Dinsdag 02/03/2021
Peter Terrin: ‘Ik ben milder geworden, denk ik, minder streng in de leer. Ik laat meer lucht en licht binnen in mijn romans, jazeker.’

InterviewBoeken

Peter Terrin: ‘Ik ben meer voyeur dan exhibitionist’

Peter Terrin: ‘Ik ben milder geworden, denk ik, minder streng in de leer. Ik laat meer lucht en licht binnen in mijn romans, jazeker.’Beeld © Stefaan Temmerman

In Al het blauw, de nieuwe roman van Peter Terrin (52), bloeit een romance tussen een twintiger en een oudere barvrouw. De schrijver troont ons mee naar de grauwe jaren 1980 en zijn eigen grillige zoektocht. ‘Soms kom ik huppelend de trappen af.’

Je zou het de ernstig ogende schrijver niet nageven, maar Peter Terrin is een fervent voetballiefhebber. En in zijn nieuwste roman Al het blauw zet hij zomaar even een historisch debacle recht. “Ik zal vast niet de enige zijn die een traumaatje overhield aan het wereldkampioenschap 1990 in Italië”, lacht hij. “De volley van David Platt, België uitgeschakeld in de achtste finales. In de 119de minuut nog wel. Wat een drama was me dat toen! In mijn roman verbeeld ik me dat België het Europees Kampioenschap van 1988 wint, met een even weergaloze goal. Bij wijze van subtiele revanche.” De tovermacht van de romancier. “Terwijl in werkelijkheid Nederland triomfeerde. Niet dat ik hen hun Europese titel alsnog wil ontnemen.”

BIO • geboren in Tielt, op 3 oktober 1968 • debuteerde in 1998 met De code • De bewaker (2009) werd bekroond met de Europese Literatuur­prijs • Post mortem (2012) bezorgde hem de AKO Literatuur­prijs • nadien volgden Monte Carlo (2014), Yucca (2016) en Patricia (2018) • Al het blauw is Terrins negende roman 

Het is een van de vrolijker scènes uit het suggestieve en vaak onbehaaglijk stemmende Al het blauw. De donkere late jaren tachtig, met de soundtrack van INXS, U2 en Vanessa Paradis - er is ook een Spotify-lijst met muziek van het boek - zwaaien de plak. Ze doordrenken voortdurend de leefwereld én de handelingen van de hoofdpersonages, getergd door economische onzekerheid en een niet weg te vlakken doelloosheid. Als geen ander weet de voormalige AKO Literatuurprijswinnaar opnieuw subtiele dreigingen in te weven in deze roman die ook een ijzersterke evocatie van zijn eigen jeugd is. Simon, het hoofdpersonage, stopt met zijn ingenieursstudies en beleeft een vurige romance met Carla, de barvrouw van het zwembadcafé Azzurra. “Deze roman weerspiegelt mijn eigen lange zoektocht om te achterhalen waar ik thuishoor.”

Terrin praat geconcentreerd én met vuur over zijn twaalfde boek, dat hij al vorig jaar afwerkte, maar nu pas het licht laat zien. Hij is gewapend met een kleine camera, steeds op vinkenslag voor zijn Instagram-pagina. Tussen ons in ligt Al het blauw te pronken, met een zwierige zwembadfoto van André Kertész op de cover. Al het blauw is zuinig van taal maar tegelijk ook uitermate suggestief. De roman is opgebouwd uit stuwende paragrafen. “Het is mijn geliefde werkwijze. Ik zit door het raam te kijken. En dan is er een plotse uitbarsting van zinnen, een afgerond eilandje van woorden. Bijna verhaaltjes of miniatuurtjes op zich. En ik dacht: waarom druk ik het zo ook niet af in het boek?”

