Dinsdag 23/04/2019

Media

“Martine Tanghe en ik hadden een andere opvatting over onze job. Zij was Madame Journal, mijn werk was mijn leven niet”

Welke groente leest het nieuws? Sigrid Spruyt! Die vraag zat ooit in een Trivial Pursuit-speldoos, vertelt ze zelf in haar Dagboek van een anker. Dat dagboek is een scherp commentaar op de ontwikkeling van het VRT-journaal, al werd het vooral onthaald als een rancuneuze afrekening met ex-collega’s. ‘Mijn kindje is aan stukken gescheurd’, zegt ze. Maar ook: ‘Slechte kritiek bestaat niet.’ Een maand na publicatie is er een tweede druk.

Je dagboek behandelt de jaren 2002 tot 2007: moeilijke jaren voor jou op de werkvloer, maar daar gingen vele ‘wonderjaren’ bij de omroep aan vooraf.

“Hoelang hebben die wonderjaren geduurd? Ik ben begonnen op de redactie in 1989. Een droom waar ik instapte, maar geleidelijk aan leerde ik de binnenkant en achterkant kennen, en begon ik die droom te ontrafelen.”

Je was al snel nieuwsanker, maar ik lees in je boek dat je wel eerst je haren moest laten knippen.

“Dat was een voorwaarde van toenmalig hoofdredacteur Kris Borms, en eigenlijk nog meer van zijn secretaresse. Een vrouw met veel krullen, dat was toen zoiets als een man met een baard.”

Herinner je je nog dat Martine Tanghe in een dubbelgesprek in Humo, in mei 1992, betreurde dat je je haar had laten knippen? Met het compliment erbij dat je voordien de looks had van Willeke van Ammelrooy in Mira.

“Iederéén betreurde dat, maar aangezien het een conditio sine qua non was, moesten mijn krullen er dan maar aan geloven.”

Kijkers vonden weleens dat er een aura van sombere sérieux om je heen hing – je was geen lachebekje.

“Ik ben wél een lachebekje, maar ik zat daar niet Het journaal te presenteren om te lachen. Het is een beroep, een rol, en je moet dat zo neutraal mogelijk doen, zoals je het op de BBC ziet. In Vlaanderen tonen ankers en reporters er te vaak gratuite emoties bij. Dat is een van de kernproblemen: de voortdurende verwarring tussen feiten en meningen. Mijn subjectief oordeel als anker was niet meer waard dan dat van een buurman in het café.”

Een vermakelijke passage in je boek gaat over de dag toen er op de redactie een Amerikaans artikel op het prikbord hing. Men had Amerikanen naar hun mening gevraagd over de stijl van onze nieuwsankers, zonder dat ze een woord begrepen van wat er werd gezegd. Jou vonden ze te zwart van uitstraling.

“Ik weet niet welke fragmenten ze van mij hebben laten zien. Wie weet was die dag mijn grootmoeder gestorven.”

Hun absolute favoriet was Jan Becaus. Jouw commentaar: ‘Het ideaalbeeld van de Amerikaan: blond en onverstaanbaar!’

“Ik herinner me dat hij heel blij was die dag. Blijer allicht dan toen hij die recente opmerking van Jan Peumans las: ‘Een leeg kopje koffie heeft meer uitstraling dan Becaus als senator’, zei die.”

In oktober 2007 stopte je plots als anker. Vanwege een schminkallergie, heette het destijds; nu blijkt dat een intense onvrede over de gang van zaken ter redactie eigenlijk de reden was. ‘Die allergie zal de zaak moeten verklaren’, schreef je toen in je dagboek. Voelde dat alibi als een leugen?

“Nee, want het was geen leugen, of toch geen hele. Alle goede leugens zijn gedeeltelijk waar. Die allergie was er. Ik had op dat moment geen zin om meer uitleg te geven. Sommige dingen hebben tijd en afstand nodig.”

