Maandag 23/11/2020

AchtergrondNick Cave

Man, god, goeroe: hoe Nick Cave doorheen vier decennia van gedaanteverwisselingen fans voor zich blijft winnen

Nick Cave op Rock Werchter 2018.Beeld Stefaan Temmerman

Ooit was hij een drugsverslaafde relschopper in de Berlijnse underground, vandaag is hij een culturele goeroe die concertarena’s en bioscopen uitverkoopt. Aan Idiot Prayer: Nick Cave Alone at Alexandra Palace zullen opnieuw talloze fans hun hart ophalen.

I’ve got some words of wisdom!”, brieste hij, terwijl zijn drie ruige kompaans hun instrumenten aan diggelen leken te slaan en zijn woorden echoden. Het was 6 juli 2008, ergens in de late namiddag: steller dezes, net zestien geworden, bevond zich, terwijl hij iets te gretig aan een in een plastieken beker getapte pint stond te lurken, in de Pyramid Marquee op Rock Werchter. Op het podium stond de 50-jarige Nick Cave, op de roze basdrum achter hem stond ‘Grinderman’ geschreven. Het was de naam waaronder vier ruige mannen van middelbare leeftijd punk en blues in een boksring zetten waar geen regels golden.

Het was de eerste keer dat ik Cave in levende lijve zag en ik wist toen dat het niet de laatste keer zou zijn.

Op 27 april 2020 zouden Nick Cave & The Bad Seeds aantreden in een uitverkocht Sportpaleis, een kleine drie jaar na het triomfantelijke concert dat de band er tijdens de Skeleton Tree-tour speelde. Het zou de tiende keer worden dat ik Cave live aan het werk zag, als we twee Grinderman-concerten en twee Conversations-avonden meetellen. Maar de coronapandemie stak daar een stokje voor. Het concert werd (minstens) een jaar uitgesteld, waardoor een voltallig Sportpaleis aan Cave-fans op zijn honger blijft zitten.

Nu ja. In mei speelde Cave een eenzaam concert in het Londense Alexandra Palace. The Bad Seeds mochten thuisblijven, het enige gezelschap van de zanger bestond uit een vleugelpiano en een indrukwekkende back catalogue aan songs die tot veertig jaar teruggaan in de tijd. Het concert werd gelivestreamd onder de titel Idiot Prayer: Nick Cave Alone at Alexandra Palace. Op 5 november zou het te zien zijn in de bioscopen – na de semi-documentaire 20,000 Days on Earth (2014) en het hartverscheurende One More Time With Feeling (2016) de derde bioscoopfilm over Cave in zes jaar.

Maar ook daar gooide corona roet in het eten. Al wat overblijft, is de bijhorende plaat, die vandaag wordt uitgebracht. Op Idiot Prayer staan een spoken word-intro en 21 songs, vooral recenter materiaal zoals het splinternieuwe ‘Euthanasia’ en de recente songs ‘Galleon Ship’ en ‘Girl in Amber’. Er staat ook ouder materiaal op: een uitgebeende versie van ‘The Mercy Seat’, een song die al dertig jaar op vrijwel elke Cave-setlist staat, en de Leonard Cohen-cover ‘Avalanche’, waarmee From Her To Eternity (1984), het debuutalbum van Nick Cave & The Bad Seeds, opent.

Sociaal aanvaardbaar product

Die songs herinneren aan de immense weg die Cave en zijn band hebben afgelegd. Voor The Bad Seeds waren er bovendien The Boys Next Door (1973-1978), dat nadien vervelde tot The Birthday Party (1978-1983). De uiterst agressieve, chaotische postpunk van die bands maakte van de heroïneverslaafde Cave en zijn band een bescheiden cultfenomeen in de undergroundcircuits van Melbourne, Londen en West-Berlijn. Bioscoopfilms en tournees langs grote arena’s in Europa en de VS leken toen ver weg, om niet te zeggen: een mirakel.

