Donderdag 25/04/2019

Tommy Wieringa

“Mijn moeder heeft een onvergeeflijke stommiteit begaan”

Beeld Stefaan Temmerman

Naakt, niet langer beschermd door de fictie. Zo voelt de bekroonde Nederlandse auteur Tommy Wieringa zich, nu hij drie jaar na haar dood een intiem portret van zijn moeder brengt. “Ze is nu veel meer dan de vrouw van wie ik vaak last had.”

“Ik schrok echt toen ik het boek vorige week in handen kreeg. Angstig heb ik het zitten uitvlooien: wat staat er eigenlijk in? Ik was er misselijk van. Ik dacht: wat heb je nou gedaan? Ik vond het opeens zo’n gruwelijk intieme verzameling herinneringen. Tijdens het schrijven merkte ik dat niet. In de loop der tijd heb ik mijn moeder steeds verder van me af geschreven. De afstand van de dood was nodig om überhaupt over haar te kunnen schrijven.”

In Dit is mijn moeder borstelt Tommy Wieringa met meesterlijke hand het portret van een vrouw die het avontuurlijke leven verkoos boven de veiligheid van een gezin. Aan de hand van kleine taferelen geeft hij ons een inkijk in het hoofd van een vrouw die bruiste van tegenstrijdige verlangens, drie echtgenoten had en talloze minnaars, de wereld afreisde, haar heil zocht in astrologie en gebedsgenezers, een winkeltje runde van wierook en edelstenen en het ongerijmde hoog in het vaandel had. Het was een ontembaar wezen, onverschrokken, onstuimig, excentriek tot in de dood. En altijd op ramkoers met haar zoon, Tommy.

Wie is Tommy Wieringa?

• geboren in 1967 in Goor (Nederland)

• verhuist als hij 2 is met zijn ouders naar het eiland Aruba, waar zijn vader een lesopdracht heeft

• op zijn negende keert het gezin definitief naar Nederland terug

• op zijn twaalfde gaan zijn ouders uit elkaar, Tommy blijft bij zijn vader wonen

• studeert geschiedenis en journalistiek in Groningen en Utrecht

• zijn grote doorbraak komt er in 2005 met de roman Joe Speedboot

• wint in 2013 de Libris Literatuur Prijs voor Dit zijn de namen

• wint in 2018 de BookSpot Literatuurprijs voor De heilige Rita

• brengt nu in eigen beheer Dit is mijn moeder uit, een intimistisch portret van zijn moeder die in 2015 overleed

• columnist voor NRC Handelsblad

• getrouwd, twee kinderen 

“Dit portret bracht haar weer zo dichtbij dat ik een knoop in mijn maag kreeg”, zegt Tommy Wieringa, wanneer we hem spreken in zijn houten huis langs het kanaal in Watergang, boven Amsterdam. “Ik was er ziek van. Mijn angst was ook: ik ben nu naakt, ik ben niet langer beschermd door fictie, dit gaat écht over mijn moeder. Pas een dag later kon ik zien dat het goed was. Omdat het recht aan haar doet, in die zin dat het alle tegenstrijdigheden die in haar huisden, goed beschrijft.”

U noemt haar onvoorspelbaar, een Pippi Langkous, with a vengeance.

“Het was inderdaad een onmogelijk wezen om mee te leven. Zo was ze op een dag door een ruit gevallen. Ze had een slagaderlijke bloeding gehad en moest worden verpleegd. Ik had de eerste paar dagen dienst. Toen ik op een middag boven kwam, zat ze naakt in het raam te zonnen. Ik had broodjes gehaald met eiersalade. En dan zit je moeder daar, onverstoorbaar naakt. Wil je iets aantrekken, vroeg ik haar, voor de duur van het eten van dit broodje. ‘Waarom’, antwoordde ze, ‘ik hoef me toch nergens voor te schamen? Ik ben je moeder.’ Typisch haar.

