Woensdag 18/09/2019

Ultimas

Miriam Van hee in Museum Plantin-Moretus: "Mijn gedichten hebben het ritme van een walsje"

Dichter Miriam Van hee (links) wordt op sleeptouw genomen door Iris Kockelberg, directrice van het Museum Plantin-Moretus. Beeld Thomas Sweertvaegher

Een dichter kiest elk woord zorgvuldig, een drukker légt elk woord nauwkeurig. Door met Miriam Van hee (65) op bezoek te gaan in ­het Museum Plantin-Moretus, brachten we de twee samen. Over letterbakken, drukfietsen en de liefde voor vakmanschap. 

pinguïns

de jongen hebben nog dons op de borst

als ze toekijken hoe zich hun moeders

langzaam verwijderen, in de mist, als

hebben ze voetboeien om, hun tijd is

gekomen, zij moeten zich storten in zee,

de jongen zich redden alleen, wie heeft

hun geleerd om nooit de vorm uit het oog

te verliezen, zij zien naar het schijnt elkaar

niet terug, daar staan zij, de ijzige wind

blaast verzamelen, het is zaak voor de

sprong vrienden te vinden en je vraagt

je wel af wat ze voelen, heimwee

verlangen, maar het is dit, geen keuze

geen sneeuwpret maar voetboeien, dit

Behoedzaam wordt het metalen gedicht in tweevoud uit een grote witte envelop geschoven. Pinguïns, staat er boven, maar dan in spiegelbeeld. De piepkleine letters zijn één voor één op de teksthaak gezet, een rood touwtje houdt net als vroeger de boel samen. Het gedicht kan zo de drukpers op om met dikke inkt ingesmeerd te worden. Maar helaas, de drukker is ziek. Griep.

We zijn met Miriam Van hee, de Gentse dichter die de Ultima Letteren gewonnen heeft, op visite bij die andere laureaat: het Museum Plantin-Moretus, aan de Vrijdagmarkt in Antwerpen. De zon schijnt gul in het bureau van museum­directrice Iris Kockelbergh, in het hart van wat ooit de oude boekdrukkerij was en het woonhuis van de befaamde Plantijn-familie. Kockelbergh vertelt dat ze hard maar vergeefs ge­zocht heeft naar de allereerste pinguïn. Of liever: naar de alleroudste voorstelling van een pinguïn, die wilde ze graag tonen aan Van hee. “We hebben een ongelooflijk rijke collectie dieren uit de zestiende eeuw, zoals de allereerste neushoorn.” Had iemand toen ooit al een pinguïn gezien? “Jaja, de zeevaarders die Kaap de Goede Hoop passeerden.”

Kockelbergh leidt ons rond op de bovenste verdieping van het museum. We zien het allereerste verklarende woordenboek, originele letterstempels, de oude slaapkamer van de pater familias. De kamers zijn donker, de houten vloeren kraken. “In de nieuwe opstelling is de benedenverdieping een levendige ruimte waarin mensen centraal staan. Hierboven willen we tonen dat de impact van de drukker op de maatschappij enorm was.”

In de bibliotheek staan borstbeelden van schrijvers naast kasten met dikke boeken vol geschiedenis, wetenschap, religieuze of literaire teksten. Hier liggen de oudste manuscripten van het land. Som­mi­ge hebben witte rugbanden. “Tijdelijke en goedkope banden van kalfsleer”, vertelt Kockel­bergh. “Toen werden boeken zo verkocht. Je kon dan zelf kiezen hoe luxueus je ze wilde laten inbinden.”

Miriam Van hee en Iris Kockelberg in de binnentuin van het Museum Plantin-Moretus Beeld Thomas Sweertvaegher

Van hee tuurt naar een boek van dichter en typograaf Robert Bringhurst, die op zijn pagina’s speelt met Griekse letters, de taal van de indianen en kleuren. Ze stond er zelf niet zo bij stil, geeft Van hee toe, bij de manier waarop haar woorden op het blad gezet werden. “Tot mijn dochter, die bij een uitgever van kunstboeken werkt, me wees op lettertypes en insprong. Uiteindelijk is dat toch van belang.” Ze heeft het gevoel dat ze nu pas, na al die jaren, vrij is om keuzes zoals het kiezen van een coverfoto zelf te maken. “Ik was nog jong toen ik bij De Bezige Bij belandde. Ik was heel erg onder de indruk.”

