Zondag 22/09/2019

Interview

Op stap met museumdirecteur Philippe Van Cauteren in Nepal: "Is er hier een schilderij gestolen? Schitterend!"

De curator begint onder grote belangstelling een uit snoep en koekjes opgetrokken stadsmaquette van de Chinese kunstenaar Song Dong op te eten. Beeld rv Ben Van Alboom

Philippe Van Cauteren (47) bracht de afgelopen weken niet door in zijn S.M.A.K., maar in Nepal. Daar cureerde hij de eerste Triënnale Kathmandu. "Sluit mij op in het museum, en het is na drie maanden gedaan." Dat hij na twaalf jaar nog steeds in Gent vertoeft, heeft alles te maken met dit: Van Cauteren heeft grootse plannen met het S.M.A.K.

"Ik heb geslapen als een steen – de klok rond!” In een stad waarin hotels niet noodzakelijk ramen hebben (en het toilet al eens in de douche durft te staan), auto’s vanaf vijf uur ’s ochtends met elkaar converseren zoals Robert De Niro met zichzelf in Taxi Driver, en op de hoek van elke straat een hindoeïstische bel hangt aan wier klepel mensen met kennelijk verschrikkelijk veel zonden zichzelf elke dag op gang trekken, is het on-mogelijk om de klok rond te slapen. De enige uitzondering: Philippe Van Cauteren, sinds 2005 artistiek directeur van het S.M.A.K. in Gent, in 2015 curator van het Iraakse paviljoen op de Biënnale van Venetië en op dit moment curator van de eerste Triënnale van Kathmandu.

Het is de dag na de opening, als de Belgische museumdirecteur eindelijk de tijd vindt om een Nepalese pint (of twee) te drinken op een broeierig dakterras in het centrum van Kathmandu, met zicht op een van de vele tempels die precies twee jaar geleden deels tot volledig door de aardbeving zijn verwoest. Sindsdien is het er met de luchtverontreiniging in de Nepalese hoofdstad nóg meer op achteruitgegaan: auto’s stoten niet alleen massaal veel fijnstof uit, ze rijden over niet-geasfalteerde wegen – de aardbeving deed alle buizen eronder barsten – en jagen zo ook nog ander stof de lucht in.

Van Cauteren is hier intussen ruim twee weken, maar in tegenstelling tot de meeste kunstenaars die hij voor de triënnale naar Nepal liet overvliegen, moet hij nog een mondmasker kopen. De kans dat hij dat alsnog doet: miniem. De voormalige rechterhand van Jan Hoet geniet van de chaos van Kathmandu. Geen verstandig mens kruipt hier achter het stuur van een auto, maar toen een paar dagen geleden de chauffeur van een festivalshuttle niet kwam opdagen, was Van Cauteren de eerste (en enige) om te zeggen dat hij wel zou rijden. De chauffeur dook na ruim een halfuur dan toch op – Nepalezen hebben een vaag besef van tijd – en redde daarmee vermoedelijk niet alleen ons leven, maar ook dat van internationaal gerenommeerde kunstenaars als Francis Alÿs, Song Dong, Oscar Murillo, Kasper Bosmans, Ricardo Brey, Loïs Weinberger, Ashmina Ranjit en Honoré d’O.

Dat de inmiddels 47-jarige Belg erin is geslaagd om zo’n opmerkelijk gezelschap naar Kathmandu te halen, heeft weinig te maken met het beschikbare budget – dat was er amper – en alles met het respect dat zowel hij als het S.M.A.K. vandaag genieten. Nog opmerkelijker: Van Cauteren stond geen enkele kunstenaar toe om werk in zijn valies mee te smokkelen. Alle werken voor de Triënnale moesten in interactie met de stad en met de hulp van een lokale kunststudent worden gemaakt. “In tien dagen tijd”, glundert de man die al die tijd overleefde op adrenaline. “Uit het niets! Fantastisch, toch?”

Hoe kon je er zeker van zijn dat zoiets zou lukken?

Philippe Van Cauteren: “Niet. Ik denk ook niet in termen van lukken of mislukken. Nooit. Maar ik ben wel blij, wanneer iets lukt. (lacht) En ik heb het gevoel dat dit is gelukt, dat we hier iets bijzonders hebben gedaan waar ook een hoop lokale kunstenaars bij betrokken waren.

