n drama goed te beseffen, maar oud genoeg om hem toch gekend te hebben. Wat herinnert u zich nog?

“Een van de vroegste herinneringen uit mijn kinderjaren is: mijn moeder die flauwvalt nadat ze het verschrikkelijke nieuws heeft vernomen. Mijn vader was nochtans een uitstekende zwemmer. Van mijn vader zelf zijn maar enkele flitsen haarscherp bijgebleven. Ik zie hem bijvoorbeeld nog thuiskomen van zijn werk bij Bell Telephone, terwijl ik op de stoep met een mondharmonicaatje zit te prullen.

“Als kind dringt de ‘dood’ natuurlijk amper tot je door. Ik wist alleen dat er iets onherroepelijks was gebeurd. Iets wat onmogelijk was terug te schroeven. Dat zag ik immers aan het verdriet van mijn moeder. Zelf denk ik dat ik er snel overheen ben geraakt. Na de dood van mijn vader werd ik vijf jaar lang vertroeteld en verwend. Maar ondanks die vage herinnering aan hem, heeft mijn vader toch altijd een grote indruk op mij gemaakt. Hij was jazzmuzikant, net als mijn grootvader. Zonder hen zou ik allicht niet geworden zijn wie ik ben.”

Hoe verliep uw jeugd daarna?

“Een paar jaar later kwam een stiefvader in beeld… dát was een heel ander verhaal. Van de ene dag op de andere was ik troetelkindje af, en werd ik Assepoester. Dat was een door en door slechte mens. Mijn moeder kreeg al eens kletsen, wanneer hij vrijdagavond zijn loonzakje ging opzuipen en schijtezat thuiskwam. Een keer mikte hij een bord koude spaghetti naar haar hoofd. Drie hechtingen. Alle clichés van Louis Paul Boon die je je kan voorstellen: dat was de situatie bij ons thuis. In het buurtcafé noemde hij me steevast ‘Het Zaad van een Ander’, zelfs als ik er bij zat. In dat café heeft hij nog een peperdure saxofoon van mijn vader verkocht, om verder te kunnen zuipen. Zo’n slechte mens, dus.”

Die situatie is toch onhoudbaar als puber?

“Op mijn veertien ben ik van huis weggelopen en ging ik wonen in de Grote Stad, Antwerpen. Daar heb ik mijn moeder veel verdriet mee gedaan. Ik voelde me nog schuldig over die beslissing, maar ik móést weg of ik had die kerel misschien iets aangedaan, en de rest van mijn leven in de bak gesleten. Ik heb één keer naar hem uitgehaald, maar wat kan je als broekventje beginnen tegen een bouwvakker?”

Wat kan je als broekventje beginnen tegen het harde leven in je eentje?

“Tussen mijn veertien en mijn achttien was ik de man van twaalf stielen en dertien ongelukken. Verkleed als reusachtige mayonaisepot van Devos-Lemmens stond ik bijvoorbeeld aan de ingang van de supermarkt. (lacht) In het geniep dronk ik dan, en zo ben ik één keer vlak tegen de grond gegaan. Ik raakte niet meer recht in dat pak. Wat een potsierlijk zicht. (lacht) Ik heb aan de lopende band gestaan, maar van dag één wist ik dat de rest van mijn leven er zo niet kon uitzien. Ik zat toen om de haverklap op het toilet in Jack Kerouac te lezen – de ploegbaas zou nooit mijn beste vriend worden.” (lacht)

Hoe kijkt u, als vader, terug op die bewogen jaren?

“Niet met bitterheid. Die slechte ervaringen zijn in mijn geval ook een zegen geweest. Ze hebben me geboetseerd tot de man die ik werd en nu ben. Ook mijn moeder ging er achteraf nuchter mee om. Over dat huwelijk zei ze op het einde van haar leven: ‘Ik had beter in mijn broek gescheten. Met één keer te wassen, was het eruit geweest.’ Voilà: een beetje volkse wijsheid voor u. (lacht)  Wat ik wel heb overgehouden aan mijn stiefvader: ik kan het absoluut niet verdragen wanneer mensen ruziemaken. Mijn maag keert dan letterlijk om.”

Heeft u zich tijdig verzoend met uw moeder?

“Ja. Die kerel is tot mijn grote vreugde op een dag lompweg doodgevallen tijdens een wandeling in Blankenberge. Bad karma, het bestaat. Ik was op dat ogenblik al een deel van de wereld aan het rondreizen als wasbordspeler met een Engelse groep: een goeie leerschool. Toen we in Antwerpen passeerden, ben ik met die bende taart gaan eten bij mijn moeder.” (lacht)

“Preciés op haar negentigste verjaardag is ze uiteindelijk overleden. Het verstand komt niet voor de jaren, zei mijn moeder vroeger. Dat klopt, merk ik. Ik denk dat ik nu pas bij de juiste versie van mezelf ben aanbeland, als ik mezelf zo onhandig mag uitdrukken. Het lichaam is zwaarder versleten dan dat van de jongen uit de jaren 60, maar ik voel me stukken beter in mijn vel. De jeugdige roekeloosheid is er ook goeddeels uitgeborsteld. Vroeger reed ik soms stomdronken terug na een concert. Op weg naar datzelfde optreden had ik meestal al een fles Jack Daniel’s in mijn hand. Die was leeg voor ik aankwam. Daar mag ik nu niet meer aan denken. Volkomen onverantwoord.”

