Woensdag 26/06/2019

Boeken

"Loeigeile porno en humor": ‘Mieke Maaike’s obscene jeugd’ krijgt heruitgave

Beelden uit de Fenomenale Feminatheek van Louis Paul Boon, zijn verzameling naakte prikkelpoppen en glamour girls. Beeld standaard uitgeverij

Pittige pastiche, onversneden pornografie of koldereske satire? De heruitgave van Mieke Maaike’s obscene jeugd (1972) werpt vragen op over de intenties van Louis Paul Boon. Was dat ‘vrolijke seksboekje’ over een ‘nymfomaan kind-wijfje’ zijn waarschuwing tegen de uit de hand gelopen seksuele revolutie?

Louis Paul Boon (1912-1979) werd niet graag in een keurslijf geperst. Toen de katholieke goegemeente hem na het excessieve succes van zijn roman Pieter Daens (1971) plots te zeer aan de borst drukte, besloot hij hen lik op stuk te geven. “Nu zitten er alle vijf voet pastoors en katholieken bij mij om een pint te drinken op mijn gezondheid en eens te klappen”, vertelde Boon in een interview met Gaston Durnez. “’t Is precies alsof ik God de Vader ben geworden en al die katholieken zich in ene keer gaan bekeren tot het boonapartisme. Ik heb dan maar een pornografisch boek geschreven. Als reactie. Allez, toch half en half”, lachte hij besmuikt.

“Ik heb in dat boek verteld over de jeugd van Mieke Maaike, een kind dat van alle toeren tegenkomt. Ik heb het er dik op gesmeerd; ’t moet plezant zijn, ja, met veel woordspelletjes en zo. Een parodie, als ge wilt.”

De toen wijd en zijd gefêteerde Boon wilde zijn tanden tonen. Laten zien dat hij nog niet geringeloord was. Of een brave loebas. Bovendien toonde Boon zich sinds lang buitensporig gefascineerd door erotiek, als verzamelaar, schrijver en tekenaar. 

In de jaren 50 begon hij foto’s en prenten van naakte prikkelpoppen en glamour girls te verzamelen voor zijn Fenomenale Feminatheek. En na het verschijnen van Menuet (1955) en vooral De paradijsvogel (1958) was hij door het katholieke landsdeel meermaals uitgekreten als onverbeterlijke vuilspuiter. Criticus Albert Westerlinck noemde Boon zelfs een producent van “opzettelijk-vulgaire, stupiede smeerlapperij”.

In mei 1972 liet de zelfverklaarde ‘viezentist’ Boon Mieke Maaike’s obscene jeugd op de wereld los. Om precies te zijn: alleen op de Nederlandse lezer. Zesduizend exemplaren werden er gedrukt van het scabreuze geschrift, voorzien van een dieprood fluwelen omslag met goudopdruk en een blote deerne met stevige bilpartijen, afkomstig uit Boons eigenste Fenomenale Feminatheek.

Geheime lades

Bizar genoeg hield Boon het boek in Vlaanderen aanvankelijk onder de pet. Uit vrees voor een proces wegens zedenschennis, zoals Jef Geeraerts was overkomen met Gangreen I? Of omdat men hem net op dat moment volop kansen toedichtte voor de Nobelprijs voor literatuur? Boon was kennelijk dwars met mate. Het betekende dat Vlamingen het boekje op de kop moesten tikken in Sluis of Putte, net over de Nederlandse grens, wat de nieuwsgierigheid enkel nog feller aanwakkerde.

Maar toen ECI Boekenclub Mieke Maaike in zijn aanbod opnam en haar schunnigheden ook in België beschikbaar kwamen, was het hek van de dam. Het embargo werd opgeheven. Vanaf dat moment groeide Boons pornoparodie uit tot een begeerlijk curiosum, een steadyseller ook in Boons oeuvre. “Waarschijnlijk kon het zo populair worden omdat de meeste lezers zich juist niet bewust waren van Boons ironische en satirische bedoelingen”, schrijft Boon-biograaf en -kenner Kris Humbeeck in de studie Pornografie in de Nederlandse literatuur (2012).

