Donderdag 22/08/2019

Reportage

Met de duurste nog levende kunstenaar op pad door L.A.: “Fucking. David. Hockney.”

David Hockney in zijn galerie in Los Angeles. Beeld Eva Roefs

Wie stelt u zich voor bij de ‘duurste levende kunstenaar’ van de wereld? Wij aten voorafgaand aan zijn expo in Amsterdam een hamburger met David Hockney (81) en volgden hem en het knotsgekke circus rond hem naar Los Angeles.

David Hockney zet zijn tanden in een Double Smash Burger met gekaramelliseerde uien en gerookte cheddar. Zijn twee gehoorapparaten heeft hij naast zijn bord gelegd, op zijn schoot ligt een zorgvuldig gevouwen servet.

Het is 81 dagen nadat hij de duurste levende kunstenaar van het heelal werd met de veiling van een van zijn zwembadschilderijen, en hij zet zijn ronde, gele bril recht op de neus. Het is in zijn woorden fucking noisy in café-restaurant The Rose in Venice Beach; zijn doofheid brengt alle omgevingsgeluid terug tot a kind of blur, een vage bedoening.

Hij is hier omringd door een deel van de harde kern van The Circus, zoals zijn entourage wordt genoemd, vrienden die hij al dertig, veertig jaar kent, soms ex-geliefden die blijven hangen. Ze vormen een onzichtbare kring om Hockney, scharrelen rond in zijn huis, zorgen voor hem, houden hem gezelschap.

Spottend neemt het gezelschap plenair de gezondheidsgekte van Californië door – altijd weer slaaa! –, de voor David te luide kutmuziek die uit de boxen komt, de geldgeilheid in de commerciële kunstwereld, om toch weer euforisch te landen bij de obsessieve aandrang van die Westkust-piepeltjes om een coach in te huren om gezond te leven.

Wealthcoach! Wealthcoach!

Hockney pakt de draad weer op, de burger is verorberd, en doet zijn gehoorapparaten in. “Ik ben nog nooit in mijn leven in een gym geweest, en dat hou ik zo”, zegt hij, en er wordt instemmend gegrinnikt. Zijn vrienden weten dat er nu een schoffering op handen is van alle humorloze betweters. “Twintig jaar geleden adviseerde de dokter me om te stoppen met drinken. “Oké”, zei ik. “Daar stem ik mee in. Maar dan blijf ik wel roken.” So, dat is wat ik doe, roken, en ik geniet van elke peuk, elke dag, elk moment. Als mensen naar buiten gaan om te roken, rook ik binnen. Al die bazige lui die weten dat ik dat niet moet doen, die mean spirits, die mensen aan een touwtje willen hebben, fuck off.

Even is het stil, alsof hij een witregel laat vallen, kijkt me als zijn buurman aan tafel indringend aan, en daar gaat hij, in lijzig uitgesproken, gebeeldhouwde zinnen.

‘Give me a doctor partridge-plump,

Short in the leg and broad in the rump,

An endomorph with gentle hands

Who’ll never make absurd demands

That I abandon all my vices

Nor pull a long face in a crisis,

But with a twinkle in his eye

Will tell me that I have to die.’

“W.H. Auden!”, zegt hij. “Die heb ik nog getekend. Dichters spreken de waarheid, niet dokters. Ik ga dood als IK dat wil.”

Hockney verkeerde in Wenen, op die ene dag, 81 dagen geleden, en slenterde door de stad. Zijn iPhone ging af en via bluetooth werd de mededeling naar zijn gehoorapparaat gestraald: op de veiling van Christie’s in New York was het schilderij van zijn hand afgehamerd voor 90 miljoen dollar. Wsjoessss! Hij had zo naar deze dag uitgekeken, naar het bezoek aan het Kunsthistorisches Museum, om in alle rust de grote overzichtstentoonstelling van Pieter Bruegel de Oude tot zich te nemen. En dan vooral: de Toren van Babel, waarvan Hockney kolossale kopieën heeft hangen in zowel zijn studio als zijn huiskamer, thuis in de Hollywood Hills van Los Angeles.

