Dinsdag 10/12/2019

Voorpublicatie

‘Nadat ze gesnoven hadden, haalde Bowie zijn pik tevoorschijn, alsof ik de officiële controleur was’

In het najaar van 1974 richtten enkele jonge New Yorkers een punkgroepje op. Eerst heette dat Angel & the Snakes, maar nadat frontvrouw Debbie Harry op straat nageroepen werd, kreeg de band zijn definitieve naam: Blondie. Bijna een halve eeuw later bestaat Blondie nog steeds en blikt Debbie Harry in haar memoires Face It terug op haar carrière. In deze voorpublicatie beschrijft ze de periode van de grote doorbraak. ‘Mensen waren aan het pogoën, aan het slamdancen, ze spuugden en gingen door het lint. En wij vonden het prachtig.’

De tijd waarin we echt doorbraken, was een chaotische, ademloze, rusteloze, krankzinnige periode, die nu grotendeels één grote wazige vlek is, door de snelheid waarmee het zich allemaal voltrok. Na het verschijnen van ons eerste album (Blondie uit 1976, red.) gaven we een stel concerten in New York en vervolgens gingen we in februari 1977 voor de eerste keer op tournee. Eerst naar Los Angeles, waar we waren geboekt bij het Bel Air Sands, een luxehotel bij Sunset Boulevard. Onze manager had een deal gesloten met de eigenaar: gratis kamers in ruil voor een paar gratis optredens. Die concerten moesten plaatsvinden op een cruiseschip, maar toen het erop aankwam, werd het schip niet-zeewaardig verklaard en werd er geen vergunning afgegeven voor een concert.

Ondertussen reden wij elke avond in ons gehuurde busje van het Bel Air Sands naar de discotheek Whisky à Go Go aan Sunset Boulevard, waar onze manager ook een aantal optredens geregeld had. De Whisky à Go Go was in de jaren 60 beroemd geweest als podium voor veel grote rockbands, maar voelde nu duidelijk de concurrentie van de nieuwe, chiquere clubs die hun deuren openden. De Whisky was op zoek naar iets nieuws om de tent in zijn oude glorie te herstellen. Het was de juiste plek op het juiste moment om indruk te maken. In de eerste week stond Tom Petty in ons voorprogramma, de tweede week speelden we met de Ramones. Er waren maar een paar heel kleine kleedkamers, die we met zijn allen moesten delen. De twee bands, vriendinnen, gasten en hun aanhang zaten allemaal in die kamertjes gepropt. Joan Jett kwam geregeld langs, Ray Manzarek van The Doors was er, en ook Malcolm McLaren, die in de stad was om voor de Sex Pistols een Amerikaans contract los te krijgen. Op een avond kreeg Malcolm ruzie met Johnny Ramone en Johnny joeg hem de kleedkamer uit door hem een gitaar naar zijn hoofd te slingeren.

Beeld Photo News

Een andere avond kwam een man naar boven die geheel in het zwart was, tot en met zijn haar, zijn baard en zijn snor. Hij droeg een cape, een vliegenierszonnebril, een groot kruis aan een ketting en een button met ‘In the Flesh’ op zijn revers. Phil Spector. Hij werd geflankeerd door Dan en David Kessel, een knappe, onberispelijk geklede tweeling, zijn entourage voor die avond. Zij loodsten de Ramones en alle anderen de kamer uit, behalve ons. Terwijl de tweeling bij de deur bleef staan om iedereen buiten te houden, hield Phil een monoloog die tot in de kleine uurtjes doorging. Ergens in dat eindeloze geklets lag een uitnodiging begraven om naar zijn villa te komen. Ik wilde eigenlijk niet gaan. Ik was dol op zijn muziek en voelde me aangetrokken tot zijn gekte, maar ik moest elke avond zingen, twee optredens per avond, zonder vrije tijd. Ik wilde uitrusten voor het volgende optreden.

