Vrijdag 24/05/2019

Interview

"Na de dood van mijn man had ik verdriet moeten voelen. Maar het was woede"

'Mijn rouw viel samen met een periode waarin iedereen de weg kwijt was. En nog steeds kwijt is. De brexit, Trump, #MeToo.' Beeld Eleonora Agostini

Na het overlijden van haar echtgenoot kwam schrijver Lisa Appignanesi (72) terecht in een neerwaartse spiraal van overweldigende rouw en woede. Hoe komt het dat we reageren zoals we reageren, als we geconfronteerd worden met een onbegrijpelijk groot verlies, zo vroeg ze zich af.

Een van de sterkste emoties die Lisa Appignanesi voelde na de dood van haar man was woede. Kwaadheid op hem omdat hij was gestorven. Boosheid omdat zij hier nog was. En dan die verschroeiende woede tegenover anderen.

Ze zocht naar de instinctieve oorzaak van haar gekmakende verdriet en ontdekte een link met het huidige politieke landschap. De idealisering van een verleden dat was verdwenen en dat nooit meer zou terugkomen. In haar boek
Alledaagse waanzin legt Appignanesi haar gemoedstoestand onder de loep en verbindt ze haar gevoelens met de universele beleving van rouw, woede, verlies en liefde in onze samenleving.

Wie is Lisa Appignanesi?

- Britse auteur en historicus
- geboren als Elżbieta Borensztejn op 4 januari 1946 in 
Łódź, Polen
- was eerder getrouwd met de Canadese schrijver Richard Appignanesi
- schreef samen met haar tweede man, de in 2015 overleden John Forrester, de klassieker Freud’s Women (1992)
- haar boeken
Gek, slecht en droevig (2009), Alles over de liefde (2011) en Een zaak van liefde (2016) waren internationale bestsellers

Een deel van de schok kwam voort uit de pure lichamelijkheid van de dood. Er was niets denkbeeldigs aan.
(uit ‘Alledaagse waanzin’)

“John stierf in 2015. Bijna drie jaar geleden nu. Wij waren 32 jaar samen geweest. Het was geen spectaculaire dood; hij was twee jaar daarvoor ziek geworden maar de nieuwe behandeling bleek aan te slaan. Ik had het dus ondanks alles niet zien aankomen, was er niet op voorbereid. Niemand van ons. Hij zag er ook helemaal niet ziek uit, dat maakte het zo onwerkelijk. John was 67. Zijn dood rook vreemd. Naar as en verrotting. Een lijf dat verteerd was door kanker en de chemicaliën die het beter hoorden te maken.

“Een dood lichaam is koud, als van steen. Maar in ons hoofd blijft het net zo driedimensionaal als het altijd was. Voor lange tijd, misschien zelfs voor altijd. Het leek alsof de tijd implodeerde.

“Toen mijn vader overleed, keek ik met wantrouwen naar mijn moeder. Ze huilde niet. Nu begrijp ik dat iedereen op een andere manier reageert. In tegenstelling tot mijn moeders verdriet leek het mijne op dat van de Maenaden, de volgelingen van de wijngod Bacchus die hun haren uittrokken en raasden. Het leek in geen enkel opzicht op de opgeschoonde rouw die je ziet in onze westerse samenleving.”

Je wezen was volkomen verweven met die ander. En nu zijn die jij en die ander allebei verdwenen. De ik die spreekt, net als de ik die dit verhaal vertelt, is niet meer helemaal betrouwbaar.

“Ik mis de conversaties het meest. Het praten over de kleine dingen. Hij was diegene die me met mijn voeten op de grond hield, met wie ik over alles kon praten. Ik vertelde wie ik had gezien, wat ik had geschreven. Het feit alleen al dat je het kúnt vertellen, betekent dat je bestaat. Omdat iemand je ziet, en aandacht aan je besteedt. De persoon met wie je dag in, dag uit leeft is een onderdeel van jezelf geworden. Is diep in jezelf verankerd. De dood rukt je uit elkaar. Je voelt woede, pijn en lijden omdat er een stuk van je is verdwenen. Maar in je herinnering is het er nog steeds. Dat maakt je zwak en kwetsbaar. Je bent als het ware een kind dat alle zwaarte op zich moet nemen.