In de zoektocht naar een coronaproof locatie voor het interview, zijn we neergestreken in Gaston Rooftop Bar, het caférestaurant waar zijn vrouw vennoot is. De hippe plek, hoog in de Gentse haven boven een fabriekspand, ademt nu ijle verlatenheid. De kookpotten pruttelen al maanden niet meer én er verzamelt zich stof op de glazen. Af en toe loeit dreigend een alarm door het pand én komt de conciërge checken of we toch maar geen coronaregels met voeten treden. Kille sneeuwregen geselt de wijde ramen, in de verte valt het oog op een woonwijk, geperst tussen havenindustrie. En vooral: op een immens leeg parkeerterrein. Alsof de schrijver zelfs dit gesprek tot in de puntjes heeft geregisseerd. Want laat Al het blauw juist starten met een prangende scène op de parking van een desolaat fabrieksgebouw.

Op de eerste pagina’s van uw roman vraagt de lezer zich af of er een misdaad is gebeurd. Telkens weer voert u personages op die onder druk staan en goochelt u met een element van suspense.

“Soms weet je niet goed hoe je een roman moet beginnen. Maar dan duikt er een vaag beeld op. Het eerste wat ik bij Al het blauw voor me zag, was een lichaam op een verlaten industrieterrein. Ik kon niet eens zien of het een man of een vrouw was. Na dat proloogje ben ik verder gaan schrijven, want je wil als auteur toch weten wie daar ligt. (schuin lachje) In de loop van het verhaal zijn er verschillende kandidaten. Ik ben niet echt een plotschrijver, maar een intrige vind ik wel belangrijk. De lezer moet geprikkeld worden, door sfeer, door een zeker onbehagen.”

Het decor van gezichtsloze woon- en verkavelingswijken of abstracte steenwegen lijkt dat effect nog te versterken?

“Ik ben opgegroeid in Wingene, terwijl zowel de provinciestad Kortrijk – met zijn vele hogescholen – en Gent lonkte. Maar in Al het blauw benoem ik die dingen niet. Plaatsnamen zul je er niet in aantreffen. Waarom? Omdat geografische precisie in de weg zit van het verhaal. Dat wordt mij te concreet. Het gaat me inderdaad om de atmosfeer. In mijn boeken én in mijn taal houd ik het het liefst bij de essentie. Alles wat afleidt van het verhaal, laat ik weg. Ik wil de lezer niet aan het lijntje houden.”

En toch is er één centraal, heel concreet ankerpunt in het boek: het zwembadcafé Azzurra. Een enigszins volkse biotoop met een jukebox, waar heel uiteenlopende creaturen aanspoelen. Maar tegelijk bevreemdend en sensueel door die aanwezigheid van het nabije, bij nacht verlaten water. ‘Hij vindt het aangenaam om alleen in het café te zijn en nergens aan te denken, om buiten de tijd te vallen’, schrijft Terrin over zijn hoofdpersonage, de 19-jarige Simon. ‘Een café zonder enige pretentie, dat niets van hem verlangt, een onverschilligheid die hem omarmt als een bondgenoot.’

Terrin: “Simon voelt zich goed bij het onpersoonlijke en diffuse van zo’n plek. Je hoeft je niet op een bepaalde manier te gedragen. Alles drijft op toevallige ontmoetingen.”

Maar het zwembad is een factor die de broeierigheid in de hand werkt, en waar zowel een vreemde dreiging als aantrekkingskracht van uitgaat. Het is de gedroomde pleisterplek waar de liefdesrelatie tussen Simon en de twintig jaar oudere Carla kan opvonken. “Als Carla en Simon samen zijn in het zwembad, vallen alle verantwoordelijkheden weg. Het is een puur fysieke cocon. Daarom voelt het zo fantastisch. En een zwembad benadrukt die afzondering, met die bijna buitenaardse, blauwe gloed.”

Misschien treffen ze elkaar omdat ze allebei willen uitbreken. Simon, ‘uit een leven dat voor hem gereserveerd is’, Carla uit de omknelling van een troosteloos huwelijk.

“Zowel Simon als Carla zijn personages die op vluchtroutes broeden, jazeker. Maar ze hebben aanvankelijk de moed niet of weten niet hoe. Carla, van Italiaanse afkomst, wil komaf maken met een erg gewelddadige jeugd en ontkomen aan een verleden van verslaving én uiteindelijk met haar man John breken. Dat is véél in een keer. Simon wil ontsnappen aan de verwachtingen van zijn moeder, die erg beschermend is en hem dicht bij haar wil houden. Slechts als Simon en Carla de liefde bedrijven, valt de buitenwereld helemaal weg. Maar het is allemaal wél zeer verwarrend.”

