Maandag 16/12/2019

Boeken

Oscar van den Boogaard: "Tussen mijn veertiende en zeventiende sliep mijn moeder gewoon bij mij in bed"

Oscar van den Boogaard met een van zijn 19de-eeuwse speelgoedjes. Beeld Karoly Effenberger

"Ik vind het zeer mooi: dat de collectieve vader van de Nederlandse cultuur – prins Bernhard – nu mijn vader is", zegt Oscar van den Boogaard zonder een spier te vertrekken. "Mijn moeder en de prins stapten met elkaar in een tweepersoonstunnel. Heel begrijpelijk." In zijn nieuwe roman Kindsoldaat licht de auteur definitief het deksel van merkwaardige familiegeheimen.

“Jij vindt me toch geen arrogante aandachtstrekker?”, vraagt Oscar van den Boogaard (53), terwijl hij me een enorm groot stuk appeltaart van de plaatselijke biobakker voorschotelt en bosbessensap uitschenkt. We zitten aan tafel in zijn uitgekiende modernistische Latemse huis, een beschermde woning uit 1966 van architect Jean Van den Boogaerde.

Voorzichtig peilt de schrijver na ons gesprek naar reacties op zijn markante onthulling in NRC en bij Eva Jinek die het verschijnen van zijn historische roman Kindsoldaat voorafging. Dat hij beweert een bastaardzoon te zijn van prins Bernhard, de in 2004 gestorven echtgenoot van de Nederlandse koningin Juliana, veroorzaakte een schokgolfje. Niet alleen royaltywatchers trakteerden hem op wenkbrauwengefrons en gemengde gevoelens.

Een stunt om zijn lijvige roman vol in de schijnwerper te plaatsen? Ten slotte is Van den Boogaard van geen kleintje vervaard, tuk als hij is op een spel met ‘vloeibare identiteiten’ volgens de theorie van zijn ‘superexistentialisme’. Zo kroop hij in 2006 in de huid van Emmanuel Lipp, een fictieve, in de gevangenis vertoevende schrijver-moordenaar, om met Chinchilla Song de literaire goegemeente ferm op het verkeerde been te zetten.

Dat Van den Boogaard een andere koers vaart in het vuistdikke
Kindsoldaat – na vijf jaar romanstilte – is overduidelijk. Het is een historische roman waarin hij de excentrieke familiegeschiedenis (“Ik kom nog uit de oude wereldorde”) losjes naar zijn hand zet. Hij start in het fin-de-siècle, bestrijkt twee wereldoorlogen, voert symbiotische tweelingen op en natuurlijk de affaire van zijn moeder (hier Elsie geheten) met prins Bernhard.

Kindsoldaat heeft vaart, in een opvallend door dialogen aangedreven boek. Al duiken er wel erg veel personages op en is de stamboom achterin geen overbodig accessoire. “Het is een minimaatschappij”, zegt de immer fraai formulerende Van den Boogaard, zichtbaar opgelucht om ook gewoon over literatuur te praten. “Vergeet niet, deze roman bracht me tot de kern van dit trauma. In dit boek zit mijn complete DNA.”

U omschrijft Kindsoldaat zonder verpinken als uw belangrijkste roman. Het is in elk geval uw omvangrijkste. Omdat u eindelijk klaarheid wilde brengen in uw familiegeschiedenis?

“Ik wilde het grote verhaal vertellen, alles wat aan mij is voorafgegaan. Mét de vrijheid van de romanschrijver. Dit boek is een werk van de verbeelding. Ik heb flarden familieverhalen en plekken uit dat verleden een onderkomen willen geven, omdat ik die nog altijd met me meedroeg.

“Ik had sowieso een heel vage band met mijn familie. Ik zat met het gevoel dat ik maar aan één kant wortels had, omdat mijn vader – die een militair was – zijn roots niet toonde. Het gaat over vlees en bloed. Ik probeer op een diep niveau mijn familie te doorgronden. En daarvoor moest ik fictie gebruiken.”

U staat bekend als een ‘superexistentialist’, een auteur van uitgesproken vitalistische romans, steeds gevlast op nieuwe ervaringen. En dan is er nu die behoefte om terug te kijken. Is die er gekomen met het ouder worden?