Pis op het tapijt

Daar stond hij, met een tijding waar hij eigenlijk geen flikker mee te maken wilde hebben, over een schilderij uit 1972, Portrait of an Artist (Pool with Two Figures) dat gekocht was door ‘een zeker iemand’, een anonieme koper die telefonisch in rechtstreekse verbinding stond met een vertegenwoordiger van het veilinghuis. Dat schilderij had Hockney in 1973 via een New Yorkse galerie verkocht voor 18.000 dollar, en een paar maanden later werd het doorgeschoven voor drie keer de prijs. Daarna reisde het van Londen naar New York, om in 1985 bij de rijke entertainment-entrepreneur David Geffen in zijn oversized strandhuis in Malibu aan de muur te worden gehangen.

Ha, dat weet Hockney nog wel, want hij had in die tijd zelf een strandhuis in Malibu, en als hij een ommetje maakte met zijn teckels Stanley en Boodgie, dan ging hij even langs om het schilderij te bekijken, hopend dat de honden het tapijt van Geffen onder pisten.

Geffen verkocht het aan de Britse miljardair Joe Lewis, in 1995, heden ten dage eigenaar van de Engelse voetbalclub Tottenham Hotspur. Uit de Panama Papers, de gelekte documenten van trustkantoor Mossack Fonseca, bleek dat verzamelaar Lewis niet naar zijn kunst staarde, maar met de werken speculeerde. Via ingenieuze constructies werden bijvoorbeeld veel Picasso’s zogenaamd op belastingparadijzen gestald.

‘Portrait of An Artist (Pool with Two Figures)’, het schilderij dat in november vorig jaar voor 90 miljoen dollar werd geveild. Beeld Hollandse Hoogte / Eyevine

Op 15 november 2018 werd dus dit bezit van Lewis geveild in New York. Een ongekende hitsigheid ging hieraan vooraf. Er was een filmtrailer gemaakt door het veilinghuis waarin Hockneys doek een iconische status kreeg. De twee mannen bij het zwembad waren niet zomaar een (onder water) zwemmende stokebrand en een glazig kijkende gast. Nee, hier was sprake van de verbeelding van een gekapseisde liefdesarmada. De tragisch afgelopen verkering van David Hockney en Peter Schlesinger was niets dan een in zwembadwater gedoopte gay-versie van Romeo en Julia – tevens de heilige graal in Hockneys oeuvre.

Uhhhh... Boem!

Hockney werd niks gevraagd, want zo werkt het in de kunstwereld. Eenmaal verkocht, kun je voor altijd naar je schilderij en de financiële aanwas fluiten. Er werd gesmoesd dat Lewis rekende op een recordbedrag van 90 miljoen dollar – een bedrag dat op de veiling inderdaad binnen negen minuten werd bereikt. Alsof alles van tevoren was bekokstoofd.

En dat gebeurde dus terwijl Hockney rokend door Wenen liep – hij veegt met het servet zijn mondhoeken schoon. Zijn programma draaide hij af, hij ging gewoon naar het museum, en keek vol bewondering naar de verzameling Bruegels. Maar het zat hem toch niet lekker. Hij wilde weten wie er aan de wandel was gegaan met ZIJN schilderij.

Bij thuiskomst stuurde hij vanuit zijn villa een e-mail aan Christie’s – alle ogen aan tafel gaan nu zijn kant uit.

“Vertel het ze, David.”

Met de dictie van een acteur die zijn eerste zinnen uitspreekt op het toneel om een verpletterende indruk achter te laten, worden we hockneyaans bijgepraat: “Who. Has. MY. Painting?”
“Precies David, dat is wat je wilde weten.”
“Wie heeft MIJN schilderij gekocht?”, herhaalt Hockney, iets zachter uitgesproken, maar niet minder dwingend. “Dat wil ik graag weten. Kunt u dat vertellen? Nee, was de reactie. Privacy! Als de medewerker vertelde wie het had gekocht, dan werd de privacy van de eigenaar geschonden. Hij zou zijn baan verliezen, als hij het me zou vertellen.”

Ja, hij zou hij worden teruggebeld door het hoogste gezag van het veilinghuis, maar hij hoorde niks meer. “Well, fuck off. Ik heb het losgelaten. Zonde van mijn tijd. Ik kan er niks aan doen.”

Wederom een bewijs, in zijn woorden, dat de kunstdivisie van de Internationale Vereniging van Oplichters en Zwendelaars ook hier aan de knoppen zat. “It’s a mad, mad world. En dat is niet mijn wereld.”