Je motto is een prachtig citaat van Michaïl Sjisjkin. ‘De huid is niet zomaar een zak waarin ingewanden zitten, het is datgene waarmee de wereld ons aanraakt. Haar voelhoorn. En een huidziekte is gewoon een manier om je af te schermen voor aanrakingen. Je zit daar, weggekropen, als in een cocon.’ Daarmee duid je zelf het psychosomatische karakter van die allergie?

“Natuurlijk. Je bestaat niet in brokjes, er is een eenheid van lichaam en geest. Ik voelde me daar al jaren slecht in mijn vel, en door de schoonheid van het toeval viel het uiteindelijk ook letterlijk van mijn vel af te lezen.”

Je zou ook kunnen zeggen dat Raymond van het Groenewoud je van het scherm heeft gehaald. Want nadat je hem in 2002 had leren kennen, ging er een andere wereld voor je open, en ging de VRT nog veel meer op een strafkolonie lijken.

“Het was een clash van werelden, ja. Enerzijds de wereld van schoonheid en muziek, anderzijds die gifbeker, die onverdraaglijke inkijk in het lelijkste van de mens die Het journaal elke dag biedt. Een schoonheidskuur versus een vergiftigingskuur. In Dagboek van een anker staat de negatieve helft van mijn leven. Ik alludeer weleens op de positieve helft, mijn privébestaan, mijn reis door het paradijs met Raymond, maar die zit nauwelijks in het boek. Net daardoor maakte ik op de werkvloer telkens onzachte landingen, zelfs crashlandingen. En dat hou je niet vol.”

Heb je het niet te lang proberen vol te houden?

“Ik had het gevoel op een trein te zitten die op het verkeerde spoor reed, en ja, ik ben te lang blijven zitten. Ik kan nu eenmaal niet makkelijk opgeven – ik ben een echte ram. En ik heb een tijd in de waan geleefd van binnenuit een verschil te kunnen maken. Maar uiteindelijk leefde ik zo hard dat het fysiek niet vol te houden was, nog los van de inhoudelijke bezwaren die ik had. Het was gewoon te veel, iets moest eraf. Mijn kinderen konden er niet af, Raymond in mijn ogen ook niet, dus het werk moest eraf. Er was geen andere optie.”

Je kwam bij de VRT op het moment dat VTM opstartte: die concurrentie veranderde de koers van de openbare omroep in jouw ogen radicaal.

“Dat is nog altijd mijn overtuiging: VTM heeft de bakens van commercie en populisme uitgezet. In mijn twintig jaar op de redactie heb ik Het journaal zien veranderen van een redelijk onafhankelijk nieuwseiland naar een show die moest worden gevuld. Dat was de impact van de marketeers die vonden dat het nieuws een programma als een ander was, dat moest passen in de programmatie. Kijkcijfers gingen voorop. Met andere woorden: er moest gescoord worden.

“VTM is van meet af aan een obsessie geworden: voortdurend dat kijken naar de vijand. Hoe pakken zij het aan? Wat doen zij? In de beginjaren was dat nog om ons tegen hen af te zetten, en om ons als de meer kwalitatieve variant te presenteren. Onze eindredacteurs wezen altijd op de verschillen, kwestie van zichzelf wijs te maken dat wij de deugdzamen waren, de betere versie. Maar in wezen volgden we VTM, waren er steeds minder verschillen. We stapten mee in dezelfde dynamiek, bevestigden het discours dat we zegden te bestrijden. Schoorvoetend zijn we gevolgd, op den duur was het gewoon één pot nat.”

Je geweten speelde het meest op als je de politieke gevolgen van de populistische aanpak overschouwt: je schrijft dat de opkomst van het Vlaams Blok/Vlaams Belang voor een groot deel te wijten is aan de VRT. Je wijst ook op de invloed van ‘de man die op de nieuwsdienst aan alle touwtjes trekt’, Dieu Siegfried Bracke.

“Ik vermeld Bracke niet in mijn boek.”

Je moet niet gestudeerd hebben om in ‘Machiavelli’ Bracke te herkennen.

