Dinsdag 12/11/2019

Interview

M-Museum toont toverkunst van Pieter Vermeersch, de ‘Vlaamse Rothko’

Beeld Miles Fischler

Wie de tentoonstelling van Pieter Vermeersch in Leuven binnenstapt, riskeert het beruchte Rothko-effect te ondergaan: die speciale straling die de benen slap maakt, het hoofd ijl en het gemoed week. Bij Vermeersch is ze zo mogelijk nog sterker dan bij Rothko zelf, en je krijgt er geen kleffe mystiek bij.

In plaats van een tentoonstelling met greatest hits, heeft Pieter Vermeersch (45) in M-Museum zijn eigen universum gecreëerd. Het bestaat uit een reeks abstracte schilderijen, stukken marmer met verfstrepen erop, een paar grote muurschilderingen, een serie piepkleine foto’s met vingerafdrukken op, acht heel erg op elkaar gelijkende varianten van een vroeg figuratief schilderij, en een aantal architecturale ingrepen met spiegels en muren. Het is puur. Het is prachtig.

Hij is op dit moment wellicht de meest succesvolle kunstenaar van zijn generatie, maar waarschijnlijk ook de meest bescheiden.

“Ik mag niet klagen”, zegt Pieter Vermeersch wanneer ik hem vraag hoe het met hem en zijn werk gaat in de wijde wereld. “Dat ze mij in de internationale kunstwereld ondertussen een beetje kennen, wil nog niet zeggen dat ik wereldberoemd ben, hè.”

Hij studeerde aan het Antwerpse Hoger Instituut voor Schone Kunsten (HISK) toen talentrijke mensen als Koen van den Broeck, Nadia Naveau, Nico Dockx en Yves Maes daar ook rondhingen.

Vandaag is hij in Brussel verbonden aan de galerie van Greta Meert, in Parijs aan die van Emmanuel Perrotin – die ook vestigingen heeft in New York, Hong Kong, Seoul, Shanghai en Tokio – in Barcelona aan ProjecteSD en in Londen en het Engelse Margate aan de Carl Freedman gallery. Fans en verzamelaars van zijn werk zitten zowat overal; hij verkoopt in elk geval meer in het buiten- dan in het binnenland.

We houden eerst halt bij het marmer. Een afbeelding van het allerkleinste werk uit de expo, een plaatje groen marmer met een pasteuze laag verf erop, hangt groot te wapperen op vlaggen in de stad. Hij is pas vijf jaar geleden met marmer aan de slag gegaan. Een banale anekdote uit zijn dagelijks leven lag aan de basis.

Pieter Vermeersch: “Ik verhuisde naar een appartement waarin een schoorsteenmantel uit heel barokke marmer was opgetrokken. Dat ding was ineens heel dwingend aanwezig in mijn nieuwe omgeving. Ik zat er de hele tijd naar te staren, ik wist niet wat ik ermee moest. Nu heb ik ook wel iets met geologie. In de gekristalliseerde, door de tijd gevormde materie die marmer is, zie je letterlijk ook de tekening van de tijd. Op een dag ben ik vegen en toetsen van verf beginnen aanbrengen op dat marmer. Als een nieuwe tijdsmarkering op een door de natuur gevormd schilderij. En ik ben het blijven doen.”

Dan komen we bij de schilderijen. Pieter Vermeersch lacht minzaam wanneer ik hem vertel welk effect zijn werk op de laatste drie edities van de kunstbeurs Art Brussels op mij had. Ik race altijd aan een zo hoog mogelijke snelheid doorheen zo’n beurs, om de overdaad aan visueel restafval beter te kunnen negeren. Maar bij zijn schilderijen hield ik altijd halt. Mystieke ervaringen zou ik het niet noemen, maar ze werkten duidelijk vertragend, rustgevend, zelfs immobiliserend. Heeft hij dat nog gehoord?

Pieter Vermeersch. Beeld Guillaume Ziccarelli

Aarzelend zegt hij: “Ik hoor van mensen die er dag in dag uit mee leven dat mijn werk een zekere zuigkracht heeft, ja. Het zijn trage dingen, er is geen narratief verhaal, je hebt nauwelijks houvast, en je ziet ze op verschillende momenten van de dag wellicht telkens in een ander licht. Dus ja, je moet er je eigen verhaal bij maken.”

Dan vertelt hij het verhaal van een verzamelaar die hem af en toe in zijn atelier komt opzoeken: “Hij vraagt een stoeltje, zet zich neer, en zit vervolgens een halfuur of langer te staren naar één werk. Zo geconcentreerd dat ik, om niet te storen, maar wegsluip en in een andere kamer koffie ga zetten. Wat zou ik eens graag in die man zijn hoofd kruipen. Want hij spreekt ook tegen mij niet over zijn ervaring. Hij legt niet uit wat hij ziet of denkt. Ik heb het hem één keer op de man af gevraagd. Toen heeft hij me een opname van de cellosonates van Bach gegeven. Dat was het antwoord.”

