Maandag 23/09/2019

Literatuur

Marnix Peeters en Saskia De Coster over de boekensector: "Wij zijn bijna dood. Dóé iets!"

Beeld Stefaan Temmerman

Uit onvrede met de vermolmde boekensector (hij) en toe aan iets nieuws (zij) stapten Marnix Peeters en Saskia De Coster op bij uitgeverij Prometheus. De Coster ging naar Das Mag, Peeters richtte Pottwal Publishers op. "Dat gezeik in Holland, ik ben dat beu."

Geheel tegen zijn natuur in steekt Marnix Peeters behoedzaam van wal. Hij moet voorzichtig zijn, zegt hij, want hij zit in de fase waarin hij zijn rechten moet terugkrijgen. “Onlangs kreeg ik een brief van Prometheus waarin werd gemeld dat al mijn titels geannuleerd zijn.”

Saskia De Coster, op de afspraak in een sweater van Das Mag, denkt dat het zo’n vaart niet zal lopen. “Normaal koopt je nieuwe uitgeverij de rechten over. In dit geval jij dus. (grijnst) Dat wordt nog een leuk gesprek met Mai (Spijkers, uitgever bij Prometheus, SS).”

Wacht even. Moet je je eigen ­boeken terug­kopen?

Marnix Peeters: “Nee, ik krijg die terug. Dat geeft me de kans ze opnieuw uit te brengen in eigen beheer. Ik ben al aan de slag gegaan met De dag dat we Andy zijn arm afzaagden, dat binnenkort uitkomt. Behalve drukken en distribueren doe ik met Pottwal Publishers alles zelf: ik ga met een volledig pakket – pdf van het boek, lay-out, afgewerkte cover, barcode – naar een uitgeverij, in dit geval WPG. Het enige wat ze daar nog moeten doen, is op de knop drukken en het in de winkel leggen. Ik doe ook alle reclame en promotie. (tot Saskia) Ben jij contractueel verplicht die sweater te dragen?”

Saskia De Coster: “Hoezo, vind je hem niet mooi?”

Peeters: “Je brengt me op een idee: Pottwal-T-shirts!”

Waarom ben je met een eigen ­uitgeefinitiatief begonnen?

Peeters (laat de behoedzaamheid varen): “Ik ben dat eeuwige gezeik in Holland beu. Als je één keer neger schrijft – wat ik in In elke vrouw schuilt haar moeder helaas weer veel doe –, dan geeft dat altijd gezever. Enfin, dat is natuurlijk niet de hoofdreden om zelf iets te beginnen, maar het is wel exemplarisch voor de doorgeslagen sfeer in Holland. Zeker als je een schrijver bent zoals ik, met veel wild en onbevreesd taalgebruik.

“Mijn Hollandse redactrice wilde echt dat ik van Jenesepa Oghenekohwo, de verteller in mijn boek, een blanke maakte. Ik dacht dat ze een grap maakte, maar ze was serieus. Ze wilde niet gewoon de benoeming ‘neger’ weg, ze wilde de neger eruit. Hollanders zijn obsessief politiek correct. Die redactrice en ik zijn in groot wederzijds onbegrip, omwille van dat ene woord, uit elkaar gegaan.”

De Coster: “Het is toch goed dat je daarover kunt discussiëren?”

Peeters: “Allee, Saskia. Ik word daar kwaad van. Zes, zeven eeuwen geleden zijn we beginnen te ­koloniseren en hebben we de wereld geplunderd en leeggeroofd. Wij hebben onze beschaving gebouwd op het bloed van negers. Ooit gaat dat in vraag gesteld worden – ooit gaan die mensen aan onze deur komen kloppen en moeten we herverdelen. Wat ze nu in Holland doen, is daar een semantische oplossing voor zoeken: ‘We gaan negers anders noemen, en ondertussen krijgen ze niets, dat ze maar lekker in hun negorij blijven zitten.’”

De Coster: “Ik ben het daar niet mee eens. Net zoals wetten loopt taal soms vooruit, waardoor het een manier kan zijn om iets te herdenken.”

Peeters: “Ik vind neger een mooi woord, in tegenstelling tot zwarte, dat in het Vlaams wordt verbasterd tot zwette. Dát is pas lelijk.”

De Coster: “Neger is een scheldwoord. Dat is hetzelfde als mij een pot noemen of een homo een reetkever omdat jij dat toevallig mooie woorden vindt. Je kiest ervoor om mensen te beledigen.”

