Vrijdag 18/10/2019

Portret Robert Smith

Robert Smith viert 40 jaar The Cure: wie is deze iconische rockheld?

Beeld Andy Vella

Veertig jaar geleden debuteerde The Cure. Straks viert de iconische Britse groep dat met een zevende passage op Rock Werchter. Voor alle jonkies zonder kraaienkapsel, of voor nostalgici met alzheimer die zich zouden afvragen: wie is Robert Smith nu ook alweer? En: what is his trick that makes you scream? Een portret met zijn eigen lyrics als leidraad. 

“It’s a perfect day to throw back your head and kiss it all goodbye” (uit: ‘Doing the Unstuck’) 

“It doesn’t matter if we all die” (uit: ‘One Hundred Years’) 

Is Robert Smith een excentrieke ­misantroop en verwaaide vogelschrik, zoals de mythe voorschrijft? Een ­suïcidale vampier met uitgesmeerde lipstick? Een idealistische romanticus? Of zoals Michael Stipe van R.E.M. – nochtans grote fan – het verwoordde na de release van Seventeen Seconds (1980): “a nihilist in a leather jacket moaning over a blah tempo”. Zou het?

“De grootste fout die fans begaan, is dat ze naar één bepaalde song luisteren en denken dat ik áltijd zo ben”, schokschouderde Smith al vaak over zijn imago en reputatie. “Als mensen zich blindstaren op één aspect, kan het inderdaad overkomen alsof ik de tragische figuur ben die ik eigenlijk ook wel was op een zwartgallige plaat als Faith.” (uit 1981) 

Billy Corgan van The Smashing Pumpkins treedt Smith bij. Ten tijde van ‘Ava Adore’ verklaarde hij zijn liefde voor The Cure als volgt: “Hun bekendste liedjes gaan vermomd als bedrieglijke popdeuntjes, terwijl binnen een inktzwart hart bloedt. Maar net zo goed geldt het omgekeerde bij Robert Smith: onder mineurakkoorden en zijn gepijnigde stem gaat iemand schuil die geliefd wil zijn, of zelfs gewoonweg geil is.”

Klopt ongetwijfeld: ondanks zijn doemerige en moody reputatie dolt Smith wel vaker met dubbelzinnig­heden en innuendo’s. Of zijn wij de enigen die een seksuele ondertoon bespeuren in “We should have each other for dinner / We should have each other with cream uit ‘The Love Cats’?

Over lichaamssappen gesproken: de eerste kennismaking tussen Smith en Corgan was er kennelijk eentje om in te kaderen. Smith herinnert zich hoe hij de zanger van de Pumpkins onderkotste in een bar, waar de muziek zo luid stond dat ze moesten roepen in elkaars oor. Smith voelde iets opkomen, en nog voor hij zijn gesprekspartner een waarschuwing kon geven, zat die van kop tot teen onder de smurrie. “Billy was niet de eerste op wie ik ooit gekotst heb, en mijn drankverbruik in acht genomen ­waarschijnlijk ook niet de laatste.”

Corgan houdt er een lichtjes andere lezing van de feiten op na. In 2012 vertelde hij aan een radiostation: “Robert tried to make out with me that night. Geen grap. Ik zei hem dat ik alleen van meisjes houd. Waarop hij: ‘Dat is goed. Ik bén een meisje.’ En toen kotste hij zowat mijn schoenen onder.” 

“Please say the right words / Or cry like the stone white clown / And stand / Lost forever in a happy crowd” (uit: ‘Faith’)

In roddelrubriekjes, eregalerijen, op societyfeestjes of “forever in a happy crowd” tref je Smith zelden tot nooit aan. In zijn vriendschappen met andere muzikanten trekt hij dan ook de lijn wanneer die gewillig poseren voor tabloids: “Dat is zo’n onder­mijning en belediging van alles waar rock-’n-roll ooit voor stond. Het is pathetisch.”

