Donderdag 25/04/2019

"Ouder worden is ondraaglijk"

Paul de Wispelaere. Beeld Stephan Vanfleteren

De veelbekroonde auteur Paul de Wispelaere is het afgelopen weekend op 88-jarige leeftijd overledenMargot Vanderstraeten sprak hem tien jaar geleden voor een uitgebreid interview in De Morgen, dat we nu opnieuw publiceren.

***
Paul de Wispelaere heeft iets met oktober. Al zijn boeken beginnen met deze eerste, ambigue herfstmaand. Oktober is ook de maand waarin hij 79 jaar geleden verwekt werd. En: 'In de sfeer van de oktobermaand schep ik het liefst literaire levens.' Ver van de drukte van de Boekenbeurs, een rustig gesprek onder de dakpannen van zijn 'boerenstulpje' in Maldegem. 'Waar alles verstilling en verinnerlijking ademt'.

'Oktober' is ook de titel van het eerste hoofdstuk van Het verkoolde alfabet, de autobiografische roman die in 1992 voor De Wispelaeres literaire doorbraak bij het ruime publiek zorgde. Een betere maand, een mooiere dag om bij Paul de Wispelaere aan te bellen, dan deze warme oktoberdag is er niet. Iets voorbij de boerderij waarin hij dertig jaar geleden zijn intrek genomen heeft, grazen koeien met volle uiers. De hoge populieren aan weerskanten van het Leopoldkanaal ruisen hun laatste hoofdstuk, nog enkele weken en hun kruinen zijn kaal en stom. De nek van een paard hangt over een haag, richting gele oktoberzon. Maar het is niet al landelijke idylle wat de klok slaat. De dubbele blik die werk en leven van De Wispelaere zo kenmerkt, en waarin mooi en lelijk, positief en negatief, vooruitgang en achteruitgang altijd samengaan, groeit ook hier. Tussen de bomen waart de storm van de moderniteit. Geen tuin zonder wereld. Geen Paul zonder Tegenpaul.

"Het beginnen aan een boek is een verschrikking", luidt de eerste zin van Het verkoolde alfabet. En vervolgens bewijst De Wispelaere dat hij de verschrikking niet schuwt, want vanaf regel twee raken pen, persoonlijke toon en observatievermogen snel op koers, en beschrijft hij exact het landschap dat zich hier, rond het middaguur, in Moerhuize, Maldegem voor de wereld uitstrekt. "Deze stille, zonnige oktoberdagen zijn de mooiste van het jaar. Ze hebben iets van een ingetogen laatste feest. Ze verlopen als een heel langzaam draaiend wiel met gele spaken. Ze zijn voorbestemd voor verhalen over de voorbije zomer." En jawel. Deze oktoberdag lijkt ook voorbestemd voor verhalen over het voorbije schrijverschap. En over de seizoenen die nog moeten komen.

"Ik heb van kindsbeen geschreven. Niet omdat ik dat wilde, maar omdat ik dat moest. Schrijven is een drang, geen keuze. Aan die aandrift kan ik niet ontsnappen. Daarom dat ik het vermoeiend vind om in discussie te gaan met mensen die de literatuur misschien wel een warm hart toedragen omdat ze af en toe een boek lezen, maar die absoluut niet snappen wat schrijven is, wat schrijven inhoudt. Ik moet gewoon schrijven. Notities maken. Schetsen uittekenen. Materiaal verzamelen waaruit ik iets groters kan samenstellen. Schrijven is de kern van mijn leven. Vanuit die kern bekijk, beleef en ervaar ik al de rest. Zonder die kern ben ik er niet. Heb ik simpelweg geen identiteit. Al die romantische ideeën over zogenaamde muzen en vlagen van inspiratie bestaan niet. Wie mij vandaag met pen en papier in de weer ziet, moet dus niet zeggen 'dat ik toch al ruimschoots voldoende mooie zinnen geschreven heb'. Wie dat zegt of denkt, snapt niet dat ik, als ik zou beslissen om op te houden met schrijven, tegelijkertijd ook beslis om op te houden met leven. De twee werkwoorden gaan volkomen in elkaar op. Zolang ik blijf leven, blijf ik schrijven, en zolang ik blijf schrijven, blijf ik leven. En ja, ik word oud. Ik ben oud. Ik kan almaar moeilijker de concentratie opbrengen om te schrijven. Dat is pijnlijk, en het maakt me ongelukkig. Ouder worden is ondraaglijk, omdat al je vermogens worden aangetast. Ik ben nu veel milder voor anderen, dat staat vast, maar ik ben evengoed strenger voor mezelf, en dat is moeilijk.

