Dinsdag 30/11/2021

InterviewMarnix Peeters

Marnix Peeters heeft nieuwe roman klaar: ‘Schrijf vooral op dat ik witheet ben’

Marnix Peeters in de rivier de Our, vlakbij zijn huis in Burg-Reuland: ‘Ik ben een behoorlijk emotioneel wezen. Als er een vogeltje tegen onze ruit vliegt, kan dat mijn dag verkloten.’ Beeld Wouter Maeckelberghe
Marnix Peeters in de rivier de Our, vlakbij zijn huis in Burg-Reuland: ‘Ik ben een behoorlijk emotioneel wezen. Als er een vogeltje tegen onze ruit vliegt, kan dat mijn dag verkloten.’Beeld Wouter Maeckelberghe

Marnix Peeters (56) heeft een nieuw boek uit: De jacht op Ursula Graurock, een roman waar het politiek incorrecte schrijfplezier van afspat. Wilde hij moedwillig op lange tenen trappen? ‘Schrijf vooral op dat ik witheet ben.’

Je hoeft geen kinderen te hebben om een gezin te vormen. Al na vijf minuten in het gezelschap van Marnix Peeters, zijn vrouw Jana en hun tot huisdier omgeschoolde berghond Boef, weet ik: dit is een drie-eenheid. Boef is duidelijk meer dan een ­zoölogisch decorstuk dat mooi accordeert bij het onthechte natuurleven van zijn baasjes. Hij wordt liefdevol aangesproken met Boefje, krijgt volzinnen in plaats van bevelen toegeworpen en heeft evenveel recht op een plekje op de gezinsfuton als zijn voogden. Mocht Boef praten in plaats van blaffen, hij zou vast mogen deelnemen aan de avondlijke gesprekken over de subsidiecultuur in de Nederlandse letteren.

BIO • geboren op 15 juli 1965 • schrijver, journalist en columnist • werkte o.a. voor Humo en Het Laatste Nieuws • schreef o.m. De dag dat we Andy zijn arm afzaagden, Natte dozen en Zo donker buiten • mede-oprichter van uitgeefplatform Pottwal Publishers • woont in Auel, Burg-Reuland, samen met echtgenote Jana Wuyts en hond Boef

Sinds Boef zijn leven binnen kwam gekwispeld, is Marnix Peeters het concept van onvoorwaardelijke liefde beter gaan begrijpen, zegt hij. Al wil dat nog niet zeggen dat er in zijn hart een late kinderwens is ontloken. “Ik ben nog altijd niet ­jaloers op kameraden met kinderen. Integendeel: de aanwezigheid van Boef heeft me doen inzien dat ik een gruwelvader zou zijn. Ik ben veel te beschermend. Al wandelend met Boef kruis ik weleens ouders die tegen hun kind zeggen: ‘Blijf maar uit de buurt van de hond, Joris.’ Zo’n vader zou ik ook zijn. Al zou ik nog liever doodvallen dan mijn kind Joris te noemen, natuurlijk.” (lacht)

Zijn berg in de Oostkantons is in melancholische herfstnevelen gehuld. Maar binnen verspreidt het koffiezetapparaat de geur van huiselijkheid en troost. Op de eettafel liggen dennenappels en een hertengewei. Ik zie noch interieurmagazines die geluk verwarren met een roestvrij keukeneiland, noch zelfhulpboeken die je opdragen om van je depressie je beste vriend te maken. Hier raakt de drukdoenerige buitenwereld zelfs op vertoon van een coronapas niet binnen.

Marnix Peeters oogt ontspannen. Hij geniet van het literaire interbellum tussen de dag waarop hij De jacht op Ursula Graurock naar de drukker stuurde en de dag waarop het in de winkels zal liggen. ‘Mijn verbeelding is momenteel onblusbaar’, schreef hij in een van zijn laatste Zeno-columns. ‘Alle personages die al maanden staan te dringen om in een volgend verhaal te acteren, mogen nu één voor één op audiëntie komen. Ik trek met hen de bossen in en laat ze op me inpraten, me plagen, me uitdagen of hun arm om mijn schouders slaan. Wie zegt dat schrijven een opgave is, heeft nog nooit één voet in die schitterende schimmenwereld gezet.’

