Zaterdag 20/07/2019

Interview Boeken

Murakami-vertaler Luk Van Haute : ‘De Japanner die zich doodwerkt? Een fabeltje!’

1 mei 2019: dikke ambiance in nachtclub Maharaja in Tokio, waar het aantreden van de nieuwe keizer Naruhito wordt gevierd. Beeld Kyodo News via Getty Images

Met de Zomerspelen van Tokio 2020 op komst, gaat de aandacht voor Japan flink crescendo. Japanoloog Luk Van Haute, die al 35 jaar naar het land reist, neemt een voorschot. ‘Japanners zijn helemaal niet ondoorgrondelijk.’

“Ik had makkelijk een boek kunnen schrijven over de dolle avonturen van Luk in Japan. Dat heb ik niet gedaan”, grinnikt Van Haute. “Ik heb zelfs niet geschreven over die keer toen Arnold Schwarzenegger Total Recall kwam voorstellen in Tokio en ik mee het podium op moest.”

Toch wilde Van Haute – bekend als literair vertaler van Haruki Murakami en Nobelprijswinnaar Kenzaburo Oë – eindelijk zijn ervaringen neerpennen over zijn talloze verblijven in Japan. Om een paar stevige puntjes op de i te zetten. In Japan. Schetsen uit het leven kijkt hij eerder met een sociologische blik naar het land, al is er zeker ook ruimte voor anekdotiek en los uit de pols geschreven, soms al te freewheelende waarnemingen. “Ik hoed me vooral voor pasklare conclusies. De Japanse cultuur is even divers als de Japanse keuken. Japan is véél meer dan het land van sushi, anime, hightechtoiletten en geisha’s.”

Sinds de jaren tachtig geldt Van Haute als een eersterangsgetuige van het land van de rijzende zon. Hij studeerde en werkte er tussen 1986 en 1992 en bleef er nadien rondsnuisteren. En leerde er zijn vrouw Tomoko kennen.

Ik spreek hem tijdens een gestolen uur tijdens een examensurveillance aan de Gentse universiteit, waar hij soms inspringt als docent. “Japan is hip bij jongeren”, merkt hij. “Als ik aan studenten vraag waarom ze zo graag Japans willen studeren, antwoorden ze: ‘Door het lezen van manga’s, natuurlijk!’”

Vijfendertig jaar geleden trok u voor het eerst naar Japan. Hoe ontstond uw fascinatie?

“Mensen vragen me dat dikwijls. Maar ik wàs helemaal niet gefascineerd door het land. Ik was geïnteresseerd in taal en literatuur. Toen ik met een boezemvriend het lijstje mogelijke universiteitsstudies overliep, wilden we vooral iets speciaals. Het was moeilijk kiezen tussen het Swahili of het Japans (lacht). Het is Japans geworden. Maar toen ik er eenmaal was beland, heeft het land mij nooit meer losgelaten.”

‘The Japan Foundation’ speelde daar een grote rol in. Al moest u wel de kakkerlakken in het studentenhuis voor lief nemen.

“Daar was geen ontkomen aan (lacht). Naar Japan gaan én er wonen was destijds erg duur. Dankzij beurzen van onder meer ‘The Japan Foundation’ lukte het me toch. Bovendien was het voor een blanke westerling vrij makkelijk om Engelse bijles te geven en een centje bij te verdienen, zelfs als je geen native speaker was.

“Voor vrouwen lag er een andere mogelijkheid open om geld te sprokkelen. Ze konden ‘hostess’ worden. Daar was veel vraag naar. Nee, het was geen prostitutie. Ze moesten opdraven als gezelschapsdame voor Japanse mannen: hun sigaretten aansteken, drank bijschenken en wat lachen met hun flauwe moppen…. Hooguit moesten ze eens een hand op hun dij dulden. Ik kende meerdere vrouwen die dat deden. Maar toegegeven, soms kwamen ze niet ongeschonden uit dat wereldje.”

U kwam in Tokio terecht in een economisch erg florissante periode.