“Mijn punt is daar dat wie dacht het Vlaams Belang te kunnen bestrijden, uitging van een verkeerd concept. Het leek toch wel erg op een soort duelleren ter streling van het eigen ego, het kruisen van de degens met de tegenstander, vanuit de overtuiging: ik kan dat aan! Als Bracke die illusie had, dan heeft hij zich vergist. Hij heeft het Vlaams Belang alleen maar groter gemaakt door ze een forum, tijd, een megafoon aan te bieden.

“Je kunt die populisten geen weerwerk bieden, televisie leent zich daar niet toe. Dat bleek onlangs nog eens uit het interview van Kathleen Cools in Terzake met Dries Van Langenhove. Het móést wel een oppervlakkige schermutseling worden, een gevecht waarin uiteindelijk niets gezegd wordt, maar de populist slaagt er wel in om de regie over te nemen, om de toon te zetten. Van Langenhove zat te genieten. Van een kritische vraag maakte hij meteen een aanval, wat zijn stelling van de ‘vijandige openbare omroep’ bevestigde.”

Jouw conclusie: geen Van Langenhove in de studio?

“Ja. En dat is geen pleidooi om het Vlaams Belang volstrekt te negeren, wél om ze niet te pas en te onpas op te voeren als een partij als een andere.”

Uiteindelijk was het Bart De Wever die het Vlaams Belang heeft afgeblokt, wordt vaak gezegd. Daarmee ga je niet akkoord, geloof ik.

“Néé! In feite was het een witwasoperatie: De Wever is zo handig geweest de stemmen van het Vlaams Belang die verloren gingen door het cordon sanitaire naar zijn partij te draineren en wit te wassen: hij heeft de oprukkende verrechtsing in Vlaanderen salonfähig gemaakt.”

En de VRT heeft alweer een steentje bijgedragen aan de opgang van N-VA?

“Er zijn onderzoeken die aantonen dat die partij buitensporig veel werd opgevoerd. Dat is ook logisch, als er vóór alles moet worden gescoord. Want wat scoort er in de politiek? Het populisme. Die verziekte verstrengeling van massamedia en populisten heb je ook gezien met Trump in de VS. Populisten weten hoe de pers werkt, welke vette vissen ze moeten uithangen opdat de media zouden bijten. En zeker tv werkt graag altijd met dezelfde mensen bij wie ze terecht kunnen voor een perfecte quote van tien seconden.

“In Het journaal zat na de recentste gemeenteraadsverkiezingen een heel betekenisvol beeld. Burgemeester De Wever had zich heel lang ergens schuilgehouden, en toen hij eindelijk aan een zegemars begon, zag je hoe een VRT-journalist als een slaaf achter hem aan holde om een woordje van ‘de Grote Leider’ te kunnen opvangen. Een vernederend spektakel, want hij werd straal genegeerd. De Wever maakte tegenover de partijgenoten die hem omringden het misselijke grapje: ‘Jullie zijn mijn schild en mijn vrienden.’ Gezien de verkiezingsuitslag wist hij inmiddels dat hij zich zoiets kon permitteren. Dat is toch helemaal terug naar af, het beeld van een VRT-journalist die met zijn microfoon staat te hengelen: ‘Meester, zeg eens iets!’ Zo ging het vijftig jaar geleden in de Wetstraat: ‘Meneer de eerste minister, zegt u het maar!’”

Tien jaar geleden maakte Siegfried Bracke de overstap van de nieuwsdienst naar de grootste partij.

“Uiteraard, want als je begeesterd bent door de macht, als dat je ding is, dan kies je daarvoor. Je hebt mensen die uit overtuiging kiezen voor een partij, maar het gros van de mensen zijn opportunisten die hun huik naar de wind hangen.

“Ik heb eens een lijst gemaakt van alle journalisten die in de politiek gestapt zijn – vrij indrukwekkend, hoor. Dan zie je goed hoezeer het een verstrengelde wereld is, van gebruiken en gebruikt worden. Het laatste dozijn journalisten dat de overstap maakte, deed dat naar één partij: de N-VA. Dan wordt het democratisch gezien gevaarlijk en ongezond.”

‘Interessant, die mediakritiek van Sigrid Spruyt,’ zo heb ik een paar keer gelezen, ‘maar ze had die niet in de vorm van een dagboek mogen brengen: zo draait het uit op een afrekening met ex-collega’s.’

