Dinsdag 28/09/2021

InterviewMaartje Wortel

Maartje Wortel: ‘Telkens opnieuw saboteer ik de liefde’

Maartje Wortel: 'Ik schrijf normaal nooit over mezelf, dus ik vond het hele schrijven van dit werk nogal schaamtevol.' Beeld Hilde Harshagen
Maartje Wortel: 'Ik schrijf normaal nooit over mezelf, dus ik vond het hele schrijven van dit werk nogal schaamtevol.'Beeld Hilde Harshagen

Liefdesverdriet kruiste haar pad, haar boezemvriendin verhuisde en haar nieuwe boekje De groef kwam moeizaam tot stand. Maar Maartje Wortel (38) heeft haar levenslust terug. ‘Ik was behoorlijk kinderachtig.’

Een gesprek met Maartje Wortel kan alleen maar vele kanten uit stuiteren, maar komt altijd weer op hetzelfde punt uit: bij de liefde. Daar heeft ze de mond van vol. Ze is er, naar eigen zeggen, zelfs compleet geobsedeerd door.

We spreken de schrijfster via Zoom. De stem van Maartje Wortel is er nog voordat het beeld besluit mee te werken. Anderhalf uur lang zal ze helder maar typerend langzaam over het troebele jaar dat 2020 was praten. Ze zal haar zinnen regelmatig afbreken om er een nieuwe zin voor in de plaats te zetten – zelfs tijdens het spreken is ze aan het schrijven en aan het schrappen.

BIO • geboren in Eemnes (NED) op 26 oktober 1982 • had tot voor kort een relatie met actrice Georgina Verbaan • debuteerde in 2009 met de verhalenbundel Dit is jouw huis, bekroond met de Anton Wachterprijs • latere boeken, o.a. Half mens (2011), IJstijd (2014) en Goudvissen en beton (2016) • is net uit: De groef

De reden van ons gesprek is De groef, het nieuwe boekje dat ze publiceerde in de Terloops-serie van uitgeverij Van Oorschot, waarin bekende Nederlandse schrijvers hun wandelverhalen optekenen. In zeventig pagina’s schetst ze hoe haar leven het voorbije jaar uiteenviel. Allereerst was er haar relatie die gelijktijdig met de eerste lockdown breuklijnen begon te vertonen en uiteindelijk zou aflopen. Haar boezemvriendin Niña Weijers, met wie ze de voorbije vijf jaar elke dag een of meerdere rondjes door het Amsterdamse Oosterpark wandelde, verhuisde naar een andere stad. En de pandemie veroorzaakte een mist in haar hoofd die het schrijven aanzienlijk bemoeilijkte.

“Doordat ik telkens dezelfde gesprekken voerde, dezelfde mensen zag en dezelfde feedback kreeg, was ik mijn helderheid van geest volledig verloren”, zegt de schrijfster, die ondertussen ook in beeld is verschenen, in haar nieuwe appartement aan het Flevopark. Breed glimlachend kraakt ze een blikje Coca-Cola open. Want het mag bekend zijn: het gaat inmiddels weer veel beter met de schrijfster.

Al zegt ze het wel te begrijpen wanneer we haar een tikje bezorgd vragen hoe het nu met haar gesteld is.

“Mijn moeder belde me op toen ze dit boekje had gelezen, en zei: heb ik iets over het hoofd gezien? Gaat het wel goed met je? De groef is natuurlijk non-fictie, dus wat er staat is allemaal waargebeurd; het gaat over mijn leven, over de beklemmende routine waarin ik vast was komen te zitten, over de pandemie, over liefdesverdriet, over het loslaten van oude gewoontes. Ik was heel zoekende, en zo voelde ik me eigenlijk al een lange tijd. Ik weet ook niet of dat ondertussen veranderd is, want dat rusteloze zit denk ik ook gewoon in mijn aard.