Peeters: “Zwarte is ook een scheldwoord. Iemand vroeg ooit aan (pdw) hoe ze neger in het Gents zeggen. Het klonk als ‘muur’ – ik kan het niet nadoen, maar je kent dat kruidige Gentse accent als ze ‘moor’ proberen te zeggen. ‘Is dat niet racistisch?’ vroeg de toehoorder aan (pdw). ‘Racistisch?’, antwoordde die. ‘Vuule muur – vuile Moor –, dát is racistisch.’”

De Coster: “Er is ook nog zoiets als de geschiedenis. Slaveneigenaars zeiden vroeger ook nigger. Je kunt dat wel een mooi woord vinden, de beladenheid blijft. ‘t Is typische blankeoudemannenpraat.”

Het gaat niet over dat ene woord. Marnix’ oeuvre is voor een groot stuk gebouwd op zijn buitenissige stijl en woordenschat.

De Coster: “Wat je in je werk doet, is iets anders, dat klopt. In boeken speel je met woorden. (tot Marnix) En jij bent bij uitstek een schrijver die woorden in alle betekenissen laat rondwaaien.”

Peeters: “Er kwam toch altijd veel gezucht bij kijken.”

De Coster: “Hollanders snappen satire en groteske overdrijvingen minder. Dat is lekker Vlaams.”

Peeters: “In het begin snapte ik dat niet: Hans Teeuwen en Theo Maassen gaan veel verder dan ik en daar kunnen ze wel tegen. Maar dat is cabaret, podium. Als het geschreven is, dan kunnen ze er niet mee omgaan. Verder dan P.F. Thomése kan het echt niet gaan.”

Waarom ben jij weggegaan bij Prometheus, Saskia?

De Coster: “Eigenlijk ben ik een ongelooflijk trouwe hond. Ik ben begonnen bij Prometheus en ben er vijftien jaar gebleven. Af en toe trok een andere uitgever aan mijn mouw, maar dan zou ik gewoon het ene voor het andere verruilen en daar had ik geen zin in. Maar bij Das Mag stap je in een andere logica.

"Das Mag is opgevat als een biowinkel: ze denken bewust na over wat ze willen uitgeven", zegt Saskia De Coster. Beeld Stefaan Temmerman

“De meeste uitgeverijen zijn grote supermarkten, die van alles in hun winkel hebben liggen. Das Mag is opgevat als een biowinkel: ze denken bewust na over wat ze willen uitgeven. Ze zijn kritisch en schieten niet op alles wat beweegt in het literaire wereldje.”

Wat heeft Das Mag al bewezen? Het smelt van Lize Spit is voorlopig hun enige succes en dat was bijlange niet zo uitgekiend als jij het nu voorstelt.

De Coster: “Ja, maar neem nu iemand als Valeria Luiselli...”

Pardon, wie?

De Coster: “Een Mexicaans-New Yorkse schrijfster, die Das Mag in vertaling uitgeeft. Das Mag brengt vernieuwende literatuur en denkt na over welke boeken in hun profiel passen. Ze hebben opvallend veel sterke vrouwelijke auteurs in hun portfolio, zoals Maartje Wortel, Charlotte Mutsaers, Marjolijn van Heemstra. Sorry, Marnix, nog Hollanders ook. Die zijn net als Luiselli op hun heel eigen, eigenzinnige manier bezig.

“Das Mag kiest daarvoor omdat ze over een community beschikken waarvan ze weten welke boeken die wil lezen. Een reguliere uitgeverij zou van Luiselli 1.500 exemplaren verkopen, Das Mag verkoopt er 8.000 van.”

Wat hoop je te vinden bij Das Mag dat bij Prometheus ontbrak?

De Coster: “Om het sentimenteel te zeggen: een thuisgevoel. Net zoals vroeger de Bloomsbury Group rond Virginia Woolf of The Factory rond Andy Warhol, wil Das Mag schrijvers, kunstenaars en gelijkgezinden rond eenzelfde idee laten samenkomen.”

Peeters: “Ik snap dat. Ik ben in extreme mate een people’s person. Ik moet iemand graag zien voor ik met hem of haar kan samenwerken. Ik had dat met Robbert Ammerlaan (van 2012 tot 2014 uitgever bij De Bezige Bij in Antwerpen, waar Peeters zijn eerste twee boeken uitgaf, SS) heel erg. Robbert was een maat.