"Om goed te schrijven heb je uiteraard aanleg nodig. Die aanleg heb ik. Ik weet niet waar die vandaan komt. Mijn vader was een goed verteller. Na de badkuip op zaterdagavond mocht ik bij hem op schoot, en luisterde ik naar zijn verhalen. In huis hadden we amper boeken. Maar mijn vader had in zijn jonge jaren veel gelezen. Robinson Crusoe was onze held. Door die verhalen te horen is bij mij de drang ontstaan om ook iets te maken. En er is meer dan dat. Mijn vader stond heel dicht bij de natuur. Hij kon alle vogels, bomen en planten bij naam noemen. Ik kan dat ook. Ik heb die interesse van hem geërfd. Mijn sterke verbondenheid met de wereld van vroeger, hangt zeker aan hem vast. Mijn vader was een wagenmaker. Hij maakte boerenwagens en karren in zijn werkwinkel. Wat een mooi en vervlogen woord, nietwaar. Werkwinkel. In de vooroorlogse jaren waren winkels vaak ook werkplaatsen. Ik kon er uren naar mijn werkende vader staan kijken. Ik tuurde naar zijn handen waaruit langzaam maar zeker een wiel groeide, en was aangedaan door de toewijding die hij voor zijn werk en zijn materialen kon opbrengen. Hij hanteerde zijn gereedschap met liefde. Voorzichtig en zelfverzekerd. Met ambachtelijke kunde en verfijning. Er wordt weleens smalend over gedaan dat ik alleen met pen kan schrijven. En dan bedoel ik het echte schrijven, niet het sturen van een zakelijk briefje, want dat doe ook ik elektronisch. Maar om echt te kunnen schrijven, moet ik gereedschap hanteren. Ik schrijf altijd met dezelfde pen die ik mijn 'gouden pen' noem, maar die een groene vulpen van het merk Waterman is. De inkt die ik gebruik, is zwart. Schrijven is handwerk. Taal is ambacht. Als ik schrijf, schaaf ik zoals mijn vader zijn hout schaafde. En geleidelijk aan ontstaat uit dat ambacht ook een uniek resultaat. Ik heb de traagheid der dingen nodig. Dat langzaam maar zeker groeien. Dat zien groeien bijna. Dat schrappen en opnieuw verwoorden. Mijn manuscripten staan vol aantekeningen en doorhalingen. Een manuscript heeft een literaire waarde; het geeft de ontstaansgeschiedenis van een werkstuk weer. Heb je de manuscripten van Proust al eens gezien? Wat een gekrabbel. Maar ook: wat een rijkdom. Hoe was het, en waar is het naartoe gegaan? Sindsdien zijn manuscripten typoscripten geworden, en vandaag de dag bevatten ze al helemaal geen krabbels meer, maar worden teksten kant-en-klaar digitaal ingediend. Als auteur, als voormalig literair criticus, als essayist en ook als ex-hoogleraar Nederlandse letterkunde vraag ik me af of je verschillen zou kunnen waarnemen in het opzicht van stijl en taalgebruik tussen een tekst die op de computer geschreven is, en een tekst die met de pen ontstaan is. Zo ja: wat zouden de verschillen zijn? Houdt de computer voor de literatuur een voor- of een nadeel in? Is die technologische vooruitgang winst, of is er ook verlies? Die vragen boeien mij. Een wetenschappelijk onderzoek ernaar loont beslist de moeite. En verlies is er zeker. Het ligt in het karakter van deze tijd dat alles almaar sneller gaat. Die snelheid is een van de redenen waarom de brief als literair werkstuk haast compleet van de aardbol verdwenen is. In de loop van de eeuwen is gebleken dat brieven een onschatbare literaire waarde vertegenwoordigen en dat ze in hun ontwikkeling een volwaardig literair genre vormen. Stel je voor dat we de brieven van Montaigne, Rousseau, Flaubert