“Laatst vroeg een interviewer me hoe dat verdriet er dan precies uitzag, maar dat weet ik dus niet meer. Als je verdrietig bent, ben je op het moment zelf zo ver van jezelf verwijderd dat het achteraf soms moeilijk is om je precies te herinneren hoe het wás. Misschien is dat ook wel goed, dat ik me niet meer precies kan inbeelden wat ik toen deed en wat ik voelde. Ik herkende zelfs mijn eigen taal niet meer. Ik had veel materiaal verzameld tijdens die periode, maar het was allemaal onbruikbaar. Toen ik het herlas, dacht ik: wie is dit?”

Wat schreef u dan precies?

“Het was allemaal heel pathetisch. Ik voelde me wanhopig, en dat uitte zich heel hard in de taal. Dat kan mooi zijn, maar als je het niet meer onder controle hebt, net zoals ik die gevoelens toen niet meer onder controle had, dan is het materiaal te verwarrend en kun je er niks mee.”

De groef is meteen ook uw eerste non-fictie­werk. U kon zich niet meer achter de filter van de fictie verschuilen. Akelig?

“Ik schrijf normaal nooit over mezelf, dus ik vond het hele schrijven van dit werk nogal schaamtevol. Door wat korte verhalen en mijn laatste roman Dennie is een star heb ik al een beetje het imago dat ik iemand ben die de héle tijd liefdesverdriet heeft, en voortdurend met nieuwe meisjes komt aandraven. Maar dit jaar had ik dus werkelijk liefdesverdriet, en daar kon ik in dit werk niet omheen.”

De liefde waarover getreurd moet worden, was die met actrice en schrijfster Georgina Verbaan, met wie Wortel sinds 2019 een relatie had. Het duo stond samen op de cover van de Nederlandse Vogue, maar tijdens de pandemie begon die relatie barsten te vertonen. “De meeste relaties eindigen zoals ze beginnen”, schrijft ze in De groef.

U was gekmakend, belachelijk, buitenaards, verslaafd, kinderachtig, grensoverschrijdend, niet om aan te zien verliefd, schrijft u in De groef. En net zo was uw verdriet, voegde u eraan toe.

“Dat kwam omdat de relatie werd afgebroken terwijl ik nog verliefd was, en ik in de veronderstelling leefde dat zij dat ook nog was. Daarom vond ik het zo moeilijk: ik bleef achter met het gevoel dat er iets niet werd afgemaakt. Op zulke momenten ben je helemaal niet bezig met de vraag of je nu ook werkelijk bij elkaar past; je zit gewoon in een roes, en wil daar niet uitkomen.

‘Enkel tijdens het schrijven, tijdens de seks en tijdens het zwemmen ben ik me niet bewust van mezelf.’ Beeld Hilde Harshagen
‘Enkel tijdens het schrijven, tijdens de seks en tijdens het zwemmen ben ik me niet bewust van mezelf.’Beeld Hilde Harshagen

“Dat het een bekend iemand was, maakte het extra moeilijk. Mijn verdriet leek niet alleen van mij te zijn, en ik maakte me zorgen over wat de anderen zouden denken. Het idee dat mijn verdriet gedeeld moest worden, zorgde ervoor dat ik me een extra grote loser voelde.”

Word je door de jaren heen gehard tegen liefdesverdriet?

“Dat geloof ik niet: liefdesverdriet blijft je toch telkens overvallen en haalt je compleet onderuit. Het is ook iedere keer anders, omdat je natuurlijk telkens om een andere persoon rouwt. Maar ergens is het natuurlijk ook mooi, want je leert ook telkens iets over jezelf, over hoe je in bepaalde situaties reageert.”

Wat hebt u nu dan geleerd?