De warme gloed die uit zijn abstracte schilderijen lijkt te komen, de manier waarop hij een paar hoge muren van het M-Museum lijkt te hebben getransformeerd in dunne, zachte gordijnen van kleur, in nevelslierten van geel, roze en blauw, ondanks het feit dat het strakke, egale vlakken zijn: het lijkt tovenarij, maar in werkelijkheid is het kille, haast klinische berekening.

Beeld Miles Fischler

We staan voor Zonder titel, 2019. Nagenoeg al zijn werk is getiteld Zonder titel. Het is een serie van vijf, op het eerste gezicht abstracte doeken, 230 x 170 cm elk, in een kleur die je alleen maar in één woord kunt omschrijven als je ze okergeeloranjeroodbruin noemt, en die ophangt in een hoek.

“Al mijn schilderijen zijn gebaseerd op een foto die ik eigenlijk hyperrealistisch schilder”, legt de boomlange kunstenaar uit. “Maar ik gebruik enkel foto’s waaruit elke ruimtelijke referentie is weggevallen. Het beeld is puur ruimte, louter kleur. Dat kan van alles zijn: een detail van een voorwerp, licht dat weerkaatst op een muur, een landschap zonder land... Je hebt geen houvast. Ik noem dat beelden met een nulgraad: abstractie en representatie schuiven ineen. Er is geen spoor meer, van niks, en toch is het iets reëels.”

Zelfs de kunstenaar is afwezig, verdwenen.

“Dat is juist.”

Is het hard werken, en dus zéér aanwezig zijn, om dat te bereiken?

“Het is monnikenwerk, ja. Maar ik heb er een methode voor ontwikkeld. Ik teken eerst een grid, ik deel het doek op in vakken. Heel getrouw aan de foto meng ik vervolgens de kleuren. Ik denk dat hier een vijftigtal kleuren in zitten, tussen okergeel en roodbruin. Dan begin ik te schilderen: vakje per vakje, kleur per kleur. En op het einde is het mengen mengen mengen, tot je geen overgangen meer ziet.”

Kun je het makkelijk verknoeien?

“Zeker. Het is heel intens. Met olie op doek heb je maximaal achttien uur. Daarna is de verf droog. Of toch te droog om nog goed te kunnen mengen. Het moet dus in één lange take gebeuren. Ik heb die achttien uur niet altijd nodig, maar aan doeken zoals deze werk ik toch makkelijk twaalf à veertien uur aan een stuk.”

En hoe lang werk je aan de grote muurschilderingen?

“Dat is anders. Daar werk ik met acrylverf en gaat de kleur gradueel van licht naar donker. De grid bestaat uit verticale of horizontale banden; het kleurenpalet uit soms wel 150 verschillende tonen. Die moeten ook wel met elkaar versmelten, maar nooit in alle richtingen. Het werk gebeurt door een heel team.”

Het doet denken aan een partituur van kleuren.

“Ik rationaliseer en abstraheer het beeld door het te reduceren tot – hoe moet je dat noemen? – een soort van analoge pixels. (Wijst naar een van de vijf doeken) Eigenlijk zijn dit vijftig uitgevaagde pixels. Ik zie mijn beelden als tijdsdocumenten. De tijd zit er enorm in, maar het moment, het tijdstip waarop de opname is gemaakt bijvoorbeeld, absoluut niet meer. Het is één uitgevaagde dimensie geworden.

Dat opdelen en dan opnieuw vermengen, is een parallel met de manier waarop de maatschappij gestructureerd is. Wij kunnen maar functioneren door de tijd op te delen. Dat zit trouwens al ingebakken in de natuur: dag en nacht, de seizoenen, de stand van de maan. De mens heeft dat met behulp van zijn technologie steeds verder doorgedreven. Heel ons leven is nu strak getimed. Zonder die tijdsslots is niets mogelijk, zouden wij hier niet hebben kunnen afspreken. Maar tegelijk is de tijd ook fluïde. De tijd verloopt. En dus laat ik mijn in pixels opgedeelde schilderijen ook opnieuw fluïde worden.”

Het is hard werken, zeg je, maar is het ook plezant?

(lacht) “Goeie vraag. Dolle pret kun je het niet noemen. Ik ben nog altijd gestresseerd als ik eraan moet beginnen. En ik wil dat het zo snel mogelijk achter de rug is.”

Het lijkt me ook geen werk waarvoor je onderweg al eens beloond wordt, doordat een tussenstap beter lukt of mooier uitvalt dan je verwacht had.