Anno 2019 is er niet veel veranderd. Toen de Amerikaanse tv-presentatrice Carrie Keagan The Cure al te enthousiast mee over de rode loper trok nadat ze officieel een plekje in de Rock & Roll Hall of Fame hadden gekregen, merkte je meteen een blik van stille walging bij Smith. “Gefeliciteerd!” kirde ze manisch. “Ben je nét zo enthousiast als ik?” Maar de frontman deelde die opgeklopte vreugde duidelijk niet. Na een ongemakkelijke pauze antwoordde hij gortdroog: “Umm, by the sounds of it? No.” Die zát. Het filmpje ging meteen viraal. “Ik ben blij dat ik niet heb gezegd wat er toen écht door mijn hoofd ging”, ginnegapte Smith later in een radio-uitzending.

“However big I ever feel / It’s never enough / Whatever I do to make it real / It’s never enough” (uit: ‘Never Enough’)

Zijn beste vrienden – niet u of ik – mogen hem Fat Bob noemen. Een gruwelijk koosnaampje dat Robert Smith dankt aan zijn periode als leadgitarist van Siouxsie and the Banshees (1982-’84). Smith noemt zichzelf dan ook onmetelijk gulzig, net zoals “the Spiderman” uit ‘Lullaby’. Nooit genoeg, nooit verzadigd. “An addictive personality”, noemt hij het zelf. Ten tijde van Faith, Pornogra­phy en The Top mocht je dat ook grimmiger interpreteren. In die periode zou hij karrenvrachten coke, sterke drank, mushrooms en zelfs lsd verzet hebben. 

En ook later zou hij naar eigen zeggen nooit helemaal nuchter op het podium gestaan hebben. “Ik leg de lat zo hoog voor mezelf dat het onmogelijk wordt zonder in een roes te verkeren”, zei hij ­daarover. “Dat klinkt misschien onvolwassen. Maar weigeren op te groeien is hetzelfde als weigeren je te verzoenen met je eigen beperkingen. Daarom zal ik wellicht nooit opgroeien. “Er is bij mij nooit een grens geweest tussen leven en werk. Ik merk dat een plaat ook beter wordt naarmate die scheidingslijn ­vervaagt.”

“It’s such a long end” (uit: ‘A Forest’)

Vrijdag 28 juni speelt The Cure voor de zevende keer op Rock Werchter. Daar waren verschillende legendarische passages bij, maar de fans van het eerste uur koesteren ongetwijfeld nog het meest de editie van 1981. We zeggen en schrijven zondag 5 juli, late namiddag. Een 22-jarige Smith moet zijn laatste song al na een half uur aankondigen. Het Britse trio is misnoegd. De roadies van Robert Palmer kwamen net het podium opgelopen en dreigen om de ­stekker eruit te trekken als ze niet meteen zouden stoppen.

Het subversieve, tegendraadse karakter van Smith speelt daar voor het eerst publiekelijk op. Ze mogen nog één nummer spelen, en dat wordt ‘A Forest’. Na vijf minuten zie je de frontman iets bedisselen met bassist Simon Gallup, en Smith verzint ter plekke een nieuw couplet. Hij zingt onophoudelijk pesterig “it’s such a long end” - al durven de überfans al eens te beweren dat het onschuldiger “it’s such a longing” zou zijn. Na bijna negen minuten houdt de groep het ­eindelijk voor bekeken. Gallup schreeuwt nog “Fuck Robert Palmer!” en verlaat het podium. Ter vergelding schoppen de roadies alle versterkers van The Cure van het podium. Maar Smith heeft zijn gram gehaald: “Het was grandioos!” laat hij achteraf optekenen. 

Hoe timide Robert Smith ook overkomt, voor een deel lijkt dat maar schijn: in de daaropvolgende jaren zou hij namelijk ook de handschoen opnemen tegen modeontwerpers, rappers, Pulp, Suede, The Doors, Morrissey en... beschamend genoeg ook zijn held David Bowie. In een voor hem geregeld interview kwam de frontman van The Cure boven zijn theewater binnen. Zijn openingsvraag: “Hey David, can we both agree you’ve never done anything good since 1982?” Pijnlijk.

“Oh you know how it is / Wake up feeling blue: and everything that could be wrong is including you (…) Yeah get up get out and have some fun / You have to get up get out and get gone!” (uit: ‘Gone!’)

