Donderdag 02/02/2023

InterviewVoorbij het verlies

Nelly verloor een jaar geleden haar Jef: ‘Ik praat niet met hem. Ik ben niet gelovig in die zin. Weg is weg’

null Beeld Aurélie Geurts
Beeld Aurélie Geurts

Nelly Sleeckx (77) was 15 toen ze verliefd werd op Jef. Vorig jaar overleed hij op 83-jarige leeftijd, na een lang en gelukkig huwelijk, en nu moet Nelly alleen voort. ‘Er is een tijd geweest dat ik ’s nachts even voelde aan zijn kant van het bed, maar er lag nooit iets.’

Lotte Beckers

“Jef was me al opgevallen toen ik negen jaar was, dat herinner ik me nog. Hij sleep toen diamanten, op grote schijven met een spil. Elke vrijdag bracht hij die schijven naar mijn grootouders, waar mijn nonkel ze opschuurde, en op zaterdag haalde hij de schijf weer op.

“Toen ik 15 was en hij 21, werden we verliefd. Het was Kerstmis en ik mocht voor de eerste keer naar een bal en daarna naar de middernachtmis. Dat deed het jong volk van Grobbendonk toen: eerst dansen en dan naar de mis. Jef was ook op dat bal. Een week later zag ik hem bij mijn neef, met wie hij goed bevriend was. Zo is dat stilletjesaan begonnen.

“Jef lag goed in de markt, maar ik wist meteen: die jongen moet ik hebben. Alles vond ik leuk aan hem. Hij was ook een knappe man, met blond haar en een krul die over zijn voorhoofd hing. Ik was smoorverliefd en dat is zo gebleven.

“Toen ik 20 was, zijn we getrouwd. Ja, we hebben lang gewacht, we vonden dat we elkaar toch eerst moesten leren kennen. En wanneer moesten we dat doen? Ik zat tot mijn zestiende in het pensionaat en hij werkte; zaterdagavond en zondag waren de enige momenten waarop we samen iets konden doen. We gingen naar de film, keken thuis televisie of reden met de fiets ergens naartoe. Veel was er toen nog niet, hè. En mijn ouders hielden me kort omdat ik nog zo jong was, wat ik nu beter begrijp dan toen.

“Ik herinner me nog alles van onze trouwdag. In die tijd ging je naar het gemeentehuis van het dorp waar het meisje woonde. Jef was zo nerveus dat hij mijn naam niet kreeg uitgesproken. Hij was het gewoon om mij Nelly te noemen maar ik heet eigenlijk Petronella. ‘Patro...Petro...’ − hij kon daar niet aan uit. (lacht) Daarna zijn we nogal rap naar Antwerpen verhuisd. We hebben dit huis zelf gebouwd. Zolang ik kan, blijf ik hier wonen. Ik ben dat hier zo gewoon.

Euthanasie

“We hebben samen twee kinderen gekregen: een dochter en een zoon. Ik wist al heel snel dat Jef de man was met wie ik wilde trouwen en hoeveel kinderen ik wilde. Maar op mijn zeventiende was ik vaak ziek: ik had veel last van buikpijn. Mijn ouders namen me mee naar een dokter in Antwerpen en die zei: kinderen, daar moet je niet op hopen. Dat viel me heel zwaar. Tot bleek dat mijn appendix op de verkeerde plaats lag en daardoor maar bleef ontsteken. Dat was goed nieuws, en ze hebben mijn appendix weggenomen. Maar dat was een slechte tijd, omdat ik zolang niet wist wat er mis was. Het leven ging niet zoals ik wilde.

“Jef legde zich daar makkelijker bij neer, hij hoefde niet meteen kinderen te krijgen. Als het niet ging, dan maar niet. Ik zei hem: ‘Waar ik ze ga halen, dat weet ik niet, maar ik wil kinderen.’ Maar het is goed gekomen, ik heb kinderen.”

“Mijn man is een jaar geleden overleden, en dat gebeurde vrij onverwacht. Hij had kanker, maar de dokters kwamen er niet meteen op uit. Hij had geen symptomen, tot het te ver gevorderd was. Ik heb zelf drie keer kanker gehad, dus we wisten dat sommige mensen daar wel van kunnen genezen. Maar bij Jef hebben ze meteen gezegd dat hij niet zou genezen, en daarna had hij de moed niet om het uit te zitten. Hij had veel pijn ook. Uiteindelijk heeft het maar een paar maanden geduurd. (zucht) Als je dat nieuws krijgt, wring je tegen zolang je kunt, maar dat helpt niet. Je kunt daar niets aan doen.