CEO van een vleesbedrijf

In De jacht op Ursula Graurock doet Marnix Peeters waar hij ook in zijn vorige romans in uitblonk: de wereld al grappend bij de lurven vatten en zich geen fluit aantrekken van wat die wereld daarvan denkt. Het verhaal, losjes samengevat: student journalistiek Woutje Timmermans gaat in het kader van zijn eindwerk op zoek naar Ursula Graurock, de CEO van een vleesbedrijf. Hij wordt op zijn expeditie bijgestaan door Cherif, een zwarte nachtwinkeluitbater, en twee van diens klanten: Dikke Donny, kenner van het nazisme, en Anamanda, belijdster van een spirituele variant van het feminisme. Jagend op frau Graurock ontmoet het viertal nog een Egyptische seksgod die in het obese lichaam van Anamanda erotiek ontwaart, een kebabkoningin die bevrucht werd door een Syrische zaaddonor, en twee lesbische B&B-uitbaters gekleed in ‘donkerblauwe lesbiennebroeken’.

Peeters’ personages schelden elkaar voortdurend ondersteboven – zwaarlijvige vrouwen zijn ‘vleeshutten’ – maar houden daar nauwelijks emotionele littekens aan over. Het is niet omdat Cherif Anamanda toebijt dat ‘haar winden naar de duivel stinken en haar zweet naar de hond’, dat ze wat later geen blik ‘Welchenbrau’ met hem wil kraken. Iedereen is uitlachbaar, lijkt Peeters bij monde van zijn personages te denken. En wie daar niet tegen kan, heeft geen of niet genoeg emovitamientjes gegeten of neemt zichzelf te veel au sérieux.

Sjoukje Frutselma

Ook in zijn Zeno-columns ergert Marnix Peeters zich al een tijdje bont en blauw aan ‘de hypersensitieve tijdgeest, waarin altijd wel iemand zich beledigd of gekwetst voelt’. Staat iemand die op een berg in de Oostkantons woont op een potiger manier in het leven dan iemand met een penthouse in Antwerpen-Zuid?

‘De meeste mensen hebben het lastig om saaiheid in hun leven toe te laten. Maar het is pas dan dat je begint op te leven.’ Beeld Wouter Maeckelberghe
‘De meeste mensen hebben het lastig om saaiheid in hun leven toe te laten. Maar het is pas dan dat je begint op te leven.’Beeld Wouter Maeckelberghe

“Niet noodzakelijk. Maar mijn fysieke afzondering doet me wel anders naar de wereld kijken. Ik word hier omringd door doodgewone mensen met doodgewone beroepen. En die houden er een heel ander discours opna dan de mensen die in de media doorgaans het woord krijgen. Nog nooit heb ik een van mijn vrienden over de zaak-Demarez horen zeggen: ‘Mm. Interessant debat.’ Integendeel, ik zie vooral aanzwellende irritatie: ‘Zijn ze nu wéér aan het zagen?’ Ik vrees dat het onophoudelijke maatschappelijke gesemmel zich electoraal in een gitzwarte zondag gaat vertalen. Elke zaak-Demarez is 1 procent extra voor het Vlaams Belang. Omdat die zaak niet over de echte problemen van de mensen gaat en toch disproportioneel veel aandacht krijgt.

“Een van mijn beste vrienden – Marc, een buschauffeur van De Lijn – vertelde me dat zijn werkgever de banden van zijn bus weer wat harder heeft opgepompt. Om benzine te sparen. Maar daardoor is de vering van zijn bus te hard geworden en heeft hij het aan zijn rug gekregen: hij moet tegenwoordig twee keer per week naar de osteopaat. Zo’n Demarez-kwestie kan er bij hem echt niet in. Dat debat gaat volledig voorbij aan de nijpende problemen die hij heeft.”

Ik werp op dat de manier waarop er in de samenleving over lesbiennes wordt gepraat voor de vrouwen in kwestie ook een nijpend probleem is. “Ja, maar Ann Wauters is toch een flinke vrouw? Ze kan Eddy Demarez toch ook zijn broek gaan aftrekken? Maar nee, ze kiest voor dat treurige ‘goh, we waren echt geschrokken’-toontje. Stel je toch niet aan. Weet je waarvan je moet schrikken? Van mensen die met 175 kilometer per uur door de bebouwde kom razen. Gebruik je bekendheid eens om dát probleem aan te kaarten. De Belgian Cats hebben de mensen nog maar eens het gevoel gegeven dat ze voortaan niet twee, maar drie keer hun tong moeten omdraaien voor ze iets zeggen. Die langetenerij, die almaar toenemende verkramping, ik kan daar niet meer tegen. Doe niet flauw. Zet u schrap. Ga verder.”