“Al heb je met je uitgever nooit een nauwe band, ik moet wel weten dat die band er virtueel is, dat je samen in hetzelfde café zou kunnen zitten. Ook bij Pottwal Publishers werk ik afwisselend met mensen die voor een bepaald project op me afkomen.”

De Coster: “Dat bedoel ik: je hebt iets gemeenschappelijks.”

Peeters: “Je kijkt of het klikt en dan ga je samen een stukje wandelen. Zoals met Gumption, mijn sponsor. Dat is een IT-bedrijf dat niets met boeken te maken heeft, maar een start-up die zin heeft in co-creatie. Ik wilde zien of er in de privé geld kon worden vrijgemaakt voor boeken. Een halve Stella in ‘t Oud Arsenaal in Antwerpen en het was beklonken.

“Hetzelfde met Jirka De Preter, die het omslag heeft ontworpen van In elke vrouw schuilt haar moeder – zij had al mijn boeken gelezen en wilde graag de cover maken van mijn volgende boek.

“Onlangs kreeg ik telefoon van Bert Dijkstra, een Hollander die een filmpje voor me wilde maken. Leuke man, maar ik kende hem niet. Bleek de grote baas te zijn van Shop Around, een reclamebureau dat in Holland een Duval Guillaume-achtig statuut heeft, met een bijhuis in New York. Zij doen de nationale campagnes van Rabobank en zijn nu voor mij een state-of-the-art­trailer aan het maken met een geanimeerde versie van mezelf.”

Co-creatie klinkt leuk, maar komt dat niet vooral doordat je als auteur – en dan heb ik het niet over de ster­auteurs – sowieso alles zelf moet doen?

Peeters: “In plaats van hun geld in vertalingen te steken, zouden boek.be en het Vlaams Fonds der Letteren beter opleidingen organiseren voor redacteurs en mensen opleiden in social media-gebruik. Dat zou zoveel beter besteed geld zijn. Auteurs die niet tevreden zijn over hun redacteur, zien zich genoodzaakt externen in te schakelen. Al mijn boeken zijn geredigeerd buiten een uitgeverij.

“Als ik een manuscript instuurde, kreeg ik een standaardmail terug: ‘Dat ziet er al goed uit, daar is weinig werk aan.’ Maar ik weet van mezelf dat aan mijn manuscripten nog werk is omdat ik sommige stukken snel schrijf – ik heb graag dat een redacteur daar ernstig naar kijkt.”

Beeld Stefaan Temmerman

De Coster: “Mijn redacteur bij Das Mag, Marscha Holman, was ook mijn redacteur bij Prometheus, waar het voorts een eeuwigdurende stoelendans was van stagiairs en nieuwe mensen. Dat wilde ik niet meer. Ik heb een vast iemand nodig die ik graag genoeg zie om te kunnen haten, van wie ik weet: hij of zij heeft gelijk.”

Peeters: “Je hebt op verschillende niveaus mensen nodig. Voor In elke vrouw schuilt haar moeder heb ik met vier redacteurs samengewerkt. Eén redacteur was structureel, iemand anders bleek dan weer goed te zijn in details. Zo schreef ik in mijn manuscript over de Volkswagen Samba, de minibus waarmee een bakfietsvrouw wordt aangereden, dat er na het ongeval nog lichaams­resten aan het rooster kleefden. Maar een Volkswagen Samba heeft geen rooster. Dan is het goed dat iemand je daarop wijst.”

Herman Brusselmans schreef in zijn column in Humo dat auteurs die opstappen bij uitgeverijen, eigenlijk ontevreden zijn over hun verkoopcijfers.

Peeters (lacht): “Herman kan zo heerlijk in je nek komen schijten.”

De Coster: “Auteurs zijn zagers en altijd ontevreden.”

Peeters: “In plaats van te zagen zou de boekensector beter in actie schieten. Kurk uit je gat en begin eraan! We zijn bijna dood, dóé iets.”

Hoeveel exemplaren zijn er verkocht van Kijk niet zo, konijntje, je vorige boek?

Peeters: “Dat was geen bestseller: zo’n 5.000. Natte dozen blijft mijn best verkochte boek: alles bijeen 20.000 stuks. (tot Saskia) Maar jij zit veel hoger.”

De Coster: “Van Wij en ik zijn 50.000 exemplaren verkocht. En van Wat alleen wij horen, mijn laatste boek, 20.000.”

Peeters: “Weet je wat mij stoort? Dat het nog altijd niet wordt getolereerd dat ik én schrijver én tafelspringer ben. Ik mag nooit de twee zijn, want dat zou zogezegd slecht zijn voor mijn imago. Dat is toch een drama? De boekensector wenst zichzelf te pletten.

