Zaterdag 30/05/2020

InterviewBoeken

Plattelandsdichter Paul Demets: ‘Ik kreeg een klaterend applaus van de koeien’

Paul Demets: ‘Het is een brug te ver om altijd maar weer landbouwers als dieren­haters aan te duiden.'Beeld Wouter Maeckelberghe

Als plattelandsdichter van de provincie Oost-Vlaanderen liet Paul Demets (53) zich gewillig uit zijn schrijfkamer jagen. In De aangelanden brengt hij het relaas van dit veldwerk. ‘Men kapt vreemde bomen, legt overal paden aan, bant de wildernis. Als een soort xenofobie tegen de natuur.’

Dichters gaan soms met hun voeten in de modder staan. Paul Demets weet er alles van, al zou je dat niet meteen vermoeden als je naar zijn tere schoeisel kijkt. “Ik heb van nabij varkens geobserveerd”, zegt hij met een uitgestreken gezicht. “Intelligente ontsnappingskunstenaars zijn het, geloof me. En ik las poëzie voor in een winderige koeienstal, staande op een wankele stoel, terwijl de mestgeuren me in de neus krulden. De beesten gaven me nadien een klaterend applaus. Goed voor tien liter melk, schat ik.”

Vier jaar lang, tot eind december 2019, bekleedde Demets de zopas door besparingsijver opgeheven functie van Oost-Vlaams plattelandsdichter. De gelauwerde poëet en criticus nam zijn ambt uitermate serieus. “Ik ging letterlijk de boer op en trad in dialoog met zowel mensen als dieren. Om zowel de fraaie als minder fraaie kanten van het plattelands- en dorpsleven te tonen. Om bovendien een publiek te bereiken dat minder met poëzie vertrouwd is. Precies daarom trok ik naar dorpsfeesten, kerkhoven, parken, weiden of las ik voor op pleinen in de brandende zomerzon. En liet ik het zoveelste cultureel centrum links liggen.”

“Documentaire poëzie”, zo omschrijft Demets het resultaat van zijn excursies te velde, gebundeld in De aangelanden. Daarin maakt hij in heldere, toegankelijke maar evengoed gevoelige én zintuiglijke verzen de inventaris op van het veranderende dorps­leven en van belaagde landschappen. Maar ook een zieke paardenkastanje of de Schoonste Boerin krijgen een aubade.

Natuurthema’s injecteerde hij ook in zijn nieuwe dichtbundel De hazen­klager, getiteld naar het fluitje dat jagers hanteren om hazen te lokken. Het perspectief van het dier speelt een hoofdrol, net als de zoektocht naar identiteit en de klimaatverandering, met een fascinatie voor Greta Thunberg.

Toch schuwt Demets in zijn poëzie – onlangs bekroond met de Jan Campertprijs – het kleinmenselijke drama niet. Zoals in het gedicht ‘Tektoniek’, over een jongen die verongelukte op een landbouwbedrijf. Of ‘Weg’, over drie meisjes die in november 2009 door een roekeloze chauffeur in Oosterzele van een provinciale weg werden gemaaid. ‘Stoepranden putdeksels het suizen van rubber op asfalt / Er is een dag op komst waar niet aan te ontkomen valt / Steenslag spat op / As over het gras.’

“Als vader van twee dochters ligt dat gedicht me zeer nauw aan het hart”, zegt Demets in de leraarskamer van het Gentse KASK, waar hij doceert. “Fietsdoden zijn een plaag in Vlaanderen. Niet enkel in steden, maar steeds meer ook op plattelandswegen. Ik ben er trots op dat ‘Weg’ is gebruikt om te sensibiliseren.” Achtentwintig Oost-Vlaamse politiekorpsen deelden een postkaart met het gedicht uit aan chauffeurs bij vliegende BOB-alcoholcontroles. Zo bereikte het meer dan vijfduizend autobestuurders. Weinig dichters kunnen prat gaan op zo’n hoge oplage, beseft Demets.