Werk van Carole Vanderlinden op de Triënnale Kathmandu. Beeld rv Ben Van Alboom

“Meer nog: terwijl ze hier was, heeft de Belgische kunstenaar Carole Vanderlinden bijvoorbeeld ook met Nepalese weeskinderen gewerkt. Ik vond het belangrijk dat Kathmandu voor de kunstenaars niet louter een exotische plek was om hun werk te tonen, maar dat ze er echt mee in aanraking kwamen – en omgekeerd! Maar het is waar: dit had ook kunnen mislukken.”

Jouw naam is er dan wel aan verbonden.

“Ja. (denkt heel even na) Ja, maar dat is niet erg. Dat is het voordeel van een jaar ouder worden: ik ben daar minder mee bezig. Tien jaar geleden had ik mij er ongetwijfeld zorgen over gemaakt. Nu voel ik gewoon dat ik dit moet doen. En wat de anderen daarvan denken? Doesn’t matter. Zolang er maar belangstelling voor is. Dat wel. En als het mislukt, dan mogen ze dat op mij steken. Ik kan daar wel tegen.

“Het belangrijkste was om ervoor te zorgen dat de kunstenaars zich hier thuis voelden. Op hun gemak. In al die jaren S.M.A.K. was dat ook altijd weer het schoonste compliment: een kunstenaar die zei hoe welkom hij zich voelde.”

Is dat jouw antwoord op de steeds hardere en meer competitieve kunstwereld?

“Ik weet niet of het een antwoord is, maar het wordt ontzettend geapprecieerd. De kunstwereld heeft vandaag iets technocratisch, iets industrieels. De commerciële machine is steeds meer present, en er zijn ook steeds meer kunstenaars die ernaar handelen. En ik begrijp dat volledig: als kunstenaar moet je zien te overleven. Maar ik vind het een deel van mijn opdracht om daar kanttekeningen bij te plaatsen, en de kunstwereld gelijk een beetje te verzachten.”

* * *

"Philippe, in het Patan Museum is een van de schilderijen uit de tentoonstelling gestolen!" Je zou verwachten dat een museumdirecteur nu opveert en druk begint te bellen, maar Van Cauteren blijft stoïcijns kalm, wanneer hij het nieuws verneemt. “Het moet zijn dat iemand er iets in gezien heeft dat hem heeft geraakt. Ik vind dat schitterend.”

Van Cauteren in Kathmandu. De stad is nog herstellende van de aardbeving van twee jaar geleden. Op de achtergrond: een stuk stadskunst. Beeld rv Ben Van Alboom

Het mag op zich niet verbazen dat, in een stad die nog maar recent in puin is gelegd, niet alle kunstwerken het einde van de triënnale halen. Al zeker één schilderij wordt gestolen; een door de Roemeen Ciprian Muresan uit karton opgetrokken plattegrond van Boekarest – in 1977 getroffen door een serieuze aardbeving – is bedoeld om door de bezoekers te worden vertrappeld; en de Chinees Song Dong maakte een van zijn wereldberoemde stadsmaquettes … uit snoep en koekjes. Van Cauteren was gisteren de eerste om een koekje naar binnen te spelen, waarop een hele meute zich op het kunstwerk smeet en de stad na dik twee uur volledig van de kaart was geveegd.

Een hoop andere kunstenaars liet zich inspireren door de houten balken waarmee gebouwen in de stad vandaag worden gestut, in afwachting van een grondige restauratie. Dat Van Cauteren erin geslaagd is om hier in dit decor een kunsttriënnale neer te poten, is in feite een klein mirakel. Maar dat heeft hem geenszins spiritueler gemaakt. “Dat zit gewoon niet in mij, vrees ik.

“Natuurlijk ben ik gefascineerd door de tempels. Maar daar houdt het ook op. Ik ben daar veel te nuchter voor. Wat niet wil zeggen dat ik zulke onderwerpen uit de weg ga: Ricardo Brey is enorm bezig met daoïsme en oosterse filosofie, en zelfs Kasper Bosmans vertoont die neiging. Maar laten we eerlijk zijn: religie is een van de grootste vergiffen op aarde. Door religie zit hier op driehonderd meter vandaan een jong meisje opgesloten.”