“Ja, de zeepbeleconomie draaide op volle toeren, Japan leek één groot pretpark. Er was een enorme vastgoedspeculatie aan de gang. Rijken kon eigendommen en gebouwen kopen à volonté. En doorverkopen. Tot die bubbel barstte, begin jaren negentig. Toen ging het snel bergaf, zowel voor de superrijken als voor de brave kantoorslaven.”

Sinds de ‘bubbel’ staat het protectionisme onder druk, schrijft u, en kwam de ‘kokusaika’, de internationalisering, volop op gang.

“Vanuit Amerika kwam er destijds al druk van ondernemer Donald Trump over Japan en over hun oneerlijke handelsbalans. Japan werd aangemaand om zijn markten weer open te stellen voor buitenlandse producten. Dat protectionisme ging heel ver. Men weigerde een tijdlang rijst in te voeren, zogezegd omdat die niet geschikt was voor de tere Japanse magen en darmstelsels. Of geen Franse ski’s. Want was de Japanse sneeuw niet uniek en anders dan die in de Alpen? ‘Kokusaika’ betekende ook dat Japan zijn culturele uitingen moest uitdragen.”

‘Eigenaardig, speciaal, anders, uniek’: dat hoor je steeds weer over Japan. Maar u hamert erop dat westerlingen vaak in grove veralgemeningen over Japanners spreken. Wanneer raakte dat beeld van Japan zo vastgeroest?

“Heel veel buitenlandse bezoekers schreven sinds eind negentiende eeuw vanuit een summiere kennis van het land én na een kortstondig bezoek. Nieuwkomers waren overweldigd door indrukken: verwondering, fascinatie en soms walging. Verder ging het vaak niet. En vrijwel elke auteur trapte in die val, op mensen als Ian Buruma na. Daar erger ik me aan. Vreemd genoeg wordt dat beeld ook bestendigd door Japan zelf, vanuit de heersende ideologie. Nationalistische strekkingen in Japan komt het prima uit dat westerlingen Japan als ondoorgrondelijk en mysterieus beschrijven. Films als The Last Samoerai of Memoirs of a Geisha droegen daar natuurlijk toe bij. Tegelijk schudden ze in Japan dan meewarig het hoofd: ach, die westerlingen hebben er weer niks van begrepen. (lacht)

‘Met een losgeslagen rockgroep ben ik in Japan eens verzeild geraakt in een plundering van een 7-Eleven-warenhuis.’ Beeld Stefaan Temmerman

Kortom, als toerist willen we liever verrast worden door het exotische en het excentrieke van Japan dan te gaan kijken hoe het er écht aan toe gaat?

“Toeristen zoeken actief naar die rare uitwassen: mensen die mossen bestuderen natuurfreaks of geflipte tv-sterren. Ze bestáán. Maar er wordt nooit bij gezegd hoe weinig representatief ze zijn. Ze zijn slechts een marginaal verschijnsel. Het doet me denken aan die reportages van Paul Jambers van weleer. Hij kreeg toen ook de kritiek dat hij enkel rare vogels opvoerde. Wél, dat gebeurt ook in Japan.”

U verzeilde in uiteenlopende milieus, als tolk, verslaggever, journalist en zelfs werknemer bij een filmproductiemaatschappij. Logisch dat uw beeld genuanceerder is.

“Zeker, hoe meer petjes je opzet, hoe beter je een samenleving leert doorgronden. Ik kwam terecht in de hoogste sociale rangen, bij een man met een ring van vijftien miljoen dollar aan zijn vinger, maar ook bij het schorremorrie en de alternatieve muziekscène. Tot ik zelfs een keer in een plundering van een 7-Elevenwarenhuis verzeilde met een losgeslagen rockgroep. Ook geografisch heb ik geprobeerd alle uithoeken te verkennen, tot het eiland Okinawa toe. Zo viel me op dat de tegenstellingen tussen Osaka en Tokio vaak worden verdonkeremaand.”

