Dinsdag 07/07/2020

Uit het archief

Philip Roth: "Het was een bestaan van overvloed en leegte"

Philip Roth, thuis in de Upper West Side, Manhattan.Beeld NYT/PHILIP MONTGOMERY

Amerikaans schrijver en Pulitzer Prize-winnaar Philip Roth is gisteren overleden. In januari weidde de schrijver in een interview uitgebreid uit over Trump, #metoo en zijn leven als schrijver-op-rust. U kan het interview hier herlezen.

*

‘Het lezen is in de plaats van het schrijven gekomen’, zegt hij. Maar dat betekent in geen geval dat Philip Roth (84) niets meer te vertellen heeft. "In 1960 was ik ongelooflijk naïef om te denken dat ik als Amerikaan in absurde tijden leefde."

Sinds de dood van Richard Wilbur, vorige oktober, is Philip Roth de ouderdomsdeken van de afdeling Literatuur van de American Academy of Arts and Letters. Hij is al zo lang lid van die verheven instelling dat hij zich schrijvers Malcolm Cowley en Glenway Wescott kan herinneren, haast vergeten grootheden uit een andere tijd. In Frankrijk is hij samen met William Faulkner, Henry James en Jack London een van de weinige Amerikaanse auteurs die in de prestigieuze Pléiade-collectie worden uitgegeven. In Italië publiceert Mondadori hem in de klassieke Meridiani-reeks.

Zoveel eer in de herfst van zijn leven – in 2012 won hij de Spaanse Principe de Asturias-prijs en in 2013 werd hij tot Commandeur in het Franse Légion d’Honneur verheven – lijkt hem zowel plezier te doen als te amuseren. “Kijk eens”, zegt hij, terwijl hij een prachtig ingebonden uitgave van Mondadori toont, zo dik als een bijbel en met titels als Lamento di Portnoy en Zuckerman Scatenato. “Wie leest een boek als dit?”

In 2012, toen hij de 80 naderde, kondigde Roth aan dat hij niet meer zou schrijven (in werkelijkheid was hij al twee jaar vroeger gestopt). Sindsdien heeft hij tijd gevonden om orde op zaken te stellen. Hij schreef een lange, gepassioneerde brief aan Wikipedia om de belachelijke bewering van de online-encyclopedie te weerleggen dat hij geen geloofwaardige getuige van zijn eigen leven zou zijn. (Uiteindelijk gaf Wikipedia toe en werd heel de inlassing over Roth herschreven.) Hij heeft ook regelmatig contact met Blake Bailey, zijn officiële biograaf, die al 1.900 bladzijden notities heeft voor een boek dat maar half zo lang zal zijn.

Laatst hield Roth ook toezicht op de publicatie van Waarom schrijven?, het tiende en laatste deel van de publicatie van zijn verzameld werk door The Library of America. Het boek is bijna een testament, een literaire nalatenschap met een selectie essays uit de jaren 1960 en 1970, de volledige tekst van Shop Talk (gesprekken en interviews met andere, vaak Europese, auteurs) uit 2001, en een reeks afscheidsessays en toespraken, die hier soms voor het eerst in druk verschijnen. De laatste zin is niet toevallig: ‘Hier ben ik.’

Maar Roth leidt nu vooral het rustige bestaan van een gepensioneerde in de Upper West Side. (Zijn huis in Connecticut, waar hij zich placht af te zonderen om te schrijven, wordt nu alleen in de zomer gebruikt). Hij ontmoet vrienden, bezoekt concerten, leest zijn e-mail, kijkt naar oude films. Een poosje geleden kreeg hij David Simon op bezoek, de maker van The Wire, die Het complot tegen Amerika als een zesdelige televisieserie aan het verfilmen is. Het boek is in goede handen, zegt Roth. Zelf is hij nog gezond, ondanks verscheidene rugoperaties, en maakt hij een opgewekte, tevreden indruk. Hij is bedachtzaam maar kan nog altijd erg grappig zijn, als hij dat wil.