“Die behoefte was enorm diep en werd intenser nadat mijn vader in 2013 is gestorven. Ik was altijd op de vlucht voor de familie. Ik wilde ontnationaliseren, ik wilde symbiotische relaties aangaan, bezig zijn met hedendaagse beeldende kunst, kortom, met alles wat een soort avant-gardistisch sprongetje voorwaarts maakte, ook in mijn geschrijf.

“En toen gebeurde er iets waardoor ik naar het verleden wilde toe gaan. Geloof me, het is zo mooi om je te verbeelden hoe je ouders, grootouders en overgrootouders verliefd op elkaar zijn geworden. Het is lichamelijk en heel historisch, het voelde fantastisch.”

Een sleutelrol is weggelegd voor het familieslot Metternich, gelegen op de grens tussen Nederland en Duitsland. Het heeft zowel een Limburgse als een Pruisische poort. Dat kan tellen qua symboliek?

“Inderdaad. Pas toen ik me het kasteel herinnerde, begon alles te stromen. Die Pruisische en Limburgse poort lieten me toe naar de twee zijden van de geschiedenis te kijken. En naar het verhaal van de prins, waar ik me eerst niet van bewust was.

“Bovendien is er de bron, met het Sophie & Stella-water, die ook S&S-limonade voortbracht, waar het in de jaren dertig begrijpelijkerwijze minder goed mee ging.
(lacht) Of het jongetje dat tot zijn vierde niet sprak, Maximiliaan, de ene helft van de tweeling Max en Nol. Tot hij zei: ‘Bis jetzt war alles in Ordnung.’

“Ook over mij is gezegd – toen we terugkeerden uit Suriname – dat ik niet kon praten en alleen maar klanken wist uit te slaan. Ik heb me met Max geïdentificeerd. Ik voel me nog steeds dat jongetje. Ik heb lang een geheim niet kunnen vertellen. En nu wel.”

Hoe begin je aan zo’n saga? Bent u gaan kijken naar de traditie van familie- en generatieromans zoals The Forsyte Saga van John Galsworthy of Les Thibault van Roger Martin du Gard?

“Ik heb het genre niet zitten bestuderen. Al kende ik natuurlijk Buddenbrooks van Thomas Mann, een boek dat ik heel graag las. Ik dacht meteen: mijn familie is minstens zo interessant, en je kunt in zo’n ruime tijdspanne zo veel laten gebeuren.

“Hetzelfde had ik bij De blikken trommel van Günter Grass. Maar ik schrijf zeer onbewust en vanuit een natuurlijke drang, die ik omzet in taal. Dat is mijn natuurtalent, dan zit ik in een flow. Ik ben een totale lichamelijke schrijver.”

Maar waar eindigde de werkelijkheid en begon de fictie?

“Je moet zelfvertrouwen tonen in je verhaal. Ik besefte dat ik mijn herinneringen moest aanvullen met fictie. Al kon ik vertrekken van die heel interessante constellatie van mensen op de grens van Nederland en Duitsland, tegen de achtergrond van die Eerste en Tweede Wereldoorlog.

“Mijn grootvader Nol ging op zijn achttiende – het was 1914 – rechten studeren in Leiden. Toen kreeg hij inderdaad van een Belgische vluchteling een floret in zijn oog, zoals in het boek staat te lezen. Hij raakte half verlamd aan de ene kant, hij werd een proefkonijn in de ziekenhuizen, net op het moment dat ze begonnen met lateraliserende hersenwetenschap.

'Het valt me op dat jongeren van nu veel moralistischer zijn dan mijn familie destijds.' Beeld Karoly Effenberger

“In het gezin waar mijn moeder uit voortkwam, was hij de verlamde. Terwijl hij een heel intelligente man was. Hij heeft met zijn laatste krachten zelfs nog een proefschrift afgewerkt. In dat huwelijk met mijn grootmoeder zijn de kinderen verwekt door zijn broer. En mijn moeder zou dat herhalen, door een zoon te krijgen van prins Bernhard en niet van haar echtgenoot. Niet toevallig is de driehoeksrelatie een van de structurerende principes van het boek.”

Het boek heeft het parfum van een voorgoed vervlogen tijdperk. U wilde dat zo?