De seksuele esbattementen van de losgeslagen Mieke Maaike met pastoors, schooldokters, buurmannen, getrouwde heren en zelfs een aap en een hond gaan van haar negende tot haar achttiende levensjaar crescendo. De sadomasochistische taferelen zijn niet van de poes, er vallen ferme klappen en de urine en kutsappen vloeien rijkelijk, vooral als er heiligschennis bij te pas komt. Volgens Humbeeck ligt het satirische karakter er bij Mieke Maaike vingerdik op, zeker door Boons “buitengewoon plastische omschrijvingen van orgasmen”: “In Mieke Maaike staat men hoe dan ook tot de enkels in de ongein en het geil, het sperma en de pis.”

Toch schoot Boon mogelijk zijn doel voorbij. Zijn amorele fabel, bedoeld als kritiek op een doorgeschoten seksuele revolutie, kreeg de status van “vrolijk seksboekje”, stelt Humbeeck, “een oversekste
éducation sentimentale”. De kritiek reageerde voorspelbaar verdeeld, al bleef de verwachte schokgolf uit. Piet Van Aken sprak in de Volksgazet van een “totaal mislukte parodie (…) die noch literair noch pornografisch aan de enkels reikt van wat in het genre aan de lopende band wordt gefabriceerd”.

Louis Paul Boon. Beeld Photo News

Het belette niet dat Mieke Maaike’s obscene jeugd vaste prik werd in de geheime lades van veel Vlaamse gezinnen, waar ook Ik, Jan Cremer, Turks fruit of
Gangreen I samentroepten. Zoals ten huize Dimitri Verhulst: “Mieke Maaike’s obscene jeugd stak bij ons tussen de keukenhanddoeken. Het boek zat daar verstopt zodat ik het niet zou vinden, maar ik hielp mijn moeder bij de afwas”, vertelde hij ooit lacherig aan deze krant. 

En Pieter Aspe verklaarde onlangs in Het Laatste Nieuws: “Ik ben net als half Vlaanderen destijds naar Sluis getrokken om Mieke Maaike te kopen, want hier was het verboden. Je komt er dan ook álles in tegen: van sadisme over triootjes tot exhibitionisme. (…) Wie hier geen zin in seks van krijgt, moet zich dringend laten onderzoeken (lacht).”

Holderdebolderporno

Nu is er een zoveelste heruitgave (het boek is goed voor bijna 200.000 verkochte exemplaren sinds 1972), met een nieuw voorwoord van Ilja Leonard Pfeijffer. Hij fulmineert daarin tegen wie het boek afserveert als ordinaire vunzigheid of zou willen muilkorven, mede vanwege de zeer premature leeftijd van Mieke Maaike. “Laat het lezen van dit boek uw daad van verzet zijn”, predikt Pfeijffer. Akkoord, “het is vuige, smeerlijke, snoeiharde porno”. Maar wel met een bijna feminien doel: “De mannelijke wellust die van de pagina’s gutst, staat in dienst van de bevrediging van de behoeften van de vrouw.”

En: “Het is geschreven in een geraffineerde quasi-naïeve en bestudeerd nonchalante stijl vol opzettelijk verkeerd gebruikte uitdrukkingen, bewust ongepaste vergelijkingen en komische metaforen.” 

Precies in die humor ligt de zeldzame kwaliteit van Mieke Maaike, argumenteert Pfeijffer: “Het ware wonder van dit boek is de onwaarschijnlijke combinatie van echte loeigeile porno en humor.” Die is bovendien aangelengd met Boons ongebreidelde fantasie: “Het is een parelsnoer, dan wel een geishaballenkoord van de meest originele en bizarre fantasieën die zelfs bij de meest volhardende zelfbevlekker nooit in het hoofd zijn opgekomen.”

Is de exorbitante lof van Pfeijffer op zijn plaats? Herlezing van Mieke Maaike’s obscene jeugd is nochtans een wisselvallig genoegen, met talloze flauwiteiten, hilarische hitsigheden en slappe grappen. Het boek vond zijn kiem in het postuum gepubliceerde Eens op een mooie avond, waaraan Boon rond 1967 langdurig sleutelde. Het moest zijn schop tegen de kont van markies De Sade worden. Mieke Maaike is daaruit gedistilleerd en ‘gefatsoeneerd’.