en zo vele anderen nooit gekend zouden hebben. Wat een armoede! Wat een gemis! Zelf schrijf ik nu minder brieven dan vroeger. Maar een goede brief blijft nog altijd een stukje kunst. Enkele van mijn boeken zijn in briefvorm geschreven. Ik kan mij in een brief, en ook in een dagboek, goed uitleven. Het zijn vormen die me liggen, zich tegen me aan vlijen zoals mijn pen zich tegen mijn vingers aan vlijt. Een dagboek is nooit naakte autobiografie, dat is onmogelijk. Herinnering kan niet zonder verbeelding, en omgekeerd. In een autobiografisch werk ben je zelf personage geworden. Dat personage giet je in alle kenmerken die een roman heeft: structuur, stijl enzovoort. Nooit of nooit zijn dagboeken en brieven waarheidsgetrouwe weergaven van de werkelijkheid, omdat de vorm daar een stokje voor zet. Wis je de vorm, dan gaat de roman ten onder. Een goede brief is ook aan twee personen gericht: ten eerste aan de geadresseerde, maar ook aan de schrijver. Wie de brief schrijft, richt zich tot zichzelf. Tot wat er zich in zijn binnenste afspeelt. Het is een gegeven waar elke schrijver die zijn bestaansreden waardig is, mee worstelt. Als je je vak ernstig neemt, moet je er altijd, koste wat het kost, de voorkeur aan geven. Dat betekent dat je voldoende tijd en ruimte voor introspectie moet scheppen. Je moet je op tijd en stond uit de wereld terugtrekken om te kunnen reflecteren, en om het artistieke proces zijn gang te laten gaan. Je sociale leven lijdt daaronder: wie schrijft is voor de rest van de wereld slechts in geringe mate beschikbaar. Als je naasten er niet mee kunnen leven dat je leven rond schrijven draait, gaan de relaties stuk. Schrijven vraagt veel inspanning en isolement. Schrijven, goed schrijven, is moeilijk. Ik kan niet zo goed uitleggen wat er nu precies zo moeilijk aan is. Ik denk dat het vooral de spanning tussen wil en werkelijkheid is, die schrijven moeilijk maakt. Daar zit de dwang tussen. Want je kunt misschien wel willen, je moet niet denken dat je je eigen pen in de hand hebt. Je woorden gaan met je aan de haal. De daad van het schrijven gaat met een koppige zelfstandigheid gepaard. Aan die zelfstandigheid, die thema's en motieven aan je opdringt, kun je alleen maar gehoorzamen. Mede daarom vind ik schrijven, iets maken, mijn vorm van engagement. Want natuurlijk voel ik me ook soms machteloos tegenover politiek en onrecht. En het is absoluut waar dat een auteur of een kunstenaar vanuit ethische overwegingen kan beslissen om zich meer als burger dan als kunstenaar te engageren. Bijvoorbeeld als een politiek regime de vrijheid van meningsuiting fnuikt. Of kijk naar mezelf: ik ben bij de vorige gemeenteraadsverkiezingen opgekomen bij de groenen van Maldegem. Omdat ik echt vond dat ik tegen de teloorgang van het milieu moest opkomen. Omdat ik niet langer aan kon zien hoeveel groen er, ten behoeve van puur winstbejag of domme kortzichtigheid, moest sneuvelen. Maar literatuur werkt anders. Literatuur heeft een compleet andere vorm van macht, en bezit het vermogen en de kracht om mensen zich eraan te laten optrekken. Literatuur levert authenticiteit en tegengif. En die zijn levensnoodzakelijk. Voor de auteur. En voor de lezers. Op dit vlak ben ik ook verheugd dat ik de afgelopen vijftien jaar bij uitgeverij Atlas onderdak heb. De uitgeverij heeft eerbied voor literaire auteurs en voor literatuur in het algemeen."