“Mijn familie is enorm in de oude wereldorde blijven hangen, in een tijd die volop in ontwikkeling was. Ik ben daar zelf nog in opgevoed. Daarom beschouwde ik het als mijn taak om daar toch nog iets van door te geven.

“Ik zag ook het dedain waarmee ze naar de wereld keken. En hoe vaardig ze waren in het maskeren van gevoelsuitingen, van geheimen of buitenechtelijke relaties. Toch waren zij heel vrijgevochten mensen, inclusief prins Bernhard. Er heerste weliswaar een barre wereldoorlog, maar er was ook een vrijheid waar hedendaagse mensen een puntje aan kunnen zuigen. Het valt me trouwens op dat jongeren van nu veel moralistischer zijn.”

Leg die paradox tussen heimelijkheid en vrijheid eens uit?

“In relaties wordt ontrouw meteen afgestraft met een echtscheiding of een breuk. Er lijken nog maar heel weinig variaties mogelijk. Er wordt een eerlijkheid nagestreefd die erg benauwend is.

“Ik vind dat je ruimte moet laten voor geheimen. Je moet iedereen in zijn waarde laten. Of zoals de moeder tegen de dochter zegt: ‘Je moet elkaar niet proberen te doorgronden.’ Daarom ben ik zo’n groot voorvechter van ambiguïteit. Omdat we nu eenmaal zo zijn. Mensen gedragen zich vaak alsof ze dat niet willen aanvaarden. Precies daar beginnen de leugen en de moraliteit.”

U speelt in Kindsoldaat met het genre van de kasteelroman en werkt opvallend vaak met cliffhangers, alsof u een vervolgserie schreef. Om de tien pagina’s gebeurt er iets waardoor je rechtop gaat zitten.

“Dat is goed gezien. Dat heeft te maken met mijn manier van werken. Ik wist aanvankelijk niet wat de omvang en de gevolgen van dit project zouden zijn. Ik had met mijn redactrice (Suzanne Holzer, DL) bij De Bezige Bij afgesproken dat ik haar om de twee weken een flink aantal pagina’s zou sturen. Ik wilde haar geboeid houden. En vaak kon ze niet wachten op het volgende deel.

“In de methodiek was dit een feuilleton en ik ga dat voortaan steeds zo doen. Het is de beste manier om volwaardig de aandacht van de lezer en van mezelf vast te houden.”

Dat zorgt voor vaart, in een opvallend dialooggedreven boek.

“Ja, het is een snel boek, maar er zijn ook scènes die traag zijn en die ik tot iets groots uitwerk. Ik wilde onder de geschiedenis een levensader laten stromen. Ik hou van dialogen. Je kunt er zo veel nuances van de taal voelbaar mee maken. Je schenkt ieder personage en elk milieu zijn eigen stem.”

Hoe trof u de taal van de eeuwwisseling, de periode waarmee het boek aanvangt? Een personage zegt verrassend modern: ‘Boys will be boys.’ Iemand zegt zelfs: ‘Ik ben strontzat.’ Werd dat toen al zo verwoord?

“Jazeker. Dat aristocratische milieu was heel taalvaardig. Bovendien spraken ze Frans, Nederlands en Duits door elkaar. Taal werd zowel op een edele als op een theatrale manier aangewend. En mijn grootmoeder, geboren in 1898, kon prachtig vertellen. Ze bleef heel erg in haar eigen milieu en communiceerde nauwelijks met de rest van de mensheid.

“In zo’n isolement blijft taal intact. Ze dacht altijd: ‘Komt dat allemaal in één hemel?’ Ze ging ervan uit dat er één hemel voor ons alleen bestond. (lacht) Wanneer de aartsbisschop op bezoek kwam, vond ze hem niet meer dan een leuk attribuut en keek ze op hem neer. Snap je?”

Zo zien we glimpen van ‘een wereld van gisteren’, om het met Stefan Zweig te zeggen.

