Dinsdag 12/11/2019

Interview

"Over miserie praten we niet. Wat vrezen wij? De tranen?"

Lize Spit. Beeld Stefaan Temmerman

Wie Het smelt van Lize Spit (27) al heeft gelezen, heeft zich de vraag ongetwijfeld ook gesteld. Hoe is dit in godsnaam mogelijk? Hoe kan een jonge, zo zachtaardig ogende vrouw iets maken wat zo donker, zo genadeloos en zo afgrondelijk is? Op zoek naar antwoorden trokken we met de schrijfster naar Viersel, haar geboortedorp.

Even had ze geaarzeld. Een gesprek over haar boek, geen enkel probleem. Maar of dat nu per se in haar geboortedorp moest gebeuren? Ze twijfelde over de meerwaarde. Vreesde ook dat het zou bijdragen tot een te autobiografische lezing van haar boek.

Maar kijk.

Tien dagen later zit Lize Spit op een bankje aan de Put, een grijsgroene vijver in het Antwerpse Viersel, behalve haar geboortedorp ook het decor van dat zo heftige boek van haar.

Ze zegt dat ze blij is dat ze naar deze plek is gekomen. Dat ze hier als tiener wel vaker kwam, net als Eva, het hoofdpersonage van Het smelt.

"Samen met mijn vrienden kwam ik hier zwemmen. Maar meestal zaten we gewoon op dit bankje, te wachten op niks in het bijzonder. Ik weet niet of de jeugd van Viersel hier vandaag nog komt. Ik denk het eigenlijk niet. Kijk naar dat water, het is echt smerig. En er gebeurt hier natuurlijk helemaal niks. Wat dat bankje was voor ons, dat is Facebook voor de jeugd nu. En op Facebook gebeurt - schijnbaar - constant van alles."

"Of ik die jongeren benijd, is een andere vraag. In die verveling van ons zat ook veel veiligheid. In Viersel was één beenhouwerij, één winkeltje, één snoepwinkel met vervallen snoep. Heel overzichtelijk allemaal. Mocht ik ooit kinderen hebben, ik zou willen dat ze in zo'n dorp konden opgroeien."

Tot zover Viersel de dorpsidylle.

Vandaag is een grijze, doordeweekse dag. We wandelen door een verkaveling zonder uitgesproken ziel. Lize Spit vertelt dat ze op haar achttiende uit het dorp is vertrokken. De breuk was nogal drastisch. Terugkomen doet ze sindsdien alleen nog voor de fameuze jaarlijkse rommelmarkt of een occasioneel familiefeest.

"Omdat ik hier zo weinig kom, schrik ik elke keer weer hoe hard Viersel veranderd is. Dat decor van mijn boek, dat is eigenlijk al bijna verdwenen. Kijk om je heen: de oude huizen staan te verkommeren, terwijl de verkavelingen en hun omheiningen maar blijven groeien. Voor een buitenstaander moet dat Viersel van nu toch bijzonder lelijk en oninteressant zijn. Maar misschien was het dat vroeger ook al en heb ik alleen onthouden wat ik mooi en interessant vond, en kon gebruiken voor mijn boek."

Beeld Stefaan Temmerman

Achterklap

"Tijdens het schrijven van Het smelt ben ik één keer naar hier gekomen. Ik heb toen de boerderij bezocht, om de details juist te hebben. Daarnaast wilde ik ook nagaan of er dingen waren die ik was vergeten, en die mijn boek beter konden maken. Dat viel tegen. Mijn herinneringen aan dit dorp en zijn mensen bleken veel bruikbaarder dan de werkelijkheid."

"De conclusie zou kunnen zijn dat Viersel zijn ziel is verloren, maar waarschijnlijk heeft het veel meer te maken met wat ik de afgelopen tien jaar in mijn hoofd met dit dorp en zijn mensen heb gedaan. Ik was er een boek van aan het maken, al voor ik hier weg was. De personages in mijn boek zijn eigenlijk een soort compilaties, samengesteld uit een mens of drie. Hun meest interessante eigenschappen heb ik gepikt, in functie van bruikbaarheid voor mijn boek."