Er schuilt best veel erotiek in dit boek?

“De liefde tussen Carla en Simon is heel fysiek. De liefde zegt ja. De hele wereld zegt nee. Dat maakt die relatie erg broos en breekbaar, maar ook intens. Ik wil die intimiteit in al haar nuance tonen. Ze moeten schuiloorden zoeken voor hun liefde.”

Toch lonkt Simon naar andere vrouwen. En er is ook een homo-erotisch moment, terwijl u daarnaast mannenvriendschap schetst. Om het diffuse van zijn seksualiteit te demonstreren?

“Op een bepaald moment wordt Simon in zijn totale onschuld overdonderd door de tien jaar oudere Pieter, die hij als een hechte vriend beschouwt. En bovendien is het iemand die hem richting kunst en fotografie leidt en een wereld buiten zijn eigen milieu leert kennen. Tot er tijdens een reisje geheel onverwacht een pijnlijk misverstand, een soort MeToo-momentje, volgt. Simon beseft niet goed wat hem overkomt; het illustreert hoe jong en onervaren hij nog is. Dat ambigue wilde ik er wel in, ja.”

‘Ik heb niet de behoefte om opiniestukken te schrijven. Of stel je voor dat ik op het ijs moet dansen?’ Beeld © Stefaan Temmerman
‘Ik heb niet de behoefte om opiniestukken te schrijven. Of stel je voor dat ik op het ijs moet dansen?’Beeld © Stefaan Temmerman

Al het blauw, het is een welgekozen titel, is meteen ook de kleur die het leidmotief van de roman vormt: ‘Al het blauw van de wereld heeft God in Italië uit de zee geschept.’

“Eerst zou het boek De nachten heten”, vertelt Terrin. “Knipogend naar Gerard Reves De avonden, natuurlijk. Omdat de hoofdpersoon Frits van Egters ook daar erg vertwijfeld en zoekende is. En mijn boek speelt zich overwegend ’s nachts af. Heeft de relatie van Simon met zijn hondje Rocky niet iets reviaans? Uiteindelijk klonk De nachten me te beladen in de oren.”

Al het blauw ontkiemde jaren geleden, toen Terrin het toneelstuk Aqua Azzurra schreef. “Daar zat de kern van Al het blauw al in: de relatie tussen Simon en Carla. Ik ontdekte dat ik niet klaar was met dat verhaal. Het stuk is trouwens ook maar een keer of vijf opgevoerd. De enige uitweg was een roman.”

Terrin is beducht én ietwat behoedzaam om te veel prijs te geven over de autobiografische elementen die deze rijke en ronduit bezwerende roman schragen. Maar er valt niet aan te ontkomen. Ook wie slechts vluchtige research zou doen, weet dat de schrijver – net als zijn hoofdpersonage Simon – de brui gaf aan zijn ingenieursstudies én daarna toegepaste communicatie studeerde. En in de verkoop rolde.

“In het boek raakt Simon in de netten van een piramideverkoopsysteem – heel courant in de jaren tachtig – en wat blijkt? Hij is daar zeer goed in, hij weet zijn klanten flinke contracten te slijten.

“Ik was ook een goede verkoper. Zij het een zeer ongelukkige. Hoe vreemd is dat? Je bent bedreven in iets, in mijn geval het verkopen van marmer, en toch weet je, dit is niet wie ik ben.”

Maar waarom gaf u precies uw ingenieurs-studies op? Dat diploma gold toen als een vrijgeleide naar een lucratieve job.

“Veel studenten verzilverden inderdaad al tijdens hun studies een contract in de petrochemie. Ingenieur was toen een werkzeker beroep, in een hoogst onzekere periode. Maar net als Simon wist ik totaal niet wat ik moest aanvangen. Als ik hier verder mee doe, ben ik heel mijn leven ingenieur, dacht ik, dat voelde beklemmend. Wilde ik dat wel? Of was het om mijn ouders ter wille te zijn?”

Toen al aangetrokken door de literatuur?