“Ik was laatst op bezoek bij een vriend, Erik Jan Harmens (Nederlands dichter en schrijver, red.). Op z’n 47ste woont hij al in een bejaardenflat, wat hij heel fijn vindt. Hij leidt een prikkelarm bestaan. We hadden het over zijn gebroken huwelijk en zijn alcoholisme dat hij had afgezworen. Hij vertelde dat zijn dochter nu blij was dat hij voorspelbaar gedrag vertoonde. En dat vond ik zo fantastisch omdat het in al z’n eenvoud precies zegt wat een kind van zijn ouder verlangt: voorspelbaar gedrag. Dat wil ik mijn kinderen ook bieden, realiseerde ik me eens te meer. Moeilijk genoeg.”

‘Sinds ze dood is, leven we in vrede’, schrijft u. Is het geruzie dan eindelijk opgehouden?

“Ze is nu drie jaar dood, maar ik ben nog altijd in een voortdurende innerlijke dialoog met haar. Ook over wat ze van dit boek vindt. Met mijn andere doden heb ik dat niet. Maar tot haar verhoud ik me voortdurend.”

En wat vindt ze van uw portret?

“Ik denk dat ze er in elk geval mee had kunnen leven. Ik denk dat ze er vermoedelijk blij mee zou zijn geweest dat het ook een liefdevol portret geworden is. Maar ze zou tegelijk haar eeuwige klacht hebben geuit, namelijk dat ik haar niet zie zoals ze is, maar dat ik een projectie van haar heb gemaakt waarmee ze het oneens is. Ze vindt zichzelf edeler en zuiverder dan ik haar heb beschreven. Ze had een wonderlijk zelfbeeld, in die zin dat ze echt meende dat ze op de wereld was om de mensheid te redden. Ze had een soort priesterlijke bestemming, maar daar heb je als kind niet zoveel aan. Als kind wil je gewoon een coherente moeder. (lacht)

“Ze vindt dus dat ik haar geen recht doe. Maar ja, zoals ik ook schrijf: de doden zijn in handen van de levenden. Ze hebben niets meer over zichzelf te zeggen. Maar het vervelende is dus wel, ook al is ze dood, dat de confronterende tweespraak wel doorgaat. (
lacht) Daar had ik niet op gerekend. Ik had gehoopt dat ze nu eindelijk eens haar mond zou houden. Dat we inmiddels in vrede leven, is dus alweer achterhaald. (lacht)

Tommy Wieringa’s moeder als buitenissige moeder. Beeld Uit "Dit is mijn moeder"

“Achteraf gezien is het een tragisch gegeven dat we altijd, altijd, hetzij in oorlog hetzij in gewapende vrede geleefd hebben, nooit harmonieus of kalm. De reden dat mijn zusters wél vrede met mijn moeder kunnen hebben, is vermoedelijk dat ik toch wel vrij sterk op haar gelijk.”

In uw boek haalt u de dichteres Neeltje Maria Min aan. Na de dood van diens moeder schreef zij aan Menno Wigman: ‘Vergeet niet te treuren. Als je dat overslaat, blijft ze altijd overal met je mee naartoe willen.’ Hebt u dan niet getreurd om uw moeder?

“Kijk, ik heb tien jaar lang de kroniek van haar aangekondigde dood beleefd. Ik was op een gegeven moment blij dat ze dood was. Die tien jaar lange, voortdurende angst voor de dood van onze moeder was als een wolk die al die tijd boven ons leven hing. Ze had hier niet aan hoeven doodgaan. Mijn zussen hebben haar ‘gesteund’ in haar keuze, ik zeg dit ironisch omdat dit van dat lelijke Nieuw-Nederlands is, maar ik niet. Ik vond het alleen maar achterlijk van haar om een relatief eenvoudig te bestrijden kanker niet te laten behandelen en haar toevlucht te zoeken tot gebedsgenezers en andere charlatans. Ze had een kanker op haar tepel, de ziekte van Paget, die heel goed behandelbaar is. Ik vind dat een onvergeeflijke stommiteit van haar.”