“Toen Natte dozen gecensureerd werd op iTunes (de titel werd weergegeven als Natte D***en, SS), belde ik Harold Polis, na Robbert Ammerlaan mijn uitgever bij De Bezige Bij in Antwerpen, met de vraag om minstens een persbericht uit te sturen – commercieel altijd interessant. Maar Harold wilde in al zijn zuinigheid eerst de reactie van Apple afwachten. Ik ben journalist geweest en wéét dat er twee firma’s nooit reageren: Aldi en Apple. Dan ben ik inderdaad de tafelspringer die naar de gazet belt. De schroom van de boekensector om op die manier in de media te komen, is werkelijk onvoorstelbaar.”

De Coster: “Je voelt dat de angst heerst: wat moeten we doen, naar wie moeten we kijken? Alles is keihard aan het veranderen. Ik denk dat de literatuursector best over de muurtjes heen kijkt, promotioneel maar ook inhoudelijk. Ik volg wat er in de muziekbranche gebeurt, waar de platenmaatschappijen zich volledig hebben laten pluimen door Spotify en consorten. Je hebt alternatieven als Bandcamp, waar de muzikanten zelf wél een fatsoenlijke procent krijgen. Of nog interessanter: hoeveel muzikanten geen platen met een uitgekiende opbouw uitbrengen maar playlists, zoals Drake onlangs. Mensen luisteren niet meer van nummer 1 tot 10. Ook in de letteren gaat dat gevolgen hebben, maar trager.”

Peeters: “Muzikanten zijn daar allang mee klaar. Radiohead zei vijftien jaar geleden al: kom naar onze site en je krijgt het eerste nummer gratis.”

“De grootste duw in de rug die ik gekregen heb voor Pottwal Publishers komt van mijn neef Sander Pelsmaekers, die vorig jaar met Whispering Sons de Rock Rally heeft gewonnen. Omdat ik als rockjournalist drie Rock Rally’s heb gejureerd, voelde ik me geroepen om hem na zijn overwinning wat vaderlijke raad mee te geven: kalm aan, eerst songs schrijven, eind 2017 een plaat maken en dan op tournee in Vlaanderen. Twee maanden later zie ik op Facebook een limited edition vinyl van Whispering Sons, te koop op 250 exemplaren. Een dag later kondigen ze een Europese tour aan – bleek dat ze clubs hadden gecontacteerd van Lissabon tot Krakau die hun muziek hadden geliket. Busje gehuurd en weg waren ze. De wereld is echt veranderd.”

Laten we het over je nieuwe boek hebben, Marnix. Wat al op de eerste pagina van In elke vrouw schuilt haar moeder opvalt, zijn de namen die je voor je personages kiest. Het lijkt alsof je daar erg schik in hebt.

Peeters: “Ik vind dat enorm belangrijk, ja. Ik ben ooit in een roman gestopt op bladzijde tien omdat de namen mij te banaal waren. Ik ben een kerkhofganger en een doodsfreak – ik verzamel schedels. Kerkhoven in mijn regio (de Oostkantons, SS) zijn heerlijke vindplaatsen voor namen.”

Marnix Peeters: "Wie niet vanuit een brandend verlangen of een trauma schrijft, maar puur voor het plezier, wordt gewantrouwd. En zeker als er humor aan te pas komt." Beeld Stefaan Temmerman

Dat blijkt. Uit één vrouw worden de volgende kinderen geboren: Adelwald, Eliselore, Arnulf, Franzi, Freddo, Faust, Gislinde, Berinike, Crescentia, Dietfield en Heidrun. Hun vaders heten Irminbert Nievekuch en Theodoor Glatzer-Schneeberg.

De Coster (lacht): “Kijk, dat vinden de meeste Hollanders totaal niet grappig. Maar wij wel, omdat het er zo over is. Hollanders denken: ‘Dat kán toch helemaal niet?!’”

Peeters: “Hollandse journalisten willen ook altijd weten waarom ik een bepaald boek heb geschreven. Om een verhaal te vertellen, tiens, zoals ze vroeger in de grot bij het vuur deden. Maar blijkbaar ligt dat moeilijk: wie niet vanuit een brandend verlangen of een trauma schrijft, maar puur voor het plezier, wordt gewantrouwd. En zeker als er humor aan te pas komt.”

Recensenten vinden dat je boeken nergens over gaan.

