Vrijdag 24/05/2019

Boeken

Paulien Cornelisse fileert het Nederlands: “Ik begrijp het woord ‘kids’ nu veel beter”

Paulien Cornelisse: ‘Uitbuiken...De klank ervan staat me compleet tegen.’ Beeld Daniel Cohen

Met haar vrolijke maar nietsontziende blik op de Nederlandse taal charmeert Paulien Cornelisse (42) steeds meer lezers. In het nieuwe Taal voor de leuk zet ze er opnieuw flink de beuk in. ‘Ik maak soms ook maar sjokola van de onbegrijpelijkheid.’

Welgeteld tien minuten nadat ik haar heb gecontacteerd voor een inter­view­afspraak, mailt Paulien Cornelisse terug. ‘Leuk!’ De stoere Amsterdamse met de wuivende haardos mag tegenwoordig dan wel bestsellerschrijver, gekoesterd cabaretier, druk geconsulteerd taalgoeroe en tv-reportagemaker zijn, bereikbaar en kapsoneloos blijft ze wél. En ze regelt de zaakjes van haar voorzichtig uitdijende imperium het liefst zelf. Even later schrijft ze: ‘Sorry voor het gebrek aan interpunctie en beleefdheid. Ik ben Hollands moet u maar denken.’

Dat krijg je dan, als taal je werkmateriaal en instrument is, zoals bij Cornelisse. Je denkt dat je voortdurend op je woorden moet letten. Sinds het succesvolle
Taal is zeg maar echt mijn ding (2009) staat Cornelisse zélf bekend als een taalbetrapper, die al jarenlang in columns haar liefdevolle en geamuseerde blik richt ‘op wat wij zeggen, en waarom’.

Nu is ze met Taal voor de leuk aan haar derde taalworp toe. Ook daar ontpopt ze zich als een vrolijke, nieuwsgierige afluisteraar van het Nederlandse taalgehannes, goed voor zich opstapelende begripsverwarringen. Opnieuw toont ze in puntige stukjes hoe razendsnel taal kan evolueren. ‘Drukdrukdruk’, neen, dat is al passé. En ‘I know’ is op het randje. ‘ ‘Waarom is ‘pittig’ tegenwoordig truttig en hoor je altijd weer ‘spicy’ of ‘hot’? Cornelisse verzint zelf nieuwe woorden: ‘knuddelen’, een samentrekking van ‘cuddle’ en ‘knuffelen’. Of ze hoort lekker existentialistisch altijd weer een treinbegeleider van een ‘zijnstoring’ spreken in plaats van een seinstoring.

Cornelisse doet er niet flauw over, het is vooral de mondelinge taal die haar blijft prikkelen. “Ik vertrek steeds vanuit een soort verwondering. O, wat zegt die nu? Of met welk woord wordt hier nu een loopje genomen? Ik haal veel inspiratie uit wat ik zomaar spontaan opvang. Omdat spreektaal onbevangener is, ik zou bijna zeggen: ongerepter. Over geschreven taal is langer nagedacht, althans dat mag je hopen. En natuurlijk zijn whatsapps en sociale media ook interessante kanalen. Daar gaat het razendsnel.”

Waar schuilen volgens haar de echte taalinfluencers van nu? “De hippe Instagram-meisjes die alles ‘heel leuk’ vinden, hebben veel impact. Ze ontwikkelen een taaltje waarin ‘alles gezellig’ moet zijn en er nooit iets aan de hand is.

“En natuurlijk is er het bedrijfstrainingswereldje met zijn verregaande invloed op de werkende mens. Veel mensen met een kantoorbaan moeten op cursus. Dan wordt dat omfloerste management-taalgebruik er ingepeperd en zo sijpelt het door.”

Hoewel Taal voor de leuk – ‘de leuk’ is al jaren een manier om het woord ‘leuk’ af te zeiken – het taalplezier vooropstelt, is de basis van Cornelisses werk lang niet altijd vrolijkheid: “Ik benader de wereld niet altijd lacherig, ik sla ook weleens in totale paniek. Dit boek gaat ook over de vraag waarom mensen elkaar niet beter begrijpen. Hoe we voortdurend gedrag en woorden verkeerd interpreteren.

“Onlangs kwam er iemand op een lange bank vlak bij me zitten, helemaal in mijn persoonlijke ruimte, met het woord: ‘Zo!’ Ik zat als het ware helemaal vastgeschroefd. Ik wist niet meteen hoe ik moest reageren. Het voelde bedreigend. Uit onmacht heb ik me dan maar doodgeërgerd aan het woord ‘zo’!”

Er zijn om de haverklap sociale situaties waarbij het faliekant kan fout lopen. Hoe zit dat bijvoorbeeld met de welkomstkus? “In het boek beschrijf ik zo’n ingewikkelde situatie, met een man die ik slechts vaag kende. Was ik op kusbasis met deze meneer? Ik wist het niet en vroeg het hem, waardoor het allemaal nog awkwarder werd.

“Toch hoor je weleens dat je een probleem moet benoemen en dat het dan voor de helft verdwenen is. Maar soms maakt taal het alleen maar ingewikkelder. Intussen las hij mijn boek en herkende hij zich in de beschrijving. Hij was helemaal niet boos. Tja, ik probeer soms ook maar gewoon sjokola te maken van de onbegrijpelijkheid.”

