Dinsdag 11/05/2021

InterviewBoeken

Literaire sensatie Roberto Camurri: ‘Soms haat ik mijn vrouw omdát ik van haar hou’

Roberto Camurri: ‘Mijn ouders herkennen stukjes dialoog in mijn boeken. Ze zijn nu nog minder spraakzaam tegen mij.’  Beeld Getty Images
Roberto Camurri: ‘Mijn ouders herkennen stukjes dialoog in mijn boeken. Ze zijn nu nog minder spraakzaam tegen mij.’Beeld Getty Images

De Italiaan Roberto Camurri (39) schreef opnieuw een hartbrekend mooi boek, De naam van de moeder, over mensen die er niet in slagen hun hart te laten spreken. ‘Toen mijn dochter pas geboren was, nam ik elke gelegenheid te baat om me laveloos te zuipen. Ik liep van mijn geluk weg.’

Roberto Camurri zit voor de boekenwand die ik herken van zijn Zoom-interviews met de RAI en de Corriere della Sera. De lachende, zongebruinde bink van de eerste auteursfoto’s heeft nu een Kurt Cobain-kapsel. Ook in Parma, waar hij woont, is de haartooi het afgelopen jaar in onbruik geraakt.

Net zoals Cobain vertoont Camurri tekenen van een paar verslavingen. Hij speelt met een sigaret zoals oude Grieken met een kralenketting en katten met een dode muis. Vanuit een bron buiten beeld laat hij de ene na de andere espresso aanrukken. En later in het gesprek zal hij het hebben over zijn schrijfverslaving en hoe hij die onder controle probeert te krijgen.

“Het is mijn schrijfdag vandaag”, lacht hij. “Dan word ik altijd graag gestoord.”

BIO • geboren in 1982 • debuteerde in 2018 met A misura d’uomo (De menselijke maat), over een drie­hoeksverhouding in een dorpsgemeenschap • het boek, in Italië een bestseller, werd bekroond met o.m. de debuutprijs Premio POP 2018 en de Premio Procida-Elsa Morante • Camurri’s tweede, De naam van de moeder, is net uit

Roberto Camurri heeft het weer geflikt. Na De menselijke maat, zijn zinderende debuut, is ook De naam van de moeder, zijn ‘moeilijke’ tweede roman, weer zo’n verhaal dat je naar de keel grijpt zonder dat je goed weet waarom. De personages zijn in generlei mate bijzonder, het decor is andermaal de eentonige Po­vlakte rondom het ondertussen mythische dorp Fabbrico, het geboortedorp van de schrijver. Een vrouw verdwijnt met achterlating van haar man Ettore en haar pasgeboren zoontje, Pietro. Vader en zoon ploeteren zwijgend voort en ze leven nog lang en meestendeels ongelukkig. De naam van de moeder komen we op de laatste pagina te weten.

Ik feliciteer de schrijver met zijn weekmaker die toch geen tearjerker is, en verneem met blijdschap dat hij zal weigeren het woord ‘kwetsbaar’ in de mond te nemen.

De menselijke maat was een vriendenboek, De naam van de moeder is een familieroman. Het eerste een liggende, panoramische foto, dit tweede een close-up. Welk van de twee was het moeilijkst om te schrijven?

“Het was twee keer totaal anders. Zoals u zegt: De menselijke maat was een horizontaal boek. Alle personages staan op dezelfde foto, tegen de achtergrond van Fabbrico, het dorp in Emilia-Romagna waar ik samen met hen ben opgegroeid. Als schrijver lever ik commentaar bij de foto: ik zeg wie wie is en hoe het hem of haar is vergaan.

De naam van de moeder is een verticaal verhaal over een vader, een zoon en een dominant afwezige moeder. Maar het gaat ook over de relaties tussen de generaties: de ouders van de afwezige moeder spelen een belangrijke rol, en de zoon krijgt zelf ook een kind.”

Bij de verschijning van De menselijke maat zei u dat u nooit een boek zou kunnen schrijven dat zich níét in Fabbrico afspeelt. In De naam van de moeder is uw geboorte­dorp alvast minder aanwezig, minder bepalend.

“Klopt. Doordat er wordt scherpgesteld op een familie, zie je minder decor op de foto. De achtergrond is waziger. In plaats van een fysieke locatie met duidelijke contouren is Fabbrico een gevoelsmatige plek geworden. In filmscenario­termen: meer interieur dan exterieur.

