Maandag 28/11/2022

AchtergrondKunst

Onderkruipsels in het Rijksmuseum: hoe de insectenwereld vanuit de mest in de schilderkunst belandde

Jan van Kessel I, ‘Insecten en reptielen’, ca. 1660. 
 Beeld Juergen Vogel
Jan van Kessel I, ‘Insecten en reptielen’, ca. 1660.Beeld Juergen Vogel

Kunstenaars en wetenschappers buigen zich al eeuwenlang over ‘kleine dierkens’ als spinnen, slakken en kevers. Eerst met een beetje afschuw, gaandeweg ontegenzeglijk gefascineerd. Het Nederlandse Rijksmuseum brengt een ode aan de onderkruipsels.

Stefan Kuiper

In 1622 deed Constantijn Huygens, secretaris van de prinsen van Oranje en vader van de astronoom Christiaan Huygens, zichzelf een microscoop cadeau. Het was geen miskoop. “Het is”, noteerde de 26-jarige dichter en geleerde daags na de aankoop enthousiast in zijn dagboek, “werkelijk of je voor een nieuw schouwtoneel van de natuur staat, op een andere aarde bent!” Op dat ‘schouwtoneel’, stelde de jonge Huygens sr. verheugd vast, krioelde het van de beestjes.

Huygens was niet de enige destijds die geïntrigeerd was door insecten. Veel 17de-eeuwse kunstenaars en geleerden hielden zich bezig met de ‘kleine dierkens’. Op objecten uit die tijd zie je ze veelvuldig. Op stillevens, zoemend rond felgekleurde bloemstukken. In wunderkammers, geprepareerd en geordend voor de eeuwigheid. Gedreven uit zilver op de bodem van een beker, of op ware grootte weergegeven in luxeboeken, zoals in Maria Sybilla Merians Metamorphosis insectorum Surinamensium.

Dergelijke objecten en verzamelingen ontstonden uit Lust am Grauen, zeker, maar zelden uit zulke lust alleen. Verwondering en nieuwsgierigheid, betoogt de veelbelovende expositie in het Rijksmuseum, speelden evenzeer een rol. Onderkruipsels heet die tentoonstelling, een zoölogisch gedateerde, maar historisch accurate benaming voor vaak letterlijk laag-bij-de-grondse soorten als mieren, kevers, rupsen, spinnen, slakken, padden, slangen en kleine marterachtigen. Een negatieve benaming. Dat negatieve is een bewuste keuze.

Schurkenrol

De onderkruipsels kampten lang met een imagoprobleem. Sinds de oudheid golden ze als de ‘minstgeachte dieren’. Op de Scala Naturae, het classificatiemodel waarmee Aristoteles de levensvormen rangschikte, betrokken ze de onderste plek. En op weergaven van de ark van Noach dobberden ze in de ‘stinkkolk’ van ‘pis en mest der (andere) beesten’. Elders in de Bijbel kwamen ze er niet veel beter af. Vaak vertolkten ze de schurkenrol. Het beest dat Eva verleidde, de slang, was een onderkruipsel. De duivels voetsoldaten die zondige zielen naar het hellevuur sleurden op Jheronimus Bosch’ schilderijen waren het (deels) eveneens. Satan zelf leek met zijn schubben en lange staart trouwens ook verdacht veel op een onderkruipsel. Zijn tegenstrever, God, was zeker geen onderkruipsel, al gebruikte hij ze graag bij wijze van straf. Een storm van sprinkhanen, een regen van kikkers: waar de onderkruipsels verschenen, had iemand het bij hem flink verbruid.