Hockney wordt op zijn schouders getikt terwijl het gezelschap zich klaarmaakt voor vertrek, en hij kijkt verstoord op. Galeriehouder Peter Gould meldt zich, met drie Chinese verzamelaars, en er dient een foto gemaakt te worden. De kunstenaar tovert een glimlach op het gelaat.

“Ik houd van uw kleuren.”

“U maakt prachtig werk.”

“U bent geweldig.”

Hij zal het een paar keer herhalen, de twee dagen dat ik in Los Angeles in zijn buurt rondhang.

Een eeuwigheid opereerde hij voor zijn gevoel in alle tevredenheid in de periferie van de kunstwereld. Maar door de veiling was hij ongewild naar het centrum gemanoeuvreerd. Er wordt anders naar hem gekeken, wil hij maar zeggen, hij is echter niet anders naar zichzelf gaan kijken.

Hockney: ‘De kunstdivisie van de Internationale Vereniging van Oplichters en Zwendelaars is niet mijn wereld.’ Beeld Eva Roefs

Je kunt hem een excentrieke kunstenaar noemen, een anarchist, een oldskool-bohemien, die begin jaren zestig zijn homoseksualiteit exposeerde, terwijl de Engelse wet het nog verbood. Een figuratieve ambachtsman die flirtte met popart, die niks moet hebben van het minimalisme van grote rode vlakken of barbaarse abstracte kunst, maar portretten maakt en reusachtige kleurrijke natuurschilderingen. Een vrolijke, innemende snuiter bovendien.

Deze 81-jarige David Hockney is zomaar HOCK-NEY! geworden, hij heeft The Golden Triple van het kunstwezen te pakken. Wat kijk maar eens: het publiek (1) stond in 2017 in rijen voor musea in Londen, New York en Parijs. De kunstkritiek (2) gaf hem de zegen vanwege deze “verrukkelijke” overzichtstentoonstelling. En nu was hij trofeewaardig geworden voor de high-profilekunstverzamelaars (3). Deed hij in het voorjaar van 2018 nog 28 miljoen dollar voor Pacific Coast Highway and Santa Monica (1990), nu schoot hij met 90 miljoen dollar zo het kunstwalhalla in.

Het hoogste bedrag voor het werk van een levende kunstenaar, en zo ging het als breaking news de wereld rond. Voor artiesten in de kist ratelt de geldmachine doorgaans nog veel harder. En met Hockney is het nog niet gedaan, de kunsthandel wil de opwinding vasthouden. Begin maart gaat in Londen zijn schilderij uit 1969, Henry Geldzahler and Christopher Scott onder de hamer, een ander werk uit de succesvolle tentoonstelling uit 2017. ‘Een keerpunt’ in Hockneys oeuvre, is deze keer de punchline.

Goed gedaan, Mr. Whizz, zoals zijn vriend, de Engelse schrijver Christopher Isherwood, hem noemde. Niet slecht voor een arbeidsjongen uit Bradford, West Yorkshire.

Daar is een zucht van Hockney. “I don’t care, mij maakt het niet uit”, zegt hij “Voor mij is het belangrijk, en zo is het al zestig jaar, dat ik kan doen wat ik wil. Ik hoef niet na te denken over geld, nooit gedaan. Ik kon al snel leven van de verkoop van wat schilderijtjes, en zo is het nog steeds. Ik doe wat ik wil. Ik ben niet getrouwd, al had ik wel heel veel affaires. Ik heb geen kinderen. Ik wist al vroeg dat ik gay was, dus dan sluit je dat allemaal uit.”

Al even vroeg had hij in de gaten dat zijn hand ophouden er niet in zat, met een excentrieke pa die zijn centen bij elkaar scharrelde door ouwe fietsen en kinderwagens op te lappen, en brieven met zijn bezwaren tegen kernwapens stuurde naar Stalin en Mao. De laatste keer dat David om poen vroeg was in 1957; hij zat op de kunstacademie, woonde op zichzelf en was platzak. Hij belde naar zijn ouders of ze iets konden sturen. Per ommegaande kwamen twee stuivers en zes centen zijn kant uit.

“De boodschap was duidelijk: je bent op jezelf aangewezen David, verwacht niks van ons. So, dat is altijd mijn voordeel geweest.”

Op een kastdeur in zijn studentenhok stond geschreven: ‘Sta op en ga als de sodemieter aan het werk’.