Ik heb Roth in de loop der jaren verscheidene keren geïnterviewd en vroeg vorige maand of we nog eens konden praten. Zoals veel van zijn lezers was ik benieuwd wat de auteur van Amerikaanse pastorale, Ik was getrouwd met een communist en Het complot tegen Amerika vindt van de vreemde tijd waarin wij leven. En hoe brengt hij zijn dagen door? Sudoku? Tv-kijken? Hij was bereid tot een interview, maar vroeg of ik hem de vragen vooraf kon mailen. Hij had tijd nodig om na te denken over wat hij wilde vertellen.

Over twee maanden wordt u 85 jaar. Voelt u zich bejaard? Hoe is het om oud te worden?

Philip Roth: “Ja, over twee maanden ga ik van oud naar heel oud, weer een stapje dichter bij de Vallei van de Schaduw. Ik vind het elke avond verbazingwekkend dat ik er nog ben. Ik val in slaap met een glimlach: weer een dag geleefd. En het is verrassend om acht uur later wakker te worden en te zien dat het ochtend is en ik er nog altijd ben: weer een nacht overleefd. Dat is ook een glimlach waard. Ik val met een glimlach in slaap en word met een glimlach wakker.

“Ik ben heel blij dat ik nog leef. En hoe langer het duurt, week na week en maand na maand sinds ik pensioen geniet, hoe groter de illusie dat het nooit zal stoppen. Ik weet natuurlijk wel dat het van het ene ogenblik op het andere voorbij kan zijn. Het is een beetje gokken, een spel met een hoge inzet dat ik tegen alle kansen in blijf winnen. We zullen zien hoelang het geluk aan mijn kant blijft.”

Mist u het schrijven niet? Nooit zin om weer aan de slag te gaan?

“Nee, daar heb ik geen last van. De omstandigheden die mij er zeven jaar geleden toe hebben gebracht om geen fictie meer te schrijven, zijn niet veranderd. Zoals ik in Waarom schrijven? uitleg, had ik in 2010 een sterk vermoeden dat ik mijn beste werk had geleverd en wat nog zou komen inferieur zou zijn.

“Ik had niet langer de geesteskracht of de verbale energie of de lichamelijke conditie om een grote en langdurige creatieve aanval te beginnen en vol te houden op een zo complexe en veeleisende structuur als een roman… Elk talent heeft zijn voorwaarden – zijn aard, zijn bereik, zijn kracht; ook zijn termijn, een periode, een levensduur… Niet iedereen kan altijd vruchtbaar blijven.”

Hoe kijkt u terug op een schrijversloopbaan van meer dan een halve eeuw?

“Vreugde en spijt. Frustratie en vrijheid. Inspiratie en onzekerheid. Overvloed en leegte. Stormen en ploeteren. Het dagelijkse repertoire van slingerende dualiteiten die elk talent ondergaat – en ook een enorme eenzaamheid. En stilte: vijftig jaar in een kamer, zo stil als op de bodem van een vijver, zwoegend – als alles goed ging – voor mijn minimale dagelijkse dosis bruikbaar proza.”

Waarom schrijven? bevat een herdruk van uw beroemde essay ‘Writing American Fiction’, waarin u stelt dat de waanzin van de Amerikaanse realiteit bijna sterker is dan de verbeelding van de schrijver. Dat was in 1960. En nu? Had u zich het Amerika van vandaag kunnen voorstellen?

“Dat had niemand die ik ken gekund. Behalve misschien H.L. Mencken, die de Amerikaanse democratie cynisch definieerde als ‘ezels die jakhalzen vereren’. Niemand had kunnen denken dat de ramp die het Amerika van de 21ste eeuw treft, de onterendste van alle rampen, niet in de verschrikkelijke gedaante van een orwelliaanse Big Brother zou toeslaan maar in die van een pochende hansworst, een onheilspellend belachelijke commedia dell’arte-figuur.

