Vrijdag 02/12/2022

InterviewPeter Hintjens

Peter Hintjens over zijn broer Arno: ‘Soms denk ik, nu nog steeds: het is twee uur, nu gaat hij bellen’

Peter Hintjens. Beeld © Stefaan Temmerman
Peter Hintjens.Beeld © Stefaan Temmerman

‘We zijn vorige week al zijn spullen gaan ophalen in Brussel. Alles wordt bewaard, want we willen een Arnohuis. In Oostende. Er valt nog zoveel te ontdekken over mijn broer.’ Peter Hintjens, die op Arno’s laatste plaat als saxofonist speelde, is blij met de aandacht die Arno nog krijgt.

Douglas De Coninck

Aan een tafeltje in Hotel du Parc laat hij ons op zijn telefoon luisteren naar ‘I’m Not Gonna Whistle’, het slotnummer op het laatste album van zijn broer, dat op 30 september postuum verschijnt. “Mijn sax en zijn mondharmonica voelen elkaar perfect aan”, legt Peter Hintjens (68) uit. “Mooi hè? Als je Arno belde en je botste op zijn voicemail, dan hoorde je hem fluiten. Daarom is dit het laatste nummer.”

“Arno zei dat ik moest meespelen op zijn laatste plaat. Wat kun je anders zeggen dan ja? Ik kreeg via Mirko Banovic een melodietje doorgestuurd van Felix, Arno’s zoon. Om eens te horen hoe het zou klinken. We zijn de studio ingedoken en hebben dat opgenomen. Het ging vrij rap. Dat was op 17 maart, een maand voor hij zou sterven. Ik moest enkel wat sax spelen. Het was een beetje improvisatie, ik mocht spelen wat ik wou, maar Arno was content. Het was zwaar voor hem. Hij zat daar in die zetel, die mens was heel moe. Je kon niet zeggen: ‘We gaan die take nog eens opnieuw doen.’ Dat ging niet meer, het moest meteen goed zijn.”

Het voelt als David Bowie en Leonard Cohen.

“Toch is is het vooral een volwaardig Arno-album geworden. Je voelt helemaal niet de tristesse van ‘Santeboutique’, toen hij heel diep zat en een nummer uitbracht als ‘Oostende bonsoir’. Ik kon daar eigenlijk niet naar luisteren, dat was me te donker, zoals hij zich in 2019 voelde, ook al was hij toen nog niet ziek. Als je hem goed kende, voelde je dat. Dat het slecht ging met hem. Het eerste nummer op de nieuwe plaat ‘La Vérité’ ken je natuurlijk al, het tweede is ‘Take me back’. Dat wordt de nieuwe single. Daarna ‘I can dance’, ‘Honnête’ en verder ook een cover van ‘One Night’ van Elvis. Hij hoorde dat nummer voor het eerst op z’n achtste en zei altijd dat hij daarvan was klaargekomen. En dus ook nog het nummer waar ik op meespeel, het laatste. Het is een instrumentaal nummer met Arno die alleen maar ‘I’m Not Gonna Whistle’ zingt en aan het eind – heel cockney – ‘Oh no’.”

De nieuwe plaat heet Opex, naar de meest ruige wijk van Oostende.

“Onze ouders hebben daar gewoond, mijn oma had er een café. Arno vond het een mooie titel voor zijn laatste plaat. Het is terug naar zijn roots. Zelf hebben wij daar niet gewoond, maar Arno was er als kind wel dikwijls als ons moeder ging werken en onze tantes voor hem zorgden. En ook wel omdat Opex goed klonk. Dat speelde bij alles wat Arno creëerde een grote rol.

“Ik was 16 toen ik hem de eerste keer op een podium zag, met Roland Robaey. Dat was in 1970, aan de Velodroom in Oostende. Hij met z’n mondharmonica. Daar voelde ik het voor het eerst: die gast hééft iets. Ook toen hij later hier in Oostende op een festivalletje aan de watertoren met Paul Decoutere samen speelde in Tjens Couter. Dat was helemaal in het begin en iedereen was gefascineerd.

“In zijn Oostendse periode leefde Arno erg armoedig. Arno had niks. Hij woonde in een kamertje in de Karel Janssenslaan. Hij had zijn job als souschef opgezegd en probeerde te leven van zijn muziek. Hij had een enorm talent om op een podium te staan, ook al had hij niks van muzikale opleiding, het zat allemaal hier (wijst naar zijn voorhoofd). Arno wist altijd precies wat hij wilde. Het moest zo, en als er een muzikant was die zijn idee niet wou volgen of uitvoeren, dan stopte de samenwerking. Deed een drummer een tegenbeat die hij niet wou, dan werd hij gek. Hij heeft enkel gewerkt met heel goede muzikanten die hem begrepen en aanvaardden hoe hij was.

“Hij was daarnaast vooral een heel aimabel iemand. Hij had zijn familie en hij had zijn muzikanten, ook een soort familie. Hij droeg ze altijd in zijn hart. Daar belden we meestal over: ‘Hoe het nog met Rudy? Speelt die nog?’ Dat was Rudy Cloet, zijn vroegere drummer.”

Jullie belden elke dag.