“Het was niet mijn bedoeling een kritische analyse te schrijven, maar een getuigenis te leveren. In de vorm van een bestaand dagboek, dingen die ik had opgeschreven omdat ze eruit moesten, de ergernis, de frustratie, de woede. Voor mij is het geen afrekening. De kernboodschap van het boek is misschien wel dat nieuws mensenwerk is. En dus is het onvermijdelijk dat die mensen erin voorkomen. Dat ik het over collega’s moest hebben heeft me lang tegengehouden om het te doen. Ik wist dat sommige dingen zouden kwetsen. Ik ben soms redelijk ongenadig, dat is eigen aan een dagboek. Ik spaar niemand, ook mezelf niet. Je mag nooit uit het oog verliezen dat ik het toen niet opschreef voor publicatie.”

Wat gaf de doorslag om dat een dozijn jaar later toch te doen: een persoonlijke of een maatschappelijke motivatie?

“Voor mezelf was het een los eindje dat daar nog hing. Iets uit mijn publieke leven waarvan ik het gevoel had dat ik er ook publiek een punt achter moest zetten, om het te kunnen loslaten. Maar wat uiteindelijk de doorslag heeft gegeven, is het maatschappelijk nut ervan. Omdat ik zie dat het met de media de verkeerde kant blíjft opgaan, met naar ik vrees nefaste gevolgen waarvan we het einde nog niet hebben gezien. En daar mag eens over nagedacht worden. Dat klinkt nu zwaar, maar het is zo: ik vind dat de verplichting die ik had ten opzichte van het publiek en de samenleving groter is dan de verplichting ten aanzien van een ex-werkgever. Dirk Sterckx had gelijk toen hij reageerde dat elke werkvloer zijn problemen heeft – maar de VRT-redactie is een bijzondere werkvloer: als het een koekjesfabriek was, had ik het niet gedaan. Maar het gaat over de openbare omroep, die zoveel impact heeft op wat mensen denken.

“Ik ben een geprivilegieerde getuige, ik weet hoe het daar reilt en zeilt. Ik weet hoezeer de weergave van de realiteit in een journaal kan ontsporen. De mensen weten het níét en slikken alles maar voor zoete koek.”

Ex-hoofdredacteur bij de VRT Carl Voet zegt: ‘Sigrid Spruyt doet wat ze de media verwijt, ze zoekt het conflict.’

“Zijn reactie is naast de kwestie. Hij had heel waarschijnlijk het boek nog niet gelezen toen hij dat zei, hij ging voort op de reacties in de rioolpers. Vanuit de VRT zijn de reacties tot nog toe zo voorspelbaar als wat. ‘Afrekening!’ ‘Personenkwestie!’ Als ze het boek maar kunnen opzijschuiven. Je krijgt alleen maar de mensen te horen die de pr van het bedrijf doen; de anderen hoor je niet, ze kunnen moeilijk bijten in de hand die hen voedt. De bereidheid tot kritische zelfreflectie is er alleen maar kleiner geworden.

“Ik heb gekeken naar de reeks over veertig jaar tv-journalistiek bij de VRT, Dank dat u bij ons was – die titel alleen al! Het wij-zij-denken... Ik heb geweigerd eraan mee te werken, want ik wist waarop het zou uitdraaien: lachen met het verleden, doen alsof we nu in de beste der werelden leven – zelfverheerlijking. Na de uitzending kreeg ik een berichtje van een ex-collega die nog altijd op de VRT werkt: ‘Die verheerlijking is zo verschrikkelijk walgelijk, ik voel eerlijk gezegd plaatsvervangende schaamte.’ Een ex-collega die wel aan dat programma meewerkte, gaf een halfuur lang kritiek. Daar is geen seconde van uitgezonden, hij is volledig geschrapt! Alles wat niet in het kraam van de firma past, moest er blijkbaar uit. Het moeten allemaal klonen zijn in het voortmarcherende leger.”