“In 1960 was ik ongelooflijk naïef om te denken dat ik als Amerikaan in absurde tijden leefde. Bizar! Maar wat kon ik in 1960 weten over 1963 of 1968 of 1974 of 2001 of 2016?”

Beeld NYT/PHILIP MONTGOMERY

Uw roman uit 2004, Het complot tegen Amerika, lijkt vandaag griezelig vooruitziend. Toen het boek verscheen, zagen veel mensen het als een commentaar op de regering-Bush. Maar er waren veel meer parallellen met ons heden.

“Je kunt Het complot tegen Amerika vooruitziend vinden, maar toch is er een enorm verschil tussen de politieke omstandigheden die ik er voor de VS in 1940 bedacht en de politieke ramp die ons leven vandaag vergalt. Het is het verschil in formaat tussen een President Lindbergh en een President Trump. Charles Lindbergh was zowel in het echte leven als in mijn boek een echte racist, een antisemiet, een blanke nationalist met fascistische sympathieën, maar ook – dankzij de buitengewone prestatie van zijn solovlucht over de Atlantische Oceaan toen hij 25 was – een authentieke Amerikaanse held, 13 jaar voor ik hem president laat worden.

“Historisch was Lindbergh de dappere jonge piloot die in 1927 voor het eerst non-stop over de oceaan vloog, van Long Island naar Parijs. Hij deed dat in 33,5 uur, in een eenmotorig vliegtuig, en werd op die manier een soort 20ste-eeuwse Leif Erikson, een vliegende Magellaan, een van de eerste sterren van het tijdperk van de luchtvaart. Vergeleken met hem is Trump een enorm bedrog, de boosaardige som van zijn gebreken, ontdaan van alles behalve de holle ideologie van een megalomaan.”

Een van uw terugkerende thema’s is de seksuele begeerte van de man, een meestal gefrustreerde begeerte, en de vele manieren waarop ze zich uit. Hoe ziet u het huidige klimaat, met zoveel vrouwen die naar buiten treden en die zoveel bekende mannen van seksuele intimidatie en misbruik beschuldigen?

“Zoals je zegt, is de furie van de erotiek mij als schrijver niet vreemd. De greep van de seksuele verleiding is een van de aspecten van het leven van mannen waarover ik in sommige van mijn boeken heb geschreven. Mannen die ingaan op de indringende roep van seksueel genot, gekweld door schandelijke verlangens en de onverschrokkenheid van obsessieve lust, betoverd door de aantrekkingskracht van het taboe – ik heb een kleine kliek van verwarde mannen bedacht die bezeten zijn door die ophitsende krachten en ermee moeten omgaan, ertegen worstelen. Ik heb geprobeerd die mannen compromisloos te portretteren, elk zoals hij is, elk zoals hij zich gedraagt – geil, opgewonden, hongerig in de greep van de dierlijke koorts en geconfronteerd met de psychologische en ethische dilemma's die de dwingende begeerte oproept.

“In die verhalen over waarom en hoe en wanneer geile mannen doen wat ze doen, ben ik de harde feiten niet uit de weg gegaan, ook niet wanneer ze vloekten met het beeld dat een mannelijke pr-campagne, als die zou bestaan, zou verkiezen. Ik heb me niet alleen in de geest van de man verplaatst maar ook in de realiteit van de drang die met zijn hardnekkige, onverbiddelijke druk je redelijkheid kan bedreigen, een drang die zo intens kan zijn dat hij als een vorm van waanzin kan worden ervaren. En dus hebben zelfs de meest extreme verhalen waarover ik in de kranten lees mij niet verbaasd.”

Voor u met pensioen ging, stond u bekend als een harde werker. Wat doet u met al die vrije tijd, nu u niet meer schrijft?