“Bovendien is Fabbrico veranderd. Mijn eerste boek was een verkapte liefdesverklaring aan het dorp waar ik zo veel mooie herinneringen aan heb. Nu is het de plek waaruit ik ben weggetrokken en die ik weer ga opzoeken om een familieverhaal te vertellen.”

Zo is het ook werkelijk gegaan: u hebt Fabbrico ingeruild voor Parma, de dichtst­bijzijnde stad. Neemt u steeds meer afstand?

“Fysiek misschien wel, maar emotioneel allerminst. Het schrijven van dit boek heeft in mij emoties losgewoeld, zenuwbanen geraakt, waarvan ik niet wist dat ze er zaten. Af en toe kreeg ik het echt benauwd. Er zijn momenten geweest dat ik mezelf moest proberen te ontdubbelen: terwijl de schrijver in mij koortsachtig schreef wat hij schreef, zetten de zoon en de vader die ik ben een stapje terug.

“Schizofreen, ja. Maar er was geen andere oplossing. De enige manier van schrijven die ik ken, is waarachtig schrijven. Mijn lezers mogen op geen enkel moment het gevoel hebben dat ik hen met mooischrijverij en handigheidjes uit de literaire trukendoos aan het lijntje houd. Ik streef in mijn verhalen naar totale eerlijkheid, ook al zijn ze verzonnen. Ik ga de confrontatie met de waarheid aan, ook al doet ze pijn.”

Een familieroman is delicaat als je totale eerlijkheid nastreeft.

“Wees daar maar zeker van.”

Wat vond uw moeder van De naam van de moeder?

“Een paar vrienden belden me ongerust op nadat ik hen een vroege versie van het manuscript had laten proeflezen: ‘Roberto, zorg er maar voor dat je mama een psycholoog heeft geraadpleegd voor ze dit onder ogen krijgt.’ (lacht smakelijk) Ik vond dat ze overdreven. Het verhaal van de moeder in het boek, die op een dag gewoon verdwijnt en haar man en pasgeboren zoontje achterlaat, is overduidelijk fictie. Dat wisten mijn vrienden beter dan wie ook...’

En uw moeder wist het nog beter. Hoe reageerde zij?

“Zij belde en vroeg of ik me ooit door haar verlaten heb gevoeld. (stil) Dat was raar. Want nog los van het feit dat die verdwijning fictie is, is het ook een ingreep die ervoor zorgt dat het in deze roman vooral gaat over vaders en zonen. Over de stilte van de vaders. Over hun onvermogen om te praten over liefde, lijden en verlangen. De verdwenen vrouw en moeder wordt doodge­zwegen.

‘Mijn vrienden zeiden: ‘Roberto, zorg ervoor dat je mama een psycholoog heeft gezien voor ze dit verhaal te lezen krijgt'.' Beeld Getty Images
‘Mijn vrienden zeiden: ‘Roberto, zorg ervoor dat je mama een psycholoog heeft gezien voor ze dit verhaal te lezen krijgt'.'Beeld Getty Images

“Mijn vader is nog van de generatie die zweeg. Van hen werd niet ­verwacht dat ze zeiden wat ze ­vonden, voelden of dachten. Ze hadden er geen woorden voor. Mannen waren inflexibel en hielden hun mond. Emotioneel namen ze nul ­risico’s.

(denkt na) “Mijn vader en ik zijn op exact dezelfde leeftijd vader geworden. Mijn vader van mij, ik van mijn dochter ­Ludovica, die nu 9 is. Toen mijn dochter pas geboren was, ging ik vaak op stap met mijn vrienden. Ik nam elke gelegenheid te baat om me bewusteloos te zuipen. Dat was hetzelfde onvermogen. Een kind krijgen is zo overweldigend, het geluk dat je overmant is zo groot en zo intimiderend dat je ervan wegloopt, begrijp je?

“Tijdens een van die wilde nachten waggelden mijn vrienden en ik langs velden en wegels terug naar Fabbrico. Op een gegeven moment kwamen we bij het kanaal dat de zuidelijke Povlakte ­doorklieft. Daar deden we wat dronken mannen doen in zo’n situatie: op een rij naast elkaar, gulp open, en om ter verst in het kanaal pissen. Wel, in een zeldzame bui van openhartigheid heeft mijn vader me verteld dat hij precies ­hetzelfde heeft gedaan met zijn vrienden, op precies dezelfde plek, toen ik twee maanden oud was.