We stappen voort, weg van de verkaveling, op naar de drassige boerengrond. Wadend door steeds diepere modderpoelen vertelt Spit over de mentaliteit van het dorp, en hoe die haar heeft getekend, als mens en als schrijfster.

Beeld Stefaan Temmerman

"In de jaren 90 was Viersel nog overwegend katholiek. Wij gingen naar de kerk, en ik heb nog lang op zondagochtend de mis gediend. Ik geloofde in God. Als was het misschien eerder een bijgeloof. Als ik deelnam aan een veldloop, bad ik drie keer de rozenkrans, in de overtuiging dat ik daardoor de veldloop zou winnen."

"Een veldloop heb ik nooit gewonnen, en het geloof heb ik al lang afgezworen. Maar het katholieke ethos zit er nog altijd diep in. Een mens moet werken. Afzien. Lijden. Ik weet dat dat niet goed is voor mij, en soms zou ik willen dat ik meer van mijn leven kon genieten. Maar aan de andere kant heeft die discipline me wel geholpen bij het schrijven van mijn boek. Zonder dat ethos was Het smelt er allicht niet geweest."

"Als ik aan Viersel denk, denk ik spontaan ook aan roddel en achterklap. In mijn boek heb ik geschreven dat je, om noemenswaardig te worden in dit dorp, iets noemenswaardig over een ander moet vertellen. Ik vrees dat ik dat inzicht mee naar Brussel heb genomen. Voor ik naar een feestje vertrek, flitst het altijd nog even door mijn hoofd. 'Is er iemand gestorven?' 'Zijn er relaties op de klippen gelopen?'(lacht) Ik bedoel: een mens kan toch niet zomaar ergens binnenkomen zonder een roddel of een goeie quote?"

Alleen in Viersel

"Gek genoeg lijkt die spraakzaamheid hier helemaal te verdwijnen als het gaat over de eigen miserie. Ik heb me de vraag ook gesteld in het boek. Worden boeren binnenvetters, of worden binnenvetters boeren? Die zwijgcultuur doet de situatie in mijn boek mee ontsporen. Het personage Pim, een boerenzoon, wordt geconfronteerd met een groot verlies, maar het verdriet dat ermee gepaard gaat, blijft in zijn boerenfamilie zo goed als onbesproken. Ik heb proberen te beschrijven hoe dat verdriet heel langzaam in hem gist, tot het ontploft, en hij een soort monster wordt."

"Over grote miserie praat je niet. Er staat een olifant in de kamer, maar we doen alsof die er niet is. Zo is dat in de Kempen, en wellicht niet alleen daar. Mijn boek mag je ook lezen als een aanklacht tegen dat zwijgen. Ik begrijp dat ook niet goed. Waarom zijn we zo bang om onze miserie en onze problemen te benoemen? Wat vrezen wij? De tranen?"

"In mijn jeugd heb ik het gesprek erg gemist. Ik geloof dat alle mensen een tragisch besef hebben. Ik had heel sterk de behoefte om dat besef uit te drukken in taal. Maar in Viersel stond ik met die behoefte nogal alleen."

"Het klinkt waarschijnlijk hautain, maar ik wist ook al vroeg dat ik een meer dan gemiddeld talent had voor empathie. Buitengewoon slim ben ik niet, maar ik kon en kan wel héél goed voelen in andermans plaats. Als iemand een been brak, kon ik me bij die pijn iets heel gedetailleerds voorstellen. Ik kon bijna misselijk worden van droefenis als iemand anders iets overkwam, zelfs al voelde die ander zich daar niet uitermate triestig over."

"Ik denk dat je de kiem van mijn schrijverschap daar moet zoeken. Ik voelde veel - schuld, medelijden, verdriet - maar ik wist tegelijk dat het iets bruikbaars was. Tijdens mijn jeugd heb ik mij aan dat besef vastgeklampt. Pijn kun je gebruiken. Je kunt het omzetten in iets moois. In taal. In metafoor."

Beeld Stefaan Temmerman
Beeld Stefaan Temmerman

Bang voor reacties

"Schrijven deed ik dus al in mijn tienerjaren, zij het zonder daadwerkelijk iets op te schrijven, en zonder een concreet plan voor een roman. Dat kwam later pas, toen ik een jaar of zeventien was. Eigenlijk wilde ik al voor mijn twintigste debuteren. Gelukkig heb ik tijdig beseft dat ik daar nog niet rijp voor was. Maar ondertussen bleef ik wel verzamelen. Kleine observaties. Herinneringen. Anekdotes."

