Maandag 20/05/2019

Interview dj Black Mamba

Noonah Eze, alias dj Black Mamba: ‘Dat mijn vader me heeft achtergelaten is jammer genoeg deel van zijn cultuur’

Noonah Eze. Beeld thomas Legreve

Schijnbaar uit het niets pakte dj Black Mamba, alias Noonah Eze (25), afgelopen zomer Couleur Café en andere festivals in. Ze mocht meteen bij Studio Brussel beginnen, maar nog gaat het voor de half Belgische, half Nigeriaanse niet vlug genoeg: ‘Als ik iets écht wil, dan moet het meteen gebeuren.’

Het programma dat Noonah Eze als dj Black Mamba op Studio Brussel van aanstekelijke vibes voorzag, Hooray, draagt intussen al haar naam. Ze serveert nu elke zaterdag de lekkerste toefjes hiphop, r&b en global sounds. Het gaat, met andere woorden, hard. Daar zal wel een lang rijpingsproces aan zijn voorafgegaan?

Noonah Eze: (lacht) “Eigenlijk ben ik vier jaar geleden heel toevallig begonnen. Iemand had mij en een vriendin gevraagd om in een bruine kroeg te draaien in mijn hometown Sint-Niklaas. Vrijdagavond moesten we optreden, en donderdagavond zijn we beginnen te oefenen. (lacht) We bakten er natuurlijk niks van. Maar dankzij onze muziekkeuze werd het wel een leuk feestje, ondanks de technische tekortkomingen.”

Is er die avond iets magisch gebeurd waardoor je wist: dít wil ik doen?

“Ik vond het alleszins erg leuk om op al die knopjes te mogen duwen, het deed me denken aan onze PlayStation. (lacht) Ik wist: als ik meer zou oefenen, zou ik het écht leuk vinden. Van mijn vriendje Hannes heb ik toen een dj-controller cadeau gekregen. Uitgerekend tijdens mijn masterjaar aan het KASK: geen goed idee! Een verslaving zou ik het niet noemen, maar ik kon toch niet genoeg krijgen van dat vreemde ding.»

Een paar jaar later was je al op Studio Brussel te horen.

“Na anderhalf jaar was ik in De mixx te gast, en nog eens anderhalf jaar later was er Hooray.”

De eerste woorden van Michèle Cuvelier in het ochtendblok waren: ‘Ik ben nog nooit met zoveel mensen tegelijk wakker geworden.’ Weet jij je allereerste zin op de radio nog?

“Ik weet vooral dat ik on-waar-schijn-lijk zenuwachtig was. Ik wist dat al mijn vrienden en familie zouden luisteren... Verschrikkelijk. Ik heb geen idéé meer wat ik toen heb gezegd, maar wellicht was het iets als: (met hoog puberstemmetje) ‘Allooo, ik ben Noonah uit Sint-Niklaas!’ Goed was het niet. Zelfs tíjdens de set – een halfuurtje maar – hoopte ik dat het snel voorbij zou zijn.”

Wat zagen ze in jou toen ze je toch een eigen show gaven, denk je?

“Ik vraag me dat vaak af. (lacht) Ik dénk dat ze het leuk vinden dat ik breed ga. Ik luister niet alleen naar hiphop. Wat Studio Brussel overdag doet – van het ene naar het andere springen – doe ik binnen de urban-muziek.”

Was jij altijd al een trouwe StuBru-luisteraar?

“Vroeger niet, moet ik toegeven. Wel op zaterdagavond tijdens de blokperiode, toen Faisal, Kong en Charlotte de Witte na elkaar draaiden. Maar nu ik er zelf werk, ben ik mijn schade aan het inhalen: ik zou het raar vinden om te werken voor een bedrijf dat ik niet ken.”

Is er door andere StuBru-programma’s al opwindende nieuwe muziek op je pad gekomen?

“De Catch of the Day vind ik vaak cool, en sinds de herprofilering merk ik dat ik soms aan ’t shazammen ben. Zelfs bij het ochtendblok: ik heb onlangs nog één van de nummers die ik daar leerde kennen, opgenomen in mijn dj-set. Héél raar, want dat zou vroeger nooit gebeurd zijn. Er mag tegenwoordig overdag hiphop gedraaid worden! Tussen opeenvolgende nummers mag er ook een superharde clash zitten. Als ik een hiphopnummer hoor, zet ik de radio harder, waardoor ik automatisch beter ga luisteren naar wat daarna komt, ook al is dat misschien niet iets voor mij. Zo leer ik al eens een rocksong kennen, want als ik weet dat er een heel rockuur aankomt, dan zet ik de radio zelfs niet aan.”