“Ik vind sinds kort opnieuw iemand leuk, en daar ben ik zoals altijd wel wat zenuwachtig over. Maar nu denk ik: dat hoeft diegene niet de hele tijd te weten. (lacht) Ik zeg het alsnog wel eens, want het is belangrijk om open te zijn over je angsten, maar soms denk ik ook: het is wel mijn angst, en misschien is het niet slecht om die af en toe eens voor mezelf te houden. Ik probeer, met andere woorden, wat meer vertrouwen te hebben in wat het is.”

Op welke manier verhoudt vriendschap zich tot romantische liefde? Zou u ook van vriendschappen alleen kunnen leven?

“Nee, romantische liefde heb ik toch echt nodig. Het hevige verlangen en de droom die bij romantische liefde komt kijken, de verbeeldingskracht en de poëzie ervan, daar leef ik voor. Liefde is ­eigenlijk het enige waarnaar ik verlang, maar ook hetgeen wat ik telkens weer saboteer. En dat wil ik dus niet meer.”

Hoe komt het dat u uzelf in de liefde telkens stokken in de wielen steekt?

“Ik vind het nog steeds heel moeilijk om mezelf serieus te nemen. Er zit in mij toch een grote angst om me kwetsbaar op te stellen, denk ik. Mensen bedanken me na een lezing weleens voor mijn kwetsbaarheid, maar dat is natuurlijk nog steeds een gecontroleerde vorm van openheid: ik bepaal nog steeds wat mensen wel en niet te zien krijgen.

“Als je werkelijk iets aangaat met iemand, moet je het gewoon laten gebeuren. Als je dat niet doet, word je een dolend iemand, en dat ben ik lange tijd geweest. Iedereen wist: Maartje Wortel, die komt en gaat. Als je dat maar lang genoeg ­volhoudt, wordt dat op den duur je identiteit. Tot ik plots begon te denken: misschien is dat mijn identiteit níét, maar een soort beschermings­mechanisme.”

Toch maar even over naar de vriendschap dan: vijf jaar lang wandelde u elke dag met schrijfster Niña Weijers door het Oosterpark in Amsterdam. Jullie duiken ook regelmatig op in elkaars werk. Hoe is die vriendschap ontstaan?

“Niña en ik zijn heel traag vrienden geworden, doordat mijn toenmalige uitgever bij De Bezige Bij ons met elkaar in contact bracht. Toen haar debuut­roman De consequenties in 2014 verscheen, ben ik vijf minuten naar haar boekpresentatie geweest en heb ik het boek niet gekocht. Toen waren we dus duidelijk nog niet zo close. (lacht) De vriendschap begon pas écht toen Niña aan het Oosterpark kwam wonen, en het plots zo vanzelfsprekend werd om samen een ronde te wandelen in het park. We zijn uiteindelijk de beste vrienden geworden, maar het heeft tijd gekost.

“Journalisten vragen ons weleens of we elkaar, als vrouwelijke schrijvers die tot dezelfde generatie behoren en op hun eigen manier succesvol zijn, nooit voor de voeten lopen. Maar dat is helemaal niet zo: Niña wordt altijd gevraagd voor heel intellectuele projecten, zoals het openen van een academisch jaar of het schrijven van een essay voor een wetenschappelijk tijdschrift, en ik word altijd gevraagd voor vreemde kunstprojecten, in de trend van: ga in een boom zitten en beschrijf wat je ziet. (lacht)

“Die verhoudingen vergroot ik ook uit in mijn werk: ik ben de dronken Rus, en Niña is degene die alles bijeenhoudt, die doorgaat met leven, die zwanger wordt, die huizen koopt. Zo houden we elkaar scherp: ik kijk naar haar op, en zij naar mij.”

Hebben jullie voorwaarden over wat jullie over elkaar schrijven?

“In de pers werd het zo opgepikt dat mijn laatste roman Dennie is een star en de recentste roman van Niña Kamers antikamers een dialoog aangingen met elkaar. Maar ik was op voorhand helemaal niet op de hoogte dat het boek van Niña op het mijne zou reageren, daar had ze me niets over gezegd. Ik vertrouw haar natuurlijk volledig, maar ik was daar toch even van geschrokken. Ik dacht: als ik wist dat we dit gingen doen, had ik nog een beter boek kunnen schrijven.”