“Absoluut niet. Ik nam in mijn tienerjaren en humaniora nauwelijks een boek ter hand. Ik heb het al vaker verteld, ik was al 22 toen ik in een Engelse hotelkamer De donkere kamer van Damokles van W.F. Hermans las. Toen veranderde alles. Ik stopte met mijn job, verhuisde naar Gent, begon te lezen als een bezetene en wilde schrijven, van de ene dag op de andere. En daar heb ik serieus werk van gemaakt, alsof ik me in een ambacht bekwaamde.”

Geen spijt van bepaalde beslissingen?

“Goh… (weifelt even) Natuurlijk heb ik van bepaalde dingen spijt en zou ik ze met de wijsheid van nu helemaal anders aanpakken. Toen ik in 1991 – precies dertig jaar geleden – voor het schrijverschap koos, werkte ik om rond te komen een poos bij een traiteurdienst. Tafeltje-dek-je, weet je wel. Zelfs het OCMW was onze klant. Ik kwam terecht bij hulpbehoevenden, zieken, ouderen en verslaafden. Ik kan je zeggen: dat heeft mijn blik wel geopend. Weg waren de glanzende kantoren van de architecten waar ik marmer verkocht. Ik stond met mijn twee voeten in de harde realiteit. De vraag is natuurlijk: mocht ik alles kunnen overdoen, zou ik opnieuw bij het schrijven terechtkomen? Ik durf er mijn hand niet voor in het vuur te steken. Misschien was ik wel een erg goeie ingenieur. (lacht) Maar op een bepaald ogenblik neem je een beslissing. En ik ben zeer blij dat de mijne heeft geleid naar wat ik écht wil: schrijven.”

Al het blauw is werkelijk doordesemd van de late eighties. Hoe ervoer u die periode? Research hebt u vast niet moeten doen?

“Ik ben niet zo’n uitpluizer, maar die periode kon ik nog blindelings en tactiel oproepen. De jaren tachtig waren voor veel mensen een grauwe, miezerige tijd. Donker en dreigend, aangewakkerd door de soundtrack van de new wave. Dat uitzichtloze zit natuurlijk ook in het boek: de wat smoezelige baandancings, het telefoneren vanuit een koude naar sigaretten stinkende telefooncel, de ritjes die Simon in zijn Mazda langs lelijke provincie- en steenwegen maakt.

“Tegelijk geeft het hem een glorieus gevoel van vrijheid. Die steenwegen, dat is een wereld op zich, het nachtleven tussen de autodealers, bordelen, bars en verzekeringskantoren. Tot vroeg in de ochtend kunnen ze bij ‘De Griek’ langs de baan eten.”

Toch hangt economische onzekerheid als een strop om de nek van de personages. U geeft ook een verrassend ongedwongen inkijk in het leven van een arbeiderskind, niet zo courant in de hedendaagse roman waar de witte middenklasse toch vaak de de boventoon voert.

“Mijn ouders zijn heel eenvoudige mensen. Ze waren hun hele leven fabrieksarbeiders. Ik was de eerste die ging studeren. En die economische onzekerheid overschaduwde zoveel in de jaren tachtig. Ook in de houtfabriek waar ze werkten werd het almaar minder. Het was dan ook een schok toen ik net als Simon in het boek mijn studie opgaf, stel je voor.”

Hoe reageerden ze daarop?

“Ze begrepen het niet. En nog veel minder toen ik aan mijn moeder vertelde dat ik zou gaan schrijven. Ik zag in haar blik dat ze geen flauw idee had van wat me bezielde. Onze werelden verschillen, dat is altijd zo geweest. Stel dat mijn ouders zelf gestudeerd hadden, hoe groot zou hun invloed geweest zijn? Ik weet het niet. Het mooie is dat loslaten ook een vorm van opvoeden is. Ze lieten me mijn gang gaan. Ik had veel vrijheid, ik heb volop de kans gekregen om zelf uit te zoeken waar ik thuishoor.”

Het boek is overigens opgedragen aan uw ‘lieve moeder’.