“Ik zei daarnet dat ik een hedendaags iemand ben. Dat klopt niet helemaal: tegelijk ben ik een negentiende-eeuws reliek. Mijn speelgoed – en dat is geen opschepperij – was allemaal negentiende-eeuws. Mijn Märklin-opwindtreintjes, mijn Humpty Dumpty-circus… (loopt naar de kast) … en zie, dit is het clowntje van mijn grootmoeder. (vertederd) Dit is zo fantastisch mooi! (plaatst het figuurtje via de gleufjes in de schoenen op het bijbehorende stoeltje.) Maar hoe verfijnd ook het speelgoed, toch was dit een marginaal milieu.”

Aristocratisch maar toch marginaal?

“Nou, marginaal is dat die mensen gewoon met elkaar in bed gaan liggen. Of dat gezuip en die voortdurende dronkenschap. En dat je achter de rug van mensen de meest vreselijke dingen zegt. Dat is niet keurig. Bij mijn moeder ging dat maar door, het was nog veel liederlijker dan ik in het boek heb beschreven. Marginaal, geïsoleerd en losgeslagen.”

Het waren families waar kennelijk nooit gewerkt hoefde te worden.

“Het materiële was nooit een punt. Begrijp je nu waarom personages in mijn boeken zelden werken? Ik had namelijk altijd dergelijke mensen rond mij heen. Met geld dat blijkbaar ergens vandaan kwam, zoals Pippi Langkous met haar koffertje vol gouden dukaten.

“Bovendien was er alle tijd van de wereld om na te denken over verlangens en verveling. Ja, een tikje zoals in de romans van Louis Couperus, met wie ik in de roman wat de draak steek.

“Toen ik rechten studeerde, had ik ook besloten nooit meer te werken. Schrijven is voor mij een vorm van mijn hoofd vrij houden. Neem nu mijn vader. Die was militair. Die werkte niet, die diende. Zo heette dat: hij diende prins Bernhard. Dat was een vorm van niet-werken. Hij heeft gevochten voor de vrijheid in de Tweede Wereldoorlog en dat volstond als legitimatie voor de rest van zijn leven.”

'Ik zei daarnet dat ik een hedendaags iemand ben. Dat klopt niet helemaal: tegelijk ben ik een negentiende-eeuws reliek.' Beeld Karoly Effenberger

Toch zie je bij de figuur van Nora, uw grootmoeder, wel dat onbehagen over wat ze nu precies wil? Ze wil eerst intreden, dan studeren, maar altijd komt er iets tussen.

“Nora is een sterk structurerende figuur in Kindsoldaat. Ze groeide op in een tijd waarin mensen in romans lazen dat het leven een neerwaartse spiraal was. Zij wilde wel opwaarts, maar werd naar beneden getrokken door de historische gebeurtenissen. Ze toont weinig wilskracht of ruggengraat. Toch was mijn grootmoeder tot op hoge leeftijd een heel seksueel wezen. Dat zag je aan haar, ze was erg vitaal. Ik wil nog verder met haar figuur. Ze zal na het slot van Kindsoldaat nog dertig jaar leven.”

Ook hier komt weer uw sterke voorkeur voor vrouwenportretten naar voren?

“Dat klopt. Net als de cineasten Rainer Werner Fassbinder of Ingmar Bergman ben ik goed in vrouwenportretten. Ik heb ook altijd sterke vrouwen in mijn leven gehad én zwakke of afwezige mannen. Dat is mijn dilemma. Dit boek is opgedragen aan mijn peetvader, die ik nooit heb gezien. Hij haatte mijn moeder. En hij vroeg mij onlangs plots het familiespeelgoed terug. Stel je voor! Het was het beste bewijs dat ik dit boek moest schrijven. Ik wilde de dissident in de familie laten zien dat het huis van de pijn ook het huis van de liefde is.”

Zelf word u in dit boek pas op het eind geboren onder de naam Maxwell. U noemde zichzelf onlangs ‘een weerloos kind’. Waarom?

“Die weerloosheid houdt verband met mijn geheim over prins Bernhard. Ik kon het geheim bij me houden omdat ik geen eigen identiteit bezat ten opzichte van mijn alcoholistische moeder, die me nooit waarnam als een ander wezen. Mijn moeder leefde ’s nachts. En ik ging overdag naar school of maakte mijn huiswerk. Dan kwam ik om vijf uur thuis en was ze al stomdronken. Ze probeerde nog iets te koken en ik maakte dat af. Vervolgens ging ik naar bed.