Van Cauteren doelt op een van de vier Kumari die Kathmandu ‘rijk’ is – een piepjong meisje dat als een levende godin wordt beschouwd en mensen zegent, maar daarbij nooit enige emotie mag tonen. “Bij mijn eerste bezoek zelf gezien. Per toeval. Ik wist toen nog niet waarnaar ik ging kijken. Een gids nam er mij naartoe. Maar het is uiteraard een onwaarschijnlijk triestig tafereel. Al wil ik dat als westerling niet zomaar veroordelen. Vanuit mijn waarden heb ik het daar moeilijk mee, maar ik probeer mij tegelijk empathisch op te stellen tegenover andere culturen. Je merkt gelukkig ook dat er hier dingen veranderen, dat de Nepalese samenleving emancipeert. Maar het gaat traag, omwille van die religie.”

Alles gaat hier natuurlijk ontzettend traag.

(lacht) “Dat is ook waar.”

Heb je het toch niet een beetje onderschat, om hier een kunsttriënnale te cureren? Ik heb je de voorbije dagen zeker twee keer horen zeggen dat je moe was.

“Er is hier weinig ervaring om tentoonstellingen in elkaar te boksen. Misschien dat we daarvan toch wat zijn geschrokken. Nepalezen zijn erg goed in het organiseren van events. Zoals het diner gisterenavond, met een concert erbij, een berg koekjes en een rode bol op ons hoofd. (lacht) Maar de notie van een tentoonstelling, de dialoog die daarvoor nodig is met een kunstenaar, dat kennen ze hier niet.

“Dat heeft ervoor gezorgd dat alles en iedereen voortdurend achterliep op schema, maar in feite was dat voor de meeste westerse kunstenaars een goede toetssteen, om erachter te komen wat voor hen belangrijk is en wat niet. Zelf vond ik dat nog het meest verrijkend aan mijn verblijf hier: hoe je noodgedwongen volledig anders met dingen leert omgaan. Misschien is dat ook wel een vorm van spiritualiteit: ballast overboord gooien.”

En toch. Björn, je productieleider, zei dat hij hier in het begin veel vrienden had, en nu niet meer. Om dingen gerealiseerd te krijgen, moesten zowel hij als de meeste kunstenaars hier zich merkelijk meer laten gelden dan hen lief was.

“Dat was zeker en vast nodig om de boel vooruit te doen gaan.”

Heb jij hier ooit jouw stem verheven?

(gedecideerd) “Nee. Nooit. Ik doe dat niet. Dat zit niet in mijn karakter. Ik heb dat één keer in mijn leven gedaan, tegen mijn voormalige zakelijk directeur. Kun je nagaan. (lacht) Ik vind dat niet nodig. Ik heb bijvoorbeeld ook nooit stress. Dat helpt toch niet. Als ik het hier al ergens lastig mee had, dan was dat met het kastenstelsel. Met het feit dat iemand in de ene familie geboren wordt en daarom door de andere familie wordt genegeerd. Ik heb het kunnen afdwingen dat alle Nepalese kunstenaars op de triënnale als de buitenlandse werden behandeld, maar ik weet dat er een aantal organisatoren niet naar hun werk komt kijken. Ik vind dat van een ongelofelijke brutaliteit.

“In Brazilië heb ik dat ook ooit meegemaakt. Ik organiseerde er een tentoonstelling en de directeur van het museum weigerde de hand te schudden van het technische hoofd van de expo, omdat hij zwart was. De man zat daar zelf totaal niet mee in, maar ik kon dat echt niet verdragen. Op zijn beurt kon de directeur dan weer niet verdragen dat ik in het weekend niet bij hem over de vloer kwam, maar met de zwarte man – intussen mijn beste vriend daar – in de favela feijoada ging eten en naar bregafeesten ging. (lacht)

Vind je dat een van jouw grootste kwaliteiten, dat je zo rustig bent?

(denkt lang na) “Ja, misschien wel. Maar mijn allergrootste kwaliteit is dat ik met mensen omga, niet met structuren. Ik ben niet bezig met de kunstwereld, maar met kunstenaars, galeriehouders, journalisten, museumbezoekers. Ik wil ook niet boven mijn medewerkers staan, maar ertussen. Ik heb een hekel aan hiërarchie, en aan regels.”