(denkt na) “Waarom vertel ik dit? O ja, om duidelijk te maken dat ik door dit boek ben opgehouden mijn vader als uitsluitend mijn vader te zien, en mezelf als uitsluitend zijn zoon. Wij zijn ‘typische’ vaders, weliswaar van verschillende generaties, die op ongeveer dezelfde manier op de geboorte van hun kind hebben gereageerd. En toen mijn grootvader mijn pasgeboren dochter voor het eerst te zien kreeg, zag ik bij hem hetzelfde gebeuren. ‘Kom, we gaan een wandelingetje maken,’ zei hij meteen, ‘en ik wil de kinderwagen duwen’. ‘Tuurlijk, nonno’, zei ik, ‘come no.’ Glimmend van trots schreed hij de straat op. Zijn lichaamstaal zei: ‘Ik zit hier ook voor iets tussen, dit wezentje is van mij voort­gekomen.’

“We waren nog geen tien meter ver of hij barstte in snikken uit. Hij maakte meteen rechtsomkeer, want hij wilde niet huilend over straat lopen. Ik begreep er niks van. Later snapte ik het natuurlijk wel: hij kon het niet aan, zijn geluk was te groot, iets op de rand van ongeloof en verbijstering. En wellicht knaagde er ook een oud schuldgevoel aan hem: met mijn ­eigen kinderen heb ik dit niet kunnen en niet willen doen, en o wat heb ik daar spijt van.

“Ik heb het zelf ook nog altijd als ik naar mijn dochter kijk: hoe is dit prachtige, volmaakte wezen van mij, onwaardige pummel, kunnen voortkomen? Hoe zal ik er ooit in slagen haar níét teleur te stellen?”

Zijn ouderliefde en verlatings­angst volwaardige gespreks- ­onderwerpen in uw familie sinds het verschijnen van De naam van de moeder?

“Haha, dan kent u mijn familie niet.”

Ik zou denken dat een indringende familie­roman hetzelfde bevrijdende effect kan hebben als een levensbedreigende ziekte: tijd om de deksels van de potjes te halen.

(lacht) “Afgelopen zomer moest mijn moeder een kleine ingreep ondergaan in het ziekenhuis. Niks levensbedreigends, maar met het virus dat rondwaarde waren we er toch niet helemaal gerust in. Ik was op dat moment op weekenduitstap met een groep vrienden. Op de dag dat mijn moeder het ziekenhuis weer mocht verlaten, stuurde ik haar een sms: ‘Ben je weer thuis? Is papa blij dat je nog leeft? Is hij in huilen uitgebarsten?’ Dat was een grapje: mijn vader is een notoire binnenvetter, hij valt nog liever dood dan zijn emoties te tonen. Mijn moeder antwoordde: ‘Dat ga ik je niet vertellen, anders moet ik het straks weer lezen in een boek.’”

Ze vertrouwen u niet. Is het toch niet zo fictief wat u allemaal schrijft?

“Sommige anekdotes zijn waargebeurd. Ik gebruik pezzettini di realtà, kleine stukjes realiteit, om er een grote fictieve puzzel mee te leggen. Het verhaal van mijn eerste hond (in een zeldzaam zwak moment Snuffel genoemd, red.), is bijvoorbeeld uit het leven gegrepen. We gingen ’m ophalen bij een boer, uit een nest pasgeboren pups. Maar deze puppy was erg close met z’n moeder, ze week niet van haar zijde. De moeder werd aan de ketting gelegd, de puppy werd afgeleid met een kip, die hij prompt doodbeet, en dan nog duurde het eindeloos lang voor we hem konden vangen.

“Mijn ouders kennen die anekdotes natuurlijk, ze waren erbij. Net zoals ze stukjes dialoog uit mijn boeken herkennen. Dat heeft hen uiterst achterdochtig gemaakt. (lacht) Ze zijn nu nog minder spraakzaam tegen mij.”

U bent pas een paar jaar geleden beginnen te schrijven, in een bevlieging, en met onverwacht succes. Schrijft u nu veel en snel, om de verloren tijd in te halen?

“Nee, integendeel. Mij neerzetten op die stoel aan die tafel waarop mijn computer staat, wordt met de dag moeilijker. En weet je waarom? Omdat schrijven met de dag leuker wordt. Het is ondertussen een noodzaak voor mij geworden, een aan een verslaving grenzende obsessie. Ik probeer niet toe te geven aan die verslaving, uit angst voor gewenning. Ik wil niet dat de high afvlakt. En ik wil een beetje genietbaar blijven als echtgenoot, vader en vriend.