De zilvergrijze Lexus wordt uit de garage gereden van Hockneys villa in de Hollywood Hills. Achter het stuur zit Gregory Evans, de manager, curator en ex-geliefde van Hockney, tevens veelvuldig geschilderd, geschetst en getekend in tal van (ongeklede) posities. Een tijdje ging hij als ‘Grogory’ door het leven, maar sinds hij de drank en de coke heeft afgezworen, zit hij voor Hockney zakelijk gezien als een bok op de haverkist.

Hockney stapt in, net als de verslaggever. Om zijn nek heeft hij een rode sjaal, hij draagt een groen vest, en blauwe gympen. Dertig jaar geleden werd om een speciale reden deze Lexus uitgezocht: dit was de meest rustige toen verkrijgbare luxewagen voor een man met gehoorproblemen, zoals hij. Hierdoor kon hij onderweg een normaal gesprek voeren. De brand steken in een Davidoff-sigaret gaat hem eveneens goed af in de Lexus, net als kordate aanwijzingen geven aan Gregory.

“Ik denk dat je hier rechtsaf moet. Ja, na dit blok.”

Als een geblondeerde, opvallende geklede jongeling met een uilenbril kwam hij in 1964 in Californië terecht, en leerde hij autorijden. In zijn snelle rood-witte Ford Falcon verkende hij als een dolle zijn nieuwe woonomgeving. Hij zag hoe de snelwegen in Los Angeles werden aangelegd, net als die veelkleurige futuristische architectuur, en bewonderde de opgewekte levensstijl die er heerste.

Deze stad heeft een kunstenaar nodig die deze ontwikkelingen vastlegt, dacht hij. Zoals de kunstenaar Piranesi zich over Rome had ontfermd, wilde hij met L.A. aan de slag: alles schilderen wat hij zag.

De reden dat hij naar Los Angeles ging, was vooral vanwege zijn seksuele fantasieën. Thuis in Engeland had hij van onder de toonbank zogenoemde beefcake-blaadjes gekocht, zoals het in Los Angeles gemaakte Physique Pictorial, vol atletische, naakte mannen. Die wilde hij wel eens in het echt zien. Het duurde niet lang voordat hij ook de studio en de fotograaf vond waar al zijn droombeelden vandaan kwamen: een knullige met Griekse nepbeelden gedecoreerde ruimte met een zwembad en douches, waar ex-gedetineerden en dronken matrozen voor een borrelcentje de broek uittrokken.

Het werd een bron van inspiratie voor Hockney: mannen in douches en zwembaden, meestal aan bips-zijde geportretteerd. Ook met de gayscene die hij in Los Angeles aantrof, was hij zeer in zijn nopjes. Hij zei zich te voelen als een kind in een snoepwinkel, en door de ruime voorraad ging hij in de stand ‘ongeremd promiscue’.

David Hockney in zijn atelier, circa 1967. Beeld Getty Images

Dat doelloos rondrijden door het Californische landschap bleef een terugkerende vervoering in zijn bestaan, ook in sombere perioden. Dan pakte hij zijn rode Mercedes-cabriolet, en schoot hij voor ‘The Wagner Drive’ de weg op. Precies anderhalf uur lang reed hij door het Amerikaanse verstedelijkte landschap. Hij volgde een vaste route, richting de Santa Monica Bay, met de muziek van Richard Wagner op de achtergrond, om precies op de laatste tonen van ‘Siegfrieds Dodenmars’ bij de ondergaande zon te arriveren.

Of naar Santa Fe in New Mexico, twaalf uur heen en twaalf uur terug, om inspiratie op te doen voor zijn reusachtige veelkleurige landschapsschilderijen. Niet te hard rijden, maar tempo genoeg, om alle Amerikaanse vergezichten goed in je op te nemen.

“Nu kom ik vaak de heuvel niet meer af”, zegt Hockney, als de Lexus de weg naar Venice Beach heeft ingeslagen. “Ik zorg ervoor dat mijn vrienden naar mij komen.”

Hij steekt een Davidoff-sigaret op. Zijn vader was trouwens een notoire antiroker, zul je net zien. “Dus daarom begon ik te roken”, zegt hij. “En zie, ik ben veel ouder geworden dan hij: hij werd maar 76, ik ben nu 81. Mijn vader was een diabeet die toch chocoladekoekjes bleef eten terwijl het niet goed voor hem was. Mijn vader was een zeer bijzondere man, behoorlijk uniek, en hij was nog dover dan ik. Hij heeft de laatste tien jaar geen woord gehoord van wat mijn moeder zei.”