Je kunt het boek met enige goede wil ook situeren in een traditie die – volgens Humbeeck – teruggaat tot Martialis’ Epigrammen en Petronius, richting John Cleland (Fanny Hill) en Poggio de Florentijn. Stuk voor stuk tegendraadse moralisten die met hun erotica de samenleving een spiegel voorhielden. Pfeijffer wijst ook op Pietro Aretino’s Sei giornate (1534-36), uitpuilend van schimpscheuten naar de clerus. En je mag er ook nog Rétif de la Bretonne en zijn Anti-Justine (1798) aan toevoegen.

Heksibitionisten

Boon laat zijn bataljon seksuele ontsporingen voorafgaan door een voorwoord van student in de ‘pornografika’ drs. Steivekleut, die een proefschrift maakt “omtrent en in het kutodelisch verschijnsel bij aankomende kind-wijfjes”. Een beproefde truc in de erotische literatuur, om een zeker waarheidsgehalte te cultiveren. Mieke Maaike vertelt aan Steivekleut haar ervaringen, terwijl de jongeling driftig noteert. Hij inventariseert haar eigenaardigheden: het vele ‘onderzeiken’, het zich ophouden bij “in deze wereld ongure heksibitionisten” en het gekick op neuken aan “open raam” of “in Gods vrije natuur.”

Haar perverse metgezellen en kostschoolgenoten Leentje en Marleentje porren haar mee aan tot blasfemisch getinte seksspelletjes. Geestig is het allemaal wel, maar het is beslist geen schande om het boek enigszins gedateerd te vinden, zeker ook door de nogal artificiële mengtaal. Het is holderdebolderporno met pulperige trekjes, zodanig over the top geserveerd dat je er geen rode oortjes meer van opdoet, laat staan in staat van hoge opwinding komt te verkeren. Dan flikte wijlen Heere Heeresma het met Gelukkige paren en Pornotaria (onder pseudoniem Johannes M. de Back) toch iets beter.

Er blijft een vreemde paradox aan Mieke Maaike kleven. Boon vierde er de pornografische teugel mee, maar tegelijkertijd stak hij de waarschuwende vinger op. Hij voelde zich niet meer thuis in een wereld van ontsporende seksuele moraal en gecommercialiseerde genotzucht. De slinger van de permissiviteit vond hij te zeer doorgeslagen en ook voor mei ’68 haalde hij de neus op.

Boons fascinatie voor meisjes op de drempel van de ontluiking spookte door zijn hele oeuvre, al sprak hij zijn afkeer voor pedofiele praktijken meermaals ferm uit. Maar was Mieke Maaike de juiste manier om zijn onbehagen aan te snijden? Zijn eigen intenties ontglipten hem in deze spagaat. Humbeeck: “In feite werd [Boon] het slachtoffer van wat hij in zijn roman juist aanklaagde.”

Desillusie

Of zoals Erwin Mortier het in 2008 in De Morgen bloemrijk omschreef bij het verschijnen van Boons Het erotische/pornografische werk (in het verzameld werk): “Er is ook (…) Boon als zedenpreker, als geile predikant in de maar al te vertrouwde pose van een dorpsherder die geregeld de kansel beklimt om te waarschuwen voor de zonden des vlezes, maar deze zonden dusdanig dik in de verf zet dat de helft van zijn kudde in de kerkbank zit te soppen dat het een aard heeft.”

De humor sijpelde spoedig weg uit het erotische oeuvre dat Meneerke Boin de volgende jaren schreef, zeker na het nog lichtvoetige sprookje Zomerdagdroom (1973). Ondanks de roem stapte Boon steeds zwartgalliger en gedesillusioneerder door de dagen. De seksuele tristesse droop van het eenzame kasteelheertje in Memoires van de heer Daegeman (1979). Het postuum verschenen ‘droefgeestige en schandelijke pornoverhaal’ Eros en de eenzame man (1980) was nog veel prangender. Het contrast tussen de wrange eenzaamheid van zijn gefrustreerde laatste romanpersonage en het lollige gerampetamp van Mieke Maaike – al bij al very sixties – kon niet groter zijn.

Louis Paul Boon, Mieke Maaike’s obscene jeugd, De Arbeiderpers, 107 p., 17,99 euro. Voorwoord Ilja Leonard Pfeijffer.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
© 2019 MEDIALAAN nv - alle rechten voorbehouden