Toch sluimert er in uw boek ook begrip voor haar irrationaliteit.

“Ik denk dat schrijven dat nu eenmaal doet, bij mij althans. Er zijn natuurlijk schrijvers in wie een soort radicale vernietiger ontbrandt tijdens het schrijven, maar ik word vaak genuanceerder. Mijn moeder is beter af als ik over haar schrijf. Ik geloof dat ik gaandeweg ook wel bewondering gekregen heb voor haar excentriciteit. Het vervelende was alleen dat daar ook een bepaald wereldbeeld aan gekoppeld was. Altijd en overal moest ze evangeliseren om dat wereldbeeld uit te dragen. Als niet iedereen zich daaraan conformeerde was ze niet tevreden. Ze omringde zich graag met gelijkgestemden, en neen, ik was niet een van hen.

“De reguliere medische wetenschap vond ze bedrog. Alles wat in de media verscheen: fake news. De waarheid zocht ze op het internet. Het is best vermoeiend om met iemand te leven die zo’n oppositioneel wereldbeeld heeft. We konden nooit eens gewoon praten, het minste mondde uit in een heftige discussie. En naarmate ze ouder werd sleurde ze de hele wereld mee in haar apocalyptisch denken.”

Ook al bleef onze verhouding tumultueus, er zijn ook bewijzen van liefde, schrijft u. Beschouwt u al dat gekibbel dan niet als een vorm van liefde?

“Jawel, het is een vorm van liefde, maar een destructieve. Want het is geboren uit conflict. En het was niet alleen gekibbel; in mijn vroege jeugd waren er ook gewapende confrontaties. Dat wil zeggen: ze haalde vaak uit. Op een gegeven moment is ze daarmee opgehouden omdat ik terugsloeg. Maar wij zijn erin geslaagd onze moordzucht, die in ons bloed zit, naar ons denken over te hevelen, zoals Emil Cioran (Roemeens-Frans filosoof, 1911-1995, red.) het zo mooi formuleert.

“Het blijft dus een vorm van geweld, en ja, daar kun je ook liefde in zien. Gewapende liefde. Maar goed, het was ook onze enige modus operandi. Als er geen andere mogelijkheid was, dan maar deze. Want anders had ik me van haar moeten afwenden en dat heb ik nooit gewild. Tot op haar sterfbed hebben we geruzied. De streken die ze postuum nog wilde leveren over haar graf heen, dat was niet mooi.”

Ondanks alles hebt u haar excentriciteit altijd te vuur en te zwaard verdedigd. Op uw elfde al, toen een schoolgenoot haar ‘een hekse’ noemde.

“Ik denk dat de vogels nog heel lang nestjes hebben gemaakt van al die rode haren op het schoolplein. (lacht) Ik had hem goed te pakken, ja. Ik mag alles zeggen over mijn moeder maar anderen moeten hun bek houden. Neen, dat was evident, tegenover iedereen, altijd zou ik haar in bescherming nemen.

“Toen ik een jaar of achttien was, had ik een groepje vrienden met wie ik in een soort symbiotische vriendschap leefde. We leken een zwerm ongepaarde eksters, van die troepjes mannetjes die geweldig veel lawaai maken en katten aanvallen. Tijdens een weekend stelde ik een spelletje voor: zullen we elkaars moeder eens beledigen? Ik begon heel vrolijk en was een uurtje gaande tot ik de stemming voelde omslaan. Mijn vriend Jochem zei: ‘Misschien moet je er maar mee ophouden, we vinden het niet zo grappig.’ Dat bracht een oerwet ter tafel, namelijk: van andermans moeder blijf je af.”

Hoe excentriek bent u eigenlijk zelf?

“Ik leid een (denkt even na) regelmatig en ordentelijk bestaan. Ik heb niet het gevoel dat er in mij enige excentriciteit schuilt. Neen. Ik ben niet excentriek. Voilà.”