Hockney verslikt zich in een lach, en laat Gregory hoestend weten dat hij nu toch echt van rijbaan moet veranderen.

Wisten we trouwens dat Renoir rookte, en Picasso, Matisse, Monet, Cézanne – en ze werden allemaal rond de tachtig. “So fuck off”, voegt hij eraan toe. “En Vincent van Gogh is ook niet doodgegaan aan roken.”

Eén keer is hij min of meer serieus gestopt met roken, dat was omdat Peter Schlesinger er niet van hield - ja, die Peter van het zwembadschilderij. “Hij wilde dat ik stopte. Maar toen hij ’m smeerde ben ik onmiddellijk weer begonnen, wat dacht je dan. Ik rook ook marihuana, elke dag. Ja, een echt respectabel burger wil ik maar niet worden. Alleen als ik schilder, dan rook ik niet. Dat kan niet tegelijk.”

In de galerie L.A. Louver in Venice Beach is de privéopening, deze middag, van Something New in Painting (and even Photography) [and even Printing]... Continued. De beste vrienden van Hockney krijgen hier een preview, twee dagen later gaan de deuren open voor het grote publiek. The Circus is in ruime mate vertegenwoordigd, sommigen zijn speciaal uit New York en Massachusetts overgevlogen. Bing is er, net als Charlie, Ray en (dikke) Jonathan, Gregory staat buiten te roken. Ivan, de automan van Hockney, heeft een gekke muts op. Ook medewerkers van de Amerikaanse tak van de David Hockney Foundation, die achtduizend werken van hem beheert, proosten op weer een nieuwe gooi van Hockney.

Jonathan (de dunne) is met Jean-Pierre in Normandië, om het nieuwe huis aldaar klaar te maken voor The Big Boss. Eerstdaags reist Hockney naar Amsterdam voor de opening van Hockney - Van Gogh: The Joy of Nature-tentoonstelling, en daarna gaat hij vier maanden naar Frankrijk.

Het gegoochel met perspectieven en ruimte, daar draait het hier om in Venice Beach. Op reusachtige werken kijken gefotografeerde-geschilderde mensen naar zichzelf, terwijl ze naar zichzelf in de spiegel of op een kunstwerk kijken, waar ze zichzelf ook weer vanuit een ander perspectief zien – en een aantal van diezelfde mensen lopen hier nu weer rond en kijken naar zichzelf.

Je wordt er draaierig van, van Hockneys magische spiegelpaleis.

Bing maakt een selfie met zijn geschilderde zelf, samen met een andere gast, en dit tafereel wordt weer gefotografeerd.

Hockney kijkt ongemakkelijk, het is duidelijk dat hij last heeft van het lawaai. Hij zegt dat hij het liefst apart wil zitten met een kopje thee en een peuk. Boven wordt hij naar een kantoortje begeleid, en kan hij in alle rust de insiders begroeten, of met ze op de foto gaan. Jerry Hall, de vrouw van Rupert Murdoch en ex van Mick Jagger, is binnen, samen met stiefdochter Karis Jagger. Harry Styles, zanger van One Direction, loopt rond. De grote muziekproducer en meervoudig Grammy-winnaar Clive Davis houdt Hockney gezelschap.

“O David, je bent
amazingggg”, daar is het bezoek het over eens.

Wie al die tientallen intimi zijn en hoe ze zich verhouden tot Hockney, wordt bepaald door regels die alleen de kunstenaar kent. Er zijn mensen die op kus-op-de-mondniveau met hem staan, anderen worden door hem geschilderd. Als je door hem geschilderd wordt, ben je niet altijd op kus-op-mond-level. Wat ook kan, is dat je een keer een hamburger met hem mag eten, en dat je hoopt dat hij je gaat schilderen, maar dat je na een kus op de wang gesommeerd wordt het pand te verlaten. Zijn vrienden schildert en zoent hij sowieso altijd, omdat ze toch in de buurt zijn, bij hem eten en slapen. En als hij ze niet schildert, fotografeert hij ze wel.

Een dag eerder liep Hockney door de galerie L.A. Louver als een tevreden bollenboer door een bloeiend tulpenveld. Het was de eerste keer dat hij de werken zo zag hangen. “Het is een geweldige show”, zegt hij lachend. “Ik wil de mensen leren kijken. De wereld is veel meer dan één perspectief.” Want mensen kijken niet goed, vindt hij, ze scannen alleen de grond waar ze lopen.