“Tegen de groepsgeest ingaan blijft niet ongestraft, volg de pijlen in de juiste volgorde als je leven je lief is”, schrijft u. Hoe overheersend is die Japanse groepsdruk?

“Als er een welomschreven regel is, zijn Japanners geneigd die te volgen, op voorwaarde dat ze er het nut van inzien Groepsdwang heeft ook positieve gevolgen: kijk maar naar het vlotte in- en uitstappen in de metro én hoe ze netjes gaan telefoneren in de tussenstukken van de trein. Tegelijk is er regelneverij die leidt tot verstarring. Als er iets buiten het draaiboek valt, slaan Japanners tilt. Improviseren is er niet bij. Soms houden ze zo star aan de regels vast dat ze regelrecht absurd gedrag gaan vertonen. Probeer in Japan op restaurant maar eens iets te bestellen dat lichtjes van het menu afwijkt. Meestal is dat gewoonweg onmogelijk.”

Toch, zo beklemtoont u, zijn Japanners ook behoorlijke einzelgängers.

“Na de tsunami en de ramp in Fukushima werd bij ons vaak de loftrompet afgestoken over de solidariteit onder Japanners. Geloof dat maar niet. Toen duidelijk werd dat die straling niet tot in Tokio zou reiken, kon het hen in de hoofdstad allemaal geen fluit meer schelen. Het gevoel dat ‘wij allemaal Japanners zijn’ is vaak een vernislaagje. Enigszins zoals Belgen plots allemaal gaan supporteren voor de Rode Duivels bij mooie resultaten. Japanners zijn veel individualistischer en onderling verdeeld dan we denken. Kijk ook maar naar de personages van Murakami, waarmee veel Japanners zich identificeren. ”

Het cliché van de Japanner die zich bijna doodwerkt, blijft dat nog overeind?

“Ook dat is een fabeltje dat langzaam uitdooft. Kijk, het systeem werkt aan twee kanten. Als je toegewijd bent aan je bedrijf, dan zorgt de firma voor jou en je familie, tot aan je dood. Maar bij kleine bedrijven gaat de theorie van levenslange tewerkstelling al helemaal niet meer op. Ook in Japan worden vijftigers ontslagen bij herstructureringen. En jongeren doen veel meer aan jobhopping. Ze hebben professioneel een heel ander eisenpakket en verwachtingspatroon dan hun ouders.”

Japan is hot in het buitenland, zei u al. Op allerlei manieren wakkert Japan de toestroom van toeristen aan. Maar er ontstaat ook wrevel?

“Kijk, de crisis sleept al dertig jaar aan en er komt maar geen echte verbetering. Met traditionele economische recepten komen ze er niet uit. Dus is toerisme een oplossing, met dit jaar 30 miljoen bezoekers en volgend jaar mikken ze zelfs op 40 miljoen. Op bepaalde plekken in Kyoto is de vloed aan toeristen niet meer te stelpen, net zoals in Barcelona en Amsterdam. De weerstand groeit. Maar ze hebben de inkomsten nodig, dus blijven ze doorgaans hoffelijk tegenover toeristen. Terwijl buitenlandse arbeiders veel minder gastvrij en soms ronduit vijandig worden onthaald.”

Opmerkelijk hoe u ook de rol van religie in de samenleving nuanceert?

“Als we over Japanners en geloof spreken, dan denken we meteen aan het shintoïsme of het zenboeddhisme. Maar het ligt nét iets ingewikkelder. Religie is tegenwoordig voor de meeste Japanners nog slechts puur ritueel. Het gebeurt dat je trouwt volgens een shintoïstisch ritueel en dat je begraven wordt als boeddhist. Religieus shoppen is er vrij normaal. Daarnaast heb je heel wat sekten. Met de Aum-sekte – die in 1995 een aanslag met gifgas pleegde op de metro in Tokio – werd duidelijk welk gevaar ze vormden.”

Toch staat Japan te boek als een behoorlijk veilige samenleving.