‘De eeuwige vraag is: hoe te leven’, schrijft u. ‘Pijlen afschieten vanaf de rug van een paard of seizoenen aftellen vanachter dubbelglas?’ U woont achter dubbelglas.

(lacht) “Met een min of meer constante temperatuur in huis, ja. Ik heb heel lang gereisd, net als mijn moeder, maar sinds er kinderen zijn heb ik alle redenen om thuis te zijn. Qua buitenissigheid, qua rusteloosheid zal zij altijd mijn meerdere zijn. Van haar vroegste jeugd tot haar laatste snik was ze vreemd in het oog van de wereld.

“Op oude foto’s zie je een keurig gezinnetje. Mijn opa, een douanier, strak in het pak, fiks rechtop als een Pruisische soldaat, en dan mijn moeder met haar warrige donkere krullenkop en vuurspuwende ogen. Toen al spatte ze van de foto’s af. Haar ouders wisten helemaal niet wat ze met zo’n gek kind aan moesten.

“Door haar wildheid was ze ook heel aantrekkelijk. Op veel te jonge leeftijd zaten er al mannen aan haar. Als ze daar dan thuis over vertelde, kreeg ze van de riem, omdat zij het uitgelokt zou hebben. Dat heeft haar van zeer jongs af aan gekrenkt. Toen al wist ze: hier hoor ik niet. Haar hele leven lang heeft ze een gevoel van displacement gehad.”

Dat gevoel van ‘hier hoor ik niet’: is dat herkenbaar?

“Ja, maar dat heb ik niet meer. Nu, met mijn twee dochters en mijn geliefde, heb ik het gevoel: hier, waar mijn kinderen geboren zijn, hoor ik. Maar ik heb het wel heel lang gehad. Op mijn negende zijn we van de Antillen moeten terugkeren naar Nederland. Ik was daar aangereden door een auto en moest worden gerepatrieerd. Het herstel heeft lang geduurd, bijna een jaar. En dus was ik opeens hier. Door eigen schuld uit het Paradijs verdreven. Naar een land van kale, klamme bomen.

“Tot mijn dertigste heb ik het idee gehad dat ik in een soort ballingschap was terechtgekomen en verlangde ik ernaar om terug te keren naar de Antillen, omdat ik daar hoorde. Tot ik op een dag, ik woonde in een verbouwde koestal hier niet ver vandaan, een radicaal besluit heb genomen: hier leef ik, hier zal het moeten gebeuren. En toen heb ik alle vogelsoorten en alle bomen en alle kruiden en grassen uit het hoofd geleerd uit het basisboek Fauna en flora van Nederland. Zo ben ik langzaam van de seizoenen gaan houden en van de dieren des velds. Ik heb mezelf tot Nederlander gelezen in dat fauna-en-floraboek. Als een reiziger heb ik de wereld rondom mij ontdekt en zo heb ik me dit land toegeëigend. En dat werkte goed. Want als je weet hoe een boom heet, heb je er een soort vriendschap mee gesloten. Wat eerst een bruin vogeltje is, wordt op een gegeven moment een heggenmus. Naarmate je de dingen beter leert kennen, ga je onwillekeurig meer van ze houden.”

Waar kwam dat radicale besluit vandaan?

“Ach, ik was mijn nostalgie zo beu. Die afschuwelijke weemoed die je aan je plaats ketent, en die ook in mijn werk zat. Ik wilde van een Epimetheus (‘hij die terugblikt’, red.) een Prometheus (‘hij die vooruitdenkt’, red.) worden. Dat wilsbesluit bracht onmiddellijk een boek zoals Joe Speedboot voort (2005, red.). Dat was de vlucht vooruit.”

Hoe kijkt u nu terug op die jaren op Aruba? Op dat bandeloze leven, dat grote bacchanaal? ‘Alles zoop en naaide, één groot matras’, zoals u het met de woorden van Campert formuleert.