“Ik ben altijd al een kijker geweest, net als Vincent van Gogh. Die zag meer dan andere mensen. Die vond fotografie zo saai. Vincent hield van schilderen, dat liet je veel meer zien.”

Hockney zegt dat hij altijd bezig is met nieuwe ruimtes, hij experimenteerde al vaker met fotografie en schilderkunst, en maakte verscheidene artistieke impressies op zijn iPad. “Maar wat ik nu heb gemaakt, is echt heel nieuw”, zegt hij tevreden, wijzend op zijn werk. “Zoiets kan alleen gedaan worden door een oude man die de jongeren laat zien wat er gaat gebeuren. Ik loop voorop. Dit is interessanter dan die bloody veiling in New York, dit is nu aan het gebeuren.”

Beeld Eva Roefs

Galeriehouder Peter Gould, op kus-op-mondniveau en op Hockneys werk veelvuldig te zien, slaat een arm om hem heen: “Dit is het beste wat je ooit hebt gedaan, en ik kan dat zeggen, want ik ken je al 40 jaar en heb 22 Hockney-shows gedaan. Het is intellectueel en ambitieus.”

Hockney houdt zijn sigaret omhoog, de askegel valt op de grond. “Heeft iemand een asbak voor David?”

“David, wil je eerst de shepherd’s pie en dan de salade?”

“Nee Charlie, doe alles maar tegelijk.”

Hockney zit op de bank in zijn met boeken volgestapelde huiskamer, en vertelt over de twee teckels in zijn leven, Stanley en Boodgie, beide vereeuwigd in twee bij de open haard geplaatste beeldjes, en in veertig elders opgeslagen schilderijen. Als hij eerstdaags in Normandië is, wordt hij herenigd met de hond van zijn zus, een mislukte signaalhond, die aan de Hockney-posse is overgedragen.

Vier maanden wil hij in Normandië blijven, voor de komst van de lente, net zoals hij dat jaren in Yorkshire heeft gedaan. Wat hij ziet, wil hij in een langgerekt kunstwerk verwerken, zonder schaduw, en perspectief, in de geest van het beroemde tapijt van Bayeux, waar de Slag bij Hastings werd uitgebeeld.

“David, zal ik de vinaigrette maken?”

Charlie scharrelt rond in de keuken, en ontkurkt de flessen wijn. Bing rekt zich uit, na zijn middagdutje, en Gregory komt de kamer binnenvallen.

Er dient gegeten te worden, en Californische wijnen gedronken, en een ronde tafel staat al gedekt. De huishoudster heeft gekookt. Buiten is het donker, en is niet te zien dat Mont Hysterical, Hockneys villa, veelkleurig in de verf is gezet, naar verluidt geïnspireerd door een opera van Maurice Ravel. Ook zijn eigen zwembad, toch de aanlegsteiger van zijn Californische dromen, is in het duister gehuld. Een bommetje – A Bigger Splash, naar een ander beroemd zwembadschilderij van Hockney – zit er niet in.

Elke dag gaat Hockney om halftien naar bed, dus de dinner party moet een beetje opschieten. Op dat tijdstip neemt hij het werk waaraan hij bezig is, mee naar zijn slaapkamer ­- of in het echt, of gefotografeerd op zijn iPad. Hij staart er eventjes naar, en gaat slapen. De volgende ochtend weet hij precies wat ’m te doen staat, als hij om negen uur zijn studio binnenloopt. Hij werkt vervolgens tot een uurtje of vier door, tot de reguliere massage. Als je hem overdag belt, zegt hij: “Ik schilder”, en dan hangt hij weer op.

Hockney gaat aan tafel, en een flinke hap shepherd’s pie landt op zijn bord. Charlie, Bing en Gregory zijn alle drie doorlopend geschilderd, de afgelopen jaren, en daar gaat het gesprek over.

“Opeens kan je worden gebeld, en dan is het zover”, zegt Charlie. Gaat ie toch geen landschappen maken, maar portretten. Gregory weet niet beter, hij kent David al veertig jaar. “Als je in Davids leven bent, dan word je geschilderd.”