“Met ‘Weg’ stuitte ik voor het eerst ook op de ethische grenzen van mijn poëziepraktijk”, bekent hij. “Voor dit gedicht praatte ik vooraf met de ouders. Maar toen ik hen het resultaat toestuurde, kwam er aanvankelijk slechts één reactie van een ouder: ‘Ik vind het een rauw en gevoelloos gedicht.’ Dat schokte me. Dit was bedoeld als eerbetoon. Ik wou absoluut geen wonden openkrabben. Als dat zo binnenkwam, kon ik dat gedicht maar beter in de schuif houden, toch? Toen deed ik iets wat ik nooit eerder had gedaan. In een mail lichtte ik regel per regel toe. Waarna ik een warme reactie van diezelfde vader kreeg: ‘Ik ben geen poëzielezer,’ zei hij, ‘maar nu ben ik mee.’ Uiteindelijk bleken alle ouders erg verguld met ‘Weg’.”

Bijna-doodervaring

Voor Demets markeert het plattelandsdichterschap een dramatisch sleutelmoment in zijn leven. Het bleek dé strategie om weer op te krabbelen. “In 2015 beleefde ik een bijna-doodervaring door een hartstilstand. Een fysieke maar ook een zware mentale klap. Wat moest ik nu doen met mijn leven? Het roer omgooien? Of toch les blijven geven én dichten? Nog tijdens mijn herstelperiode liet ik me door deze opdracht uit mijn schrijfkamer jagen. Door uit mijn comfortzone te treden, kon ik mezelf weer opbouwen.”

‘Ik trok naar dorpsfeesten, kerkhoven, parken, weilanden. Ik wilde een publiek bereiken dat minder met poëzie vertrouwd is.’Beeld Wouter Maeckelberghe

De affiniteit van Demets met het platteland komt niet uit de lucht vallen. “Ik ben een kind van de Leistreek dat nu in het licht ‘verappartementiseerde’ Zulte woont”, zegt hij mild schamper. “Zowel bij mijn grootouders als bij mijn ouders hadden we dieren. Ik heb gezien hoe men konijnen en kippen slachtte. Ik was er bij toen schapen lammerden. Ik heb met mijn handen in de aarde gewroet. En op de middelbare school was mijn beste vriend een boerenzoon. Dat zorgt voor een intense verbondenheid.”

Toch kampt Demets “met een groot verlangen en fascinatie naar de stad”, zo bekent hij. “Ik moet regelmatig naar Italiaanse steden, Berlijn, Londen, Parijs… Stadsdynamiek prikkelt me. En vergeet niet dat het platteland absoluut geen idylle is. Roddels, na-ijver en geruchten voeren er de boventoon.” Demets huivert van de naïef idealiserende én nostalgische blik. “Ik pleit niet voor een Bokrijk, ik werp mij niet op als een purist van het platteland. Mij intrigeert dat eeuwige spanningsveld tussen stad en platteland.”

“Ik ken ze maar al te goed”, zucht Demets. “De beter bemiddelde lieden die wegvluchten uit de stad, hier te velde gronden opkopen en paarden gaan fokken. En dan ontstaan er wrijvingen met de plaatselijke landbouwers. De stedelingen bouwen hun stulp naast een boerderij en binnen de kortste keren heeft die boer een klacht aan zijn been wegens geurhinder. Tja. Als je naar het platteland verkast, weet je toch dat je een bepaald detail niet mag vergeten?” (lacht)

Een andere doorn in het oog van de dichter is ‘de verparking van het platteland’. Ooit schreef hij erover in deze krant, in een hommage aan Paul De Wispelaere: ‘De natuur, dat is iets voor zondagse uitstapjes geworden. De terreinwagens zoeken een plaatsje op de parking. En dan met zijn allen de laarzen aan. Stel je voor dat er modder ligt.’

Ja, knikt Demets, daar sta ik nog steeds achter. “De natuur wordt tegenwoordig te allen prijze gedomesticeerd. Men gaat vreemde bomen kappen, overal paden aanleggen, wortels afzagen van veteraanbomen en alle wildernis uitbannen. Als een soort xenofobie ten opzichte van de ongebreidelde natuur. De authenticiteit van een landschap waar mensen decennialang mee vertrouwd zijn, gaat zo op de schop. Er strijken wildvreemde mensen neer op de buiten, vaak met de beste bedoelingen, hoor. Maar het is alsof die bij je binnenkomen en zeggen: ‘We gaan hier andere meubels zetten, andere gordijnen hangen en andere kleuren aanbrengen.’ Logisch dat je dan denkt: ja, maar ik woon hier toch al veel langer?”