Complete ramp

Is wat hij “toenemende verkramping” noemt niet gewoon toenemend inlevingsvermogen? Laten we lief zijn voor elkaar: dat is toch een prima maatschappelijk uitgangspunt? “Ja, maar het inlevingsvermogen is niet gelijk verdeeld. Ik zie geen empathie voor de buschauffeurs die op last van hun bazen hun rug kapot aan het rijden zijn. Of voor de kuisvrouwen die niet kunnen gaan werken omdat ons openbaar vervoer een complete ramp is. Het medeleven gaat exclusief naar Sjoukje Frutselma, die zich nog aan het bezinnen is over haar genderidentiteit, maar het niettemin betreurt dat haar arts niet bereid is om alvast haar borsten te verwijderen.”

Ik zeg dat ik betwijfel of je de problemen van de ene groep moet bagatelliseren om aandacht te vragen voor de besognes van de andere. Het volume van zijn stem gaat de hoogte in. “Ik bagatelliseer helemaal niks. Ik zeg alleen dat de berg aandacht voor Sjoukje, Bregje en Flapje andere mensen volledig in het donker zet. En dat jullie, stomme journalisten, dat niet eens meer beseffen. Ik lees niks over de mensen die niet op hun werk raken omdat hun bus weer niet rijdt. Terwijl jullie dagen aan een stuk mekkeren over Bart Peeters die zogezegd een seksistisch liedje heeft geschreven.

(nog luider) “Honderdduizenden mensen worden compleet aan hun lot overgelaten. En die gaan straks allemaal op het fucking Vlaams Belang stemmen. Snappen jullie dat nu niet?! En schrijf vooral dat ik witheet van woede ben! We staan voor de zwartste jaren ooit. En de linkse pers, De Morgen voorop, blijft maar doorstomen. Elke dag opnieuw gaat het over gendergelijkheid en diversiteit. Over andere kwesties wordt er met geen woord meer gerept. Ik vind dat ronduit misdadig.”

Geen rechtse rat

Er valt een stilte; interviewer en geïnterviewde kijken elkaar een paar tellen onbegrijpend aan. Maar we zijn nog niet uitgebakkeleid. “En het ergste van al is dat de mensen die de facto ‘geannuleerd’ worden ook nog eens gedwongen worden om meteen mee te zijn met elk nieuw gender­inzicht. Want als ze dat niet doen, worden ze weggezet als reactionaire lomperiken. Dat is zo fout. Als je mensen onder druk gaat zetten om iets te aanvaarden waar ze nog niet klaar voor zijn, gaat hun tegenreactie nog veel harder zijn.

‘Elke zaak-Demarez is 1 procent extra voor het Vlaams Belang. Omdat die zaak niet over de echte problemen van de mensen gaat.’
 Beeld Wouter Maeckelberghe
‘Elke zaak-Demarez is 1 procent extra voor het Vlaams Belang. Omdat die zaak niet over de echte problemen van de mensen gaat.’Beeld Wouter Maeckelberghe

“Ik merk dat mijn arbeidersvrienden zich een stuk krasser opstellen dan een jaar geleden. Dat hun internetmemes extremer aan het worden zijn. En dat komt allemaal omdat ze onder druk gezet worden om al die genderdiffuse jongens en meisjes zonder boe of bah te fêteren. Of om woorden die ze al decennialang gebruiken, zoals ‘neger’ of ‘mongool’, stante pede naar het containerpark te dragen. Kunnen we het niet-intellectuele deel van de bevolking alstublieft nog de kans geven om op eigen tempo aan maatschappelijke veranderingen te wennen? Niet iedereen heeft een IQ van 120.”

Is er dan een IQ van 120 nodig om zwarten ‘zwarten’ te noemen en mensen met het syndroom van Down ‘mensen met het syndroom van Down’? Als we een stapje richting beschaving kunnen zetten door hier en daar een woord uit ons vocabulaire te schrappen, dan doen we dat toch gewoon?