“Pas dan begon ze actief te leven en op hoge hakken of laarzen in huis rond te lopen. Ze maakte lawaai of zette muziek op. Heel vaak kwam ze ’s nachts mijn kamer binnen omdat ze gezelschap nodig had en stapte ze gewoon in mijn bed. Ik vond het volstrekt normaal dat ze bij me kwam liggen. Mijn moeder heeft tussen mijn veertiende en zeventiende bij mij geslapen. Ik was de dag erna enorm moe, ik was uitgeput. Ik sliep soms op school. Maar er was geen sprake van dat ik er iets over zou vertellen.”

Zorgde dat voor een grote eenzaamheid?

“Lange tijd heb ik mijn gevoelens compleet verdonkeremaand. Wel was ik enorm dromerig. Dit huis in Latem had ik vooraf al tot in de details gedroomd. Het was lastig om over dat geheim te spreken met mensen die altijd in de normaliteit leefden. Wel schreef ik al op mijn vijfentwintigste een roman over mijn alcoholistische moeder. Toch bleek de tijd voor een aantal andere dingen pas nu rijp.”

U beweert dus dat prins Bernhard uw vader is. Waarom kwam u daar kort voor de verschijning van Kindsoldaat mee op de proppen in NRC-Handelsblad?

“Tja… Ik heb altijd gedacht: ik moet dat op een dag toch gaan vertellen. Dit is geen fictie. Het is voor mij de verlossing van een trauma. Ik vond het volstrekt legitiem om dit te zeggen voor het boek uitkwam, om dat vervolgens achter de rug te hebben.

“Ik kon dit ook niet eerder doen. Want dit boek heeft mij hiertoe gebracht, door de roman heb ik het trauma ontdekt. Nu kan ik zeggen: lees het boek. Ik kom ergens vandaan, ik ben iemand, ik kom uit een familie. Ik heb mijn hele DNA in dit boek gestopt. Sindsdien voel ik me ook beter.”

Ondanks het feit dat er nu veel twijfelende reacties zijn. Ook de Nederlandse Rijksvoorlichtingsdienst…

(onderbreekt met een wegwuivend gebaar) Ach, dat is gebabbel in de marge. Dat zijn we volgende week weer vergeten. Dit boek is veel grootser. En het feit dat prins Bernhard mijn vader is, overstijgt de zogenaamde verkoopsstunt van iemand die erop uit zou zijn om in de krant te staan.”

De Standaard, de krant waarvoor u columns schrijft, was redelijk cynisch: ‘Van den Boogaards onthulling heeft misschien niet hetzelfde schokeffect als die van Charlotte ­Mutsaers over de kinderporno van wijlen haar broer of van Griet Op de Beeck en haar misbruikverhaal, maar net als in die gevallen dreigt de schrijver finaal weggezet te worden als excentriekeling, aandachtszoeker, leugenaar, opportunist, commerçant. Wie wint daar bij?’, vroeg Peter Jacobs zich af.

(fel) "Ik word daar beter van! Ik ben er trots op. Zover was ik een paar jaar geleden nog niet. Ik vind dit een zeer mooi verhaal, dat de collectieve vader in de Nederlandse cultuur mijn vader is. En dat ik ook verbonden ben met iedereen, als broers en zussen. Ik voel me onderdeel van een collectief verhaal.”

Denkt u dat dit uw leven voorgoed zal veranderen?

“Ja, ik heb de afgelopen weken vrienden teruggezien die ik had losgelaten. Omdat dat geheim tussen mij en hen in stond. Door dit nu te delen, kan ik eerlijk in de vriendschap staan. Ik woonde ook daarom op zoveel plekken, omdat ik niet kon tonen wie ik was. Ik banjerde liever van hot naar her. Nu voel ik me rustiger.”

Gaat u zich nu verder verdiepen in het verleden van prins Bernhard?

“Ik vrees dat ik niet veel meer te weten kan komen. Maar ik wil wel in een roman met alle verbeelding die in me zit de relatie tussen de prins en mijn vaders dienende liefde onderzoeken. Wist mijn vader dat Bernhard mij verwekt heeft? Het zou een laf trekje zijn geweest om dat te verzwijgen. Dat wil ik literair gaan uitwerken.”