“Ja, ze deden daar de Bevrijding nog eens over. (lacht) Op dat verre eiland. Ook in het boek van Ian Buruma, 1945, lees je over de ongelooflijke geslachtsdrift na de oorlog, ook bij Joden die uit de kampen kwamen. Wellicht vanuit het idee dat ze heel snel nieuwe mensen moesten maken.

“Als kind vond ik de ontremming van de 68’ers normaal. Ik leefde als een halfgetemd dier en had daar geen morele bezwaren tegen. Maar later is die bandeloosheid toch vrij schadelijk gebleken, voor die huwelijken en ook wel voor de kinderen. En ook voor ons gezin.”

Met kleine Tommy in de haven. Beeld Uit ‘Dit is mijn moeder’.

Heeft uw vader uw boek al gelezen?

“Nog niet. Hij weet wel een beetje hoe ik over mijn moeder denk, dus het zal hem niet verbazen. Ik heb ook verteld dat hij voorkomt in de brieven, die fantastische Fundgrube, die goudmijn die ik op haar uitvaart van haar goede vriend kreeg, waarin ze alleen in kleinerende terzijdes over hem spreekt. Mocht mijn geliefde zo over mij berichten, ik zou me beroerd voelen. Freundlich was ze niet, meedogenloos wel. Maar dat heeft wel gemaakt dat ze haar eigen lot heeft kunnen bestemmen, tot op het einde. Ze heeft het leven geleefd op haar voorwaarden en dat dwingt bewondering af. Dat kunnen niet veel mensen.”

Als u twaalf bent, verlaat uw moeder uw vader en blijft u bij hem wonen. Later temt u een kauwtje, u raakt aan het dier gehecht, maar op een dag vliegt het weg. Heeft dat dubbele verlies geleid tot verlatingsangst?

“Nou, haar vertrek niet zozeer tot verlatingsangst, maar wel tot een voortdurend bewustzijn van het ongewisse en de fragiliteit van ons leven, van de liefde. Ik heb ten volle leren beseffen dat beide veel aandacht en aanwezigheid vragen. Ik ben wezenlijk ernstig over de liefde. In dat opzicht ben ik een onmiddellijke reactie op mijn moeder. In de lichtvaardigheid waarmee zij huwelijk en opvoeding heeft aangepakt, herken ik me niet. Ik ben een veel te aanwezige vader. Een lichte vorm van verwaarlozing is heel gezond voor kinderen, maar daar is bij mij geen sprake van, helaas.”

Toch bent u een hele tijd bang geweest dat u zou worden als uw moeder.

“Een angst die me met spijkers aan het bestaan vastnagelde. Ik herkende in mezelf dezelfde onrust, woede en wispelturigheid en ook grenzeloosheid, en ik dacht: als je zo bent, mag je geen kinderen op de wereld zetten. Ik wilde dat wel graag, maar niet onder die omstandigheden, niet zoals ik toen was. Het ruwe materiaal moest worden gestileerd.

“Daarom ben ik naar een psychiater gestapt. Drie jaar heb ik bij die man gezeten, met zijn grijs kransje haar en goudomrand brilletje. Onaangedaan was hij, volstrekt neutraal. Ik ging er altijd met paniek naartoe. Ik dacht: wat moet ik in godsnaam nu weer gaan bespreken met die man? Maar zodra ik er was, vroemmm, ging het helemaal vanzelf. (lacht) Je maalt maar door en maalt maar door, tot er op een gegeven moment (beweegt beide handen als tandwielen over elkaar heen) een lichtstraal door de kieren heen valt tot in het hart van het raderwerk. En op zo’n moment zei hij precies het goede. Hij zei (met forse stem): ‘Maar meneer Wieringa, u bént uw moeder niet!’ Jezus! Ik ging echt vijf centimeter zwevend boven de grond terug naar de auto. Wat een zin! Daardoor kwam ik later ook tot het besef: de enige goede raad is de raad op het juiste moment.”