“Maar gaan we dan onze volledige woordenschat herschrijven? Zwartrijden is nu al aan de beurt. En het Witte Huis zal binnenkort ook wel van naam moeten veranderen. Dat is een neverending story. We moeten dringend stoppen met lullen. Anders ontslaan we onze politici van hun plicht om de echte problemen aan te pakken. Kunnen ze opgelucht ademhalen en zeggen: ‘Oef, we moeten het vandaag weer niet over de armoede hebben.’

“Gelukkig is er nog Jos D’Haese van de PVDA. D’Haese herinnert zijn collega’s aan de thema’s waarover ze zich wél horen te buigen: het onrechtvaardige belastingstelsel, de energieprijzen die door het dak gaan... We moeten in 2024 allemaal op de PVDA stemmen, ik meen het. Want in tegenstelling tot wat sommigen lijken te denken, ben ik géén rechtse rat. Ik ben godverdomme linkser dan de voltallige redactie van De Morgen. Maar dan wel op een niet-intellectualistische manier. Ik weiger mensen die niet onverwijld achter de tijdgeest aan huppelen te criminaliseren. En ik teken geen Hitler-snorretje op mensen die het woord ‘neger’ nog gebruiken. Dat slaat helemaal nergens op.”

Hij vult onze koffiemokken bij, ik maak van de tijdelijke wapenstilstand gebruik om te opperen dat een gespannen verhouding met de tijdgeest misschien wel leeftijdsgebonden is. Vijftigplussers zitten vaak geprangd tussen twee normenstelsels: er is al een nieuw denkkader in omloop, maar ze zijn nog gehecht aan het oude. Met alle irritatie van dien.

Hij grijnst en zegt: “Dat geldt dan toch niet voor mij. Hoe ouder ik word, hoe pluralistischer. Als iemand voortaan als ‘het’ door het leven wil gaan: mij niet gelaten. Maar verplicht mij niet om mijn taal aan te passen. Een van onze buren is een transvrouw. Ze heet niet langer Kurt, maar Manuela. Iedereen noemt haar al grappend Ersie, wat je zou kunnen vertalen als Hijzij. Maar niemand legt haar een strobreed in de weg. En Ersie zelf heeft niet het minste probleem met haar bijnaam. Als iemand haar per ongeluk nog eens Kurt noemt, zegt ze niet: ‘Jij hebt mijn deadname gebruikt! Schandalig!’ Er worden geen messen getrokken, geen huizen in brand gestoken, het leven gaat gewoon verder. Het bewijs dat verandering op een organische manier ­ingang kan vinden is hier, in Burg-Reuland godbetert, te vinden.”

Jana en Boef komen langs de achterdeur naar binnen, hun wandeling langs de Our zit erop. De ogen van Marnix Peeters zuigen zich vast aan die van Jana: er wordt zonder woorden liefde uitgewisseld. “Je hebt al veel gemist”, deelt hij zijn echtgenote mee. “Ik heb al geroepen.” “Tegen wie dan?” “Tegen Stef. Hij moet dringend eens wat vaker de bus nemen.”

Boef is geblesseerd: tijdens de wandeling is een schaafwond op een van zijn poten opnieuw aan het bloeden gegaan. Ontsmettingsmiddel en de goede zorgen van Marnix Peeters brengen redding. Zo gaat dat met emotionele vulkanen: ze zijn even onverzettelijk in hun toewijding als in hun verontwaardiging.

Dolkomisch

Ik verklaar het onderwerp politieke correctheid voor behandeld en haal een vraag uit de afdeling literatuur van het schap. Te weten: waarom hebben recensenten het zo zelden over de inhoud van zijn boeken? In recensies van Marnix Peeters-romans knal je steevast tegen de woorden scabreus, zwartgallig en dolkomisch aan. Alsof de humor in zijn boeken de inhoud ervan onzichtbaar maakt.

“Een recensente van de Volkskrant schreef ooit: ‘Als je zo goed kunt schrijven als Marnix Peeters, waarom doe je er dan niks ernstigs mee?’ Tja, dan zijn we uitgepraat, natuurlijk. Het is toch niet omdat je iets met humor vertelt dat je niks vertelt? Neem nu De jacht op Ursula Graurock. De sterkste personages in het boek zijn de zwarte nachtwinkeluitbater Cherif en de Iraanse vluchtelinge Snazzy. Ik zet hen niet neer als slachtoffers die geholpen moeten worden, maar als krachtige individuen: slim en rad van tong. En toch zal dat in de recensies wellicht niet erkend worden als een staaltje van emancipatoir schrijven.