Het lijkt me een intense vriendschap te zijn: jullie zagen elkaar vroeger dagelijks. Is een vriendschap pas goed als ze intens is?

“Ik denk wel dat een vriendschap intens moet zijn, ja. Ik merk dat ik snel verveeld raak als ze dat niet is. Ik kan nu eenmaal niet zo goed om met oppervlakkige gesprekken. Gewoon even bij iemand op bezoek zijn, dat ken ik niet: wij zijn gewoon bij elkaar, en dan gebeurt er iets, of juist helemaal niets. Op die manier wordt je vriendschap automatisch intiemer, omdat je bijna met elkaar samenleeft.

'Ik heb twee keer gedroomd dat ik als fysiotherapeut in een praktijk werkte, en plots dacht ik: dat moet ik gaan doen.' Beeld Hilde Harshagen
'Ik heb twee keer gedroomd dat ik als fysiotherapeut in een praktijk werkte, en plots dacht ik: dat moet ik gaan doen.'Beeld Hilde Harshagen

“De verhuizing van Niña, daar heb ik dus heel hard tegenop gezien, want in onze dagelijkse wandelingen zat de enige structuur die ik in mijn leven heb. Ik had niet door dat die structuur na een tijd ook beklemmend was geworden. Want zodra ze weg was, heb ik haar ook geen moment gemist: het was nodig om een nieuwe opening te creëren. Toen Niña verhuisde, moest ik die structuur noodgedwongen binnenin zoeken.”

En, lukt dat?

“Ik probeer dat ritme nu uit mijn werk te halen. Ik mediteer ook iedere dag, sport vijf dagen in de week, en maak sinds kort zelfs mijn huis schoon. Dat deed ik vroeger nóóit. (lacht) Ik leer koken, want dat kon ik ook allemaal niet; ik gooide maar wat dingen bij elkaar. Ik was eigenlijk best rommelig, als ik er nu op terugkijk. Behoorlijk kinderachtig, al dat gekoketteer met het ontwijken van verantwoordelijkheid; ik heb mijn eigen volwassen-worden bijna gesaboteerd.”

Ik las dat u een tijdje een opleiding tot fysio­therapeut volgde. Was die beslissing er ook een om meer structuur en ritme in uw leven te verweven?

(lacht) “Stom genoeg heb ik twee keer gedroomd dat ik als fysiotherapeut in een praktijk werkte, en plots dacht ik: dat moet ik gaan doen. Ik hou zielsveel van de literaire wereld en haal zelf ook alles wat ik weet uit boeken, maar om te voelen dat ik van toegevoegde waarde ben voor een ander, wilde ik dat toch wat concreter maken. Al mijn vrienden schrijven of zijn kunstenaar, dus ik zit in zo’n wereldje met allemaal hetzelfde soort mensen die op dezelfde partij stemmen en die hetzelfde denken over het coronabeleid.

“Ik wilde dus een andere soort mensen ontmoeten. En mensen letterlijk in beweging zetten, dat vond ik een mooi idee. Ik ben blij dat ik meer over die anatomie te weten ben gekomen, al moet ik toegeven dat ik aan het begin van de pandemie met mijn studie ben gestopt. Ik had een achterstand opgebouwd die ik niet meer kon inhalen.”

Waar komt die impuls vandaan om uit de literaire wereld te willen losbreken?

“Ik wil me zeker niet helemaal losweken van de literaire wereld, maar ik zou het van luiheid van geest vinden getuigen als ik me enkel daartoe zou beperken. Want binnen literaire kringen word je toch vooral geconfronteerd met de wereld zoals die zich in boeken openbaart, en niet met de wereld zoals die per definitie is. Ik voel toch de neiging om te blijven kijken naar datgene wat ik nog niet ken.