“We hebben ’s nachts heel veel gepraat. Hij sliep in een ziekenhuisbed in de woonkamer, en ik boven. Zodra hij maar een beetje bewoog, hoorde ik dat en kwam ik naar beneden. Dan zat ik in de zetel, naast zijn bed. Zo hebben wij uren gebabbeld. Jef was geen babbelaar, maar opeens kwam het er allemaal uit. Hij bleef maar vragen stellen, over alles wat we hadden meegemaakt in ons leven. Hoe was dit, en hoe was dat? Over dingen die hem interesseerden, maar waarover hij vroeger niet wilde praten. Vooral over mijn gezondheid, waar ik veel mee gesukkeld heb. Het deed hem deugd om te praten, je zag dat. Hij was klaar om te gaan.

Nelly Sleeckx: 'Door corona hebben we geen echte begrafenis gehad, maar de viering met de familie was heel goed.' Beeld Aurélie Geurts
Nelly Sleeckx: 'Door corona hebben we geen echte begrafenis gehad, maar de viering met de familie was heel goed.'Beeld Aurélie Geurts

“Het is niet moeilijk om te kiezen voor euthanasie, echt niet. Als je weet dat er echt geen beterschap meer komt, dan zou je het zelf doen als je kon. Je ziet dat de ander pijn heeft en dat al dat lijden nergens toe dient. Dan ben je eigenlijk blij dat de dokter vraagt: wat denk je? Ik zei: helpen. Jef wilde ook absoluut niet naar de kliniek en ik snapte dat. Ik wil ook liever thuis in bed sterven dan in een ziekenhuis.

“En dan zaten we hier aan tafel. De dokter maakte dat spuitje gereed en ik heb Jefs arm vastgehouden om te helpen, want als je zo ziek bent, heb je bijna geen aders meer. Dat deed raar bij mij. Eigenlijk help je iemand met sterven, hè. Maar ik heb er vrede mee. Pijn heeft hij niet meer gehad. Hij is kalmpjes weggegaan.”

Alleen tussen koppels

“Door corona hebben we geen echte begrafenis gehad, maar de viering met de familie was heel goed. De kinderen hebben dat zelf geregeld, in een restaurant hier om de hoek. Ze hadden zelfs een piano meegebracht. Daarna zijn we te voet naar het kerkhof gegaan, dat is hier niet veraf. Ik ben geen kerkhofloper. Je kunt daar weinig doen, hè, al doet het soms goed. Maar een blèter ben ik niet, ik zit daar niet te snotteren. En aan Jef denken, dat kan ik net zo goed hier doen, want het gaat toch niet uit je kop. Ik praat niet met hem, nee. Ik ben niet gelovig in die zin. Weg is weg.

“Als je na zestig jaar opeens alleen bent, is dat niet makkelijk. We deden alles samen, en nu denk ik: eigenlijk is dat niet goed. Maar als je de ene zag, zag je de andere ook. We deden samen boodschappen, gingen vaak fietsen en toen we gepensioneerd waren, hebben we veel gereisd met de mobilhome: naar Spanje, Italië, Frankrijk, Hongarije. Maar mijn leven van elke dag is niet veranderd. Je bent de dingen ook zo gewoon op den duur. Ik naai nog altijd al mijn kleren, en met poetsen moet niemand me helpen. Ik doe ook zelf nog de was en de strijk. Ik kook nog altijd voor mezelf, maar het eten smaakt mij minder. Als je altijd alleen moet eten...

“Ik krijg veel troost van de kinderen en de kleinkinderen, maar dat is natuurlijk niet hetzelfde. Ze moeten ook niet elke dag langskomen, ze hebben hun eigen leven. Mijn vrienden worden ook ouder. Ik ben de jongste van de hoop en het zijn nog allemaal koppels, daar is nog niemand weggevallen. Ik ben de enige die alleen is en dat is lastig, ja. Als ik alleen ben tussen koppels die ouder zijn, voel ik dat. Ik ga mij daar ook niet tussen wringen. Je babbelt dan weleens, maar dat is niet hetzelfde.