Omdat ik Cherif en Snazzy niet eerst uit een diep dal laat kruipen. Omat ik het niet over hun weg naar de bevrijding heb. Terwijl juist daarin hun soevereiniteit schuilt: ze zijn uit zichzelf sterk, niemand heeft hen moeten redden. Noem mij één Vlaamse roman waarin een zwarte en een vluchteling zo sterk en standvastig zijn: het zal je niet lukken.”

Op de barricaden

Dat zijn boeken soms met stripverhalen worden vergeleken, vindt hij geen belediging, maar een compliment. “Ik hou van stripverhalen: ze hebben een strak vertelritme, een clevere spanningsboog en – heel belangrijk – een happy end. Mijn eigen boeken moeten ook altijd goed eindigen: ik wil dat er in de ontknoping weer hoop aan de horizon gloort. Dat mijn lezers een gevoel van verlossing ervaren. Het laatste hoofdstuk van Ursula Graurock heeft iets van de wafelenbak waarmee Nero-albums traditioneel eindigen: iedereen kan weer door één deur, het leven kan weer gevierd worden. Je wilt je publiek toch niet in een tranendal achterlaten?”

‘Ik zie geen empathie voor buschauffeurs. medeleven gaat exclusief naar genderdiffuse jongens en meisjes.’ Beeld Wouter Maeckelberghe
‘Ik zie geen empathie voor buschauffeurs. medeleven gaat exclusief naar genderdiffuse jongens en meisjes.’Beeld Wouter Maeckelberghe

Hij zegt dat Vlaamse romans de verhalende kwaliteiten van stripverhalen ontberen. Dat ze zo vaak verglijden in autobiografische mijmeringen met veel te veel woorden. En dan volgt er een bekentenis. “Jana en ik doen op iBooks regelmatig aan ghost reading: we lezen elkaar romanfragmenten voor en de ander moet dan raden wie de auteur is. Dat levert soms heel verrassende resultaten op. Leest Jana mij een pagina pure bagger voor, blijkt die geschreven te zijn door de grote Stefan Hertmans. (lacht) Of omgekeerd: lees ik Jana een dijk van een tekst voor, blijkt die uit de koker te komen van Toni Coppers, een auteur die doorgaans toch op een lager echelon gesitueerd wordt. Ghost reading: ik kan het iedereen aanraden.”

‘Het nieuwe enfant terrible van de Nederlandse letteren’, werd hij na zijn debuut genoemd: ook schrijvers worden gretig in uitgewoonde hokjes ondergebracht. Maar een outsider is Marnix Peeters wel degelijk. Toen Mia Doornaert in 2018 benoemd werd tot voorzitter van het Vlaams Fonds der Letteren (thans Literatuur Vlaanderen), kroop literair Vlaanderen briesend op de barricaden. Behalve Peeters: hij schonk zichzelf een Chimay in en liet de literaire pers weten dat het hoog tijd werd dat iemand bij het VFL eens de vleermuizen uit de kasten joeg.

“In het begin van mijn schrijverscarrière heeft het literaire establishment nog even geprobeerd om me aan boord te hijsen. Maar ze hadden al snel door dat er met deze aap niks aan te vangen viel: ik uitte meteen tonnen kritiek op de subsidiecultuur in de Vlaamse letteren. Wég establishment. (lacht) Maar dat ben ik gewend. Toen ik nog muziekjournalist was bij Humo, werd ik nooit uitgenodigd voor de MIA’s. En als tv-criticus van Het Laatste Nieuws ben ik nooit gevraagd om naar de uitreiking van de Vlaamse Televisiesterren te gaan. Ik ben blijkbaar iemand met wie mensen zich geen raad weten. De luis in de pels. Maar ik koester die status. Hoe verder je je van het establishment verwijdert, hoe vrijer je bent.