Roland Van Campenhout. Beeld Jef Boes

Niet om advocaat van de duivel te spelen, maar had u soms het gevoel dat u straalbezopen beter speelde?

“The devil has the best tunes, hè. Maar eigenlijk was drinken altijd een gok. Ik kon soms erg bevlogen spelen, dat ik boven mezelf uitsteeg. Maar voor hetzelfde geld sloeg ik gewoon stommiteiten uit mijn botten. Ach… drinken deden we in die tijd bijna allemaal. Mijn goede vriend, mijn broer, Rory Gallagher (legendarische gitaarvirtuoos, GVA) kon ook heel wat verzetten toen ik hem leerde kennen: om tien uur stond de brandy en port al klaar. Een Ier, hè.”

Boom was in de jaren 50 vast ook zo’n beetje het Ierland van Vlaanderen. Misschien vonden jullie ook daar een raakvlak.

(grinnikt) “Zo had ik het nog nooit bekeken. Maar in Ierland zag ik krek dezelfde kleine arbeidershuisjes als aan de steenbakkerijen waar ik opgroeide. Rory ben ik overigens nog altijd dankbaar. Hij zag me ooit spelen, en na een paar drankjes was het beklonken dat ik de rest van de tour mee de hort op mocht. Zalen als Olympia en de Royal Albert Hall, Montreux… Van zo’n leerschool kan je toch alleen maar dromen?”

U bent erg spiritueel, maar ik heb nooit geweten of u als kind gebukt ging onder het traditionele, katholieke juk. Dat zou mogelijk kunnen verklaren waarom u op deze plaat hulde brengt aan occultist Aleister Crowley.

“Ik vind het zalig om in een kerk binnen te gaan, maar ik geloof niet in de Bijbel of andere sprookjes die de massa zoet houden. Meer nog, ik kom uit een familie van ongelooflijk fanatieke ketters. Mijn moeder, die in 1914 geboren is, werd zelfs nooit gedoopt! Ongezien, in die tijd. Als kind mocht ik nooit spelen met de leerlingen van het (katholieke, GVA) college. Natuurlijk werden dat mijn beste vrienden. (grinnikt) Als de pater een uur godsdienst kwam geven, moest ik elke keer naar buiten. De perfecte aanleiding om voortdurend kattenkwaad uit te halen: schoenveters aan elkaar binden, jassen in een knoop draaien. (lacht) Een geluk dat ik niet naar de biecht moest.”

Bij mij komt u er minder makkelijk onderuit. Heeft u ergens berouw van in uw leven?

“Na 70 jaar kan ik daar wel een boekje mee aanleggen. Maar échte spijt? (lacht) Ik lig nog weleens wakker van Leonard Cohen, die ik had kunnen ontmoeten. De promotor van zijn concerten vroeg of ik mee uit eten wilde gaan, en om weet-ik-veel welke reden heb ik dat niet gedaan. Domme, domme, domme kloot die ik ben. Maar verder... Voortdurend achteromkijken met wroeging: dat heeft toch weinig zin?”

Cohen leed aan loodzware depressies. Kreeg u ooit een knauw van de Zwarte Hond?

“In mijn jonge jaren lachte ik met depressie, tot ik er zelf een paar voor de kiezen kreeg. Korte maar hevige periodes waarin niets nog licht bood. Maar ik klim altijd weer vrij snel uit dat dal. Er zijn drie zaken die me in leven houden. Humor, muziek en mijn dochter. Ze is er nu 30, maar dat blijft mijn kleine kindje. Als ze eens een dag niet belt, ben ik meteen ongerust.”

“Ik ben er wel van overtuigd dat ik zonder muziek en mijn podium misschien al lang iemand met een bijl de kop had ingeslagen. Nee, dat zeg ik níét om te lachen.”

Bluesmannen moeten op hun beurt dan weer in het zadel sterven, wordt wel eens geopperd. Voelt u die drang om tot het bittere eind te blijven spelen?

“Absoluut. Ik heb het publiek nodig. En ik hoop eerlijk waar nog elke dag dat ze ook mij nodig blijven hebben.”

Folksongs from a Non-Existing Land verschijnt in eigen beheerRoland speelt 2/2 in de Roma, Borgerhout.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234