Grote Nederlanders

Van hee is vertaler en doceerde tot haar pensioen slavistiek aan tolken en vertalers in Antwerpen. Haar literaire debuut in 1978 heette Het karige maal en ze won er de Oost-Vlaamse prijs voor Letterkunde mee.

“Ik had een paar uitgeverijen aangeschreven, maar enkel De Bezige Bij antwoordde. Ik herinner me dat ze me uitnodigden naar Amsterdam en dat ik werd opgewacht door twee grote Nederlanders. ‘Je moet consequent zijn’, zeiden ze en ze wezen me op allerlei technische dingen waar ik toen helemaal geen aandacht voor had, zoals interpunctie. Ik was zo onzeker.” 

Kockelbergh: “Ja, dat is de rol van de uitgever natuurlijk. Je ziet dat Plantin investeerde in zijn samenwerking met auteurs en illustratoren, dat ze veel samen­kwamen.” Van hee: “Op de trein terug naar Gent overviel me toen toch de moedeloosheid. Maar ik heb er zo ontzettend veel van geleerd en vandaag moeten ze nog weinig aan mijn gedichten veranderen. Uiteindelijk leer je je vak. En ik leg de lat hoog. Daarom schrijf ik niet zo veel. Ik heb maar acht of negen bundels uitgegeven.”

Voor die bundels werd Van hee wel al bekroond met een paar prijzen, zoals de Herman De Coninck­prijs voor Buitenland (2008). En nu de Ultima. Poëzie schenkt rust, scherpzinnigheid, bezinning en verbeelding, zo schrijft de jury, en in de laatste bundel van Van hee ‘zijn die giften rijkelijk aanwezig’. Ze wordt een behoedzame dichter genoemd, die met ogenschijnlijk particuliere impressies toch universele gevoelens uitdrukt.

Zelf omschrijft ze haar gedichten als sonnetvorm zonder rijm. “Ze liggen dicht bij muziek, met het ritme van het walsje. Het ritme ondersteunt wat ik wil zeggen. De cadans zit vaak eerst in mijn hoofd, dan komt een woord waaraan ik niet meteen had gedacht. Een woord met dezelfde betekenis, maar met een andere zegging. Want het is de manier waaróp je iets zegt die jou origineel maakt.”

Miriam Van hee en museumdirectrice Iris Kockelbergh. De dichter stond er vroeger niet zo bij stil hoe haar woorden op het blad gezet werden. Beeld Thomas Sweertvaegher

Ook het museum valt sinds de heropening in 2016 regelmatig in de prijzen. Zo werd het bekroond met de Henry van de Velde Award, die het won samen met Kastaar, een analoog drukkerscollectief uit Antwerpen, dat een originele campagne bedacht met mobiele drukfietsen en een frisse merchandisinglijn in de traditie van dit ­drukkershuis.

Een geschiedenisles: Christoffel Plantijn was een Fransman die zich in 1549 in Antwerpen vestigde en er een wereldwijd bekende drukkerij en uitgeverij oprichtte. Sommigen noemen hem de Steve Jobs van zijn tijd omdat hij eeuwenlang mee de cultuurgeschiedenis van West-Europa bepaalde.

Van de Spaanse koning Filips II mocht Plantijn 150 jaar lang alle bijbels voor Spaanstalige gebieden drukken. Abraham Ortelius publiceerde bij hem de allereerste atlas, de Vlaamse wiskundige Simon Stevin zette via Plantijn zijn decimale stelsel op papier. Na zijn dood nam schoonzoon Jan I Moretus het bedrijf over en de drukkerij werd een ontmoetingsplaats voor geleerden. Pas na driehonderd jaar, in 1876, verkocht de familie het pand met inboedel en archief aan de stad Antwerpen. Sinds 2005 is het erkend als Unesco-werelderfgoed. Als allereerste museum bovendien – de drukkerij uit de zestiende eeuw is uitzonderlijk goed bewaard.