“Een tijdje geleden deelde Lize Spit op haar Facebookpagina een negatieve bespreking van haar laatste boek, Ik ben er niet. Ze schreef erbij dat ze had moeten slikken toen ze de recensie had gelezen. Dan denk ik: Lize Spit, ge zijt een verschrikkelijk tof wijf en een goeie schrijfster, maar godverdomme, verkoop uw kot in Schaarbeek, ga naar het zuiden van Henegouwen, koop er een ranch en begin eens écht te schrijven. In de natuur ben je altijd beter af. Daar heb je geen last van de toxische literaire wereld en de zuigkracht van de Amsterdamse grachtengordel. Zet u onder een boom, praat met de merels en trek u niks aan van de recensenten. Als je je niet langer afvraagt wat anderen van je denken, begint het pas echt.”

Stiltefeest

Voor Marnix Peeters begon het pas echt toen hij Antwerpen vijftien jaar geleden inruilde voor de Oostkantons. Restaurant Izumi werd frituur Bei Willy, een vette bankrekening een afgeslankte, een voorgewassen jeans een ABL-broek met cargozakken. Maar nog belangrijker: de drang om erbij te horen werd de kunst om autonoom te leven.

“Ik ben hier ontsnapt aan de blik van de anderen. En dat is zonder meer bevrijdend. Eenvoud is, in alle opzichten, het sleutelwoord. Maar eenvoud is niet simpel. De meeste mensen hebben het moeilijk om traagheid, en zelfs saaiheid, in hun leven toe te laten. En toch is het pas dan dat je écht begint op te leven. Het stiltefeest waaraan Jana en ik ons elke dag overgeven, is ongelooflijk heilzaam. Zo donker buiten (zijn reconstructie van het leven van zijn moeder, die aan alzheimer leed, red.) had ik enkel op deze berg kunnen schrijven. Er zijn nog andere alzheimerboeken, maar die staan bol van de pathetiek. Zo donker buiten is gecomprimeerd. Naakt. Ik heb er meer uit weggelaten dan aan toegevoegd. En dat is een rechtstreeks gevolg van mijn leven in de natuur.

‘Toen Jana en ik twee jaar geleden terugkeerden uit Spanje en bij thuiskomst onze gsm’s aanzetten, hadden we geen enkele gemiste oproep. Geloof me of niet, maar daar waren we blij om.’
 Beeld Wouter Maeckelberghe
‘Toen Jana en ik twee jaar geleden terugkeerden uit Spanje en bij thuiskomst onze gsm’s aanzetten, hadden we geen enkele gemiste oproep. Geloof me of niet, maar daar waren we blij om.’Beeld Wouter Maeckelberghe

“Mensen zeggen ons soms: ‘We zijn jaloers op jullie.’ Dan antwoord ik: kom dan ook hier wonen. Bomen zat. ‘Ja, maar we zijn bang van de eenzaamheid.’ ‘Tja. Dan moet je ofwel verder leven met je angst voor eenzaamheid, ofwel toch de confrontatie durven aan te gaan. Want was is de antithese van eenzaamheid? Een sociaal leven? En hoor je je dan niet af te vragen of dat sociaal leven wel zo waardevol is?’ Toen Jana en ik twee jaar geleden terugkeerden uit Spanje en bij thuiskomst onze gsm’s aanzetten, hadden we geen enkele gemiste oproep. Geloof me of niet, maar daar waren we blij om. Leve de rust.”

Beginnende alzheimer

Jana komt erbij zitten, het is tijd om wat te eten. Marnix Peeters duikt de keuken in en komt terug met een kom sla, een warme quiche en drie flesjes Westvleteren. “Hou je niet in”, zegt hij. “Alles mag op.” De man die daarnet nog verbale scudraketten afvuurde, muteert voor mijn ogen in een hoffelijke gastheer.

Na drie slokken Westvleteren zeg ik hem wat mij om voor de hand liggende redenen al eerder in ons gesprek was opgevallen: dat hij voor iemand die naar eigen zeggen in een “emotioneel braakland” is opgegroeid, toch een behoorlijk emotioneel wezen is.

“Dat is zo. Als er een vogeltje tegen onze ruit vliegt, kan dat mijn dag verkloten. Maar ik waak erover dat mijn emotionaliteit niet in gezeur ontaardt. Dat ik mijn emoties niet inroep als een excuus om te mogen mekkeren. Het uiten van je gevoelens mag je niet naar de ondergang leiden. Het moet een hulpmiddel zijn om voor het slapengaan te kunnen zeggen: ‘Zo, dit is uitgesproken, nu kunnen we weer verder.’ (tot Jana) Het helpt natuurlijk dat jij heel goed weet hoe je met mijn emoties moet omgaan.”