“Wanneer ik midden in een roman zit, kan ik aan niets anders denken. Ik schenk te weinig aandacht aan mijn vrouw en dochter, mijn familie hoort of ziet mij nauwelijks, en mijn vrienden kunnen het al helemaal schudden. Een half jaar geleden hebben ze me gezegd: ‘Roberto, profiteer toch van de coronacrisis om die derde roman te schrijven! Dan ben je misschien een beetje op je gemak tegen de tijd dat we elkaar in de bar mogen terugzien. En niet die vervelende klier die je bent met een deadline in het vooruitzicht.’

“Het is waar: wanneer ik aan een boek werk, ben ik onuitstaanbaar.”

Maakt uw werk in de psychiatrie van u een betere schrijver?

“Toen De naam van de moeder uitkwam, zei mijn baas: ‘Dit boek dank je aan je twaalf jaar ervaring in de psychiatrische hulpverlening, het is overduidelijk de vrucht van wat je bij ons gehoord en gezien hebt.’ Schrijf ik wat ik schrijf doordat ik dit beroep doe? Mm, ik weet het eerlijk gezegd niet, ik heb er nooit zo over nagedacht...”

Het gaat in uw boeken vrijwel uitsluitend over mensen die ineens vreemd gedrag gaan vertonen. Mensen die weggaan en onverrichter zake terugkeren, mensen die blijven maar in gedachten ver weg zijn, mensen die verdwijnen en mensen die achterblijven...

“Ze spelen in dat grensgebied tussen normaliteit en abnormaliteit. Op het eerste gezicht is er niets aan de hand, iedereen lijkt perfect normaal, ­iedereen doet z’n uiterste best om perfect normaal te lijken, maar onderhuids sluimeren er oude trauma’s en onrealistische verlangens.

“De zoon wiens moeder verdwenen is, worstelt elke dag met haar afwezige aanwezigheid, maar probeert desondanks een zo normaal mogelijk leven te leiden. Die mensen ken ik natuurlijk van op m’n werk. De man in de bar voor wie het een onwaarschijnlijke krachtinspanning is om op te staan van z’n stoel, naar de toog te lopen en tegen de barista te zeggen: ‘Un cappuccino per favore.’ De vrouw die het op een dag niet meer kan opbrengen om naar huis te pendelen en voor haar kinderen te zorgen. (lachje) Als je bedenkt hoe zwaar een gewoon, routineus leven voor veel mensen is, vind ik dat mijn personages het er nog goed van af brengen.”

Ze zijn allemaal gelukkig en ongelukkig tezelfdertijd.

“Precies, en dat is fundamenteel. Dat is wat ons menselijk maakt. (opgewonden) Ik zit thuis. Ik maak ruzie met mijn vrouw. Ze heeft iets gezegd of gedaan wat mij in woede deed ontsteken. Op dat moment háát ik mijn vrouw. Terwijl ik zielsveel van haar hou. Sterker nog: ik ben zo kwaad omdát ik van haar hou. Om af te koelen ga ik naar de bar. Ik maak een praatje met de barista. De dag voordien heeft onze favoriete voetbalploeg een belangrijke wedstrijd gewonnen. We zijn opgetogen, uitgelaten zelfs. Ik heb alles om gelukkig te zijn. En toch zit ik in gedachten te vitten op mijn vrouw, die me doodongelukkig heeft gemaakt. Dat gebeurt allemaal tegelijkertijd. Zo is ons leven.

‘Het schrijven van dit boek heeft bij mij zenuwbanen geraakt waarvan ik niet wist dat ze er lagen.’ Beeld Getty Images
‘Het schrijven van dit boek heeft bij mij zenuwbanen geraakt waarvan ik niet wist dat ze er lagen.’Beeld Getty Images

“Ik weet niet of u het gemerkt hebt, maar ik gebruik in De naam van de moeder niet één keer het woord ‘maar’. Er staat nergens: ‘Hij was blij, maar er was toch iets dat hem dwarszat.’ Nee, ik schrijf: ‘Hij was blij én er zat hem iets dwars.’ Het is helemaal niet zo dat geluk en ongeluk elkaar in ons leven compenseren. Op het moment dat we die gevoelens ervaren, bestaan ze naast elkaar, synchroon. Zo complex zijn we wel.”

Voor welke voetbalploeg supportert u?

“Voor Parma natuurlijk.”

Het gaat er niet zo goed mee. Ze staan voorlaatste in de Serie A.

“Drijf het mes niet in de wonde, hè!”