“Ik heb me er persoonlijk nooit onveilig gevoeld. Al is dat relatief. Je hoort vaak: als vrouw zal je niets overkomen als je om drie uur ’s nachts door een park in Tokio wandelt. Nochtans hebben alle Japanse vrouwen die ik ken vormen van seksueel grensoverschrijdend gedrag meegemaakt. In parken, op treinen... noem maar op. Maar er wordt weinig aangifte gedaan. En als het al gebeurt, dan blijft het vaak zonder gevolg.

“Zo waren er een paar ophefmakende #MeToo-zaken van vrouwen die hooggeplaatsten aanklaagden. Ze hadden het erg moeilijk om geloofd te worden. Inzake vrouwenemancipatie loopt Japan ferm achter. Voor mijn echtgenote Tomoko was het zelfs een van de redenen om Japan te verlaten. Ze had het moeilijk met de onaangename manier waarop vrouwen in haar bedrijf werden behandeld.”

Nog iets wat veel verbazing wekt: de tweespalt tussen de toenemende aseksualiteit van jonge Japanners en tegelijk die overseksualisering waar voor elk exces een uitweg bestaat.

“Dat fluctueert nogal. In de ene eeuw mocht alles, ook in de prentkunst. Penissen in erectie? Geen probleem. Een eeuw later was dat weer verboden. En dat gaat zo de hele tijd op en neer. In de jaren tachtig mochten er, ondanks alle beschikbare porno, geen geslachtsdelen worden afgebeeld. Ook niet in stripverhalen, dat werd wazig gemaakt. De goorste verkrachtingen tonen, dat kon wel. Maar in een kunstfoto een geslachtsdeel in beeld, ho maar!”

U schrijft ook uitgebreid over de maatschappelijke naweeën van de aardbeving in Kobe in 1995, verantwoordelijk voor vijfduizend doden, en Fukushima?

“Aardbevingen, daar is men in Japan enigszins aan gewend. Maar bij Kobe en de tsunami in Fukushima kwam later ook nog een grote psychologische naschok. Het besef dat veel gebouwen niet aardbevingsbestendig bleken, zorgde voor een vertrouwensbreuk met de overheid. Bouwvoorschriften werden niet gevolgd, aannemers hadden gesjoemeld. Ze bouwden de eerste twee verdiepingen volgens de voorschriften, maar gingen daarna met minderwaardig materiaal aan de slag. Ook bij Fukushima bleken de kerncentrales niet schokbestendig. Mensen voelden zich voorgelogen. En dat gevoel overheerst nog steeds.”

Nu zijn er twee grote gebeurtenissen die de samenleving weer moeten verbinden: de officiële installatie van de nieuwe keizer én de Olympische Zomerspelen in Tokio in 2020. Wat brengt dat teweeg?

“Het aantreden van nieuwe keizer Naruhito zal weinig veranderen. De vorige troonswisseling van Hirohito naar Akihito was veel ingrijpender. Hirohito was een omstreden figuur en bovendien erg lang keizer. Nu ligt dat anders. Akihito’s regeertermijn was korter. En vader en zoon hebben ongeveer dezelfde ideeën en imago. Ze zijn zachtaardig en tonen aandacht voor de bevolking.”

“De Olympische Spelen lokken gemengdere gevoelens uit, al zullen ze minder impact hebben dan die van 1964. Die stonden toen symbool voor de Japanse economische wederopstanding. Nu wordt er buiten Tokio argwanend naar de Spelen gekeken. ‘Moeten we daar onze tijd en geld in stoppen?’, is de teneur. Verder blijft het onvoorstelbaar dat er bij de programmatie geen rekening werd gehouden met de moordende hitte. Ieder zinnig mens weet toch dat je hartje zomer in Tokio geen sport moet beoefenen?”

Luk Van Haute, ‘Japan. Schetsen uit het leven’, Lannoo, 320 p., 24,99 euro. Beeld rv
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
© 2019 MEDIALAAN nv - alle rechten voorbehouden