De enige kritiek op jou die ik heb kunnen vinden, komt uit De Standaard: ‘Eze is dj van beroep en dat hoor je: focussen op haar draaitafels gaat haar een stuk beter af dan een gesprek gaande houden met een gast.’

“Dat was na de overschakeling van Hooray naar Black Mamba. Ik wilde die verandering graag hoorbaar maken op de radio: zo deed ik mijn eerste interview met een gast live. Ik wilde het meteen allemaal zelf kunnen: typisch Noonah. (lacht) Ik snap nu dat mensen voor radio studeren: het is een stiel apart. Die kritiek was dus 100 procent terecht. Nu doen Bert (Van Steenberghe, ook de presentator van ‘Zender’, red.) en ik de interviews samen – dat is al veel chiller – en als ik extra uitleg wil geven bij een nummer, neem ik mijn mix vooraf op. Ik heb mijn lesje geleerd.”

Je bent ambitieus. Wil je over x-aantal jaar één van de gezichten van de Warmste Week zijn?

“Als er vroeger vriendenboekjes rondgingen in de klas, schreef ik onder de vraag ‘Wat wil je later worden?’ altijd: ‘beroemd zijn’. Maar dat staat niet meer bovenaan op mijn prioriteitenlijstje. Nu denk ik: ik ben dj en ik ben bezig met muziek. Als ik daarmee bekend zou kunnen worden, gráág. Anders hoeft het niet. Voltijds op StuBru presenteren? Anderen kunnen dat véél beter dan ik. Zelfs over vijftien jaar.”

Word jij vooral aangesproken als dj of als StuBru-gezicht?

“Beide evenveel, denk ik. Ik merk wel dat veel mensen me automatisch kunnen pruimen omdat ik voor Studio Brussel werk: ‘Als je daar zit, zul je sowieso wel in orde zijn.’ Ik denk dan: luister eens naar wat ik draai, misschien valt het dik tegen!” (lacht)

“Ik vind het wel leuk dat mensen me op feestjes een foto komen vragen. Als ik in Sint-Niklaas rondloop, ben ik precies dé ster. (lacht) Maar als ik weer naar mijn stulp in Brussel terugkeer, kent niemand mij.”

Dj’en lijkt me een risicoberoep als het over geestelijke gezondheid gaat – denk maar aan Avicii. ’s Nachts werken, drie optredens per avond, altijd alleen onderweg...

“Ik denk dat ik dat pas zal ondervinden als ik ga touren in het buitenland, maar ik neem wel mijn voorzorgen. Ik sport veel en ik eet gezond. En zodra ik het draaien serieus begon te nemen, ben ik gestopt met alcohol drinken. Na een set moet ik nog met de auto kunnen rijden. De hele nacht doorzakken na het draaien is eens leuk, maar om elke dag opnieuw met een houten kop aan mijn bureau te zitten, daar pas ik voor. (lacht) Nu ben ik altijd fris. Iedereen denkt dat dj’s aldoor feesten, drinken en drugs nemen, maar zo kun je je job nooit serieus uitoefenen – of toch niet lang.”

Is het niet stresserend om alle nieuwe muziek op de voet te moeten volgen?

“Ik probeer mijn opzoekwerk te reserveren voor donderdag en vrijdag. Als ik dat de hele week moet doen, word ik zot. Maar de meeste nieuwe muziek wordt op donderdag en vrijdag gedropt, en dan zit ik van negen tot vijf onafgebroken te downloaden.”

Slaag je er nog in om het overzicht te bewaren, of is het een kwestie van jezelf te laten meevoeren door de stroom?

“Eigenlijk ben ik iemand die gelukkig wordt van structuur in mijn leven. Ik weet graag alles vooraf. Vandaar dat ik, nadat ik afgestudeerd was, op zoek ben gegaan naar een vaste job van negen tot vijf. (lachje) In oktober ben ik zelfstandige geworden en toen wist ik: ‘Oké, ik kan van mijn hobby mijn beroep maken. Let’s do this!’ Ik zie wel hoever ik raak. En als iedereen mij over twee jaar beu is, zoek ik wel die nine-to-five-job.”