Wil dat zeggen dat de zanger van songs als ‘Stranger Than Kindness’ en ‘Red Right Hand’ een sell-out is, iemand die de scherpe kantjes van zijn oeuvre heeft gevijld om een breder publiek aan te spreken? Sommigen vinden van wel. Wie op YouTube livevideo’s van The Birthday Party opzoekt, ziet een verwilderde frontman, met stekelig, lang haar en gescheurd T-shirt, die teksten over seks, drugs en geweld schreeuwt – dat lijkt ver weg van de in  strak kostuum gehulde zestiger die aan een vleugelpiano ‘(Are You) The One That I’ve Been Waiting For?’ zingt.

Op het online forum Reddit stellen fans zich vragen. “Wat is er gebeurd met de Nick die ik kende, de rebel, de antagonist… He’s becoming such a fucking bore, de zoveelste zinloze beroemdheid”, schrijft een voormalige Cave-fan. “He should have stayed in obscurity, waar hij thuishoorde.” Zo zijn er nog oude fans die de “scherpe rand” van zijn ouder werk missen. “Nu is hij een sociaal aanvaardbaar product geworden.”

Het internet zou het internet echter niet zijn als er ook geen tegengeluid was: “Ik heb liever iemand die zijn fans naar nieuwe plaatsen leidt, zelfs als dat wil zeggen dat sommige fans hem verlaten, dan dat hij gewoon blijft produceren wat zijn publiek wil en zijn eigen tribute act wordt.” Cave is zich daar zelf erg van bewust. Tijdens Conversations with Nick Cave, een tournee waarop hij live vragen van het publiek beantwoordde, liet hij meermaals verstaan dat hij besefte dat sommige van zijn nieuwe liefhebbers waarschijnlijk niets moeten weten van zijn ouder werk, en omgekeerd.

Competitie

Wie minder cynisch is aangelegd, kan ook aanvoeren dat Cave er op zijn eigen voorwaarden in is geslaagd om te blijven groeien. Toen hij in 1995 plots een radiohit scoorde met ‘Where The Wild Roses Grow’, een duet met popster Kylie Minogue, werd hij genomineerd voor een MTV Award. De muziekzender kreeg een brief van de zanger, waarin hij MTV bedankte voor de steun, maar vroeg om zijn nominatie in te trekken. “Het is altijd mijn mening geweest dat mijn muziek uniek en individueel is, en bestaat buiten de wereld die bewoond wordt door hen die de zaken reduceren door ze aan elkaar af te meten. Ik ben met niemand in competitie.”

Toch was die periode een kantelpunt. ‘Where The Wild Roses Grow’ stond op een controversieel album met de titel Murder Ballads: in elke song worden gemiddeld 6,6 moorden gepleegd. Een andere ‘murder ballad’ was ‘Henry Lee’, een duet met PJ Harvey, met wie Cave een relatie begon. Hun breuk leidde tot het ingetogen pianoalbum The Boatman’s Call (1997), waarin The Bad Seeds hun furie op stal lieten en Cave plots werd gezien als de nieuwe Leonard Cohen.

Het is maar een voorbeeld van hoe Cave er de afgelopen 45 jaar met verve is in geslaagd zichzelf heruit te vinden. Hij zoekt graag nieuwe wegen om te bewandelen. Grinderman, het vierkoppige bluespunkgroepje waarvoor Cave zichzelf op enkele weken tijd gitaar leerde spelen, kun je interpreteren als een reactie op de vorige Bad Seeds-plaat, Abattoir Blues/The Lyre of Orpheus. Op dat album speelden acht muzikanten, vergezeld van een zeskoppig koor en gewapend met veel toeters en bellen.

Elk nieuw hoofdstuk brengt zo nieuwe fans met zich mee, die talrijker zijn dan zij die afhaken: een economische wetmatigheid die dicteert dat je publiek gestaag groeit. Bovendien worden bekeerlingen tot het Cave-fandom, zo durft bovengetekende uit eigen ondervinding te beweren, verleid om head first in ’s mans indrukwekkende back catalogue te duiken en reikhalzend uit te kijken naar nieuwe toevoegingen.