Wat ik de afgelopen dagen ook van verschillende kunstenaars heb gehoord, is dat je iedereen opmerkelijk veel ruimte en vertrouwen geeft.

“Omdat kunstenaars, net als curatoren, de kans moeten krijgen om te mislukken. Met dien verstande dat ze natuurlijk liever niet te veel mislukken onder mijn vleugels. (lacht) Een kunstenaar is meer dan wat hij maakt. Kunstenaar zijn, dat is een houding. Dat is een manier van in de wereld staan, van de wereld vast te pakken. En natuurlijk maken kunstenaars dingen die we dan kunstwerken noemen en die verhandeld kunnen worden. Maar het begint bij de persoon, en daar moet je het volste vertrouwen in hebben.

Ook Van Cauteren steekt de handen uit de mouwen in Kathmandu: ‘Ik wil niet boven mijn medewerkers staan, maar tussen hen in.’ Beeld rv Ben Van Alboom

“Ik weet dat er curatoren zijn die daar anders over denken en meer zullen sturen. En er zijn ook kunstenaars die mij dat zelf vragen, en dan zal ik dat uiteraard zeker doen. Maar ik ben Jan Hoet niet. Dat was een bokser – letterlijk – en boksen doe je tégen iemand. Op het einde van de match is er dan ook altijd iemand die wint, op punten of met een knock-out, en dat was Jan zijn manier om met de kunst, de stad Gent en de rest van de wereld om te gaan. Iemand moest winnen, en het liefst van al hij. Maar ik vind dat verschrikkelijk oninteressant.”

Het heeft Jan Hoet natuurlijk geen windeieren gelegd.

(met veel respect) “Geenszins! Jan was Jan, en zijn manier van werken paste compleet in de tijdsgeest. De hedendaagse kunst was toen nog heel iets anders dan vandaag. Maar die relatie die hij met kunstenaars had, vind ik totaal achterhaald. Pas op: nog veel curatoren denken zo. Ze zien zichzelf als een meestermanipulator die vrijelijk met alle stukken op het schaakbord schuift. Niet dat ik zelf ook niet graag schaak – ik weet wat ik doe, niets is toeval – maar ik heb het meer voor boogschieten. De kunstenaar is de schutter, en ik heb het privilege om over zijn schouder mee te kijken en ‘een beetje naar links’ in zijn oor te fluisteren. Dat is een totaal andere relatie.”

Je gaat ook voor de langetermijnrelatie, zegt onder meer Honoré d’O.

“Ja. Honoré ken ik al sinds ’94, toen ik barman was bij de tentoonstelling This Is the Show and the Show Is Many Things – een tentoonstelling van mijn M HKA-collega Bart De Baere in ons oud gebouw in Gent, met ook werk van de jonge Mark Manders, Luc Tuymans, Louise Bourgeois en Meg Stuart. Die tentoonstelling veranderde bijna dagelijks – het proces werd benadrukt – en sommige kunstenaars hadden daar na twee weken hun buik van vol, en ze kwamen elke dag aan mijn toog zagen over de curator. Dat was de beste leerschool ooit! Ik studeerde toen nog kunstgeschiedenis, en ik had als timmerman meegeholpen met de opbouw, maar aan die toog heb ik geleerd wat kunstenaars nodig hebben.”

Aan de toog ontstaat ook al eens ruzie.

“Zeker aan die toog. Ik herinner mij hoe Jan daar Honoré de huid stond vol te schelden, omdat hij zogezegd geen kunstenaar was. Maar eigenlijk kon Jan niet om met de vrijheid die Honoré zich veroorloofde, door geen dingen te maken die verkoopbaar waren. Die ervaring heeft ervoor gezorgd dat ik bewondering en respect heb voor iedereen, en dat we vorig jaar in het S.M.A.K. bijvoorbeeld een tentoonstelling in elkaar hebben gebokst met de toezichters als curator. Ik ben mij ervan bewust dat ik deel uitmaak van de ceremoniële kunstwereld, maar tegelijk wil ik ze voorzichtig ontrafelen en de dingen omkeren.”

Honoré zei me gisteren dat jij in feite een even emotionele curator bent als Jan Hoet. Alleen ben jij kalmer.