Waar ben je de naam Black Mamba gaan halen? Bij Kill Bill? Bij Kobe Bryant?

“Op die vraag moet ik altijd een saai antwoord geven. Destijds draaide ik nog met een vriendin, en omdat we allebei een kleurtje hebben, wilden we iets met black. De mamba hebben we ter plekke opgezocht, tijdens een zatte avond op café. Tot zover het denkproces. (lacht) Vorige zomer heb ik erover nagedacht om die naam te veranderen. Maar het is nu wat het is. Ik heb er vrede mee.”

Waarom zou je überhaupt een artiestennaam kiezen als je Noonah Eze heet?

“Ik weet het. (lacht) Maar in het begin waren we met twee. En iedereen noemt me nog altijd Black Mamba. Of gewoon Mamba.”

Vanwaar komt de naam Eze?

“Mijn mama is Belgische, maar mijn papa komt uit Nigeria. Eze is daar het equivalent van Peeters of Wauters.”

Hoe belangrijk is die Nigeriaanse afkomst voor jou?

(twijfelt) “Mijn ouders zijn gescheiden toen ik 12 was, en sindsdien ben ik bij mama opgegroeid. Ik ben dus, hoe zal ik het zeggen, erg wit in alles. Ik ben volop Belgisch, ik heb gewoon een kleurtje.”

“Ik ben nog nooit in Nigeria geweest. Ik wilde samen met mijn broer gaan toen ik was afgestudeerd, maar dat is in het water gevallen omdat we geen geschikte datum vonden. (pauzeert) Ik heb het gevoel dat ik daar eens geweest moet zijn. Er woont veel familie, die ik zelfs nog nooit heb gezien. Het maakt deel uit van wie ik ben.”

Hoe hebben je ouders elkaar leren kennen?

“Op Cactusfestival (grijnst). Mijn papa is op zijn 29de uit Nigeria gevlucht. Toen hij mijn mama leerde kennen, woonde hij hier nog maar een jaar, maar wist hij nog niet zeker of hij zou mogen blijven. Uiteindelijk zijn ze getrouwd en daarna heeft hij werk gevonden.”

Heb je een goede band met je papa?

“Nee. (lachje) Na de scheiding heb ik twee jaar afgewisseld: twee weken mama, weekendje papa. Maar dan... (twijfelt) Ik mag niet voor iedereen spreken, maar naar mijn ervaring hebben Afrikaanse mannen echt een rare verhouding met hun vrouw en kinderen. Na de scheiding voelde hij bijna geen verantwoordelijkheid meer. Hij begon vaak terug te gaan naar Afrika, en intussen woont hij in Londen, net als zijn zus. Ik ben lang kwaad geweest op hem, hoor. ‘Hoe kun je je kinderen zomaar in de steek laten?’ Intussen heb ik door dat het jammer genoeg misschien wel deel uitmaakt van zijn cultuur. Hier een gezinnetje, daar een vrouw, ginder nog vier kinderen... Zo gaat het eraan toe. Het is nog altijd niet oké, maar zo kan ik het tenminste plaatsen.”

In de VS heb je ook het cliché van de afwezige African-American dad. Ik ging er altijd van uit dat dat een racistische karikatuur was.

“Nee, ’t is echt zo, vrees ik. Mijn mama had een hele vriendengroep met koppels waarvan één helft Afrikaans was. Daar is bij bijna iedereen hetzelfde gebeurd: ze zijn intussen gescheiden, en de meeste mannen zijn ofwel terug naar Afrika gegaan, ofwel wonen ze bij een nieuw gezin en verloopt het contact met hun kinderen moeilijk.”

Je hebt dus geen contact meer met je papa?

“Nee. Tot drie jaar geleden belde hij nog om het halfjaar. Dan telefoneerden we lang. Maar nu kan ik het niet meer opbrengen. Het lijkt alsof ik hem door dat telefoontje voor zes maanden van zijn verantwoordelijkheid verlos, zodat hij weer verder kan met zijn leven. Die gemoedsrust gun ik hem niet. Ik neem dus niet meer op, maar mijn broer dan weer wel. Volgens mij weet hij zelfs niet dat ik dj ben. Niet zo lief misschien, maar bon. Ofwel doe je je best om alle dad stuff te doen – kom eens een weekend af of zo – ofwel laat je ’t maar.”