Die zin betekende een keerpunt in uw leven.

“Ja. In veel gezinnen herhaalt de geschiedenis zich met ijzeren vastigheid. Dezelfde patronen zetten zich generatie na generatie voort. En dat heb ik toch koste wat kost willen vermijden.

“Kijk, ik geloof sterk in de mens als materiaal dat kan worden gekneed. En aangezien ik van buitenaf geen discipline heb meegekregen, heb ik ze van binnenuit moeten opbouwen, als wilsdaad. Zo word je ook schrijver, trouwens. Het vergt een voortdurende disciplinering om al die lelijkheid, al die domheid, al die slechtheid, al die niet-precieze gedachten, te kneden tot iets beters. Misschien beschouw ik het allemaal wel iets te soldatesk, maar zo heb ik het ervaren.

“Ik bén dus niet mijn moeder, maar intussen weet ik wél dat ik op haar lijk. En intussen kan ik ook onbeschroomd zeggen: ik ben wel een deel van haar, maar niet in onbewerkte vorm. Terwijl zij zichzelf was in onbewerkte vorm. En uiteindelijk vind ik het heel bijzonder dat zij mijn moeder was. Zo’n wild, eigenzinnig wezen. Mijn beeld van haar is mettertijd verrijkt.

“Ook dankzij die doos met brieven die ze op haar dertigste vanuit Aruba geschreven heeft. Daarin is een jonge vrouw aan het woord die worstelt met zichzelf, met de grote verantwoordelijkheid voor een gezin, met haar huwelijk dat hapert. Toen ik die brieven voor het eerst las, was ik 21 jaar ouder dan zij toen ze ze schreef. Ik dacht: Jezus, al die aandriften, al die verlangens, al die frustraties, ik ken het allemaal maar al te goed. Toen kwam er een soort van vereenzelviging met haar feilbaarheid. Wat een fraai moment was, want daardoor is ze niet louter meer mijn moeder, maar is ze ook een menselijk wezen geworden. Ze is dus veel meer dan de vrouw van wie ik vaak last had. Het is genadig dat de tijd dat doet. De tijd, die grote afvlakker.”

Door het schrijven van dit boek bent u dus anders gaan kijken naar uw herinneringen.

“Nja, ik moet zeggen dat alles wat ik me herinner, of toch het meeste daarvan, me dierbaar is geworden. Juist omdat ik weet dat er na de dood geen herinneringen meer bijkomen. En ja, die afgerondheid brengt dierbaarheid met zich mee, omdat mijn herinneringen nu ontdaan zijn van hun gevaarlijke lading. Daarmee bedoel ik: het manipulatieve, het meedogenloze karakter ervan.

“Mijn moeder vertelde bijvoorbeeld schaamteloos over haar seksleven. Nu ophouden!, zei ik. Dingen die je niet wilt weten als kind! Maar ik weet ze nu toch omdat ze ze verteld heeft. En nu heb ik al deze herinneringen kunnen inzetten in dit portret, om haar, en de volledigheid, te dienen. Maar ook om... Neen, wat ik nu ging zeggen, is niet waar. Het was een te nette gedachte. Laten we die vermijden.” (lacht)

Tommy Wieringa: “In de lichtvaardigheid waarmee mijn moeder huwelijk en opvoeding heeft aangepakt, herken ik me niet. Ik ben een veel te aanwezige vader.” Beeld Stefaan Temmerman

En wat ging u zeggen?

“Dat gaat je niets aan. (lacht) Maar het is wel een goeie vraag.”

U hebt intussen zelf twee kinderen. Kinderen, geven ons een ander, vriendelijker gezicht, schrijft u.

“Ja, de komst van kinderen is fijn omdat het spel weer even wordt opgeschud. Die starre verhoudingen tussen volwassenen worden plots wat speelser en luchtiger. Iedereen heeft dan eindelijk iets anders om zijn aandacht op te richten. Kinderen verlossen ons eventjes van onszelf en van de narigheid van bijvoorbeeld een feest als kerst.