"Strikt genomen heb ik Het smelt in een jaar tijd geschreven. Maar er gaan wel negen jaar van verzamelen aan vooraf. Daarom steekt het ook zo als mensen zeggen dat ik een hype ben."

"In die zogenaamde hype zit alles wat ik over mijn jeugd, dit dorp en de mensen te vertellen heb."

"Tijdens het schrijven heb ik nog even getwijfeld of ik het boek ergens anders zou laten spelen. Ik was bang dat het te veel een-op-een zou zijn, en mensen het als een pure autobiografie zouden lezen. Die angst is er nog altijd, maar ze weegt niet op tegen het besef dat het boek beter is zo, zonder een omweg, recht op het doel af."

Twee weken geleden stelde Lize Spit haar boek voor in de bibliotheek van Zandhoven, enkele kilometers verderop. Daar had ze zo haar redenen voor. "In mijn roman reist het hoofdpersonage van Brussel naar Viersel met een ijsblok. Ik vond het een mooie gedachte om dezelfde reis te maken, maar dan met mijn eigen boek. Tegelijk was het ook een gebaar van dankbaarheid naar de mensen van het dorp. Per slot van rekening is het ook hun boek."

"Ik heb ook wel het gevoel dat de mensen van Viersel dat zo zien. Op die voorstelling kochten sommige mensen vier boeken, voor ieder van de familie eentje. Ik denk dat ze er trots op zijn dat hun kleine dorp het decor is van een roman. De reacties die ik van hen heb gekregen, zijn voorlopig ook overwegend positief."

"Als ze al kritiek geven, gaat het over het werkelijkheidsgehalte van het boek. Kleine details, die niet overeenstemmen met de realiteit. In Het smelt beschrijf ik hoe je na de afrit van de snelweg een brug over moet. (lacht) Al meer dan eens ben ik erop gewezen dat die brug in werkelijkheid iets verderop ligt. Mensen vinden het blijkbaar toch moeilijk, om dat onderscheid tussen literatuur en werkelijkheid te maken."

"Natuurlijk was ik om die reden ook bang voor de reacties. Mijn boek is genadeloos. Donker. Bitter. Als mens ben ik veel milder. Een boek van de persoon Lize Spit zou dan ook bijlange niet zo interessant zijn."

Mededogen

"Als mens ben ik nogal preuts, en ga ik me al snel schamen. Gek genoeg is alle schaamte en preutsheid weg zodra ik aan mijn schrijftafel zit. Zo schrijf ik nogal direct en expliciet over seksuele perversiteiten. Daarover ging ook een van de eerste vragen die ik kreeg over mijn boek. Of ik me tijdens het schrijven niet gedegouteerd had gevoeld? Het antwoord was en is nee. Niet tijdens het schrijven. Dan ga ik chirurgisch te werk, vermijd ik dat emoties in de weg komen te zitten."

"De schaamte kwam pas achteraf, op die zeldzame momenten dat ik even afstand nam van het boek. Dan gebeurde het wel eens dat ik dacht: 'Nee, Lize, dit kun je echt niet maken.' Het was dan zaak om zo snel mogelijk weer achter mijn tafel te kruipen, om verder te schrijven."

Het wordt donker. De aanwakkerende wind heeft ons naar De Cruyck gejaagd, het dorpscafé in de schaduw van de kerk. De schrijfster bestelt een warme chocomelk, warmt haar handen aan de kachel. Ze zegt dat ze heeft genoten van de wandeling. En dat ze in wezen "nog altijd dat meisje van het dorp" is.

Waarom ze dat dorp dan de rug heeft toegekeerd? Heel even is ze stil.