Ik zag op Twitter nogal wat instemmende reacties van rechtse rakkers die concluderen dat ‘de VRT rot is tot op het bot’. Dat was niet de bedoeling?

“Ik hoop maar dat je ze nu niet begint voor te lezen. Ik scherm me daarvoor af, ik hou ook de reacties uit de rioolpers liever buiten. Kijk, dit is mijn eerste boek. Ik kreeg tien auteursexemplaren toegestuurd, een pak van 3,670 kilogram. Mijn kinderen wogen iets meer bij hun geboorte, 3,820 en 4 kilo, maar je begrijpt het: ik zie dit boek ook als een kindje. En na de laaiend positieve reacties van vrienden en kennissen deed de mainstreampers, De Standaard, De Morgen, ongeveer niets. Maar dan stortte de rioolpers zich op mijn kindje, scheurde het op alle mogelijke manieren aan stukken. In plaats van de essentie van het boek weer te geven, haalde men er een paar smeuïge stukjes uit, de vettige brokjes…”

Die je, zeg ik even voor de goede orde, er wel zélf in liet staan.

“Néé, de vettigste brokjes zijn er uiteraard uit. (lacht) Het is toch hilarisch dat het hele boek gereduceerd werd tot de kwestie wie ‘Bronstige bonobo’ wel mag zijn, die mij in het dagboek voortdurend het hof maakt. Het hele boek gereduceerd tot een zoektocht naar een aap! Het is nog erger: terwijl ze zich alleen op het scandaleuze richten, krijgen ze zelfs op dat terrein de feiten niet op een rij. Het Nieuwsblad drukte zwart op wit de leugen af dat het om Karl Vannieuwkerke ging.”

Die kon er wel mee lachen, heb ik begrepen.

“Ik geloof dat het lachen hem snel vergaan is, hij heeft me haast gesmeekt hem te hulp te komen. Karl werd op sociale media bedolven onder bagger, kreeg zelfs bedreigingen. En er kwamen ook vragen van de VRT-directie. Seks op het werk is in #MeToo-tijden een heksenjachtkwestie en die rioolblaadjes hadden de juiste context ook weggehakt: in feite heb ik altijd een prima relatie gehad met de hele sportredactie, Karl én de Bronstige bonobo incluis.

“De uitgever van mijn boek, André Van Halewyck, zei me: ‘Ik ben wel wat gewend van de pers, maar deze botheid tart toch elke verbeelding.’ Ik heb even, als moeder van dit kind, de reflex gehad mijn boek in bescherming te nemen en te reageren. Maar die impuls heb ik onderdrukt. De media zijn almachtig, je hebt geen verweer. Elke reactie van jouw kant is voeding voor hen, maakt het alleen maar erger. Dat heb ik geleerd toen in 2003 het pulpblad Tv Gids het op niets berustende nieuws verspreidde dat ik zes maanden zwanger was van Raymond. Het enige wat je kunt doen, is jezelf afschermen. Geen tv, geen radio, geen bladen, geen smartphone, geen Twitter, geen Facebook, niets. Het is bizar, zo’n kluizenaarsleven in deze tijd, maar ik moet het doen. Deze tijd is ziek, in mijn ogen; om zelf niet ziek te worden, moet ik mezelf beschermen. Je gaat niet uit vrije wil in een riool zitten. Van de reacties onthoud ik dat ze mijn stelling bevestigen: het is de losgeslagen media niet te doen om een goede weergave van de werkelijkheid, ze willen vooral scoren.

“Weet je, ik keek de voorbije maanden wat meer naar Het journaal, omdat ik dat aan mijn boek verplicht was. En wat merkte ik ? Je zal misschien lachen, maar ik kreeg opnieuw last van de huid om mijn ogen, echt waar. Het blijft een vergiftigingskuur en een bron van ergernis, waarvan ik hoop dat ik ze na dit boek achter me kan laten.”

Yves Desmet vroeg zich op Twitter af of de VRT het zou aandurven je uit te nodigen in een programma. Is dat gebeurd?