Peeters: “Dat is niet waar. Het is niet omdat je een verhaal vertelt, dat een boek nergens over gaat. In elke vrouw schuilt haar moeder is mijn meest filosofische boek tot nu toe; er zit zelfs een wetenschappelijk essay in verwerkt.”

De Coster (bladert in het boek): “Ik lees hier een willekeurige zin die op zich al een klein verhaal is: ‘Tante Aars was net aan oom Tanguy aan het uitleggen hoeveel poeder hij in welk vakje van de wasmachine moest doen en welke temperatuur bij het wasgoed hoorde, toen Isaac en Chavez de gelagzaal kwamen binnengestormd.’ Dat vind ik heel beeldend.”

Peeters: “Iemand zei me dat het boek aan Blackadder deed denken: een ode aan het gescheld. Dat is tof, maar ik accepteer dat compliment niet – het is veel te groot.”

Je hebt toch de drang om te schelden, te fulmineren en te provoceren?

Peeters: “Als het maar plezierig is.”

De Coster (plagend): “Wat is het trauma dat daaronder ligt, Marnix?”

Peeters: “Ik hoed mij voor het openen van de put, vrees ik. Ik heb daar geen behoefte aan.”

Het gescheld lijkt deze keer meer uit jezelf te komen. In je vorige boeken had je Oscar Van Beuseghem nog nodig als medium om je woede te kanaliseren.

Peeters: “Serieus? (denkt na) Ik kijk er wel graag naar hoe vrouwen zich tot hun moeders verhouden. Misschien is het boek wel een krankzinnig uitvergrote versie van mezelf.”

Er zijn alleszins overeenkomsten met je eigen leven: je bent kinderloos en de manier waarop je over kinderen schrijft, gebeurt doorgaans alleen door mensen die geen kinderen hebben. Pampers worden volgeblaft, baby’s zijn irritante jankers die hun moeders verhinderen zich te ontplooien en moeders zijn simpele duiven die zich zonder nadenken laten volpompen.

Peeters: “Het is een verwarrend boek: het gaat over een vrouw die een misogyn werk schrijft. Maar de twee vrouwelijke hoofdpersonages zijn net de krachtigste van het hele boek. Helga Glatzer-Schneeberg doet sterke mannen ineenkrimpen tot aarzelende kleuters.”

Met haar gemillimeterde haar. Goed detail.

De Coster: “Is Helga een pot?”

Peeters: “Nee, ze is seksloos. Trouwens: dit is mijn eerste boek zonder seks.”

Daar valt promotiegewijs nog iets mee te doen: Marnix Peeters, nu ook zonder seks!

Peeters: “Je beslist dat dus niet zelf, hè. Het klinkt veel te poëtisch, maar ik merkte pas op het einde van het boek: oei, er is nog niet geneukt. Ik ben aan het veranderen. Mensen vragen al sinds mijn columns in Zeno (waarin Peeters gesprekken met zijn vrouw Jana Wuyts verwerkt, SS) wat er met me aan de hand is. Maar net als iedereen besta ik uit veel mensen. Ik ben niet geïnteresseerd in het cultiveren van een bepaald imago.”

De Coster: “Dat is toch super? Je bent een metamorfoserend beest! Maar promotioneel gezien is dat dom, dat je niet één stempel hebt.”

Peeters: “Naar het schijnt is dat inderdaad niet slim. Het enige wat er aan mij kleeft, is ‘de schrijver die in de Oostkantons woont’. Je kunt zeggen dat ik een vuilaard ben, maar dat wordt tegengesproken door mijn columns. Ik ben een geëmancipeerde man die het huishouden doet, die lief is voor zijn vrouw en die elke morgen ontbijt op bed brengt.”

Hoe word jij bij Das Mag ­neergezet, Saskia?

De Coster: “Ik heb er nog geen boek uit en er is ook geen deadline. Ik ben aan het schrijven en wil het deze keer eens rustig aanpakken, er geen race tegen de tijd van maken. Het wordt mijn meest persoonlijke roman tot nu toe: een boek over het moederschap van mijn zoontje dat ik niet zelf gedragen heb. Zijn donor is mijn soulmate, die in Canada op een eiland woont. Ik voel dat ik dit nú wil schrijven – en niet omdat het een pittig verhaal zou zijn.”

Peeters (plots tegen Saskia): “Heeft er ooit al eens iemand in een ruzie tegen jou gezegd dat je op je moeder gelijkt?”