"Ik wou een nieuw leven beginnen", zegt ze. "Zo ver mogelijk van hier, en - nu ik erover nadenk - ook zo ver mogelijk weg van mezelf. Brussel was daarvoor de perfecte plek. Die stad is niet alleen ver in afstand, ze staat ook helemaal haaks op dit dorp, en wie ik in wezen ben. In Brussel ken ik nauwelijks iemand. Ik hang er aan niemand vast. De stap was moeilijk, maar tegelijk bevrijdend. De anonimiteit van Brussel zorgt er ook voor dat ik mij niet verantwoordelijk hoef te voelen voor het leed van anderen. Noem het een vorm van zelfbescherming."

"Daarstraks heb ik je verteld over de pijn van anderen, en hoe ik die zelf soms harder kon voelen dan het slachtoffer zelf. Zo had ik dat ook met mijn zusje, die net als Tesje in mijn boek aan dwangneuroses leed. Tesje speelt vaak Monopoly met zichzelf. Dat deed mijn zusje ook. Ik vond dat een ontzettend treurig beeld, ook al zal ze dat zelf waarschijnlijk niet als iets pijnlijks hebben ervaren."

"Nogal wat lezers vertellen me dat ze de band tussen Tesje en haar oudere zus Eva zo ontroerend vinden. Mogelijk heeft dat iets te maken met de doorleefdheid. In werkelijkheid was het niet helemaal zoals het in het boek is beschreven, maar de liefde, het medelijden en het schuldgevoel zijn wel waarheidsgetrouw. Ik wilde heel precies opschrijven wat dat medeleven met me deed."

Beeld Stefaan Temmerman

"Zo'n dwangneurose is ook gewoon een bijzonder interessant gegeven om te onderzoeken. In wezen is het een tegenreactie, een dwangmatige controledrang, als antwoord op een situatie waar je onmogelijk controle over kunt krijgen. In het geval van het boek is dat de gezinssituatie, die verre van ideaal is."

"Ik hoop met heel mijn hart en mijn verstand dat mijn boek niet gelezen zal worden als een beschuldiging aan het adres van sommige personen in mijn directe omgeving. Ik geloof trouwens niet in slechte of goeie mensen. Daders zijn altijd ook slachtoffer. Slachtoffer van andere mensen, van de omstandigheden, of gewoon van zichzelf. Ik denk, hoop, dat dat mededogen ook in mijn boek zit."

"Achteraf bekeken vind ik het ook niet erg dat ik niet in dat perfecte gezin ben opgegroeid. Perfecte gezinnen bestaan ook niet. Het is precies wanneer mensen verbonden zijn, dat ze in staat zijn elkaar te raken - onverschilligheid is erger dan kwetsbaarheid, geloof ik. De grootste miserie speelt zich af achter de gevels van gezinnen die er van buitenaf perfect uitzien."

"En ik heb je dat al verteld: ik heb altijd in de overtuiging geleefd dat ik van ellende ook iets moois kon maken. Achteraf bekeken is dat mijn geluk geweest. Ik heb iets met de ellende kunnen doen. Je zou kunnen zeggen dat ik er mijn schrijverschap - mijn dwangneurose - aan te danken heb. Al wringt dat soms wel. Op de keper beschouwd heb ik de miserie van minstens 150 mensen gebruikt om mezelf als schrijver op de kaart te zetten. Natuurlijk is dat ook mijn eigen verdienste, maar toch. Ik heb wel eens bedacht dat ik mijn royalty's moet delen met 150 man."

Geen plan B

"Toen ik twijfelde of het wel een goed idee was om naar hier te komen, had dat ook hiermee te maken. Je kunt mensen echt kapotmaken met een boek, wanneer je hen probeert te reduceren tot een van je personages. 'De waargebeurde roman' bestaat niet, denk ik. Een schrijver kan een mens nooit helemaal vatten in een romanpersonage."

"Natuurlijk flirt mijn boek met de werkelijkheid. Bovenmeer, het dorp uit mijn boek, is gebaseerd op Viersel. Alleen - en dat punt is ontzettend belangrijk - het valt er niet mee samen. Dat maakt praten over het autobiografische gehalte zo gevaarlijk. De familie van Eva en Tesje is mijn familie niet. Ik heb elementen uit de werkelijkheid weggelaten, verdraaid en uitvergroot. Maar zeker in een dorp als Viersel is het gevaar groot dat de mensen het als de waarheid zullen lezen."