Voor middeleeuwers was er nog een reden om onderkruipsels te wantrouwen: de zonderlinge manier waarop ze ter wereld zouden komen. Anders dan grote dieren zouden onderkruipsels volgens de kennis van toen niet zijn ontstaan door voortplanting, maar door spontane generatie. Op warme, vochtige plekken zouden zij verschijnen uit het niets. Men had het helemaal uitgedokterd: bijen ontstonden uit dode koeien, terwijl wespen werden geboren uit paardenkadavers. Een dier dat ‘teelde uyt vuilnis’ of het rottende karkas van een ander dier, dat moest wel een dier van de duivel zijn. Daar bleef je liever bij uit de buurt.

Het sentiment is herkenbaar. Ook in onze tijd voelen sommigen afkeer wanneer het onder een gelichte tuintegel krioelt van de duizendpoten en pissebedden. Niet omdat ze denken dat die beestjes vanuit het niets zijn ontstaan. Wat hun walging wekt, is de vreemdheid van de kleine monsters. Onderkruipsels zijn, zoals conservator Jan de Hond in de catalogus opmerkt, ‘de ultieme ander’. Ze zijn niet schattig of zacht, zoals katten of konijnen, maar hard of juist week – hun aaibaarheidsfactor is exact nul. Peilbaar zijn ze evenmin. Je weet nooit welke kant ze op wriemelen, de zenuwpezen. Tuurlijk, ze zijn onmisbaar voor ons ecosysteem, zonder insecten geen bestuiving en plantenleven, maar dat betekent niet dat we ze graag in onze nabijheid hebben. En tegelijk wekt hun griezeligheid ontegenzeggelijk fascinatie. In de 16de eeuw raakte men er al evenzeer door gebiologeerd.

Klokkenmaker

Voor die mentaliteitsverandering, schrijft Eric Jorink in de catalogus, bestaat deels een religieuze verklaring: ze hield verband met de opkomst van het protestantisme. Protestantse geleerden zoals de Antwerpenaar Conrad Gessner beschouwden niet alleen de Bijbel, maar ook de schepping zelf als een openbaring van God. De héle schepping. Ook het deel dat niemand ‘minnen’ kon. Ook de kikker, de waterspin en de bladluis zouden volgens hun getuigen van de vindingrijkheid van de grote klokkenmaker in de hemel. Vanuit die gedachte groeide de belangstelling voor de natuur in het algemeen, en het leven van de onderkruipsels in het bijzonder. Kunstenaar-wetenschappers grepen naar hun tekengerei om ze natuurgetrouw af te beelden. Zij begaven zich op onontgonnen terrein. Muggen, kevers of padden waren tot die tijd amper levend weergegeven.

'Libellen', in Joris Hoefnagel, 'De vier elementen', deel 1: Animalia rationalia et insecta (Ignis), ca. 1575–1580.  Beeld
'Libellen', in Joris Hoefnagel, 'De vier elementen', deel 1: Animalia rationalia et insecta (Ignis), ca. 1575–1580.

Joris Hoefnagel, oom van de eerder genoemde Huygens, was misschien wel de fanatiekste beoefenaar van het genre. Hoefnagel is vooral bekend vanwege zijn kopie (en verbetering) van Albrecht Dürers fenomenale tekening van een vliegend hert (nu in bezit van het Getty Museum), maar in werkelijkheid legde hij de hele dierenwereld vast, die van de insecten incluis. Het ‘vuur’-gedeelte van Hoefnagels naar de elementen geordende reeks was de meest grondige inventarisatie van de beestjes tot dan toe. Hoefnagel gaf daarin het begrip ‘levensecht’ een heel nieuwe lading. Zijn waterverftekening van drie libellen voltooide hij bijvoorbeeld door met Arabische gom echte vleugeltjes op het perkament te plakken – een truc die Otto Marseus van Schrieck later, in de 17de eeuw, nog eens zou overdoen met vlindervleugels.