(onverstoord) “Ja, dat is zo. Ik heb met Jan veel ruziegemaakt, en dat was bijna altijd omdat Jan niet kon verdragen dat ik zo rustig bleef. (lacht) Maar Jan is ook mijn leermeester. Op een bepaalde manier beschouw ik hem zelfs meer als mijn vader dan mijn vader. We hebben in elk geval meer met elkaar opgetrokken. Maar we zijn anders emotioneel, ook al vertrekken we beiden vanuit een soort dynamiek.

“Dat was ook het grote probleem met de vorige zakelijk leider van het S.M.A.K. (Philippe Vandenweghe, BVA). Die wilde overzicht, orde, structuur. Hij keek van bovenuit naar een organisatie. Ik vertrek vanuit de dynamiek van een organisatie, van mensen. Dat wordt vaak verward met buikgevoel en intuïtie, maar dat is niet hetzelfde. Al had ik in het verleden beter meer mijn intuïtie gevolgd, toen mensen mij vertelden hoe het S.M.A.K. moest worden gerund. ‘Dat zal dan wel’, dacht ik. ‘Die heeft dat gestudeerd.’ Verkeerd gedacht, dus.”

Heb je ooit het gevoel gehad dat je uit de schaduw van Jan moest treden?

“Ikzelf niet. Maar ik weet dat dat anderen wel heeft beziggehouden. Nee, als ik al ergens last van heb gehad, dan was het van Jans irrationaliteit. Kort voor zijn dood hebben we ons verzoend, maar de tentoonstelling van Paul McCarthy in het S.M.A.K. heeft zeker wonden geslagen. Overal ter wereld werd die bejubeld – McCarthy vindt het zelf ook nog altijd zijn beste tentoonstelling – maar in België was er hevige kritiek. Op een bepaald moment zegt Jan tegen mij dat hij op tv is uitgenodigd voor een talkshow en dat hij de tentoonstelling gaat verdedigen. Maar hij zat nog niet of hij was McCarthy al aan het afbreken. ‘Nog slechter dan Rubens!’ (lacht)

Philippe Van Cauteren over Jan Hoet: 'Als ik al ergens last van heb gehad, dan was het van Jans irrationaliteit. Kort voor zijn dood hebben we ons verzoend, maar de tentoonstelling van Paul McCarthy in het S.M.A.K. heeft zeker wonden geslagen. Heel Europa vond die expo fantastisch, maar Jan verkondigde op tv dat het nog slechter was dan Rubens.' Beeld Arne Deboosere / Toerisme Oostende

“Ik kan er nu wel om lachen, maar dat was hard, want ik kon zijn steun op dat moment echt gebruiken. Jarenlang heeft hij alles wat ik deed – echt álles – afgekraakt. En wat het extra pijnlijk maakte, was dat hij bijna elke dag in het café van het museum zat. Ik heb daar echt van afgezien. Normaal fladder ik als een merel door het Citadelpark, richting het museum, maar toen voelde ik mij meer een nijlpaard.”

Heb je nooit geprobeerd daarover met hem een gesprek te voeren?

“Onmogelijk! Daar was geen beginnen aan. Nu, ik ben dan zelf ook een koppigaard: dat gesprek had geen zin, dus waarom er energie in steken? In feite kon Jan niet verdragen dat het goed ging met het museum. Hij was nogal destructief ingesteld: ‘après moi le déluge’. ‘Hoe slechter het gaat, hoe beter voor mij.’ Zelfs toen ik hem sprak over een nieuw, groter museum waarin de permanente collectie zou kunnen worden voorgesteld – een collectie die hij mee heeft opgebouwd – zei hij ‘Nee, nee, het museum is al groot genoeg.’”

Een groter museum, dat was toch ook zijn droom?

“Ik weet dat niet. Als er een nieuw museum zou komen, wist hij dat het S.M.A.K. niet alleen meer op zijn conto zou staan. Jan was zeer egomaan. Zijn dood heeft veel veranderd, hoe erg mij die ook heeft geraakt. Ik word nu in zijn plaats uitgenodigd in talkshows, en dat is prettig. Blijkbaar kan ik het even enthousiast uitleggen als Jan, zeggen de makers mij, maar helderder.” (lacht)

Om eerlijk te zijn, zagen we jou die tv-optredens twaalf jaar geleden ook nog niet echt doen.