De villa lag heel dicht bij de Sunset Strip (het stuk van Sunset Boulevard waar clubs als Whiskey à Go Go en Viper Room gelegen zijn, red.). Ik herinner me de ijzige airco en hoe typisch ‘Phil Spector’ het huis was. Chris (Stein, gitarist van Blondie en partner van Debbie Harry, red.) herinnert zich dat Phil ons begroette met in één hand een Colt .45 en in de andere een fles Manischewitz-wijn. Iedereen moest gaan zitten, Phil wilde niet dat iemand rondliep. Op een bepaald moment liet hij pizza’s halen, daarna ging hij aan zijn piano zitten en begon hij te spelen. Hij wilde dat ik naast hem op het bankje kwam zitten en ‘Be My Baby’ en nog wat andere Ronettes-nummers met hem zong. Hij bleef me maar aan het zingen houden. Ik wilde dat helemaal niet, omdat ik zoveel optredens had, maar Phil was in zijn element en weigeren was er niet bij. Toen we wat later samen op de bank zaten, haalde Phil zijn pistool tevoorschijn, stak de loop in de bovenkant van mijn leren laarzen die tot aan mijn dijen kwamen, en zei: ‘Pang, pang!’

Slip uit, benen wijd

Na ons laatste concert in de Whisky gingen we naar San Francisco en daarna kwam Blondies eerste echte tournee. Met Iggy Pop en David Bowie. David had daarvoor in Berlijn met Iggy aan zijn nieuwe album gewerkt, The Idiot, en Iggy stond op het punt om aan zijn tournee door Noord-Amerika te beginnen, met David in zijn band als toetsenist. Ze hadden de hele wereld in hun voorprogramma kunnen krijgen, maar ze kozen voor ons, eigenlijk maar een plaatselijke band die een beetje aandacht begon te krijgen. Natuurlijk waren we buiten onszelf van blijdschap. In de kleine uurtjes propten we ons met zijn allen in een gehuurde camper en reden we naar Montreal in Canada, waar de tournee van start zou gaan. Achterin was één groot bed, dus daar kropen we met zijn vijven in, vergeefs proberend om wat slaap te krijgen voor het eerste concert dat diezelfde avond al gepland stond.

Eenmaal bij Theater Le Plateau stortten we allemaal neer in onze kleedkamer. Toen ging de deur open en kwamen David en Iggy binnen om zich voor te stellen. We konden geen stom woord uitbrengen, maar zij waren zo sympathiek en aardig. Chris herinnert zich dat ze tegen mij zeiden: ‘Maak meer gebruik van het podium, loop heen en weer.’ Ik was niet gewend aan zo’n groot podium en bleef in het begin meestal op één deel staan. Maar niemand kon zo goed gebruikmaken van een podium als Iggy – behalve misschien David, die toen al een superster was, maar het nog steeds prima vond om de rol van begeleider te spelen. Iggy klom vaak op de speakers, waar hij dan zong en met zijn ongelooflijk gespierde lijf pronkte – en de meisjes in het publiek trokken hun slipje uit en gooiden dat op het podium en bleven dan zitten met hun benen wijd, hun poes open en bloot.

Op een keer waren David en Iggy op zoek naar een blow. Hun leverancier in New York was plotseling overleden en ze zaten zonder. Een vriend had mij een gram gegeven, maar ik had er nauwelijks iets van gebruikt. Ik gaf niet zoveel om coke – ik werd er nerveus en gespannen van en het tastte mijn keel aan. Dus ging ik naar boven met mijn cocaïne en zij snoven die in één haal op. Nadat ze gesnoven hadden, haalde David zijn pik tevoorschijn – alsof ik de officiële pikkencontroleur was of zoiets. Het formaat van die van David was natuurlijk berucht en hij vond het leuk om hem zowel voor mannen als voor vrouwen tevoorschijn te halen. Het was zo grappig, aanbiddelijk en sexy. Even later kwam Chris de kamer binnen, maar toen was de voorstelling al voorbij. Waarschijnlijk hadden de jongens gezegd: ‘O, David en Iggy hebben Debbie mee naar boven genomen,’ en had zijn testosteron opgespeeld. Terwijl Chris en ik de kamer uitgingen, kon ik het niet laten om me af te vragen waarom Iggy me geen nadere blik op zíjn pik had gegund...