Get out and have some fun? Aan Robert Smith is nooit een lachebekje verloren gegaan op het podium. Met zichtbare moeite bekleedt hij zijn positie als frontman. Het kost hem zelfs zo veel energie dat een optreden van The Cure nooit echt een levendig of dynamisch gebeuren is. De roerganger van de groep zie je tijdens hun marathonconcerten amper bewegen. De reden daarvoor? “Enerzijds ben ik de spilfiguur omdat ik totale controle wil, anderzijds zou ik het liefst achteraan op het podium in het donker spelen. Ik ben altijd bloednerveus geweest om het podium op te gaan.”

Dat was vroeger ook zo: “Toen we in pubs speelden, was ik de dronken ritmegitarist die de weirde songs bedacht, maar ze nooit zong. We hebben zo’n vijf verschillende zangers gehad – they were fucking useless, basically. Ik haatte mijn stem, maar niet meer dan die van iemand anders. Hoewel ik de leider van The Cure ben, denk ik niet dat je me ooit solo zal zien gaan. Daar ben ik het soort mens niet voor. Ik ben geen naturelle performer, zoals Iggy Pop die boven zichzelf uitstijgt op een podium.”

Desondanks werd Smith een iconische rockheld, tegen wil en dank. Trent Reznor van Nine Inch Nails snapt waarom, zei hij bij de inhuldiging van The Cure in de Rock & Roll Hall of Fame. Als jonge puber hoorde hij hun muziek voor het eerst. “Op slag raakte deze band een gevoelige snaar. Ik had nog nooit zoiets in mijn leven gehoord. De duisternis die ik in mijn hoofd voelde, hoorde ik door de luidsprekers komen. Het was alsof deze muziek alleen voor mij was geschreven. Ik worstelde mijn hele leven met het gevoel dat ik nergens bij hoorde. Tot ik Robert Smith hoorde, en de emotie in zijn stem – van woede, verdriet en wanhoop tot schoonheid, broosheid en vreugde. Toen voelde ik me plotseling verbonden, niet meer zo alleen.”

“You’re so perfect, you’re so right as rain / You make me hungry again / Everything you do is irresistible / Everything you do is simply kissable / Why can’t I be you?” (uit: ‘Why Can’t I Be You?’)

Smiths vriendin Mary zou ook het meisje zijn dat hem als tiener ontmaagd heeft. “Ze was niet het mooiste, maar wel het liefste meisje van de school”, zei hij daar later over. “En degene die me ’s morgens ziet: naakt en kwetsbaar. Mary houdt me ­normaal. Zij is mijn veiligheidsnet, ­verschaft me stabiliteit. Ik mag haar op mijn blote knietjes bedanken omdat ze ondanks alle rotzooi bij me gebleven is, en me voor levensgevaarlijke ­rampen heeft behoed toen ik nog zwaar snoof en dronk.”

Ook zijn angsten zou zij mee in toom helpen houden. Een kleine bloemlezing? Smith zou zo’n vliegangst hebben dat hij jarenlang naar Amerika afreisde met de Queen Eli­sabeth II, het legendarisch passagiersschip dat jaren geleden met pensioen werd gestuurd. Zijn alcoholverslaafde oom bezorgde hem dan weer een levenslang trauma met angstaan­jagende verhalen over slangen en ­spinnen. Weet u meteen waar hij de inspiratie voor ‘Lullaby’ haalde.

“You’re just a waste of time / You’re just a babbling face / You’re just three sick holes that run like sores / You’re a fucking waste / You’re like a slug on the girl / Oh you’re useless and ugly / And I shiver and shake” (uit: ‘Shiver and shake’)

Een van de donkerste hoofdstukken in de geschiedenis van The Cure moet het geruchtmakende proces geweest zijn dat toetsenist en drummer Laurence Tolhurst tegen zijn eigen groep aanspande. Die was erbij vanaf het eerste uur, maar in een neerwaartse spiraal van drugs, alcohol en zelfoverschatting werd hij in ’89 uit de groep geflikkerd. Zelf beweerde hij dat The Cure “gekaapt” was door Smith, die alle credits op het album The Head on the Door zelf opeiste en de taak van Tolhurst in de liner notes van Disintegration snerend had omschreven als: ‘other instrument’. Het proces werd een smadelijke en publieke afgang voor de dolgedraaide en ­daardoor van meet af aan kansloze toetsenist.