Is je band met Nigeria daardoor verzuurd?

“Niet verzuurd, maar het maakt het wel moeilijker om ooit daarheen te gaan. Ik weet dat ik hem nodig zal hebben om de rest van mijn familie te vinden. Dan zal ik weer tegen hem moeten praten.”

Grootste fan

Eze: “Weet je wat mijn grote geluk is? Dat ik zo’n goede moeder heb.”

Welke muziek zette zij thuis op?

“Zoveel! Jazz, maar ook Erykah Badu of St. Germain. En als er iemand kwam eten, liet ze Buena Vista Social Club horen. (lacht) Ze ging vaak naar concerten en festivals. En altijd maar muziek opzoeken! Zij was eigenlijk een muziekblogster avant la lettre. (lacht) Nu is ze 58 en ze gaat nog geregeld naar optredens.”

Ze zeggen nochtans dat je je na je 30ste almaar minder openstelt voor nieuwigheden.

“Integendeel, na haar scheiding deed ze zelfs méér: muziek, poëzie, evenementen... Ze komt ook zo veel mogelijk naar mijn sets, maar het kan laat worden en dan loopt de dansvloer vol jong volk – dat vindt ze niet zo leuk. (lacht) Maar als ik het voorprogramma verzorg of op een mooie zomermiddag ergens draai, dan staat zij als grootste fan op de eerste rij.”

Wat heeft zij jou nog meegegeven, behalve de liefde voor muziek?

“Veel. (lacht) Het besef dat je ervoor moet werken als je iets wilt. Dat typeert haar: zij heeft het altijd moeilijk gehad om in haar eentje twee kinderen op te voeden. Maar daardoor apprecieer ik de kleine dingen des levens wel meer. Ik verdien nu genoeg om rond te komen, maar dan nog doe ik mijn best om niet alles vanzelfsprekend te vinden. En ik gooi ook nooit eten weg. Daar was mama heel streng op: geen verspilling! Wij zijn erg milieubewust opgevoed.”

Ben je al gaan betogen?

“Eén keer, ja: de eerste keer dat ik ooit heb betoogd. Dat was wel, euh, iets anders. (lachje) Het is niet hetzelfde als naar de beelden kijken op tv: je moet het hele parcours in de kou en in de regen afleggen. Ik volg het klimaatdebat en ik steun de betogers volop, maar ik denk dat één keer toch genoeg was voor mij.” (lacht)

‘Ik heb nooit iets liever gedaan dan graven naar nieuwe muziek. Dat ik daar nu voor word betaald, is gewoon bizar.’

Je hoort vaak dat mensen met een gemengde afkomst zich in geen van beide culturen écht thuis voelen. Ik kan er grandioos naast zitten, maar jij geeft me de indruk dat jij dat probleem niet hebt.

“Ik snap nu beter hoe het allemaal werkt, en ik heb aanvaard dat mensen vragend of zoekend naar mij kijken. Maar als je mij die vraag vijf jaar geleden had gesteld, had ik een ander antwoord gegeven. In Sint-Niklaas waren mijn broer en ik twee van de tien gekleurde mensen op school, en in Gent voelde ik mij ook speciaal. Hier in Brussel staart niemand me aan – op de bus zie je sowieso heel veel nationaliteiten.”

Heb je ooit met uitgesproken racisme te maken gekregen?

“Dat wordt me vaak gevraagd, maar ik ben nooit gepest. Maar racisme zit soms in kleine dingen. ‘Mag ik eens aan uw haar komen?’ ‘Vanwaar ben je écht?’ In Gent ben ik eens naar een appartement gaan kijken met een zwarte vriendin. Op het einde van de rondleiding zei die mevrouw: ‘Amai, als jullie hier nog niet zo lang wonen, kunnen jullie wel erg goed Nederlands.’ (rolt met haar ogen) Dat lijkt een detail, maar je onthoudt het wel.”