“De tragiek is dat mijn moeder twee jaar geleden door een zware hersenbloeding is getroffen. Sindsdien vertoeft ze in een ander universum. Ze kan niet meer praten en leeft in een woon-zorgcentrum. Mijn vader staat haar bij met al zijn liefde, zo goed als hij kan in coronatijden. In Al het blauw zit dan ook geen zweempje afrekening, integendeel, zelfs veel tederheid, denk ik. Begrip.”

Intussen is Al het blauw uw twaalfde boek. We mogen stilaan van een stevig oeuvre spreken, zeker omdat uw romans en verhalen ook met subtiele lijntjes en draden met elkaar verbonden zijn?

(wuift het idee weg) “Ik heb het gevoel dat alles nog moet beginnen. Dat is een zalvend idee, het houdt je ook fris. Het is bij lange nog niet af, ik heb nu al twee nieuwe romans op de rails staan. Een ongekende luxe. Want het is al eens voorgekomen dat ik helemaal niets meer in gedachten had.”

Slaat u dan aan het panikeren?

“Nee, maar je begint wel aan alles te twijfelen. Het maakt me ongelukkig. Maar intussen vertrouw ik erop dat er altijd wel iets komt. Ach, de roman als genre is ook zo rijk aan mogelijkheden. Ik ben gefascineerd door de finesses van het metier en manieren van vertellen. Daarom lees ik ook zo gulzig collega’s of buitenlandse grootheden als Peter Stamm – met wie ik me sterk verwant voel – en J.M. Coetzee of James Salter. Het is lezen om begeesterd te worden. En om te zien hoe zij hun vak bedrijven. Je leert altijd wel iets bij.”

Kortom, u bent het zonnetje in huis als u achter uw schrijftafel zit?

“Ik ben dan aangenaam gezelschap. (lacht) Je gelooft het misschien niet, maar soms kom ik huppelend en zingend de trappen af. Er is niets mooiers dan om 16/17 uur de pen neer te leggen en te beseffen: dit was een vruchtbare dag. Dan kan ik de wereld aan. En zoals Graham Greene zei: stoppen met vijfhonderd rake woorden, midden in een zin, en de dag nadien kun je meteen weer verder.”

‘Hoe vreemd is dat? Je bent bedreven in iets, in mijn geval het verkopen van marmer, en toch weet je, dit is niet wie ik ben.' Beeld © Stefaan Temmerman
‘Hoe vreemd is dat? Je bent bedreven in iets, in mijn geval het verkopen van marmer, en toch weet je, dit is niet wie ik ben.'Beeld © Stefaan Temmerman

Terrin zwijgt even, wrijft over zijn oogbollen, tapt een vers kopje koffie én brengt voor mij een zandkoekje mee. Hij wil toch nog even terugkomen op die oeuvrekwestie. “Ik heb natuurlijk wel een overkoepelend thema. Je merkt het ook in deze roman. En dat is ‘identiteit’. Wie zijn we, wie worden we, waar zit de kern van onze persoonlijkheid? Door zijn moeder, door zijn vriend Marc en door nog anderen worden er op Simon talloze identiteiten geprojecteerd. Tot hij niet meer weet wie hij zelf is. En gaat uitbreken.”

“Je zag het ook in Post mortem, waarin de schrijver na zijn dood bang is om door een biograaf als iemand helemaal anders te worden neergezet. Je merkt het bij Viktor, die uit de gevangenis komt in Yucca, vrouw en kind verloren, en het noorden kwijt is. Je treft het bij Jack Preston, de monteur uit Monte Carlo, twijfelend tussen terugkeren naar de jaren vijftig van zijn plattelandsdorp of de mondaine wereld van Ferrari en Formule 1. En bij Patricia (in de gelijknamige roman, red.). Is ze geworden wie ze voor ogen had als geëngageerde studente? Elk personage onderneemt een tocht op zoek naar zijn kern, een odyssee. Maar lezers maken telkens hun eigen roman. We leiden allemaal een ander leven, en dat kleurt onze lezing van een boek.”

U bent stilaan wel een van de schaarse auteurs die zich uitsluitend tot ‘het vak’ beperkt. En het met grote ernst bedrijft. In columns of op tv bent u nagenoeg afwezig.