Tijdens de opnames van ‘Shiver and Shake’, met een van de meest agressieve songteksten van Robert Smith, vroeg hij Tolhurst om voor hem te komen staan in de studio. Zodat hij de tekst met “méér gevoel” kon zingen. Auwch.

De plooien werden jaren later min of meer gladgestreken, maar Smith zou het “hoogverraad” van zijn spitsbroeder nooit meer vergeven en vergeten. “Eens je er bij mij gelegen hebt, kom ik daar niet op terug”, klonk het een paar jaar geleden nogal wrang. “Een pub die ons in de beginjaren als stront behandelde, wilde ons nadat we succesvol geworden waren, opnieuw boeken als ereact. Over mijn lijk.”

“And I know I was wrong, when I said it was true / That it couldn’t be me” (uit: ‘In Between Days’)

Robert Smith is een man met onwrikbare principes, lees je vaak. Zo weten zijn groepsleden dat discussies “mogelijk” zijn, maar dat hij als een verlicht despoot steeds zal beslissen dat zijn oplossing de beste is.

Iedereen die The Cure kende, was dan ook verbaasd dat de groep plots toestemming gaf om muziek te laten gebruiken (“misbruiken” in eerdere Smith-termen) voor reclamecampagnes: ‘In Between Days’ voor de Fiat Punto en ‘Pictures of You’ voor HP in Amerika. En dat allemaal nadat ze een proces hadden gewonnen tegen een tandpastamerk, omdat het de song ‘Close to Me’ door anonieme ­muzikanten had laten naspelen.

De reden voor die plotse bocht? “Een probleem met ons label”, verontschuldigde hij zich later bij de fans. “Als ik de controle over onze songs wilde behouden, moest ik ­onszelf uitkopen en daarvoor was veel geld nodig. Anders zou het net voelen alsof ik een hypotheek op de band had gelegd. Ik ben zo hevig gekant tegen muziek in advertenties... Er stond gelukkig geen zang op de muziek, zodat niemand écht wist dat wij het waren. Dus dat was prima. Het klinkt cynisch, maar ik ben gezwicht door een jongere generatie die zegt dat het niemand iets kan schelen wat er met je muziek gebeurt. Maar ik denk nog steeds dat het verkeerd is, en dat wij hier niet voor staan.”

“I can’t find myself / I got lost in someone else” (uit: ‘Lost’)

De popgeschiedenis bulkt van mee­dogenloze faustiaanse pacten. Het uiterlijk van een artiest op zijn hoogtepunt wordt meteen bevroren in de tijd, terwijl diezelfde tijd niet zo ­genadig is voor elke look. De warpaint van Robert Smith was bijvoorbeeld populair in de jaren 80 en 90, maar het zal ons benieuwen hoeveel veertigers en vijftigers straks nog het voorbeeld van hun idool zullen ­volgen op Rock Werchter. En hoe lang denkt Smith zélf weg te komen met de haastig aangebrachte lipstick, eyeliner en een uitdunnend ravenkapsel? “Die theatrale opsmuk heb ik zélf nodig om in de spotlights te durven staan”, beweert hij. “Om mezelf te ­verliezen in iemand anders. Maar ik vraag me ook wel af hoe lang ik dit kan volhouden. Ik zal op een dag ontwaken en denken: ‘Spreek ik nu nog stééds over die band?’ Ik ben niettemin oprecht ­verbaasd hoeveel liefde er nog steeds is voor The Cure.”

En wat daarna? Een kluizenaar of nachtraaf zal hij niet worden. “Ik tuinier, speel tennis en badminton met mijn neefjes en nichtjes”, liet Smith zich al eens ontvallen als een fatsoenlijke burger. Hij sponsorde ook een lokale voetbalploeg (FC The Cure) en een aanzienlijk deel van zijn fortuin gaat naar goede doelen. “De schuld van mijn katholieke opvoeding”, denkt de frontman van The Cure. Of boetedoening voor legendarische lyrics als “Rape me like a child / Christened in blood / Painted like an unknown saint.” Dát kan ook.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234