“Sommigen zeggen dat het na een jaar iets beter gaat. Ik kon enkel vaststellen dat ik niet compleet gek was geworden. Maar daarom was ik nog niet noodzakelijk weer heel. Dag na dag moet je proberen alle stukjes te integreren die je nodig hebt om weer een volwaardig mens te worden. Om een evenwicht te vinden met wat is weggehaald.
 Of ik ooit weer heel kan worden? Ik denk het wel. Maar op een andere manier.”

‘Dat is het enige waar je voor deugt,’ hoor ik hem brullen. ‘Stront opruimen.’

“Na zijn dood had ik verdriet en medelijden moeten voelen. Maar in plaats daarvan overheerste de woede. Misschien had het te maken met zijn laatste woorden. Hij had een ‘ongelukje’ gehad in de badkamer. Ik besef dat zijn woorden werden ingegeven door de medicatie, door de koorts. Maar ik kon ze niet van me afzetten en ze bleven maar door mijn hoofd razen. Dag en nacht. Een stem die oordeelt en straft. Ik was goed om stront op te ruimen. Zo dacht hij over me. Hoe hij op het einde van zijn leven was, overschaduwde plots alles wat voorafging.

“Ik wou dat ik een romantisch verhaal had kunnen schrijven. Dat heb ik ook wel gedaan, maar niet uitsluitend. Ik voel me vaak schuldig dat het niet mooier te verwoorden was.”

Superstitie, oftewel bijgeloof, komt van het Latijnse ‘boven’ + ‘staan’. Iets of iemand staat boven ons, iemand die we vrezen of die ons misschien wel geluk brengt. Of die, in de zin van bewaking, ons zowel bescherming biedt als angst inboezemt.

“Een van de dingen waarover ik praat in het boek is bijgeloof. In bijgeloof neemt alles een betekenis aan: een object, een stem, katten op straat. Alles voedt bijgeloof. We denken dat de dode ons gadeslaat. Dat hij of zij een oordeel over ons velt. In rouwen schuilt dus een ethisch dilemma. Je wilt eer betonen aan de overledene, maar tegelijk ook aan de kracht van het leven. Het feit dat jij hier nog bent, impliceert dat je verder hoort te leven. Die twee realiteiten zijn niet compatibel.

“Rouwen is niet enkel het verleden herinneren. Je moet je ook de toekomst leren herinneren. Die toekomst was er, voor John stierf. Daarna was die weg. Door na te denken over wat die toekomst ooit was, kun je herinneringen oproepen die je kunt meenemen. Want je moet vooruit. Ook al zou je enkel de beste momenten in je leven willen blijven herbeleven.

“Dat thema is al terug te vinden bij de klassieken. Orpheus probeert Eurydice terug te halen uit de onderwereld. En dat is wat je wilt doen. Je wilt diegene terughalen die je bent verloren. In een geïdealiseerde vorm. Orpheus kan haar niet terughalen en dat verscheurt hem. Je kunt niets doen als iemand sterft. Je bent machteloos. Het is onoverkomelijk.”

Ik kon niet lezen, zeker geen fictie. De namen en beslommeringen van personages ontglipten me weer zodra ik het einde van een bladzijde had bereikt, en soms zelfs al aan het einde van een zin. Als ik begon aan een boek dat ik wilde of moest lezen, kwam ik er nooit doorheen. Ik had gewoon geen zin in eindes.

“Toen John stierf, kon ik niet meer lezen. Geen enkel boek ging over mij. Wanneer je in een staat van rouw verkeert, is het soms verbazend te zien wat je aanspreekt en wat niet. Gedichten werden ineens heel toegankelijk. Aan zelfhulpboeken had ik niets. Daarom geef ik in mijn boek ook geen raad. Ik nodig mensen alleen uit om na te denken, om te mediteren over verdriet. Pas al schrijvend heb ik ontdekt dat ik vooral onmacht voelde om met de dood om te gaan.

“Mijn boek is één ervaring van rouw, geschreven door één vrouw, op één bepaald moment in haar leven. Het enige wat ik over die vrouw kan vertellen is dat ze weet waarover ze praat. Het is een brutaal, eerlijk boek in een poging om mijn emoties te analyseren. Zo rauw, dat ik al meerdere malen mijn excuses aangeboden heb aan mijn kinderen.”

Ophelia’s zenuwinzinking, haar verwarde monoloog en zelfmoord na de moord op Polonius; zelfs Gertrudes veel te vroege sprong in het bed van een andere man komen allemaal voort uit de geselingen van de dood en de verwarring die rouw teweegbrengt.