“Er is een vraag gekomen van De madammen en een van Lieven Van Gils. Allicht dacht hij even mee te kunnen surfen op de rioolhype van het moment, de bonobokwestie. Ik wéét dat mijn inhoudelijke kritiek daar niet aan bod kan komen, ik kom namelijk van daar. En ik wil niet op tv komen, ik wou daar juist weg.”

In je inleiding schrijf je dat je een speurtocht naar de personen achter de schuilnamen wel verwacht had.

“Maar mijn verwachting was niet dat het zowat de énige reactie zou zijn.”

Heb je ten minste een beetje plezier beleefd aan het bedenken van al die schuilnamen: Pastoor, Walgchef, Chef nulman, Mustang, Boekhouder, Dooie vis….

“De meeste moest ik niet meer bedenken, die stonden zo in het dagboek. Voor wie ze wil ontraadselen, is het niet erg moeilijk. Behalve dan de Bronstige bonobo…”

Bij al die nieuwschefs een gezicht bedenken, daar had ik het toch moeilijk mee.

“Dat is normaal, ze waren met te veel – een heel leger van chefs.”

'Martine Tanghe en ik hadden een andere opvatting over onze job. Zij was ‘Madame Journal’, mijn werk was mijn leven niet.’

Voor de alias van Martine Tanghe koos je een roofdier uit de familie van de marterachtigen: Bunzing. De concurrentiestrijd tussen jullie twee slorpt behoorlijk wat inkt op.

“Omdat haar houding zwaar op me woog, dat voel je. Maar je vergist je met die concurrentie. Die was er voor mij niet, alleen zíj dacht dat er een tweestrijd was. Voor mij was die er niet. Wat ik bij haar zag, was angst.”

Terwijl het allemaal zo goed begonnen was: in het dubbelinterview uit 1992 dat ik al vermeldde, zei Martine Tanghe: ‘Sigrid heeft de jeugd, ik heb de ervaring, ik vind dat we allebei moeten blijven.’

“Ze ging toen even voor het Vlaams Parlement werken. Misschien sprak uit die zin ook al een beetje angst voor het moment van haar terugkeer op de redactie. Angst is nooit een goede raadgever.”

Je beschrijft hoe je door haar gepest werd. Zou het allemaal samen een stevig dossier opgeleverd hebben waarmee je vandaag naar een ombudsdienst had kunnen trekken?

“Ook in dat opzicht ben ik niet van deze tijd, ik heb geen ervaring met pestombudsmannen en geloof dat ze me niet zouden liggen. Van een vriendin die er in het onderwijs mee te maken heeft, hoor ik trouwens dat het niet werkt. Pesten gebeurt subtiel.

“Een ex-collega zei me, overigens zonder het boek gelezen te hebben: ‘Martine Tanghe zal nu wel in de gordijnen klimmen.’ Maar daar is het me niet om te doen. We hadden een andere opvatting over ons werk, dat speelde mee. Zij was ‘Madame Journal’, vereenzelvigde zich helemaal met die stoel. Dat was ook het rolmodel dat we voorgeschoteld kregen: je moest voor 100 procent oproepbaar en inzetbaar zijn. Dat zal vandaag nog erger zijn. Ik ken ex-collega’s die bespaard hebben op hun kinderaantal, of niet aan kinderen begonnen zijn, omdat het onverzoenbaar was met het werk. Waar ben je dan mee bezig? Mijn werk was mijn leven niet, ik deed het heel graag en zo goed mogelijk, maar ik had ook een ander leven.”

In het dagboek schrijf je met enige regelmaat over het belang van de gedeelde liefde met Raymond in dat andere leven. Of die liefde vandaag nog bestaat, daarover laat je de lezer in het ongewisse.

“De liefde blijft altijd. Raymond en ik zijn wederhelften, wij wonen in elkaar, waar we ook zijn. In wezen zijn wij onafscheidelijk, we hoeven daarvoor in het dagelijkse leven niet aldoor samen te zijn, het is een zielsverwantschap. Ken je dat liedje van Raymond: ‘Ik zal m’n weg gaan, jij zal jouw weg gaan, maar we worden toch altijd naar elkander terug geleid’?”