“Praktisch elke dag. Ofwel hij mij ofwel ik hem. Vanaf twee uur ’s middags wist ik dat als de telefoon ging: ja, dat is Arno. En als er voetbal was. Hij was supporter van KV Oostende. Hij moest altijd weten hoe laat ze speelden. Hij zei niet KV, hij zei den As (naar AS Oostende, voor de fusie in 1981, red.). Je kon zeggen wat je wou, bij hem bleef dat den As. De meeste matchen volgde hij thuis op tv, maar we zijn ook een paar keer samen gaan kijken. Hij zou ook erg fier zijn geweest te weten dat de officiële ploegfoto voor dit seizoen was genomen voor de muur van het stadhuis, met die grote muurschildering van hem. Hij was ook erg gehecht aan het shirt met nummer 49 dat hem ooit is geschonken. En zijn supporterssjaaltje, dat hing daar altijd in zijn appartement in Brussel. Ik mis hem zo. Soms denk ik, nu nog steeds: het is twee uur, nu gaat hij bellen.”

Maakte zijn ziekte jullie band nog hechter?

“De diagnose, drie jaar geleden, kwam heel hard binnen, dat was boem. Arno was zelden of nooit ziek. Hij ging wel vaak naar de dokter, maar voor van die kleine dingen. ‘Ik moet hoesten, wat zou dat kunnen zijn?’ Of: ‘Mijn arm doet pijn’. Ik zei: ‘Dat zal wel overgaan.’ Hij kreeg de diagnose en heeft die meteen aanvaard. Pas op, hij is blijven hopen. Hij heeft er alles aan gedaan om de raad van de artsen zo nauwgezet mogelijk te volgen. Hij was daar strikt in. De chemo, de bestraling, de operaties… hij heeft het allemaal ondergaan. Hij is ook een tijdje erg goed geweest, na die operatie. Hij kwam weer wat bij, begon meteen ook weer te repeteren. Hij is tot de laatste weken bezig geweest. Hij droomde er in maart nog van om nog eens te gaan toeren.”

Er waren mensen die bij die laatste concerten zeiden dat ze hem zo liever niet wilden zien, op dat stoeltje, met die verzwakte stem.

“Ik ben blij dat ik die laatste concerten allemaal nog gezien heb, want op het podium zag ik hem weer opleven. Halfweg het concert ging hij staan en was hij even weer de oude. Tijdens die Radio 1-sessie, toen hij aankondigde dat hij binnenkort op bezoek ging bij zijn moeder, was dat voor velen een hele schok. Iedereen wist het wel, maar iedereen bleef hopen, en hij ook. Alles was in gereedheid gebracht voor zijn euthanasie. Zijn lichaam was klaar om te sterven, maar hij niet. Het is uiteindelijk ook niet tot euthanasie gekomen. Alles was in orde, de handtekeningen van twee artsen waren er, en hij zei: ‘Maar ik heb dat niet nodig, wéh. Nu toch nog niet.’ Hij wilde nog van alles doen. Typisch Arno. Hij is altijd zo geweest. Het is jammer dat hij ‘La paloma adieu’, zijn duet met Mireille Mathieu, dat ook op Opex staat, nooit heeft gehoord. Haar zang is opgenomen op 23 april, de dag waarop hij stierf.”

Hij sprak al jaren over Mireille Mathieu.

“Zij was geen idool van hem, maar hij had iets voor haar. Voor dat oer-Franse, voor hoe ze nooit veranderde. En op een dag belde hij: ‘Peter, ik ga een nummer maken met Mireille Mathieu!’”

null Beeld © Stefaan Temmerman
Beeld © Stefaan Temmerman

Arnohuis

“We zijn deze week zijn spullen in Brussel gaan ophalen. Ik dacht meteen: we moeten een Arnohuis beginnen, een permanente tentoonstelling die laat zien hoe hij leefde. De jassen die hij droeg tijdens zijn optredens bijvoorbeeld. Overal scheuren. Hij was gewoon zo. Hij bleef die dragen. Geen gebrek aan nieuwe en propere vesten nochtans, maar die trok hij niet aan. ‘Die vest lééft niet’, zei hij dan. Ook zijn schoenen, zijn zetels… Dat was zo typisch hij. Luxe interesseerde hem totaal niet. Arno is altijd gierig voor zichzelf gebleven. Nochtans is hij niet geëindigd als een sukkelaar, hè.

“Voor mij is hij er ook nog. Hij blijft in mijn hart zitten en dat van velen. Ik heb hem altijd graag gezien, versta je? Ik vind het tof dat er nog heel wat aandacht voor hem is. Volgende week komt er nog een boek uit van Bart Steenhaut met foto’s van Alex Vanhee. Ook Danny Willems is bezig met een fotoboek. Arno blijft verder leven. Hij is niet enkel mijn broer, maar ook een icoon van de Belgische muziek. Van belgitude. Ik kan nog altijd oude nummers ontdekken die je zo gauw niet op de radio zal horen, dingen herontdekken.

“Het is nog maar een idee, dat Arnohuis. Er is een enorm archief van hoe Arno heeft geleefd. Opnames van optredens, een berg kleren, de papiertjes waarop hij elke dag ideeën neerpende. Arno had altijd een blaadje bij hem. Of mensen zijn handschrift gaan kunnen ontcijferen weet ik niet, want bij Arno stak het allemaal niet zo nauw. Die papiertjes nemen je wel mee naar zijn gedachten bij het schrijven van zijn teksten. Ik hoop dat we iets vinden.

“We willen het graag in Oostende doen, liefst een beetje centraal, maar hebben nog geen locatie, alleen veel spullen. Het is ook niet evident: er moet een zaal zijn, een podium, een café, een plek waar je filmpjes kan laten zien. Er is zoveel van Arno om te laten zien. We hebben erover gepraat met Danny Willems, met Peter Craeymeersch van Toerisme Oostende en Stefan Tanghe van De Grote Post. We willen de geest van Arno levend houden. Die mag niet verdwijnen. Na Brel is er ook geen andere Brel meer gekomen.”

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234