"Ach, maar met wat een warmte denk ik terug aan de hoek van de keukentafel van mijn ouders. De keuken was de enige kamer in het huis die verwarmd was. De kachel brandde. En ik zat met pen en papier aan het hoekje van de tafel. En maar schrijven. En maar opgaan in de macht en de kracht van het woord en van de verbeelding. Weet je dat ik twaalf was toen ik mijn eerste verhaal schreef? Ik heb het, denk ik, ooit al eerder verteld. Het was een heus indianenverhaal dat in Assebroek ontstaan is. Als knaapje was ik volledig in de ban van Karl May en Winnetou en Old Shatterhand. Ik las alles wat er over deze helden te lezen viel. En natuurlijk legde ik een grote sympathie voor de indianen aan de dag. De blanken waren de slechten. De indianen, de onderdrukten, de goeden. Zilverhart, het opperhoofd der Delawaren, was de titel. Ik was het bestaan ervan eerlijk gezegd zelf vergeten. Maar na het overlijden van mijn moeder ben ik in de mythische schatten op haar zolder gaan struinen. En daar vond ik een kopie van mijn eerste 'literair' product. Ik moet toegeven dat ik diep ontgoocheld was over mijn ontluikende schrijftalent. Maar ik heb toch ook een zeer verrassende, positieve ontdekking gedaan: ik vond er ook een brief die ik van uitgeverij Goede Pers, Averbode had ontvangen. Want natuurlijk had ik mijn eerste vruchten naar deze uitgever van de Vlaamse filmpjes gestuurd. Weet je wat de pater van dienst mij in deze brief geantwoord heeft? Hij schrijft dat het boek aardig geschreven is. En vervolgens schrijft hij niet, zoals de huidige, afwijzende standaardbrieven van uitgeverijen dat zo mooi kunnen, 'dat mijn werk niet in hun literair fonds past'. In plaats daarvan staat er 'dat de inhoud van mijn boek de censuur van de Duitse bezetter niet passeerde!' Absurd natuurlijk, dat een jongetje van twaalf jaar dat over cowboys en indianen had geschreven met de nazicensuur werd geconfronteerd. Maar het komt erop neer dat ik op twaalf jaar dus een eerste, duidelijke daad van verzet heb gesteld! Ik durf te zeggen dat deze daad me met enige trots vervult. Ik ben mezelf ook trouw gebleven, want ik neem nog altijd stelling tegen de onderdrukkers en voor de verdrukten. Al moet ik toegeven dat mijn visie intussen genuanceerder is. Ik heb Latijns-Amerika herhaaldelijk bezocht. Een verslag van deze reizen staat in Cuba en andere reisverhalen. Tijdens deze reizen heb ik onder andere de duistere impact van het massatoerisme ervaren. Het aantal oorden met een 'onbedorven verleden' wordt almaar zeldzamer, ook bij de indianen. Indianen zijn de kluts kwijt, en meer dan eens menen ze dat alcohol hen kan helpen om dit verlies te incasseren. Met alle gevolgen van dien. Zelfs de meest afgelegen, geïsoleerde plekjes ontsnappen niet langer aan moderniteit en commercialisering. En dat bedoel ik zeer negatief. Ik zie veel verloedering. En ik kan nog altijd in al mijn poriën ontroering voelen als ik met ongereptheid in aanraking kom. Mijn boottocht op het Titicacameer, de natuurlijke grens tussen Peru en Bolivia, bijvoorbeeld. Hemel, wat een schoonheid. Het wonder zoals het vroeger moet zijn geweest."