“Wat ik wel jammer vind, is dat mijn dochters nu een geweldige, bijzondere oma missen. In hun ogen is ze nu nog een soort mythische figuur, die in Groningen de grot van Ali Baba bestierde. Als we weekendjes vrij hebben gaan we naar haar sieradenwinkel. Die is overgenomen, maar heeft nog dezelfde naam en verkoopt nog steeds dezelfde spullen. Dan kopen we daar telkens een geneeskrachtig edelsteentje.” (lacht)

In welke zin heeft het magisch denken van uw moeder uw kijk op religie beïnvloed?

“Ik heb met verbazing gekeken naar wat zij allemaal geloofde. Aan haar sterfbed trok zowat elke wereldreligie voorbij. (lacht) Ze geloofde in elk hiernamaals dat haar werd aangeboden. Vandaar haar laatste wil om in een rieten mand gecremeerd te worden. Als Mozes zou ze op de rivier een nieuw leven tegemoet varen. En hoewel ik zelf niet aan magisch denken ontkom, zou ik mezelf toch agnostisch noemen, hoe broos die overtuiging ook is. Zodra ik in doodsangst ben, probeer ik te denken aan de woorden van Michel de Montaigne: als je doodsuur geslagen heeft, zet je schrap en verman je. Ik probeer altijd een soort filosofisch manifest klaar te hebben, maar denk toch heel snel: God, doe iets! (lacht) Het blijft dus een oppervlakkige overtuiging.”

Hebt u al vaak doodsangsten uitgestaan?

“O ja. Legio levensbedreigende situaties op reis. Ik ben een aantal keren met messen bedreigd, maar ben er altijd goed vanaf gekomen. In Guatemala-Stad heb ik bijna het leven gelaten toen er vier jongens vanuit een auto stenen naar mij gooiden. Ik schreeuwde dat het klootzakken waren en zonen van hoeren. En toen verdwenen ze de bocht om en ik zag het. Ik zág het! In grote helderheid zag ik hoe ze rechtsaf zouden slaan, nog een keer rechtsaf en nog een keer, zodat ze zouden uitkomen in de straat waar ik me bevond. Toen ben ik op de vluchtheuvel onder een lantaarnpaal gaan staan, met een mes in de hand, want tegen een auto kun je niet rennen. En verdomd: ik zag twee koplampen op me afkomen. En ik wenkte hen, zwaaiend met het mes: kom maar, kom maar, jongens! Ik dacht: er zit niets anders op dan groter te worden dan ik ben. Toen zijn ze weggereden.

“Ik heb een paar momenten van grote luciditeit gehad die me het leven hebben gered.”

Als u iets van uw moeder hebt geërfd, is het het onvermogen om te gehoorzamen. Wat hebt u nog meer van haar geërfd?

“Niet weinig. Haar principiële non-conformisme is in afgezwakte vorm op mij overgegaan, ook al schaam ik me niet voor de burgerlijkheid van dit huishouden. Dat vind ik juist prettig, een goede omgeving ook om in te kunnen schrijven. Maar toen ik mijn oudste dochter, ze was toen vijf of zes, afschuwelijke dingen hoorde zeggen, zoals ‘Ik wou dat je dood was’ en lelijke scheldwoorden, waarvan ze weet dat mensen een beetje krimpen als je ze gebruikt omdat ze zo’n enorme kracht hebben, heb ik haar gezegd: ‘Oké, je mag echt alles denken wat je maar wilt, alles. En toen vroeg ze: alles? En ik zei: ja, je mag alles denken. Je zag haar gezichtje gelukzalig oplichten. Je zag zo dat geestje langs al die verboden onderwerpen glijden en zo dat hoofdje opengaan. Maar, zei ik: je hoeft niet altijd alles te zeggen. Dat betekent niet dat er een taboe op rust, maar omwille van beschaving en samenleven is het fijn als je jezelf toch een beetje in acht neemt, maar je mag alles denken. En dat komt rechtstreeks van mijn moeder. Ze was een echte vrijdenker, een vrijdoener ook. Er was niets waarover je niet kon praten of niet kon nadenken. Op die manier heeft ze mij een oneindige ruimte geboden, ook om te gaan schrijven.”