“Je rouwt afhankelijk van hoe de dood zich manifesteerde. Afhankelijk van je relatie met de overledene. De dood van John was een heel gewone dood en in één zin samen te vatten: Echtgenoot voor 32 jaar sterft in ziekenhuis. Het is niet het soort gebeurtenis waar je het woord trauma voor zou gebruiken. Of een andere grote term. En ja, ik besef dat ik het minimaliseer. Maar je bent verplicht de gebeurtenissen kleiner te maken. Maak je ze te groot, dan ga je eraan ten onder.

“Ik heb aan zelfmoord gedacht, ja. Absoluut. Maar niet bewust. Ik liep de hele tijd tegen dingen aan, viel omver of werd ziek. Mijn lichaam verzette zich. Niet mijn hoofd. Ik ben een zeer verantwoordelijke vrouw. Ik heb kinderen en moest hen steunen. Dus ik dacht niet bewust na over zelfmoord. Maar het is voor iedereen anders. En ieders waarheid is de juiste.

“Met het schrijven van dit boek probeerde ik mijn rusteloosheid te onderzoeken, mijn afwezigheid, vooringenomenheid en kwaadheid toen John stierf. Al die emoties leken op de verschillende stadia van waanzin. Iets waar iedereen die rouwt doorheen moet, maar waar zelden over wordt gepraat. Persoonlijke gevoelens zijn beschamend. We mogen ons enkel concentreren op de dode. Op het herdenken. Er wordt zelfbeheersing verwacht. En verheerlijking. Maar wat we niet weten of niet willen weten, is wat er schuilgaat in het hart van de achterblijvers.

“Rouwen is een reis door een onderwereld van emoties. Je raast tegen het onbekende. Vaak vanuit angst. Dat zie je ook in onze huidige samenleving, waar zoveel op het spel staat. Kwaadheid is vaak een reactie op angst of dreiging of kwetsbaarheid. Of je rent weg, of je wordt boos.”

Ons lichaam doet ertoe. Het verankert ons in de tijd. Het zet ons met beide benen op de grond. Het gaat dood. Zonder lichaam zijn we onze primaire begrenzing kwijt.

“Mijn rouw viel samen met een periode waarin iedereen de weg kwijt was. En nog steeds kwijt is. De brexit, Trump, #MeToo. Mensen zijn boos en uiten hun woede op sociale media. Reageren hun onmacht af op elkaar. Online lijken mensen geen grenzen meer te kennen, en dat komt, denk ik, omdat iedere lichamelijkheid in de virtuele wereld wegvalt. Op het internet winden we ons veel meer op dan we zouden doen mochten we samen met elkaar in een kamer een gesprek voeren. Ik zie daarin een link met rouwen en de alledaagse waanzin die daarmee gepaard gaat. Mijn eigen hulpeloosheid vindt een weerklank in de stemmen die dwars door elkaar heen praten, die razen, tieren en gal spuwen. Angst neemt alle rede over.”

Maar in één opzicht hebben ouderen altijd meer verloren dan jongeren. Ze zijn hun jeugd kwijt, en daarmee het vertrouwen in hun zintuigen, die mogelijk niet meer goed werken. Hun toekomst verdwijnt in vliegende vaart. De tijd gaat steeds sneller. Het verleden lijkt veel langer. Maar het is voorbij, ook al staat het je soms levendiger voor de geest dan het heden. Wat kun je anders dan ‘razen tegen het sterven van het licht’?

“Hoe het nu met me gaat? Veel beter. Het zal nooit overgaan, maar het gaat. Jij bent veel jonger dan ik. Je hebt nog een toekomst voor je die ik niet meer zal meemaken. En dat is prachtig. Zoek mensen die je zien zoals je werkelijk bent. Voor mij ligt het anders. Ik ben 72 jaar. Ik heb het gehad met relaties. Ik ben geen jonge vrouw meer en ik denk niet dat ik ooit nog aan iemand zal kunnen wennen. Want er is niet genoeg toekomst meer. Verliefdheid impliceert een verlangen naar de toekomst. Ik heb dat niet meer. Maar dat is prima.

“Mijn grootste plezier zijn mijn kleinkinderen. Omdat ze spelen. Spelen is tijdloos. Het bestaat op zichzelf, heeft zijn eigen universum, zijn eigen regels. Spelen kent geen dood.”

Lisa Appignanesi, 'Alledaagse waanzin. Over rouw, woede, verdriet en liefde', De Bezige Bij, 304 p., 22,99 euro. Vertaald door Lette Vos. Beeld RV
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.