Debbie Harry in 1978. ‘Toen we ‘Parallel Lines’, de plaat met ‘Heart of Glass’ en ‘One Way or Another’, aan de platenmaatschappij lieten horen, klonk het oordeel: ‘We horen geen hits.’’ Beeld © Martyn Goddard/Corbis

Alle jongens hadden de tijd van hun leven. In Portland trapte Jimmy (Destri, keyboardspeler, red.) een deur van spiegelglas in. Hij zou gearresteerd zijn als David niet tussenbeide was gekomen en de schade had vergoed. En na het concert in Seattle nodigden de plaatselijke punkers ons uit om in hun bunker te komen spelen, een schuilkelderachtige ruimte met betonnen muren. Het podium was een matras. Hier, in the middle of nowhere, kon je muziek op vol volume spelen en de hele nacht door jammen, zonder dat er buren gingen klagen. Chris zei altijd dat dat voor hem één van de beste plekken was waar hij ooit, op welke tournee ook, gespeeld had.

Spuug en pogo’s

Na afloop van de tournee door Noord-Amerika vertrokken we naar Europa, voor onze eerste optredens daar. In mei 1977 landden we op Heathrow, terwijl Londen zich voorbereidde op de viering van het zilveren jubileum van de koningin, en de Sex Pistols zich voorbereidden op de release van ‘God Save the Queen’. Ons eerste optreden, op een universiteit in het rustige badplaatsje Bournemouth, was bedoeld als een warming-up, met in het voorprogramma de Britse band Squeeze. Het werd een eyeopener. De Britse punk was duidelijk heel anders dan de Amerikaanse, tribaler en veel lichamelijker. Mensen waren aan het pogoën, aan het slamdancen, ze spuugden en gingen door het lint om ons aan te vuren. We vonden het prachtig en gingen nog veel harder rocken.

Toen begon de echte tournee. We stonden in het voorprogramma van Television en – jammer maar helaas – dat was niet zo leuk als openen voor Iggy en David. Er waren problemen met het geluid en de uitrusting, en de sfeer was af en toe een beetje ongemakkelijk. Wij hadden niet genoeg ervaring om te weten wat we daaraan konden doen en er was niemand aan wie we het konden vragen. We hadden in New York niet vaak met Television gespeeld en onze fans overlapten elkaar niet altijd. Het werd allemaal wat beter voor ons toen we in Londen aankwamen om twee concerten te geven bij het Hammersmith Odeon-theater. Het publiek was enthousiast en de rockpers ging aandacht aan ons besteden. Na onze tien concerten in het Verenigd Koninkrijk speelden we met Television in Amsterdam, Brussel, Kopenhagen en Parijs, allemaal steden waar ik nog nooit was geweest. We vlogen terug naar huis met een hoop uitstekende recensies en nieuwe fans en begonnen meteen aan ons nieuwe album, Plastic Letters.

Maar er was één groot verschil: Gary Valentine zat niet meer in de band. Tijdens de tournee was duidelijk geworden dat hij zijn eigen groep wilde hebben en dat wij hem daarin belemmerden – wat begrijpelijk is, als je zelf naam wilt maken. Hij had het erover gehad dat hij misschien na de tweede plaat wilde stoppen en toen stuurde onze manager hem gewoon weg. Zomaar, heel ruw, bot en luidruchtig, als een bullebak. Het was verschrikkelijk. Maar tegelijkertijd wilden we allemaal ontzettend graag door, verdergaan, hoe ongemakkelijk het ook was. Er hing een sombere stemming in de studio. Iedereen was op van de zenuwen. Chris moest veel baspartijen spelen naast zijn gitaarpartijen en we haalden Frank Infante erbij om te helpen. Er is absoluut iets van de woede te horen op het album.