Hoezo?

“Op een gegeven moment studeerde ik geschiedenis in Groningen. Ik was niet gelukkig in dat keurslijf en hield me bezig met rugbyen, vechten, verleiden. Al mijn energie ging daar naartoe, en niet naar de dorre lectuur van Palmer en Colton (historici R.R. Palmer en Joel Colton, red.). Maar ik was de eerste van de familie, aan beide kanten, die ooit aan de universiteit was beland. Ik voelde me bezwaard door er zo met de pet naar te gooien. En toen zei mijn moeder: ‘Ach joh, als het je dwarsligt en je wilt schrijven, dan ga je toch gewoon schrijven, dan stop je ermee.’ Toen ben ik afwasser geworden in een Mexicaans restaurant en begon ik aan een roman. Een klein leven, maar wel met de oneindige ruimte van de literatuur tot mijn beschikking. Die gedachte, je bent weinig verplicht aan formaliteiten, heb ik van haar, ja.”

Denkt u dat u zelf een goede vader bent?

(denkt even na) “Euh. Neen. (zwijgt even) Ja. Allebei. (denkt na) Ik ben veel te ongeduldig. Neen, dus. Ongetwijfeld feilbaar, al te feilbaar.

“Wat een onaangename vraag. (lachje) Door mijn hoofd schieten nu natuurlijk meteen de momenten waarop ik geen goeie vader ben. Maar mijn kinderen weten wel wat een kauw is en een ekster en ze zijn erg gevoelig voor hun omgeving. Ze weten hoe de bomen heten en de grassen en de kruiden. En ik ben ook wel redelijk voorspelbaar, beschikbaar en betrouwbaar. Ik geloof wel dat ze zich geborgen weten. Ook dankzij hun moeder. Maar verder, die vraag is onbeantwoordbaar. Dat zal pas later blijken. Maar ik probeer in elk geval te vermijden een slechte vader te zijn.”

En was uw moeder, nu de tijd zijn werk heeft gedaan, uiteindelijk een goede moeder?

(neemt slok water) “Hier past dit woord: klootzak! (hilariteit) Jezus! Neen, ze is de énige moeder. De moeder zonder wie ik niet had gekund. Juist om de reikwijdte van haar persoonlijkheid, de veelvormigheid en veelzijdigheid ervan te laten zien, heb ik dit boek geschreven.”

En dat portret is nu af?

“Vermoedelijk wel. Ik denk niet dat ik nog veel meer materiaal over haar heb. Ik denk wel dat ze nog in allerlei verschijningsvormen zal terugkomen. Ze heeft ook best al wat literaire manifestaties gehad. In
Joe Speedboot, in Caesarium en in De heilige Rita speelt de moeder een rol, hetzij door afwezigheid, hetzij door een al te indringende aanwezigheid. Ze heeft al zo veel levens gehad in mijn werk. Daarom hoop ik er nog een paar aan toe te voegen. Maar als de vrouw die ze was: neen, dat is dit boek. Dit is mijn moeder. Mooie slotzin, hè.” (lacht)

Tommy Wieringa, ‘Dit is mijn moeder’, 156 p., 17,99 euro. Gebonden met foto’s.

Tommy Wieringa toert van 8 tot 16 februari door Vlaanderen met het literaire festival Saint Amour. De andere namen: Philippe Claudel, Radna Fabias, Bregje Hofstede, Delphine Lecompte, Bert Moerman en Ilja Leonard Pfeijffer. Tourschema en meer info vindt u op begeerte.be

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.