De Coster: “Jazeker. Dat is de ultieme belediging.”

Beeld Stefaan Temmerman

Peeters: “Elke ouder wil ook het mooiste, het getalenteerdste en slimste kind hebben. Het gaat om de vervulling van een leven dat zij niet hebben gehad, omdat ze moeder of vader geworden zijn. Hij zegt het niet, maar ik ben er zeker van dat mijn vader trots op mij is en dat hij, als oud-elektricien in de mijn van Beringen en terugkijkend op z’n 86ste, denkt: ‘Shit, had ik maar...’”

Met permissie: in jouw ouders schuilt volgens mij een mooi boek. Je hebt het eerder al eens gehad over de emotionele armoede bij jullie thuis.

Peeters: “Hebben niet alle mensen die in de jaren 30 geboren zijn een communicatieve handicap?”

De Coster: “Dat is toch interessant? Je moet helemaal geen therapeutisch gezwam neerschrijven. Je ouders zijn een beginpunt om een verhaal te vertellen.”

Peeters: “Ik ben de laatste tijd vaak bij mijn ouders langsgeweest. Mijn oudste zus Chris, die normaal die taak op zich neemt, was op vakantie. Mijn vader zorgt voor mijn moeder, die zeer hulpbehoevend is – aangrijpende, schrijnende taferelen waar niet over wordt gepraat. Dat alleen al draagt een schoonheid in zich. Het is enorm confronterend om je ouders, te midden van alle verval, zich wanhopig te zien vastklampen aan de plek waar ze altijd gewoond hebben.”

De Coster: “Waarom zou je daar niet over mogen schrijven? Anders herhaal je wat je ouders deden: dingen niet onderzoeken.”

Peeters: “Ik heb moeite met het overhevelen van de realiteit naar fictie. Als ik iets concreets heb meegemaakt, dan verpulvert dat. Ik krijg dat niet beschreven.”

Is Niemand hield van Billie Vuist niet voortgekomen uit de reportages over het seks­paradijs Pattaya die je voor Het Laatste Nieuws hebt gemaakt?

Peeters: “Ja, maar Billie Vuist is volledig gefictionaliseerd, anders zou het niet gelukt zijn. Ik kon niet zomaar beschrijven wat ik in Thailand heb gezien – het is het gruwelijkste wat ik ooit heb meegemaakt.

“Wist je dat er in Pattaya een prijs op mijn hoofd staat? Gewoon omdat ik de normvervaging die er zo immens is, beschreven heb. Ik durf er niet meer terug naartoe te gaan. Wat pastoor Pelckmans in Billie Vuist uitvreet wanneer hij dertig meisjes gaat klaarrijden in Pattaya, dat is maar een fractie van de ­gruwel die daar plaatsvindt. En dan zeggen mensen dat ik vuile boeken schrijf! De realiteit is nog veel vuiler.”

Dit is je zevende boek in vijf jaar tijd. Is het voor jou financieel noodzakelijk om elk jaar een boek te schrijven?

Peeters: “Dat is mijn temperament. Ik kan het niet laten.”

De Coster: “Ik ben daar soms jaloers op. Ik denk vaak: nu ga ik beginnen. Of nee, toch niet, misschien toch nog eens de vorm herbekijken.”

Schrijven is afzien voor jou?

De Coster: “Op sommige dagen krijg ik het schrijverschap niet voor mezelf uitgelegd, ja.”

Peeters: “Ik ga maanden aan een stuk in een bos wandelen. Dan bouwt het verhaal zich op. Als ik daar klaar mee ben, moet het er in één geut uit. Dan moet ik om vier uur ’s morgens opstaan omdat ik niet meer kan slapen.”

De Coster: “O ja, niet meer kunnen slapen omdat je personages als muggen rond je hoofd beginnen te zoemen! Ik ben daar ook zo mee bezig. Maar bij mij is het meer een zoektocht. De voldoening zit in het geworstel, niet in het boek dat daar straks zal liggen.”

Peeters: “Het plezierigste vind ik dat ik in mijn hoofd een cel mag inrichten waar ik als enige mens op deze planeet naar binnen mag.”

De Coster: “Dat is kicken, ja.”

Peeters: “De bandeloosheid die daarin ontstaat: je mag doen wat je wilt, er elke kant mee opgaan en niemand die ervan weet. Dan voel ik me echt vrij.”

In elke vrouw schuilt haar moeder van Marnix Peeters, uitgegeven bij Pottwal Publishers, is nu uit.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234