Toch krijgt Cornelisse wel eens voor de voeten geworpen dat haar boeken in taalgrapjes blijven hangen. Taalwetenschappers vinden dat ze te weinig analyseert, doorgrondt of verklaringen aanreikt. En te gretig mikt op herkenbaarheid. De kritiek deert haar nauwelijks. “Ik schrijf geen wetenschappelijke boeken, ik zit in een ander segment. Bij mij primeert het idee dat we elkaar toch schijnen te begrijpen, ondanks alle taalhindernissen. De klemtoon ligt op taalamusement.

“Ik hoor trouwens ook vaak genoeg: mijn hemel, wat denk jij obsessief na over één specifiek woord, je pluist het helemaal uit. Dat doe ik net omdat ik besef dat je met één woord zo veel kanten uit kunt. Neem nu het woord ‘drukdrukdruk’ dat uit zwang is geraakt en we misschien maar beter kunnen vervangen door ‘leukdruk’. Vroeger had ik ook een hekel aan het woord ‘kids’, zeker toen ik nog geen gezin had. Het klonk zo nonchalant. Nu begrijp ik het veel beter: je maakt het ouderschap er meer ‘behapbaar’ door. Al gebruik ik het zelf niet.”

Lelijke woorden, ze duiken te pas en te onpas op in Taal voor de leuk. Cornelisse houdt er zelfs een ‘viezewoordenlijst’ op na. Woorden met ‘sel’ op het eind, zoals ‘aftreksel’ of ‘baksel’. Vooral ‘uitbuiken’ scoort hoog, net als de afgeleide uitdrukking ‘even de broek op de vleeshaak zetten’, wat Nederlanders wel eens doen na een copieuze maaltijd. “Over lekker eten moet je niet te veel praten. Misschien verraad ik hiermee mijn calvinistische opvoeding (lacht). ‘Uitbuiken’…de klank ervan staat me compleet tegen. Tegenwoordig moet elk voedsel een gevoelswaarde meekrijgen.”

Ondanks haar soms stekelige taalbemerkingen, kun je Cornelisse moeilijk een militant lid van de taalpolitie noemen. “Ik ben anti-ergernis op taalgebied”, bevestigt ze. “Van mij mag en kan er veel, taal is immers een levend ding. Als er te veel voorschriften zijn, dan vraag ik me steeds af wie al die regeltjes heeft bedacht. Meestal is er een nauwe connectie tussen taal en macht. Maar voor mij is taal van iedereen. En er komen – ook door de migratie – steeds meer mengvormen. Daar is niets mis mee.”

‘Mongool’

In haar boek gaat Cornelisse ook in op het woord ‘allochtoon’, dat na zevenentwintig jaar stilaan in onbruik raakt in Nederland. “Maar een alternatief vinden, is nog niet zo eenvoudig. ‘Inwoners met een migratieachtergrond’, ja, oké, maar dat klinkt wel behoorlijk omslachtig. Goed is dat de term zo lang en onhandig is dat je hem nauwelijks als scheldwoord kunt gebruiken. Maar hij blijft wel vaag. Een van mijn oma’s is naar Nederland geëmigreerd, heb ik dan een migratieachtergrond? Ergens wel. Maar in de statistieken zal ik niet komen.”

Opvallend is ook hoe tegenwoordig rond kwesties als identiteit en gender heftige taalrobbertjes uitgevochten worden. “Ik ben meestal geneigd te denken dat de taal de maatschappelijke ontwikkelingen volgt. Dat je dus geen veranderingen kunt afdwingen door alleen de woorden te veranderen. Toch is dit niet altijd waar. Er is bijvoorbeeld voor gestreden om mensen met het syndroom van Down niet meer mongool te noemen. Dat is vrij aardig gelukt, en resulteerde erin dat het scheldwoord ‘mongool’ veel minder geaccepteerd is dan vroeger.”

Kriskras door het boek spookt ook Cornelisses warme affectie voor het Vlaams. Ze is tuk op de soms Babylonische spraakverwarringen tussen Nederlanders en Vlamingen. ‘Moet er wat product in je haar?’, vraagt de Vlaamse kapper. Ze verbaast er zich over. “Dat klinkt voor mij alsof er wellicht afgewerkte olie gaat gebruikt worden.” En ze moet breeduit lachen als ze over ‘de jaren stillekes’ hoort. ‘Het zijn die uitdrukkingen die maken dat je Vlaanderen wil annexeren, desnoods tegen de wil van de inwoners in’, schrijft ze. Ze vult aan: “Nederlanders raken in vervoering van dat Vlaamse taaltje. Het besef: wow, het is onze taal, maar dan mooier! Het is een soort weelderiger landschap waar je vanuit je Nederlandse raam naar kijkt.”

Of Cornelisse – die haar boeken tegenwoordig in eigen beheer uitbrengt – haar ‘taalfranchise’ verder zal blijven uitbouwen, weet ze nog niet. “Nu ga ik eerst toeren met mijn theaterprogramma Om mij moverende redenen, ook in België. We zien wel. Dat mijn eerste boek Taal is zeg maar echt mijn ding zo’n succes zou worden, was voor mij tenslotte ook een complete verrassing. Maar dat veel mensen toch nog zo’n een hechte verbondenheid met taal aan de dag leggen, vind ik best wél hoopgevend.”

Paulien Cornelisse, ‘Taal voor de leuk’, eigen beheer, pauliencornelisse.nl, 238 p., 16,99 euro. Beeld rv
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.