“Ik moet mensen leuk vinden”, zegt David. “Een gezicht moet je aanstaan om het te kunnen schilderen.” Of we trouwens het verhaal kennen van het model dat niet kwam opdagen, wil Hockney weten. Want dat vertelt hij aan iedereen die voor hem poseert, en wel tot in de eeuwigheid.

Geginnegap.

Betty Lisa zou worden geschilderd door “een of andere gast”. Zij kon niet, ze moest naar de dokter en ze stuurde haar zuster Mona - Mona Lisa. “En we weten hoe het daarmee is afgelopen.”

Hahahahaha.

Greatest hits

Hockney is warmgedraaid, en hoeft geen salade, maar wel een sigaret. Zijn vrienden weten nu dat het een Hockney’s Greatest Hits-avond gaat worden.

“David, binnenkort ga je naar Van Gogh in Amsterdam, maar hoe ging die grap van Benny Hill ook alweer?

Hockney: “Alles wat je Van Gogh vertelde, ging zijn ene oor in, en daar bleef het ook.”
Hahahahaha.

Vincent van Gogh was niet zo’n lachebekje, weten de aanwezigen. “Maar hij hield van schilderen, en daarom schilderde hij”, zegt Hockney. “Als hij schilderde straalde hij een en al plezier uit.”

Het eerste schilderij van Van Gogh zag hij in 1954 in Manchester, en hij dacht: dat moet wel een rijke kunstenaar zijn. Hij zag aan zijn schilderijen dat hij wel twee hele tubes met blauwe verf had gebruikt, om de lucht te schilderen. “Ik vond het prachtig, de kleur. Ik bedoel, iedereen houdt van Van Gogh.”

Net als iedereen van Hockney houdt, zeg ik.

Charlie steekt zijn handen omhoog: “Welneeeeee. Er is een grote fucking David Hockney Brigade. En die fucking David Hockney Brigade wordt gek van die fucking David Hockney.”

Ook Hockney sluit zich hierbij aan: “Fucking. David. Hockney.”

Charlie: “Die fucking David Hockney vertrekt naar Amerika. Die fucking David Hockney werkt voor de opera. Nu doet hij weer fotografie. Die fucking David Hockney verpest het voor ons allemaal. Ken je de inmiddels dooie criticus David Sewell?”

Hockney: “David ‘arse’ Sewell, werd hij genoemd.”

Charlie: “Hij beschreef David als een vulgaire schavuit. Avant-gardemensen konden het niet uitstaan dat hij werd gewaardeerd: het was te makkelijk, wat hij deed.”

Bing: “En waar bleef toch de ellende in zijn werk?“

Hockney: “Die fucking. David. Hockney.”

Proost! Allemaal: “Op fucking David Hockney.”

David Hockney in 2012 bij zijn schilderij ‘The Arrival of Spring in Woldgate, East Yorkshire in 2011 (twenty-eleven). Beeld Getty Images

Er gaat in een straf tempo een zakje rond met roze marihuanasnoepjes; ook de 81-jarige kunstenaar laat het zich goed smaken.

Bing: “Mensen weten precies wat je nu maakt, David. Ze volgen dat op internet. Niemand denkt meer aan die zwembaden, dat was gewoon iets van vroeger.”

Opeens wordt er gezongen, Bing en Charlie zetten in en Hockney volgt, in wat een nummer van Bette Midler blijkt te zijn, uit de musical Gypsy.

‘Some people got it and make it pay

Some people can’t even give it away

This people’s got it and this people’s spreadin’ it around

You either have it or you’ve had it.’

Een luide lach van Hockney vult de kamer. Charlie gooit een wijnglas om. Tijd om naar bed te gaan voor de kunstenaar, het loopt tegen middernacht. Morgen staat Ray voor de deur, om te poseren. En de reis naar Normandië laat niet meer zo lang op zich wachten, daar kijkt hij erg naar uit. Elke ochtend vroeg op, naar buiten. Wat een avontuur voor een man op zijn leeftijd, zegt hij. Hoe zal de kersenbloesem eruitzien, de meidoorn, de bladeren aan de bomen?

“Want zeg nou zelf”, zegt Hockney, “wat kun je beter doen in het leven dan in Normandië naar de komst van de lente kijken?”

Hockney-Van Gogh. The Joy of Nature, nog tot 26 mei, Van Gogh Museum, Amsterdam, vangoghmuseum.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
© 2019 MEDIALAAN nv - alle rechten voorbehouden