Debbie Harry op de foto met Andy Warhol (links): ‘In de hele beginperiode was er een constante druk. Vooral voor de bedachtzame Chris was het zwaar.’ Beeld The Internet Archive

Tijdens die hele eerste periode van Blondie was er een constante druk. Vooral voor Chris was het zwaar. Hij is een bedachtzame, in zichzelf gekeerde, beschouwende persoonlijkheid, die nu meegesleurd werd in al die snelle beslissingen, en hij kreeg al die verschillende verantwoordelijkheden op zijn schouders. Bovendien is hij een mannelijke man – ook al gedraagt hij zich nooit als een macho – dus gedroeg hij zich tegenover mij altijd heel beschermend. Hij schermde me af voor al die onzin die op ons afkwam – en ook dat zorgde voor extra druk. Hij zei altijd dat hij meer vrije tijd wilde, maar we waren bijna nooit thuis.

In februari 1978 kwam Plastic Letters uit in Europa. We gingen naar Londen voor een optreden in Top of the Pops, het grootste muziekprogramma op de Britse tv, en speelden er onze eerste single, ‘Denis’. Het was een nummer waar ik altijd dol op was geweest. Chris en ik hadden het ontdekt op één van de K-Tel-verzamelalbums. Het was van een groep uit Queens, Randy and the Rainbows, die er aan het begin van de jaren 60 een hit mee hadden gehad. Hun versie heette ‘Denise’, maar ik liet de ‘e’ vallen om haar in een Fransman te veranderen en zong twee coupletten in het Frans. ‘Denis’ schoot naar nummer twee in de Britse hitlijsten en bezorgde ons een echte doorbraak in Europa. Onze tweede single, ‘Presence, Dear’, een nummer van Gary Valentine, haalde ook de top tien in Groot-Brittannië, net als de plaat zelf.

Scheldkanonnade

David Bowie heeft de muziekindustrie ooit een psychiatrische instelling genoemd: je mocht er alleen uit om iets te promoten of een nieuwe plaat te maken – en hup, daarna ging je er weer in. Dat klopt volgens mij wel zo’n beetje. In de zomer van 1978, vier maanden nadat ons tweede album was uitgekomen, mochten we eindelijk even ophouden met toeren – om onze derde plaat te gaan maken. Chris en ik waren nog steeds dakloos. Ik geloof dat we toen in zo’n saai New Yorks appartementenhotel pal achter Penn Station zijn ingetrokken, waar ik een verschrikkelijk gevoel van ontworteling en tijdelijkheid kreeg.

Voor de nieuwe plaat, Parallel Lines, werkten we in een highbudgetstudio met een highbudgetproducer, Mike Chapman. Voor het eerst hadden we het idee dat de platenmaatschappij in ons geloofde en het de moeite waard vond om geld aan ons te besteden. Mike had in de jaren 70 de ene glamrockhit na de andere geproducet voor acts als The Sweet en Suzi Quatro. Dus we waren allemaal heel enthousiast dat we met hem mochten werken. Mike had een hoop branie. Hij zag er erg Hollywood-achtig uit, met zijn vliegenierszonnebril en zijn lange witte sigarettenpijpje, maar hij had de ware rock-’n-rollgeest. Hij zag wat erin zat en kreeg dat te pakken. Mike was de ultieme perfectionist en dus nogal een slavendrijver, maar tegelijkertijd was hij ook uiterst geduldig met ons. Hij was gewend om met ongeschoolde muzikanten te werken en wist het beste in hen naar boven te halen. Dat betekende vaak dat wij de ene take na de andere moesten overdoen, duizenden of miljoenen keren opnieuw. Of zo leek het. Mike kon een dictator zijn – dat zei hij zelf ook altijd – maar hij was lief, heel vrolijk. En het album klonk geweldig.