Maar een DNA-test wilt u niet? Veel mensen kunnen tenslotte beweren dat ze de zoon van een prins zijn. Nogmaals: de Rijksvoorlichtingsdienst ontkent het verhaal.

“Ja, maar ze sluiten het ook niet uit. Ze gaan niet zomaar zeggen: hé, die heeft gelijk. Natuurlijk houden ze de boot af. Bewijzen? Ach, ik wil me niet afhankelijk maken van anderen. Ik wil het vooral níét bewijzen. Omdat ik het voor mezelf heb erkend. Dat zou die erkenning alleen maar zwakker maken. (denkt na) Ja, het zou mijn soevereiniteit aantasten als ik dat moet bewijzen.”

U voelt zich bevrijd van een trauma, zegt u. Maar wie weet wat dit boek nog teweegbrengt?

“Ik slaap sinds kort weer beter. Het is zo fijn om iets gewoon heel duidelijk voor jezelf te weten. Iets waar de buitenwereld geen toegang toe had. Het is haast een gevoel van volwassen of een totaal ander mens worden. Ik was voortdurend bezig met hoe ik me kenbaar zou maken. Nu ik dat heb gedaan, sta ik in mijn kracht.”

U kunt een backlash krijgen en daar binnen zes maanden helemaal anders over denken?

“Ik ben niet zo’n bezorgd iemand en denk nooit zes maanden vooruit. Ik ben altijd daar waar ik ben. Ik ben geen schaker. Ik hou niet van spelregels en strategieën.”

Dreigt u niet in het hetzelfde schuitje terecht te komen als Delphine Boël?

“Ik ken Delphine omdat ik ooit met haar aan een diner zat, ze was er mijn tafeldame. En toen hadden we meteen een goeie verstandhouding. Zij strijdt een groot deel van haar leven voor erkenning. Die strijd wil ik niet leveren.”

Prins Bernhard is altijd een zeer omstreden figuur geweest. Maakt dat de zaken niet extra gecompliceerd?

“Nee, dat vind ik er net aantrekkelijk aan. Mijn moeder was op haar binnenskamerse marginale manier ook zeer omstreden. De prins was dat heel duidelijk. Ze hadden allebei een perverse kant, die ze met elkaar deelden door in hun tweepersoonstunnel te stappen. Heel begrijpelijk en ook heel mooi.

“Het merkwaardige is dat deze twee mensen in staat waren om zo’n geheime relatie te hebben, dat Bernhard in zo’n context die vrijheid bezat. Er was minder controle dan nu. Maar de prins had de enorme behoefte om zijn eigen gang te gaan. Een beetje zoals mensen die op hun werk zeggen: ik ga even naar de kopieermachine. Maar dan doen ze iets geheel anders. (lacht) Die momenten van vrijheid zijn fantastisch.”

Wat verwacht u van dit boek, waarin we toch een geheel nieuwe Oscar van den Boogaard ontdekken?

“Het is de eerste keer dat ik het hele verhaal doe. Dat is natuurlijk een kentering. In mijn vorige boek, De tedere onverschilligen, was ik op een eindpunt beland. Hoe etherisch kun je worden in dat spel met identiteiten? Of die drang om te vervloeien met iemand anders? Nu kon ik herbronnen. Dat beproeven van de nieuwe identiteiten doe ik hier ook, zij het aan de hand van familie. Generaties vloeien over in de volgende en nemen trauma’s van elkaar over. Het is één identiteitencircus.”

Hoe ziet u zichzelf als schrijver evolueren?

“Dit is de toon, de reikwijdte die ik wil voortzetten. Omdat ik die zelfverzekerdheid voel. Ik wil de geschiedenis en tegelijk mijn familie nog beter begrijpen. Bijvoorbeeld die militaire kameraadschap of de identiteit van het uniform. Mijn vader werd liever uitgestrooid op het veld van eer dan naast zijn vrouw begraven te worden. Ik denk dat de prins-bohemien precies dezelfde wens had. Uiteindelijk ligt hij in een crypte. Volgens mij is dat niet waar hij wil zijn.”

Oscar van den Boogaard, Kindsoldaat, De Bezige Bij, 579 p., 24,99 euro.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234