“Het is vreemd, of misschien ook niet, maar ik lees erg weinig fictie. Heel mijn werkende leven heb ik fictie gelezen, onderwezen, bestudeerd en geschreven. Tot zeven jaar geleden dacht ik aan bijna niets anders. Nu lees ik veel geschiedenis, vooral Amerikaanse maar ook moderne Europese geschiedenis. Het lezen is in de plaats van het schrijven gekomen, het is de belangrijkste motor, de prikkel van mijn denkende leven.”

Wat hebt u het laatst gelezen?

“Ik lijk een beetje rond te zwalpen, het is een heterogene lijst. Ik heb drie boeken van Ta-Nehisi Coates gelezen. Literair bekeken was The Beautiful Struggle het interessantst, over zijn jeugd en zijn relatie met zijn vader. Door Coates te lezen, heb ik Nell Irvin Painters compendium met de provocerende titel The History of White People ontdekt. Painter stuurde me terug naar de Amerikaanse geschiedenis en naar Edmund Morgans American Slavery, American Freedom, een uitvoerige academische geschiedenis van wat Morgan ‘het huwelijk van slavernij en vrijheid’ in het vroegere Virginia noemt.

“Morgan leidde me met een omweg naar de essays van Teju Cole, met nog een forse zijstap naar Stephen Greenblatts The Swerve, over de ontdekking in de 15de eeuw van het manuscript van Lucretius’ subversieve De rerum natura. Ik heb dan een deel van dat lange gedicht uit de eerste eeuw voor onze tijdrekening gelezen in een prozavertaling door A.E. Stallings. Daarna was het de beurt aan Greenblatts boek over ‘hoe Shakespeare Shakespeare werd’, Will in the World. Hoe ik tussen de bedrijven door met plezier Bruce Springsteens autobiografie Born to Run heb gelezen, kan ik niet echt uitleggen. Behalve door te zeggen dat onbedoelde verrassingen een van de genoegens zijn van de vele leestijd die ik nu heb.

“Ik krijg regelmatig leesexemplaren in de post en zo heb ik Steven Zippersteins Pogrom: Kishinev and the Tilt of History ontdekt. Zipperstein schrijft over het ogenblik in het begin van de 20ste eeuw toen het lot van de Europese Joden fataal begon te worden op een manier die de afloop al voorspelde. Pogrom bracht me bij een recente geschiedenisinterpretatie, The Jewish Century van Yuri Slezkine, die stelt dat ‘de Moderne Tijd de Joodse Tijd is en vooral de 20ste eeuw de Joodse Eeuw is’. En ik heb Isaiah Berlins Personal Impressions gelezen, portretten in essayvorm van invloedrijke 20ste-eeuwse figuren die hij kende of observeerde. Virginia Woolf komt erin voor, in al haar schrikwekkende genie.

“Hij schrijft ook heel pakkend over zijn eerste ontmoeting, op een avond in het verwoeste Leningrad van 1945, met de schitterende Russische dichteres Anna Akhmatova. Zij was toen in de vijftig, geïsoleerd, eenzaam, veracht en vervolgd door het Sovjet-regime. Berlin schrijft: ‘Het Leningrad van na de oorlog was voor haar slechts een enorme begraafplaats, het kerkhof van haar vrienden… Het verhaal van de aanhoudende tragedie van haar leven ging veel verder dan alles wat iemand mij ooit in gesproken woorden had beschreven.’ Ze praatten tot drie of vier uur in de ochtend. Het tafereel is zo aangrijpend als het beste van Tolstoj.

“In de voorbije week heb ik boeken van twee vrienden gelezen, Edna O’Briens intelligente biografie van James Joyce en een boeiende, excentrieke autobiografie, Confessions of an Old Jewish Painter, van een van mijn dierbaarste dode vrienden, de grote Amerikaanse kunstenaar R.B. Kitaj. Ik heb veel dierbare dode vrienden. Onder wie schrijvers. Ik mis hun nieuwe boeken in de post.”

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234