Natuurlijk was de platenmaatschappij niet tevreden. Toen Mike het album aan hen liet horen, zeiden ze dat ze er geen hits in hoorden. O nee? Enkele van onze bekendste nummers staan op die plaat: ‘One Way or Another’ bijvoorbeeld. ‘Sunday Girl’, dat Chris had geschreven. ‘Pretty Baby’, dat Chris en ik over Brooke Shields hadden geschreven. En natuurlijk ‘Hanging on the Telephone’, een nummer dat oorspronkelijk van The Nerves was, een band uit L.A.: we draaiden het achter in een taxi in Tokio en de chauffeur, die geen woord Engels sprak, begon meteen mee te trommelen op zijn stuur. Chris en ik keken elkaar aan en we dachten: oké, deze man wordt erdoor gegrepen terwijl hij geen flauw idee heeft waar het over gaat, hij reageert gewoon op het nummer. Dat moeten wij brengen.

En dan was er nog ‘Heart of Glass’. Dat kwam pas later in de opnameperiode, toen Mike vroeg: ‘Hebben jullie nog iets anders?’ Het was een oud nummer van onszelf, dat we op een vroege demo hadden opgenomen als ‘The Disco Song’. De demoversie had een funky, Amerikaanse sound, de nieuwe versie klonk veel meer elektro en Europees. Chris begon een beetje met zijn drummachine te spelen en kreeg dat tok-tikka-tikka-tok eruit. Hij plugde zijn zwarte doosje in de synthesizer en ze maakten er de basistrack van. Voor Chris en mij klonk het als Kraftwerk, een groep waar we allebei gek op waren. Het was disco, maar tegelijkertijd ook niet. Recensenten hadden een hekel aan disco; het blad Punk had net een hele scheldkanonnade gepubliceerd tegen het genre en de mensen die daarvan hielden. ‘Heart of Glass’ lag dan ook slecht bij veel recensenten, maar, zoals Chris graag zei: de song maakte ons punk tegenover de punk.

Parallel Lines kwam uit in september 1978 en was ons tweede album van dat jaar. Terwijl wij weer door Europa toerden, steeg de plaat in de hitlijsten in verschillende Europese landen en in Australië: single ‘Hanging on the Telephone’ bereikte bovendien de top vijf in het Verenigd Koninkrijk. Maar in de VS deed het nummer helemaal niets, het haalde niet eens de onderste regionen van de top honderd. Hoe blij we ook waren dat al ons harde werken resultaat opleverde, het was bepaald teleurstellend dat we in ons thuisland geen hit konden scoren. Begin 1979 zagen we echter, terwijl we aan de Amerikaanse tournee bezig waren, dat ‘Heart of Glass’ op de Amerikaanse hitlijsten was binnengekomen. En langzaam maar zeker bleef de plaat stijgen. Halverwege de tournee vlogen we naar Milaan voor een tv-optreden. We logeerden in zo’n ouderwetse, typisch Italiaanse tent, vol donker hout en fluweel, en daar kregen we een telefoontje. Het was Mike Chapman. ‘Ik zit in de bar,’ zei hij. ‘Kom naar beneden.’ Dus gingen we naar de bar, terwijl we ons afvroegen wat hij in Italië deed, en hij verwelkomde ons met een fles champagne. Zo hoorden we dat ‘Heart of Glass’ in de VS op nummer één stond.

Mike verwoordde het mooi in een interview met Rolling Stone over Parallel Lines: ‘Als je in de muziek gaat, moet je hits maken. Als je geen hits kunt maken, dan moet je opzouten en ergens vlees gaan snijden.’ Zo is het, Mike. Geen vlees verpakken voor ons...

© Humo

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234