‘Het museum’, zo schrijft de Ultima-jury, ‘worstelde met een moeilijke uitdaging: het complex was verouderd en uitgeleefd, maar hoe kun je ingrijpen in zo’n waardevolle historische site?’

Sommigen noemen Christoffel Plantijn de Steve Jobs van zijn tijd omdat hij eeuwenlang mee de cultuurgeschiedenis van West-Europa bepaalde. Beeld Thomas Sweertvaegher

“Het is inderdaad geen plek waar je zomaar even een nieuw kleurtje op de muren mag aanbrengen”, zegt Kockelbergh. En je mag geen honderd gaten in de muren boren. “Maar op de bovenverdieping hebben we ons geweerd tegen schermen en andere multimedia. Hier heerst een bijzondere sfeer.”

Die delicate evenwichtsoefening heeft het museum met glans doorstaan, vindt de jury. ‘De scenografische keuzes zijn zeer geslaagd. De vernieuwing van het hele museum spreekt een divers publiek aan en ook jongeren appreciëren een bezoek en onderdompeling in het historische verhaal.’ In dit museum worden thematische verhalen verteld met de link naar vandaag, terwijl ook het wetenschappelijke werk ernstig wordt genomen.

Ibis-hotel

Gefascineerd buigt Van hee zich over de kleurrijke wereldkaart van Ortelius. Eind zestiende eeuw verzamelde hij als eerste alle bekende kaarten en bundelde die in een boek, de eerste atlas dus. Van hee houdt van kaarten. “Ik kan uren naar kaarten kijken. Ik vind ook dat veel boeken gebaat zouden zijn met een kaart waarop je het verhaal kunt volgen, zodat je het beter voor je ziet. De titels van mijn gedichten zijn ook vaak plaatsnamen.”

De dichter schrijft veel over reizen en de natuur. “Ik vind weinig uit. Mijn gedichten beginnen heel concreet met iets wat ik gehoord of gezien heb, waarna ik begin te mijmeren. En in het buitenland nemen mijn zintuigen meer op. Dat gedicht pinguïns, dat heb ik eigenlijk bedacht in een banaal Ibis-hotel. Schrijven is voor mij een manier om te zoeken naar mijn plaats.”

Wat later voegt ze daaraan toe: “Op voorhand weet ik niet hoe een gedicht er gaat uitzien. Achteraf denk ik: tiens, dat is wat ik wilde zeggen.

“Al schrijvend heb ik zo al veel over mezelf geleerd. De poëzie heeft me gemaakt tot wie ik ben. Ik kan niet te snel tevreden zijn, ik moet het beste van mezelf geven. Het gevoel dat ik iets gemaakt heb, dat brengt geluk.” Ze wijst naar de drukwerken. “Ik denk dat alle mensen hier die voldoening kennen. Ooit zei ik in een interview dat ik niet kan leven van de poëzie. Maar eigenlijk klopt dat niet: de gedichten geven mijn leven veel waarde.”

De vraag is: kunnen dichters en drukkers de jonge generatie nog bekoren? En krijgen ze de aandacht die ze verdienen? Van hee is stellig: “Ik klaag niet.” Ze noemt de stadsdichters die poëzie aan stadsmuren en gevels aanbrengen, de vele poëziefestivals en de schrijfacademies. “Vroeger bestond dat allemaal niet. In mijn tijd waren er ook amper vrouwen, vandaag zie ik Maud Vanhauwaert, Delphine Lecompte en Els Moors, de nieuwe Dichter des Vaderlands. Alle drie schrijven ze een ander soort poëzie, maar hoe meer hoe liever.”

We zijn in de oude drukkerij beland, met de imposante drukpersen en de letterbakken. “Dit is toch een wereld die verdwenen is”, zucht Van hee. Helemaal niet, antwoordt Kockelbergh. “Jonge mensen zijn weer erg geïnteresseerd in oude druktechnieken. Er is een echte revival aan de gang met verschillende technieken en materialen. Het is zo’n persoonlijke manier van drukken.”  

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234