“Ook als schrijver vind ik het belangrijk om mijn blik te verruimen. Je hebt schrijvers als Gerard Reve – van wie ik trouwens heel erg hou – die hun hele carrière steeds variaties op hetzelfde boek zijn blijven schrijven. Ik merk dat ik de neiging heb om dat zelf ook te doen, maar ik wil er toch ook niet te veel in blijven hangen.”

De groef biedt ook wat inkijk in hoe uw werk tot stand komt: u schrijft ontzettend veel, en gooit het meeste ervan terug weg.

“Ja, het is een hele niet-economische manier van werken. Kortverhalen schrijf ik doorgaans ook met de hand, en ook dit boekje is op die manier tot stand gekomen. Ik zie het echt als een verzamelen van notities en ideeën, die ik pas daarna op de computer overtik om te zien wat wel en niet werkt. Het lijkt misschien niet zo als je mijn werk leest, maar er wordt wel degelijk iets gecomponeerd. Mensen denken weleens dat ik zomaar wat doe. Soms is dat ook zo, maar niet bij het schrijven en niet in de liefde.”

Gooit u zoveel weg uit onzekerheid?

“Ik ben best onzeker in de liefde en in de wereld, maar over mijn werk eigenlijk nooit. Dat vind ik zo fijn aan schrijven: het is zo’n intuïtief proces. Het zorgt voor zichzelf. Soms heb ik er moeite mee, of lukt het niet of heb ik geen zin, maar als het er is, is het er gewoon. Dan durf ik te vertrouwen op de taal. Dat is ook zo met dit boekje: het werk is er nu, en ik ben daar niet meer.

“Ik ben me echt voortdurend bewust van mezelf: van wat ik wel en niet zeg, van het feit dat ik in dit lichaam zit. Enkel tijdens het schrijven, tijdens de seks, en tijdens het zwemmen heb ik dat niet. Dan word ik overgeleverd aan de beweging van iets wat mezelf overstijgt.”

In het boekje wijdt u een heel hoofdstuk aan wat houvast voor anderen is. Heel opvallend hoe het voor iedereen iets anders is, maar u vertelt niet wat het voor u betekent.

“Idealiter zou ik zeggen dat ik zelf mijn eigen houvast ben. Maar ik denk toch dat houvast voor mij neerkomt op: de hand vasthouden van iemand die ik graag zie. Dat kan ook de hand van Niña zijn, of van mijn moeder. Voelen dat er iemand naast me staat, dat is voor mij de grootste geruststelling.”

Misschien kan wandelen ook wel een vorm van houvast zijn. Al las ik dat u er niet bepaald rustig van wordt.

“Nee, meestal word ik er zelfs onrustig van, omdat je tijdens het wandelen nog steeds gewoon kunt nadenken. (lacht) Maar tegelijk geloof ik wel dat het belangrijk is om in beweging te blijven. En bovendien hou ik veel van de stad, waar je voortdurend verhalen oppikt, gesprekken overhoort…

“Ik heb niet zo’n hoge pet op van mezelf of van de mensheid in het algemeen, maar wel van de wereld. In dat complexe systeem ben ik niet nodig en is mijn verdriet ook totaal verwaarloosbaar. Mijn basisinstelling is dus altijd hoopvol, zelfs als ik dolend of verdrietig ben. Arnon Grunberg nam eens een citaat van een Duitse toneelschrijver – wiens naam ik ondertussen vergeten ben – op in een van zijn boeken. ‘Je hebt geen kans, grijp die kans!’ Dat is hoe ik in het leven wil staan.”

Dat klinkt erg wijs. Zullen we dan maar noteren dat u het afgelopen jaar iets vol­wassener bent geworden?

“Ik denk het. Ik hoop het. Een klein beetje maar, niet te veel.” (lacht)

Maartje Wortel, De groef, Uitgeverij Van Oorschot, 80 p., 12,50 euro.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234