“Nee, maar ik was ook superjong, toen ik bij het S.M.A.K. begon. Het was helemaal niet mijn plan om terug naar Gent te keren. Ik woonde toen in Brazilië, en ik wilde daar blijven. Nog steeds trouwens. Dat is my final destination. Mijn zoon was acht maanden oud, toen de raad van bestuur van het S.M.A.K. belde: ‘Houston, we have a problem.’ Of ik morgen naar Gent kon komen om het museum zes maanden te leiden, terwijl ze een opvolger zochten voor de ontslagen Peter Doroshenko. Zes maanden, dat zat ook echt zo in mijn hoofd. Maar zie, vandaag zit ik er nog.”

Wat als er morgen een ander, groter museum aan de lijn hangt?

“O, maar ik krijg geregeld een interessante aanbieding met dito loonbriefje, maar ik heb een emotionele band met het S.M.A.K. Plus: ik heb nog plannen met het museum. Maar ik ben wel al bezig met wanneer ik het moet loslaten.”

Als er een nieuw museum staat?

“Dat is het plan. En dat gaat gebeuren. Ik denk dat mij dat gaat lukken. Ik weet nog niet hoe, maar dat moet lukken. Gent heeft daar behoefte aan, en ik zou het maar normaal vinden dat er, na een nieuw voetbalstadion en een nieuwe bibliotheek, een nieuw museum komt. En wat minder kerstmarkten. (lacht) Maar van het volgende schepencollege wil ik beloftes. Krijg ik die niet, dan zou er een en ander kunnen veranderen.”

Je bent intussen niet met het S.M.A.K. getrouwd?

“Zoals Jan? Nee. In ’96 heb ik de tentoonstelling van Marina Abramović in Gent samengesteld – mijn eerste ooit – en meteen ook haar vijftigste verjaardagsfeest georganiseerd. Na afloop daarvan zei Jan tegen mij – het was toen vijf uur ’s ochtends, en hij was redelijk alcoholisch gestuurd – dat ik de enige Belg was die hem kon opvolgen. Fijn compliment, dacht ik, maar dat interesseert mij niet. Ik wilde vrij zijn. Dat is altijd mijn doel geweest in het leven, zowel op het vlak van werk als op het vlak van relaties. Nu nog trouwens.

“Als je mij opsluit in het S.M.A.K., is het na drie maanden gedaan. Ik moet dit hier in Nepal kunnen doen, of het Iraaks paviljoen op de Biënnale van Venetië. De titel van museumdirecteur interesseert mij niet. Dat is nooit een doel op zich geweest. Ik wil van nabij met kunst kunnen bezig zijn. That’s it! Een werk van Francis Bacon kunnen zien, wanneer het nog met zijn rug naar boven in de kist ligt: magisch!”

Moet een groter museum ook meer bezoekers lokken?

“Natuurlijk. Maar de hoofdreden om een nieuw museum te bouwen, is de collectie. We hebben vijfhonderd werken die permanent en in optimale omstandigheden zouden moeten kunnen worden tentoongesteld, omdat ze de belangrijkste publieke collectie moderne kunst van het land vormen. Niemand anders heeft een Wirtschaftswerte van Joseph Beuys, er is onze Tuymans-collectie, onze pop-artcollectie, onze arte povera-collectie. Het huidige S.M.A.K. is daar te klein voor, en aangezien het er in de zomer 34 graden kan worden, is het er gewoon ook niet geschikt voor.”

Maar het is wel geschikt voor de werken van Dirk Zoete die er op dit moment staan?

“Voor alles bestaat een tijdelijke oplossing. Hoewel het voor sommige werken uit onze Gerhard Richter-tentoonstelling op het einde van dit jaar echt kantje boord is. Als we geen infrastructurele aanpassingen doen, krijgen we ze niet in bruikleen van het Guggenheim. Maar zo blijf je opkalefateren, tot wanneer je op een dag écht niet meer aan de eisen voldoet.

Performancekunst van de Belgische Marie Julia Bollansée op de Triënnale Kathmandu. Beeld rv Ben Van Alboom

"In het huidige gebouw houden we het geen tien jaar meer vol. Maar om op jouw vraag te antwoorden: een groter museum betekent eveneens een groter personeelsbestand, en uiteraard moet je dan ook de ambitie hebben om beduidend meer mensen aan te spreken. Daar ben ik mij erg van bewust.”