Jana: “Ik blijf rustig. Ik veroordeel je niet als je kwaad bent, ik ga op zoek naar de oorzaken van je boosheid. Dat is constructiever. Tegelijkertijd help jij mij om mijn eigen gevoelens beter onder woorden te brengen. We vullen elkaar dus mooi aan.”

Hun huwelijk wordt in interviews vaak symbiotisch genoemd: two peas in a pod. Maar is symbiose niet een duurder woord voor afhankelijkheid?

Jana: “Het is niet zo dat wij volledig met elkaar samenvallen. We geven elkaar veel ruimte. Maar ik vind het wel zalig dat wij zo vaak op dezelfde golflengte zitten. Zelfs op feestjes merken we dezelfde dingen op. We moeten elkaar van weinig overtuigen. Dat bespaart een hoop gedoe.”

Marnix: “Vraag me wat het geheim van onze relatieve rimpelloosheid is en ik antwoord meteen: de afwezigheid van wrok. Wij kunnen ruzies snel achter ons laten. De keren dat we ’s ochtends nog tegen elkaar lopen te mokken, zijn zeldzaam. We hebben geen negatief ingesteld geheugen. Of toch niet meer. Vroeger kon ik veel minder goed vergeten.”

Jana: “Misschien is je geheugen er gewoon op achteruitgegaan.”

Marnix: “Wie weet. Beginnende alzheimer. (lacht) Hoe dan ook: ik kan ruzies steeds makkelijker seponeren. En ik kus mijn pollen dat vooral jij daar zo goed in bent. Want het voorbije jaar kan niet makkelijk geweest zijn voor jou.”

Ik informeer of de lockdown zelfs in hun behaaglijke schrijversnest meer huisraad heeft doen sneuvelen dan gebruikelijk.

Marnix: “Nee, maar we hebben zeker niet het mooiste jaar uit onze relationele carrière achter de rug. En dat ligt volledig aan mij: ik zeulde een ongedefinieerd verdriet met me mee. Vroeger was mijn verdriet behandelbaar: ik kon het toelaten, het aanraken en het nadien ergens anders neerzetten. Maar het afgelopen jaar was mijn verdriet veeleer een zijnsvorm dan een voelsvorm: ik wist niet waar het vandaan kwam, laat staan wat ik ermee moest aanvangen. Ik dacht: als dit gevoel zich van mij meester maakt, moet ik hulp gaan zoeken. Want ik was echt geen plezierig mannetje aan het worden. Gelukkig gaat het nu weer beter.”

Leeftijdsverschil

Jana Wuyts is 40, Marnix Peeters 56: een verschil van zestien jaar waar ze vrolijk hun stapschoenen aan vegen. Maar vrezen ze niet dat het leeftijdsverschil hen op een dag zal inhalen? Dat het over tien jaar groter zal blijken te zijn dan vandaag?

Jana: “Dat zou kunnen, maar dat zien we dan wel. Je kunt moeilijk voorspellen hoe onze levens gaan evolueren. Het heeft weinig zin om daar nu al over na te denken.”

Marnix: “Ik hoef ook niet zo heel oud te worden. Mijn bestaan zal kwalitatief zijn of het zal niet zijn. De kunst van het leven is: op tijd sterven.”

En de kunst van het interviewen is: op tijd vertrekken. Ik raap mijn gespreksattributen bijeen, geef Boef een aai over zijn bol en bedank Marnix Peeters voor zijn ontboezemingen. Voor ik naar buiten ga, geeft hij me nog snel een zak vol appels en hazelnoten uit de tuin. Zelfs zijn interviews hebben een happy end.

Marnix Peeters, De jacht op Ursula Graurock, de Arbeiderspers, 176 p., 17,50 euro. Verkrijgbaar vanaf 19 oktober. Beeld rv
Marnix Peeters, De jacht op Ursula Graurock, de Arbeiderspers, 176 p., 17,50 euro. Verkrijgbaar vanaf 19 oktober.Beeld rv
Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234