“Ik weet het, de tendens is eerder omgekeerd. Toch heb ik niet de behoefte om opiniestukken te schrijven. Of stel je voor dat ik op het ijs moet dansen? (lacht) Ik ben meer een voyeur dan een exhibitionist. Ik hou graag afstand, ik hoef niet op de eerste rij te zitten. Ik concentreer me liever op waar het mij écht om te doen is: mijn boeken. Hoe minder de toevallige lezer van me weet, hoe minder ik mijn werk voor de voeten loop en hij onbevangen kan lezen. Zodra het boek is gepubliceerd, is de persoon van de schrijver niet belangrijk meer.”

Steeds nadrukkelijker boetseert u sterke vrouwenportretten in uw boeken. In Patricia was dat al het geval. En nu is er Carla, een vrouw die langzaam het heft in handen neemt.

“Precies. Want je zou haar op het eerste gezicht een zwakke vrouw kunnen noemen, die zich te vaak wegcijfert. Maar er staat ook: ‘Ze is ingetogen maar niet bedeesd.’ Voor mij zijn dat de mooiste vrouwenfiguren, onnadrukkelijk en ontwapenend. Stille waters hebben diepe gronden, literair is dat heel interessant. Carla is ook loyaal en plichtsgetrouw. Ik wilde aantonen hoe het kan dat ze bij iemand als John blijft, die haar slaat. Het was een uitdaging om dat invoelbaar en aannemelijk te maken. En hoe ze zich door de oplaaiende liefde voor Simon vermant en voor zichzelf opkomt.”

Het valt op dat uw boeken gevoeliger worden.

“Ik ben heel blij dat je dat zegt. Want veel critici – en ook jij hebt dat gedaan, Dirk – hameren soms te veel op die invloed van Bordewijk, Hermans en Kafka. Maar dat is dertig jaar geleden en intussen ben ik als schrijver nogal geëvolueerd, ook omdat je als mens groeit. Ik ben milder geworden, denk ik, minder streng in de leer. Ik laat meer lucht en licht binnen in mijn romans, jazeker.”

En evenmin toevallig: ze vertonen meer dan ooit filmische allures. Bent u een cinefiel?

“Ik heb me voor Al het blauw natuurlijk wel gelaafd aan films als La piscine, met Romy Schneider en Alain Delon of vooral ook Swimming Pool van François Ozon, met Charlotte Rampling en de wufte Ludivine Sagnier en hun spanningen aan het zwembad. Ja, Ozon is een fantastisch regisseur, die soms ook mijn schrijven beïnvloedt. Met Patricia wilde ik zelfs het equivalent van een Ozonfilm maken. Mocht hij ooit plannen hebben om een boek van mij te verfilmen, dan spring ik een gat in de lucht! Maar als ik toch hardop mag dromen: voor Al het blauw denk ik eerder aan de gebroeders Dardenne. De sociale dimensie in het boek moet hen toch uitermate bevallen?”

U maakt er ook geen geheim van dat fotografie meer en meer uw nieuwe passie is. Vloeit daar ook een boek uit voort?

“Dat is stiekem toch een beetje mijn droom – ik hou van fotoboeken, ik lees ze als romans. Kijken, observeren, spieden, ja, het zit in mijn werk. Daarnaast heb ik het gevoel dat ik altijd al een fotograaf was, hoewel ik een late roeping heb. Eerst werkte ik digitaal, maar de esthetiek en dynamiek lagen me niet. Nu werk ik uitsluitend analoog in zwart-wit, trager, bewuster. Ook tijdens de lockdown sprong ik in mijn auto en trok ik naar steden om daar in buitenwijken te fotograferen.

“Een jaar geleden ontdekte ik de fotograaf Philip Perkis, net op het moment dat ik in de rats zat met mijn eigen fotografie. Ik keek naar zijn foto’s en naar mijn archief en ik dacht: het is er gewoon allemaal al. Een aha-erlebnis, een gevoel van herkenning. Wat ik doe, mag bestaan.”

Peter Terrin, Al het blauw, De Bezige Bij, 272 p., 21,99 euro.

Er is ook een Spotify-list met muziek uit Al het blauw.

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234