***

Van Cauteren ziet een museum niet louter meer als een plek om te conserveren, “ook al is dat onze eerste opdracht. Maar ik vind het bijvoorbeeld even belangrijk om op Wereldvluchtelingendag de deur van het museum open te zetten voor de vluchtelingen. Of om in Irak naar vluchtelingenkampen te trekken en daar mensen tekeningen te laten maken die dan nadien door Ai Weiwei worden geselecteerd voor een boek.

“Ik wil dat het museum geworteld is in de werkelijkheid. Want laten we eerlijk zijn: de kunstwereld kan redelijk onwerkelijk zijn. Ze zit bovendien in een crisis: ik hoor mensen klagen dat het alleen nog maar om commercie en geld gaat, dat de vazallen van de grote galeriehouders al op biënnales naast een werk gaan staan om te zien aan wie ze het kunnen verkopen. Maar niemand doet er iets aan! In feite zijn we met het S.M.A.K. nog te braaf. We moeten nog radicaler worden.”

Wat was voor jou het hoogtepunt van de voorbije twaalf jaar?

(beslist) “McCarthy! En misschien ook eventjes het financiële dieptepunt. (lacht) Ik zou die expo nu anders aanpakken. Maar ik was toen nog jong, en McCarthy had in zijn atelier in L.A. een maquette van het museum gemaakt die zo groot was dat je er kon doorlopen. ‘Ik zou deze muur graag verwijderen’, zei hij met een wipzaag in zijn hand. ‘Tuurlijk, Paul. Doe maar!’ (lacht) Die maquette staat nog altijd op het dak van zijn atelier.”

Zijn er dingen waar je spijt van hebt?

“Eerlijk: ik ken dat gevoel niet echt. Natuurlijk heb ik fouten gemaakt, maar ik heb daar geen spijt van. Zelfs niet van het feit dat ik mijn zoon niet heb zien opgroeien. Hij is nu veertien, en ik weet dat hij ongelooflijk gelukkig is. We zien elkaar nu drie keer per jaar en tussendoor sturen we WhatsApp-berichten naar elkaar. Ik ben geen familiemens, en hij heeft dat van jongs af aan begrepen.

(denkt na) Ik stel dingen vandaag scherper dan voorheen, en misschien had ik daar al iets vroeger mee moeten beginnen. Ik ben een diplomatisch mens – ik hou niet van conflict – maar ik kan écht niet meer tegen kortzichtigheid: wij tegen zij, allochtoon en autochtoon. Een internationale kunstenaar, ik ken er geen één. Iedereen komt van ergens. Ik zie het als mijn taak om expliciet op zulke dingen te reageren.”

Vanwaar die ommekeer?

“Mijn bezoek aan Bagdad en aan de vluchtelingenkampen aan de Syrisch-Irakese grens heeft daar een grote rol in gespeeld. Man, jong. Zo afgrijselijk. Ik moest daar af en toe achter een tent gaan staan om na te denken over wat ik daar deed. Wat zit ik nu aan die mensen te vragen om tekeningen te maken? Tekeningen!? Die gaan daar niet beter van worden. Die hebben eten nodig, en een nieuw huis. Ik heb toen echt even overwogen om iets anders te gaan doen, tot ik tot het besef kwam dat kunst gewoon mijn manier is om dingen in beweging te brengen. Dat is mijn taal, dus gebruik ze ook. Maar gebruik ze helderder, meer uitgesproken, radicaler. De kunstwereld is goed in mist spuien. We zouden het beter meer doen regenen.”

Mogen we jou hiermee officieel de nieuwe kunstpaus noemen?

(lacht) “Je weet dat ik niet zo katholiek ingesteld ben. (denkt na) Nee, geen paus. Jan was een paus, want Jan zegende. ‘Ongelooflijk werk, kom bij de gemeenschap.’ Maar de paus kon je ook na twee weken excommuniceren, op de brutaalste wijze. Dat heb ik genoeg zien gebeuren. Ik ben zo niet. Ik ga altijd kritisch naar iemands werk kijken, maar ik ga nooit iemand een prutser noemen. Daarvoor ben ik te zorgzaam. Misschien ben ik meer een kunstdokter dan een kunstpaus, maar dat klinkt zo goed niet.”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234