“Het was ook een totaal andere ervaring om met mama dan wel met papa naar de winkel te gaan. Bij mijn papa praatten de kassiersters automatisch traag en luid Nederlands, of ze begonnen in het Engels. En aan mama vroegen ze: ‘Waar heb je dat kindje gekocht?’ Waarop zij antwoordde: ‘Dat heb ik zélf gemaakt.’ Ze geloofden haar niet altijd.” (lachje)

Bewonderenswaardig hoe kalm en nuchter jij daarmee omgaat.

“Ik word zelden boos, ik leg liever uit wat me niet bevalt: ‘Die opmerking was niet zo aardig, want…’ Racisme heeft vaak te maken met onwetendheid, dus probeer ik er niet te hard op in te gaan. Veel vrienden ontploffen wél meteen, omdat ze het al te vaak hebben meegemaakt. En ik denk dat mijn broer er om de één of andere reden ook veel meer last van heeft gehad dan ik.”

“Soms verlies ik wel mijn chill. Zo moest ik eens met Hannes een zetel gaan ophalen. Die raakte niet helemaal in de auto, dus ik moest de rugleuning van de voorste zetel naar beneden klappen en op de bodem hurken. We kwamen de politie tegen, die ons aan de kant zette. De agenten vlogen uit tegen Hannes alsof hij een illegaal het land had binnengesmokkeld! En in het Engels ondervroegen ze mij: ‘Where are you from?!’ Waarop ik: ‘Jongens, rustig, ik woon hier om de hoek.’ Je zag gelukkig aan hun gezicht dat ze doorhadden dat hun gedrag niet oké was. Maar toch: ik ben nog altijd niet de grootste fan van de politie.” (lachje)

Terug naar de muziek! Welke artiesten hebben jou de weg naar hiphop en urban gewezen?

“De eerste cd die ik ooit heb gekocht, was er één van Big Brovaz. Maar ik bewonder vooral nummers. Diehards die alles van één artiest automatisch goed vinden, snap ik niet helemaal. Zelf heb ik dat alleen bij Missy Elliott, mijn all-time crush. (lacht) Heel haar verhaal is zót. Ze is begonnen als producer, heeft zich omgeschoold tot artieste en slaagde erin muziek te maken die daarvoor nog niet bestond. Dat is eigenlijk wat ik ook wil doen. En dat mag zo snel mogelijk gebeuren: het is mijn grote ambitie om zelf muziek te maken.»

Hoeveel tijd geef je jezelf?

“Een jaar, zoiets. Als ik iets écht wil, dan moet het snel gebeuren. Ik heb mijn eerste stappen gezet, maar ik wil niets uitbrengen voor ik zelf 100 procent fan ben van wat ik maak.”

Vind je jezelf nog geen artieste?

“Hm... Onlangs verzorgde ik het voorprogramma van de geweldige Amerikaanse r&b-band The Internet, en toen ben ik wel als artieste geboekt. Maar ik denk dat ik dat gevoel pas écht zal hebben als ik zelf muziek kan maken. Charlotte de Witte en Amelie Lens zijn er wél al: zij zitten op het hoogste niveau dat je als dj kunt bereiken. Ik ben nog onderweg.”

Is jouw job geen handicap? Jij hoort alle muziek die er is, probeer dan maar eens om niet beïnvloed te worden.

“Waarom zou je muziek maken die al bestaat? Dat wordt veel te veel gedaan. Ik zie mijn job net als een voordeel: doordat ik weet wat er allemaal wordt gemaakt, weet ik ook wat er nog níét wordt gemaakt. (grijnst) Met mijn feestconcept Mamba Nights ben ik ook zo begonnen: ik merkte dat er geen urban party bestond in Sint-Niklaas, dus ben ik er zelf mee begonnen.”

Als jij iets wilt, moet echt alles wijken, hè?

“Ik kan daar hard in zijn. Ik ben soms een slechte vriendin, als ik weer eens van de aardbodem verdwijn. Zo is het nu eenmaal.”

Nog één vraagje dan: welk nummer zetten de mensen best op terwijl ze dit interview lezen?

“Oh, doe dan maar ‘Poupée’, een gloednieuw nummer van een nog onbekend, maar beloftevol Brussels meisje met de naam Aszul. Heel vibey, en perfect om een artikel bij te lezen.”

© HUMO

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.