“Neenee, de beloning komt jammer genoeg pas helemaal op het einde, nadat de laatste sporen van de aanwezigheid van de schilder zijn weggeveegd (lacht). Dat gebeurt letterlijk in het laatste uur. Dan pas voltrekt zich het beeld zoals het is en moet zijn.”

Heb je het procedé ondertussen zo onder de knie dat het nog maar zelden mislukt?

“Dat wel. Ik weet perfect wat ik ga doen en wat ik wil bereiken, dat is kraakhelder. Maar volledige controle heb je natuurlijk nooit, maar goed ook. Ik was zelf bijvoorbeeld zeer benieuwd naar deze serie…”

Hoezo benieuwd, je hebt ze toch zelf gemaakt?

“Acht jaar lang heb ik op de foto’s zitten kijken waarop deze doeken gebaseerd zijn. Nu pas kon ik de schilderijen realiseren, omdat ze hier samen in een hoek van een grote ruimte kunnen hangen. Voor mij vormen ze één werk. Ik was zeer benieuwd omdat ik ze nog niet in deze constellatie had gezien. Ik mijn atelier heb ik zo’n hoek niet, ik werk daar op twee muren tegenover elkaar.”

Dat atelier bevindt zich sinds korte tijd in Noord-Italië, in Turijn, waar hij ook woont. Hij is er terechtgekomen door zijn broer Lowie Vermeersch, die er actief is als autodesigner – eerst als ontwerper voor Pininfarina, het legendarische Italiaanse autodesignbedrijf dat onder meer in opdracht van Ferrari werkte, nu met zijn eigen designbureau.

“Als kunstenaar kun je er goed werken”, zegt hij. “Turijn is geen drukkende metropool, maar doordat er nog veel gebouwen uit het rijke industriële verleden staan – de stad van Fiat, weet je wel – kun je er fantastische ateliers vinden. Turijn was de eerste hoofdstad van Italië, maar het is ook altijd een beetje een intellectuele hoofdstad gebleven, waar veel schrijvers en uitgevers wonen. Een levendige kunstscène is er niet. Dat hoeft voor mij ook niet. Mijn vrouw Lilou Vidal is freelance curator, we reizen veel, we zijn voor onze inspiratie niet afhankelijk van één plek.”

Pieter Vermeersch Beeld Miles Fischler

De meest opmerkelijke vermelding op zijn artistiek curriculum, is die van de ‘anarchistische noiseband’ Spasm, waarin hij enkele jaren heeft gespeeld. Had hij ter compensatie van de kosmische stilte in zijn beeldend werk nood aan godlasterlijk lawaai?

Vermeersch (lacht): “Spasm was een geconceptualiseerde jongensdroom. Dieter Roelstrate, curator en filosoof, Diederik Peeters, performer en podiumbeest, en ik, beeldend kunstenaar, zaten samen in een expositie en we wilden tijdens de opening iets ongewoons doen. Dat werd het eerste optreden van Spasm. We hebben er ook een paar concepten uit onze artistieke praktijk in gestopt. Spasm was zo ongeveer de nulgraad van het geluid. Alles wat ook maar enigszins naar muziek zweemde, lieten we weg: geen composities, geen repetities, geen structuren, we luisterden zelfs niet naar elkáár. Het was: alle versterkers op tien en zo hard mogelijk richting catharsis rammen. Het hield op wanneer de drummer aangaf dat hij fysiek niet meer kon, doorgaans na zo’n twaalf minuten. We hebben ook één plaat gemaakt, ons ‘split’-album: zes verschillende opnames door elkaar gemixt. Ook weer een versmelting, zoals in mijn beeldend werk.”

Zeggen dat hij uit een artistieke familie komt, is een understatement. Zijn grootvader was de beeldhouwer José Vermeersch, zijn vader is de schilder Rik Vermeersch, zowat zijn voltallige familie is actief in kunst en design. Was kunstenaar worden een evidentie, of ook een jongensdroom?

“Het kon geen droom zijn, want thuis was het dagelijkse realiteit. De jongensdroom had kunnen zijn om absoluut iets buiten de kunst te willen doen. Merkwaardig dat in ons gezin niemand die aanvechting heeft gevoeld. Maar ik herinner me nog wel heel goed het moment dat ik dacht: kunst, dat wordt mijn leven. Het was geen gevoel, het was een inzicht zo helder als pompwater. Ik zat op school, alleen op een bankje, buiten. Voor mij lag het basketbalveldje, daarachter het voetbalveld met bomen er rond. Ineens ging het licht aan: ik ga straks naar de academie en dan word ik kunstenaar. De energie die toen vrijkwam was fantastisch. (lacht) En voilà, hier staan we dan.”

Nog tot 11 augustus in M-Museum Leuven.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234