"In leven en werk refereer ik vaak aan 'vroeger'. Het is niet dat ik per definitie tegen technologische vooruitgang of tegen de voortgang van de wetenschap gekant ben. Het is het gebrek aan visie, aan een visie tout court, dat me tegen de borst stuit. Vooruitgang kan pas in goede banen geleid worden als er ook ideologisch goed over nagedacht wordt. Als er een duurzaam kader wordt gecreëerd. En dat mis ik. Respectloos winstbejag en kortzichtigheid regeren. Ik heb dat van heel dichtbij in Maldegem moeten beleven. In de dertig jaar dat ik hier woon, heb ik tientallen eeuwenoude bomen geveld zien worden, en niemand die protesteerde. Zeker de boeren niet. Want die illusie ben ik hier wel kwijt geraakt: dat boeren van de natuur zouden houden. Niets is minder waar. De natuur kan hen niets schelen. Als hun boerderij maar voldoende opbrengt. Met allerlei pesticiden tot gevolg. De ontdekking dat boeren totaal geen benul hebben van de waarden van de natuur, was een immense ontgoocheling voor mij.

"Ik probeer voortdurend mijn eigen 'vroeger' weer te creëren. Mijn verlies opnieuw in te vullen. Er is geen iets zonder niets. Geen innerlijk zonder uiterlijk. Ik vul dat gebrek letterlijk in, door bijvoorbeeld, toen ik hier dertig jaar geleden kwam wonen, mijn eigen tuin aan te leggen; naar analogie van de tuin uit mijn kindertijd. Tientallen bomen heb ik geplant. Bomen uit de streek, zoals elzen en zomereiken. En een hele reeks fruitbomen: pruimen, appels, kersen,... In de voortuin staat de grootste walnotenboom uit de verre omgeving, elke herfst werpt hij manden noten af. Het is mijn vorm van verzet tegen de vernietiging. Maar ik vul wat verloren gaat natuurlijk ook figuurlijk in. Via de literatuur. Ik beschrijf dat wat aan het verdwijnen is. Ik leg het verdwenen verleden vast. Verlies is een voorwaarde om te kunnen scheppen. Niet elk verlies is negatief. Je kunt je geliefde verliezen, maar ook je maagdelijkheid. Je kunt je naïviteit verliezen, en je onschuld. Je illusies, maar ook je nachtmerries. In de herfst verliest de natuur de zomer. De maand oktober heeft een mythische waarde en een rijke metaforiek. Oktober staat tussen twee seizoenen en gemoedstoestanden in. Het is nog zomer, maar de winter staat op de drempel. De natuur is op zich een metafoor. De natuur kan heel erotisch zijn. Planten, bloemen en bomen krijgen knoppen. De seizoenen volgen elkaar in cycli op. In de herfst, vooral in oktober, vertonen bomen hun allerprachtigste bladerdek. Ontluiken paddestoelen onder hun stammen. Ruikt de aarde naar humus. Dat is pure erotiek."

"Ik zal nu inderdaad ook in de herfst van mijn leven zitten. Ik heb de zomer en de lente gehad. De winter zal nog komen. Ik voel dat. Dat ik 'er niet meer zo bij hoor' als vroeger. Dat doet pijn, maar ik klaag niet. En ik wil niemand iets verwijten. Ik heb niet het gevoel dat me te kort is gedaan. Ik word goed gelezen. Ik heb, zowel van lezers als van vakgenoten, waardering gekregen, heb vele prijzen gekregen, waaronder de Driejaarlijkse Staatsprijs voor Proza en de Grote Prijs der Nederlandse Letteren. 'Men' kent me ook nog. Die her- en erkenning bij het grote publiek heeft veel met Het verkoolde alfabet te maken. Het is ook deze roman die ervoor gezorgd heeft dat ik vijftien jaar geleden weer overduidelijk actief meespeelde, en dat ook mijn vorige werk weer aandacht kreeg, een geluk dat sommige van mijn collega's niet is overkomen. Ja, het doet me nog altijd veel deugd als iemand me komt zeggen dat mijn boeken hem of haar ontroerd hebben. Zo'n kleine opmerking maakt mij helemaal gelukkig, omdat ze mijn bestaansreden bevestigt. En ik boog op mijn generatie, zoals ook mijn generatiegenoten dat doen. En neen, ik ben hoegenaamd niet jaloers op het succes en de onsterfelijkheid van Hugo Claus. Ik heb geen afgunst, zo zit ik niet elkaar. Met Claus ben ik goed bevriend. En laten we wel wezen: hij was veruit de beste en de meest veelzijdige van onze generatie. Alles wat hij doet, doet hij meesterlijk. Op zijn vijfenzestigste verjaardag, die in Watou gevierd werd, heb ik een toespraak gehouden. Ik heb in mijn speech de beeldspraak van de wielrennerij gebruikt. Ik heb gezegd dat er een goed peloton moet zijn, opdat er iemand kampioen kan worden. En dat wij, alle auteurs van mijn generatie, dat peloton waren dat er mede voor gezorgd heeft dat Claus is kunnen ontsnappen. Zo is het. En zo gun ik het hem.