Raymond zei niet zo lang geleden dat, wat hem betreft, Khalil Gibran het ultieme woord spreekt: ‘Als de liefde je wenkt, volg haar dan, ook als zij naar wegen moeilijk en steil gaat.’ Ik dacht toen: die is ergens een nieuw steil pad begonnen.

“Je kan ook bestaande liefde, de liefde van je leven, blijven volgen als haar pad moeilijk wordt. Misschien bedoelde Gibran wel dat je haar dan niet moet afvallen. Prille liefde doet zweven en is net niet moeilijk. Liefde is niet alleen een zaak van hart en ziel. Er is ook het lijf. Je moet weten dat er een tijd is voor alles: een tijd om vast te houden, een tijd om los te laten en weer een tijd om écht vast te houden. Loslaten kan een andere manier van vasthouden zijn. De liefde is geen gevangenis. En niet elke vrouw is een valstrik.”

Je doet Khalil Gibran op cryptische wijze aardige concurrentie aan. Die zegt ook: ‘Net zoals liefde je kroont, zo zal zij je kruisigen.’

“Ja, liefde heeft haar zegeningen en beproevingen, en vraagt soms offers. Ik geloof in de onvoorwaardelijke liefde. De liefde die geen eisen stelt – in wezen is dat de liefde van een kind, volledige overgave. Je mag geen angst hebben – geen angst om te geven, geen angst om te verliezen.”

Oké, maar verliezen kan altijd, ook als je er geen angst voor hebt.

“Tuurlijk, verliezen doen we sowieso. Het leven is een harde leerschool in verlies. Alleen: wie bang is krijgt ook slaag, zei mijn grootmoeder, en dán bederf je het plezier. Met de liefde kan je nooit verliezen. Ik geloof dat de liefde alles overwint. Dat bepaal je zelf. Je kiest voor de liefde, voor het goede in jezelf. Over een ander heb je geen controle. Liefde is altijd de weg, zonder liefde blijft alleen bitterheid.

‘Raymond en ik, wij wonen in elkaar, waar we ook zijn. Daarvoor hoeven we in het dagelijkse leven niet aldoor samen te zijn.’

“Zeker in het leven van een vrouw komt het moment dat je voor de keuze staat: liefde of verbittering? We zijn namelijk zoals Job: eerst wordt je – als het goed is – alles gegeven: jeugd, schoonheid, geliefden. Maar als je ouder wordt, dan wordt het je allemaal ontnomen. Je kan dat betreuren en gaan klagen en zagen, maar daar schiet je niets mee op, daar word je ongelukkig van. Uiteindelijk verlies je toch echt alles, want je gaat dood. Dus moet je ouderdom kunnen zien als een geschenk, maar dat is niet simpel...

“Als vrouw sterf je in zekere zin ook al bij leven: je wordt niet meer gezien als vrouw, niet meer gewild of begeerd, je bent niet meer nodig. Dat doet pijn, het is als het afleggen van een huid – daar zitten we weer bij het vel… Dat vervellen, het verlies van de rol van je leven, is wat ze de overgang noemen. De rollen die overblijven zijn die van moeder, grootmoeder, schrijver, wijze… Niet altijd prettig, maar je moet je daarbij neerleggen. Het heeft geen zin te willen bloeien in de herfst, zoals Patricia De Martelaere eens heeft gezegd. Je moet blij zijn met wat er is, en dat is het leven zelf.”

Mensen die absoluut willen weten of Sigrid Spruyt nog met Raymond is, verwijzen we door naar deze, overigens interessante, cursus filosofie?

“Ja! (lacht) Weet je, ik kan die mensen geen antwoord geven, want ze stellen de verkeerde vraag, vanuit hun eigen opvattingen over de liefde, hun eigen relatie. Er bestaat liefde die de ‘normale’ opvattingen van hoe het er hoort aan toe te gaan overstijgt.”

Blijft het bij dit ene boek?

“Nee. Maar ik zeg nog niets over wat nog komen gaat.”

Sigrid Spruyt, ‘Dagboek van een anker’, Uitgeverij Van Halewyck.

© HUMO

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.