'Toen ik 20 was, zijn we getrouwd. Ja, we hebben lang gewacht, we vonden dat we elkaar toch eerst moesten leren kennen.' Beeld Aurélie Geurts
'Toen ik 20 was, zijn we getrouwd. Ja, we hebben lang gewacht, we vonden dat we elkaar toch eerst moesten leren kennen.'Beeld Aurélie Geurts

“Vroeger kwamen mensen eens naar hier, maar dat mindert ook. Meestal waren dat ook koppels. Mijn vriendin kan niet rijden, dus haar man kwam altijd mee. Hij was bevriend met Jef, maar als die nu komen, dan zit die man er maar wat bij, hè. Hij heeft daar niets meer aan. Bovendien begint hij last te hebben bij het rijden, dus ze gaan zo weinig mogelijk weg met de auto, dat is normaal. Ze bellen op tijd en stond wel, maar dat is niet hetzelfde. Dat het leven wat uitdunt als je ouder wordt? Ja, zo zou je het kunnen zeggen.

“Mijn buurvrouw is ook alleen, we gaan weleens samen naar de markt en ze loopt dikwijls genoeg binnen, maar ik dring mij niet op. Ik wil niemand tot last zijn. Als ik mijn plan niet meer kan trekken, heb ik liever dat ze mij een spuitje geven. Een home, dat ligt niet goed bij mij.”

“Wat het geheim is van een lang huwelijk? De problemen uitpraten. Mijn man babbelde niet veel, maar als ik hem dan in gang hielp, ging dat heel goed. Maar ja, hij had dat thuis niet geleerd, daar werd altijd maar gezwegen. Dan kun je het niet, hè. De mensen waren toen nog niet zo open, dat was toch de tijd van ‘ik ben de baas’. Ik was daar niet goed in, in een baas boven mij.

“Wat Jef niet kon, was iemand anders iets aanleren. Hij ging mij vroeger leren rijden. Bij mijn ouders was een lange dreef met grote bomen. Ga maar achter het stuur zitten, zei hij. Een heel stuk verder reed een andere auto de baan over, maar daar had ik niks mee te maken, die zou al lang weg zijn tegen dat ik daar was. ‘Hé, stoppen!’ riep hij. Dus ik stopte. Vliegt hij met zijn kop toch tegen die ruit! Och, manneke. Ik ben uitgestapt en ik heb gezegd: rijd jij maar voort. Ik zal het zelf wel leren, zonder jou.”

null Beeld Aurélie Geurts
Beeld Aurélie Geurts

Pietje-precies

“Maar we maakten niet vaak ruzie. Ik zeg rap mijn gedacht, dat heeft Jef moeten leren. Hij draaide liever rond de pot en daar kan ik niet mee om. Maar hij was dat op den duur gewoon: ik was zo, en zo moest hij mij maar leren kennen. Ik zei wat er bij mij wrong en hij mocht dat ook doen. Dan moet je daar geen ruzie over maken.

“Jef deed alles voor mij: toen ik ziek was, moest hij alles overnemen en dat deed hij ook. Koken deed hij vaak, en bakken ook. Zijn taarten waren beter dan die van de bakker. Een mixer kwam er niet aan te pas: met zijn hand lichtte hij het deeg op om er lucht tussen te laten, waardoor hij uiteindelijk twee keer zoveel deeg had. Hij was daar lang mee bezig, hoor.

“Jef was een pietje-precies. Hij heeft vorig jaar nog een gigantische pot gekocht om speculaasdeeg te maken, van die dikke Limburgse speculaas. Kilo’s maakte hij daarmee, tot aan zijn schouders zat hij in het deeg. Maar dat móést in die pot, anders was het deeg niet egaal. En daarna woog hij de bolletjes af op een weegschaal zodat ze exact even groot waren. Die pot staat in de garage, ik kan daar niets mee doen. De meeste van zijn spullen heb ik weggegeven aan vrienden en de kinderen. Zijn kleren moeten hier niet in de kast hangen, ik ben daar niet aan gehecht. Zijn horloge en trouwring heb ik wel bijgehouden.

“Op onze leeftijd weet je dat de dood komt. En toch blijft het wringen. Hij had ouder kunnen worden, we hadden nog jaren voor ons. Maar ja, het is niet zo en je kunt er niets aan doen. Er zijn nog veel dagen dat ik hem mis, en de dingen die we samen deden, of die hij deed. Naar de planten en bloemen vooraan heb ik nooit omgekeken, dat was zijn ding. Maar ik kan ze moeilijk uittrekken, hè. Dus nu zorg ik daarvoor.

“Wij sliepen in twee tegen elkaar geschoven bedden. Er is een tijd geweest dat ik ’s nachts even aan zijn kant voelde. Het bed was opgedekt, maar er lag nooit iets. Ik kan daar wel over babbelen, maar ik zal dat niet rap doen. Het is er altijd, dat gevoel van gemis, of ik daar nu over praat of niet.”

``

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234