"Maar dat de breuklijn tussen de jongere generaties en mijn generatie - die van Geeraerts, Raes, Claus, Michiels, Vandeloo, Ruyslinck,... me droevig stemt, ontken ik niet. De media benadrukken nog dat gevoel dat alleen de jongere generatie het vermelden en recenseren waard is. Ik ben twintig jaar lang literair criticus van de intussen vergane Nederlandse krant Het Vaderland geweest. Ik durf te zeggen dat ik in de jaren zestig een toonaangevend literair criticus ben geweest. Het valt me op dat de literatuurkritiek van vandaag veel oppervlakkiger en commerciëler is. Sommige genres komen nauwelijks nog aan bod, zoals essay en poëzie. Andere auteurs krijgen zo vaak een podium dat ik me afvraag waar ze dat aan verdiend hebben. Anderen vallen dan weer volkomen uit de boot. Omdat ze niet bij de juiste uitgeverij zitten. Omdat ze 'naast de wereld' staan. Niet als performer wensen op te treden. 'Marketingtechnische' beperkingen schijnen te hebben. Literaire bijlagen moeten een beeld van het landschap geven, niet alleen van die tuinen waarin ze, onder soortgenoten, graag toeven. Tegelijk is er niets zo natuurlijk als plaats maken voor de nieuwere generaties. De vadermoord keert immer weer. Ik volg de nieuwe lichtingen auteurs niet meer op de voet. Ik ben niet meer bij die dynamiek betrokken. Omdat ik weet dat me niet al te veel tijd meer rest, lees en herlees ik vooral klassiekers. Ik ben te oud en te wijs om steeds in de waan van de dag te leven en te lezen."

> Fantasia (verhaal, 1954)
> Loutering (verhaal, 1954)
> Lea (verhaal, 1954)
> De verrukkelijke glimlach (verhaal, 1955)
> De andere man (verhaal, 1956)
> Viviane (verhaal, 1956)
> Het examen (verhaal, 1956)
> Scherzando ma non troppo (novelle, 1959)
> Het verhaal van Bérénice (verhaal, 1960)
> Mijn levende schaduw (roman, 1965)
> Dagboekfragmenten (dagboek, 1966)
> Paul-tegenpaul 1969-1970 (dagboek, 1970)
> Een dag op het land (novelle, 1976)
> Tussen tuin en wereld (roman, 1979)
> Mijn huis is nergens meer (roman, 1982)
> Brieven uit Nergenshuizen (roman, 1987)
> Het verkoolde alfabet (dagboek, 1992)
> En de liefste dingen nog verder (roman, 1998)
> Cuba en andere reisverhalen (2002)
> Victor J. Brunclair (essay, 1960)
> Hendrik Marsman (essay, 1961)
> Een eiland worden (roman, 1963)
> Literatuur als therapie en mythe (essay, 1965)
> Het Perzisch tapijt (essay, 1966)
> Het vat der Danaïden (essay, 1967)
> Met kritisch oog (kritieken, 1967)
> Facettenoog (kritieken, 1968)
> Drie realistische fabels van Sybren Polet (essay, 1968)
> René Gysen of het gevecht met de realiteit (essay, 1970)
> Een Vlaming bekijkt Nederland (essay, 1972)
> Jan Walravens (essay, 1974)
> Louis Paul Boon, tedere anarchist (essay, 1976)
> Ivo Michiels. Het afscheid (essay, 1982)
> Vlaamse verhalen na 1965 (bloemlezing, 1984)
> De broek van Sartre en andere essays (essays, 1987)
> Tekst en context (essay, 1992)
> Bar en bizar. Ontsluierde geheimen (bloemlezing, 1993)
> Herman De Coninck. Het proza (2 delen, bloemlezing, 2000)
> Het land van de mosseleters. 150 jaar
> Vlaamse vertelkunst (bloemlezing, 2002)
> Onder voorbehoud (essays, 2003)

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.