Kop van jut

Boeren zijn te vaak kop van Jut, vindt Demets. “Prima dat organisaties als Animal Liberation Front en Gaia wijzen op dierenmishandeling. Maar het is een brug te ver om altijd maar weer landbouwers als dierenhaters aan te duiden. Akkoord, dieren zijn hun bron van inkomsten. Maar dat neemt niet weg dat ze er vaak een hechte band mee cultiveren, zeker op een kleinere boerderij. Daar heeft elke koe of kalf zelfs een naam. Oké, ik ga nu niet beweren dat boeren in tranen uitbarsten als hun vee op de wagen naar het slachthuis wordt gezet, maar we vergeten weleens hoeveel verdoken armoede, hoeveel depressies er zijn bij land- en tuinbouwers. Het cliché van ‘zwijgen en voortdoen’ bestáát. Beseffen we wel dat velden vaak niet eens meer in handen zijn van landbouwers zelf? Ze zijn gedwongen huurder van hun eigen grond, krijgen wurg­contracten voorgeschoteld of lieten zich overtuigen door de Boerenbond of veevoederfabrikanten om meer dieren te houden. En te werken onder hun prijs.

“Dat je in een dorp beter opgevangen wordt bij financiële problemen, is eveneens een fabeltje. Integendeel, door die grotere sociale controle verbergt men armoede zelfs vaker en verschanst men zich in eigen huis. Trek je in een kleine gemeente naar een OCMW, dan is de kans reëel dat de mensen dat meteen opmerken. De schaamte is groot.”

De verkiezingsresultaten logen er niet om. De xenofobie grijpt om zich heen in het hinterland, het Vlaams Belang schiet er stevig wortel. Demets: “Veel stedelingen fronsten de wenkbrauwen na mei 2019. Mij verraste het nauwelijks. In een dorp kijkt men al vreemd op bij iemand die van drie kilometer verder komt. Laat staan dat men zomaar aanvaardt dat er tijdelijk uitgeprocedeerden worden gedropt. Men vindt dat de politiek te ver staat van de basis.”

Het komt boven op andere punten die woede opwekken, denkt Demets. “Boeren zeggen dat ze na het Mestactieplan al voldoende voor het milieu geofferd hebben. En neem nu de Mobiscore. Plattelandsmensen voelen zich geviseerd door de Brusselse beleidsmakers. En het is waar: je zult maar in de provincie op een meer afgelegen plek wonen en je moeten verplaatsen met verdwijnend of slecht georganiseerd openbaar vervoer.”

Prangende thema’s in poëzievorm gieten, het is Demets fijntjes gelukt in deze twee bundels. “Mijn poëzie is geen rauw lillende tranche de vie, maar een subjectieve, vertekende blik, gegrepen uit de realiteit”, zegt hij overtuigd. Al rijst de vraag of poëzie nog wel iets kan losmaken, met zijn bescheiden oplages? “Dat grootscheepse verlangen van een Yuval Noah Harari om Sportpaleizen te vullen, heb ik niet”, lacht Demets. “Ik hou het liever kleinschalig. Poëzie heeft iets van het ondergronds woekerende, van het koppig onmodieuze. Het steekt hier en daar de kop op. Als onkruid, dat evenmin vergaat. Net daardoor is de houdbaarheidsdatum van poëzie zo groot.”

Paul Demets, De aangelanden, Poëziecentrum, 120 p., 20 euro

Paul Demets, De hazenklager, De Bezige Bij, 64 p., 19,99 euro.

BIO • geboren op 30 december 1966 in Olsene • studeerde Germaanse filologie en Theater­wetenschappen aan de KU Leuven • dichter en poëzie­recensent voor o.a. De Morgen • debuteerde in 1999 met de dichtbundel De papegaaien­ziekte • in 2011 verscheen De bloedplek (Herman de Coninckprijs), in 2018 De klaverknoop (Jan Campertprijs) • sluit plattelands­dichterschap van de provincie Oost-Vlaanderen (2016- 2019) nu af met De aangelanden en de dichtbundel De hazenklager  

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234