In de bio die door uw Italiaanse uitgever wordt verspreid staat dat u elf dagen na de wereldbekerfinale van 1982, die door Italië met 3-1 werd gewonnen van Duitsland, ter wereld bent gekomen. Is dat een belangrijk historisch feit voor u?

“Het is een historisch gat in mijn biografie! In het leven van veel van mijn vrienden is Italië twee keer wereldkampioen voetbal geworden, in het mijne maar één keer. E una sofferenza. Dat is een pijnpunt. Al heeft mijn generatie het natuurlijk maar één keer bewust meegemaakt. 9 juli 2006: 1-1 tegen het Frankrijk van Zidane, gewonnen met penalty’s. Onvergetelijk. Toen is er in Italië iets gebeurd wat sindsdien nooit meer is gebeurd.”

Wat?

“Iedereen nam deel aan hetzelfde feest. Tutti insieme. Doorgaans vinden we hier altijd wel een reden om het met elkaar oneens te zijn, om elkaar het leven zuur te maken. Toen versmolten we tot één volk, verenigd in de euforie.”

In hoeverre bent u een trotse, zelf­genoeg­zame Italiaan?

“Dat valt wel mee, hoor. Toen mijn vrienden en ik 16 waren, voelden we ons de outlaws van Fabbrico; cowboys die met het Italië van de streekproducten, de kitschpop en de misplaatste nationale trots niets te maken wilden hebben. Op het bord dat de bezoeker in onze gemeente welkom heet, spoten we: ‘Benvenuto a Fabbrico, Texas’. Op het jaarlijkse bierfest, het enige evenement van belang in het dorp, speelden lokale bands rockabilly, blues en country.

“Mijn vader was een verwoed lezer van romanzi gialli: Amerikaanse thrillers en horrorverhalen. Ik las die ook, omdat ik zelf geen boeken mocht kopen. ‘Boeken zijn boeken’, zei mijn vader. ‘Lees eerst maar wat we hebben.’ Zo heb ik Stephen King ontdekt. Later ben ik fan van een aantal grote Amerikaanse schrijvers uit de twintigste eeuw geworden: Raymond Carver, Richard Yates, John Steinbeck. Cormac McCarthy is mijn God.’

Uw beschrijvingen van plekken en land­schappen roepen bij mij beelden uit de kunst van Emilia-Romagna op: de schilderijen die Giorgio Morandi in Grizzana maakte, waar hij zijn vakanties doorbracht, de foto’s van Luigi Ghirri.

“Wow, dat beschouw ik als een groot compliment. Dat zijn inderdaad de beelden die ik in woorden probeer te vatten: het grote niets in ons deel van de Povlakte, het door de zon gestoofde akkerland, de roerloosheid, de vergezichten die overal eender zijn, de verpletterende stilte, af en toe doorbroken door het geluid van een rammelende auto of een hond die jankt in de verte. Ogenschijnlijk gebeurt er geen zak, maar als je lang genoeg wacht en lang genoeg kijkt, gebeuren er rare dingen. (lacht) Ik kan ervan getuigen!”

Zal uw volgende boek zich opnieuw in Fabbrico en omliggende afspelen?

“Er zijn dagen dat Fabbrico mij overspoelt en dagen dat het mij lijkt te ontsnappen. De vraag die mij op dit moment bezighoudt, is of Fabbrico gewoon het dorp is waar ik toevallig geboren en getogen ben, en dat ik zo kan inruilen voor een ander, of dat het mijn ideële, literaire hometown is, de plek die ik verzonnen en dus verworven heb. Is Fabbrico van zijn bewoners, of is het van mij?”

Zoals Ferrara van Giorgio Bassani is, en Triëst van Italo Svevo?

“Euh, ja, maar zo klinkt het ineens wel heel pretentieus. Hoe dan ook, ik ben er nog niet uit. Om het antwoord te vinden, zal ik erover moeten schrijven.”

U bent het boek al aan het dromen?

“Ja, het verhaal is wakker. Het roept: ‘Schrijf me, schrijf me!’ Ik doe alsof ik het niet hoor. Ik speel hard to get. ‘Ik heb nog geen zin’, plaag ik. ‘En ik moet nog een interview geven over mijn vorige boek.’ In werkelijkheid jeuken mijn vingers. Ik geloof niet dat ik me nog lang zal kunnen in­houden.”

Roberto Camurri, De naam van de moeder, De Bezige Bij, 224 p., 21,99 euro. Vertaling Manon Smits.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234