Beeld Stefaan Temmerman

"Mijn naasten hebben het boek ondertussen gelezen, ja. Drie weken voor het in de winkel lag, heb ik hen een exemplaar bezorgd. Niet vroeger. Niemand uit mijn directe omgeving heeft het vroeger mogen lezen. Dat heb ik heel bewust vermeden. Als ik het op voorhand aan hen had laten lezen, hadden ze wellicht dingen willen schrappen, en dat wilde ik niet. Als schrijver wilde ik het best mogelijke boek schrijven, zonder compromis."

"De weken die aan de publicatie van mijn boek voorafgingen, waren misschien wel de moeilijkste van m'n leven. Ik had veel last van mijn twee hoedanigheden: die van de genadeloze schrijver en die van medelevend persoon. Ik vreesde de reacties van mijn naasten, maar ook de kritieken in de krant. Ik had voor dit boek alles gegeven wat ik had. Het is een beetje zielig om dat zo te zeggen, maar buiten het schrijven heb ik ongeveer niks. Ik doe geen sport, ik heb geen hobby's. Als mijn boek was afgekraakt, hadden ze ook mij volledig gekraakt. Een plan B was er niet."

Lize Spit is niet gekraakt. Integendeel. Zelden of nooit is een debuutroman zo opgehemeld als Het smelt. Een keer viel zelfs de naam Hugo Claus.

"Dat vond ik zelf wel grappig. Het is een beetje beschamend om te zeggen, maar van Claus heb ik nog niets gelezen. Ik heb scenario gestudeerd aan het Rits. Ik ben niet zo belezen. Toen ik in de Volkskrant werd vergeleken met de jonge Hugo Claus, ben ik onmiddellijk op zoek gegaan naar samenvattingen van zijn vroeger werk, gewoon, om te weten waarmee ik vergeleken was."

Zelftwijfel

"Ik ben niet trots op die onbelezenheid, zeker niet. Ik ben ook van plan om mijn schade in te halen. Maar voor het geloof in mijn eigen schrijverschap was het zeker geen nadeel. De vraag wat ik aan de grote literatuur nog kon toevoegen, heb ik me daardoor nooit moeten stellen."

"Terwijl ik aan het schrijven was, heeft iemand me verteld over Wij, de roman van Elvis Peeters over jongeren die zich vervelen, zich uitleven in perversiteiten en ontsporen. Het eerste wat ik dacht was: niet lezen, Lize. Achteraf gezien was dat inderdaad de juiste reflex. Ik heb dat boek intussen gelezen. Dat was toch schrikken. Elvis Peeters gebruikt een heel andere vorm, maar de thematiek is wel opvallend gelijkaardig. Als ikWijhad gelezen terwijl ik aan het schrijven was, had de gedachte dat iets gelijkaardigs al eens eerder was gedaan, mij ongetwijfeld verlamd, en was ik misschien wel gestopt."

"Het klinkt misschien raar uit de mond van een debutante die net een baksteen van vijfhonderd pagina's op de wereld heeft losgelaten, maar ik ben echt niet iemand die barst van het zelfvertrouwen. Ik zit hier tijdens dit gesprek de hele tijd te doen alsof ik wel weet hoe de wereld in elkaar zit, maar ik weet nu al dat ik straks, als ik weer in Brussel ben, een vuilniszak over mijn hoofd zal willen trekken om mezelf niet meer te moeten horen of zien."

"En toch. Ondanks alle zelftwijfel heb ik diep in mezelf altijd wel in de kracht van mijn boek geloofd. Dat geloof groeide ook naarmate het boek vorderde, en ik meer en meer op het spel begon te zetten. Uiteindelijk werd het een soort pokerspel, waarin ik had besloten om alles wat ik had op het bord te gooien, tot mijn eigen kleren toe. 'Het kan toch niet zijn', dacht ik dan, 'dat de lezer die inzet straks niet zal voelen?'"

De schrijfster neemt deel aan de literaire tournee Saint Amour, die volgende vrijdag van start gaat in de Mechelse stadsschouwburg. www.begeerte.be

Lize Spit, Het smelt, Das Mag Uitgeverij, 478 p., 22,95 euro.

Beeld Stefaan Temmerman
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234