Sinds de release van Grinderman, dertien jaar geleden, heeft Cave vier platen uitgebracht met The Bad Seeds en nog een tweede Grinderman-album op de wereld losgelaten. Daarnaast heeft hij ook nog een roman (The Death of Bunny Munro) en een filmscript (Lawless) geschreven. Hoe leg je dat aanhoudende succes uit, vroeg Billboard. “De meeste artiesten – zelfs David Bowie, eerlijk gezegd – bereiken hun piek en teren daarna vooral op nostalgie”, antwoordde Paul Hitchman van AWAL, dat de Nick Cave & The Bad Seeds-albums verdeelt. “Nick gaat gewoon van hoogtepunt naar hoogtepunt. Ik denk dat zijn fans met hem zijn meegereisd en dat ondertussen aan iedereen hebben verteld.”

Goeroe

Een jaar na het geweldige Grinderman-concert op Rock Werchter werd Cave weer uitgenodigd op het tuinfeestje van Herman Schueremans. Opnieuw in de late namiddag, ditmaal op de Main Stage. Dig, Lazarus, Dig!!!, het veertiende Bad Seeds-album, was net uitgekomen. Gitarist Mick Harvey, op dat moment de laatst overgebleven Bad Seed van het eerste uur, had de band net verlaten. Hij kon zich maar moeilijk vinden in het toenemende succes: “We zouden niet in stadions met 5.000 fans moeten spelen, we zouden moeten spelen in kleinere zalen, waar we de songs deftig kunnen brengen”, liet hij zich later ontvallen.

Maar wie erbij was, herinnert zich dat Werchter-optreden als een triomf. De setlist nam je mee doorheen het volledige oeuvre, langs het stormachtige zuiden van de VS (‘Tupelo’), langs wetteloze moordpartijen (‘Stagger Lee’), langs Bijbelse mirakels (‘Dig, Lazarus, Dig!!!’), langs romantische poëzie (‘The Ship Song’). En langs het magistrale ‘Red Right Hand’, waarin het hoofdpersonage wordt omschreven als: ‘He’s a god, he’s a ghost, he’s a man, he’s a guru’.

Meer en meer kun je met dat zinnetje ook Cave zelf typeren. Decennialang liet hij, als een god op de Olympus, gebroken en verdorven personages opdraven in zijn songs. Tot hij met The Boatman’s Call ontdekte dat hij ook zijn eigen persoonlijkheid kon blootleggen. De laatste vijf à tien jaar is die kant steeds meer tot bloei gekomen: tijdens de opnames van het magistrale Skeleton Tree (2016) overleed zijn vijftienjarige zoon, een drama dat nog doorwerkt in zijn meest recente album, Ghosteen (2019). Niet dat Cave zich nu laat verleiden tot het schrijven van popsongs met een meezingbaar refrein, maar de brute eerlijkheid van zijn recente albums is toegankelijker dan de ruige, meanderende blues van veertig jaar geleden.

Zo is Cave, meer dan ooit en voor een steeds groter publiek, een soort goeroefiguur geworden, iemand die zijn fans helpt om hun eigen trauma’s onder woorden te brengen en te verwerken. The Red Hand Files, een website waarop hij uitgebreid vragen van zijn publiek beantwoordt, staat vol met brieven van luisteraars die bij hem troost komen zoeken. De Conversations-tournee bracht dat concept ook naar een livepubliek, waar eens te meer duidelijk werd hoe trouw zijn publiek is, en hoe zij op hun beurt Cave naar een hoger niveau tillen.

Ondertussen blijft Cave van hoogtepunt naar hoogtepunt springen. En of hij nu de Marquee op Werchter afbreekt met Grinderman of helemaal op zijn eentje aan de piano zit in Alexandra Palace, zijn publiek reist met hem mee.

Idiot Prayer: Nick Cave Alone at Alexandra Palace is verschenen bij Bad Seeds Ltd.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234