Voor de Amsterdamse geleerde Jan Swammerdam (1637-1680) ging zulk geraffineerd illusionisme niet ver genoeg. Swammerdam, die zich als student in Leiden had bekwaamd in de kunst van het ontleden, en die zijn bevindingen illustreerde in buitengewoon vaardige tekeningen, wilde de onderkruipsels doorgronden. Geïnspireerd door Descartes, voor wie de natuur een grote, ontzielde machine was, deed Swammerdam grondig empirisch onderzoek naar hun ‘maeksel’. De uitkomst hiervan publiceerde hij in 1669 in de Historia insectorum generalis, een studie die de kiem legde voor de entomologie.

Matriarchaal

Het boek stond vol opzienbarende inzichten. Zo leverde Swammerdam bewijs dat de ‘kleenste dieren’ net als ‘de aldergrootste’ beschikten over een ingewikkelde inwendige structuur, en verbande hij het idee van de spontane generatie naar het rijk der fabelen. ‘Insecta’ (waartoe Swammerdam ook spinnen en schorpioenen rekende) ontstonden volgens de natuuronderzoeker niet uit het luchtledige. Net als vogels en vissen kwamen ze uit een ei. Swammerdam was tot die conclusie gekomen door het ontleden van onder andere rupsen, haften en bijen. Vooral zijn studie van die laatsten is vermaard. De bijenwereld werd in de christelijke iconografie graag voorgesteld als een directe afspiegeling van de menselijke, compleet met horig werkvolk en een soevereine vorst. Echter, toen Swammerdam die koning uit elkaar haalde, ontdekte hij iets wonderlijks: hij had eierstokken. De koning bleek een koningin. De patriarchale bijensamenleving was in werkelijkheid matriarchaal. Deze ontdekkingen, schrijft Jorink, zorgden voor een paradigmawisseling: ‘van zinnebeeld naar structuur, van verwondering over het ongewone naar verwondering over het alledaagse’. Alle dieren, groot en klein, concludeerde men, behoorden tot een en hetzelfde ‘bouwplan’.

Otto Marseus van Schrieck, 'Bosgrond met blauwe winde en pad', 1660. 
 Beeld Elke Walford/SSGK Staatliches Museum Schwerin.
Otto Marseus van Schrieck, 'Bosgrond met blauwe winde en pad', 1660.Beeld Elke Walford/SSGK Staatliches Museum Schwerin.

Zulk voortschrijdend inzicht sloot een alomvattend religieus wereldbeeld overigens niet uit, integendeel. Onderzoekers als Swammerdam zagen in de complexe innerlijke structuur van de onderkruipsels juist het bestaan van de ‘onnaspeurelijken Maaker, oververwonderlijk ende onnavolgbaar in sijne werken’. Evenmin maakte het een eind aan natuurvoorstellingen met een gefictionaliseerd karakter. Swammerdams vriend Otto Marseus van Schrieck (1613-1678), uitvinder van het sottobosco ofwel bosstilleven, maakte bijvoorbeeld talloze schilderijen waarop slangen enthousiast jagen op vlinders – taferelen die eerder een gefantaseerde, dan een realistische indruk maken. Die pad die met zijn tong een vlinder uit de lucht plukt, zoals te zien op Schriecks beroemdste schilderij, was dan weer geen verzinsel. Dat gebeurt echt. Daar bestaan filmpjes van.

Onderkruipsels, 30/9 t.e.m. 15/1, Rijksmuseum Amsterdam.

Mieren

Onderkruipsels bevat ook recente kunstwerken van Tomás Saraceno en Rafael Gomezbarros, twee kunstenaars die zich lieten inspireren door de insectenwereld. De Colombiaan Gomezbarros maakte Casa Tomada, een installatie bestaand uit honderden enorme mieren gemaakt van glasvezel, T-shirts en jasmijntakken. Het werk (vernoemd naar een gelijknamig kortverhaal van de Argentijnse schrijver Julio Cortázar) wordt geïnstalleerd in de Philipsvleugel, en is een metafoor voor migratie. Het verbeeldt de nijvere mens die door politieke of klimatologische omstandigheden wordt gedwongen een nieuwe bestaansplek te vinden.

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234