Zondag 25/10/2020

Interview

Lisbeth Gruwez en Maarten Van Cauwenberghe (Voetvolk): ‘Een beetje nederigheid zou de kunstensector sieren’

Maarten Van Cauwenberghe en Liesbeth Gruwez: ‘Er is weinig solidariteit in de kunstensector. We zijn níét tous ensemble.’Beeld Joris Casaer

Dansvoorstellingen van Voetvolk zijn succesvol tot ver over de grens, omdat ze altijd de ‘mogelijkheid van een ontploffing’ in zich hebben. Ook vandaag schuwen Lisbeth Gruwez (43) en Maarten Van ­Cauwenberghe (44) het gevaar niet. Gesprek over het geld van Dylan, het bloed van Fabre, cultuur­besparingen en te weinig solidariteit in de sector.

Lisbeth Gruwez danst soepel de trap op naar haar appartement op de tweede verdieping. Alwaar ze meteen naar de keuken verdwijnt om in een pot groentesoep te roeren. Ze komt terug met spuitwater in glazen zo groot als kleine bloemenvazen. Wanneer Maarten Van Cauwenberghe aanbelt, haar sparringpartner, zakelijk leider en muziekleverancier in compagnie Voetvolk, glijdt ze terug naar beneden omdat de parlofoon dienst weigert. De volgende twee uur zal ze elke aanleiding aangrijpen om op te veren van haar stoel. Het raam openzetten om de rook die uit haar Kent-sigaretten kringelt te verdrijven. Nog eens in de soep gaan roeren. Veel langer dan tien minuten kan ze niet stilzitten.

Buiten baadt Borgerhout in het laatste zomerlicht. De soundscape die naar binnen waait is een schel duet van fietsbelgerinkel en getoeter van auto’s, bovenop een basso continuo van motorengeronk.

Lisbeth Gruwez • geboren in 1977 • studeerde klassiek ballet in Antwerpen en moderne dans bij P.A.R.T.S. in Brussel • begon in 1999 te werken met Jan Fabre • werd wereld­beroemd met de Fabre-solo Quando l’uomo principale è una donna (2004) • werkte ook samen met Ultima Vez, Jan Lauwers, Sidi Larbi Cherkaoui en kunstenaar Dirk Braeckman • richtte in 2007 Voetvolk op met muzikant en producer Maarten Van Cauwenberghe als zakelijk leider • speelde de hoofd­rol in Lost Persons Area, de eerste film van Caroline Strubbe   

Maarten Van Cauwenberghe • geboren in 1976 • begon op zijn 12de gitaar te spelen • studeerde af als ingenieur aan de KU Leuven • creëerde vanaf 2000 de muziek voor een aantal voorstellingen van Jan Fabre, waaronder Je suis sang en Quando l’uomo principale è una donna • regisseerde video­clips voor A Brand, Millionaire en Vive la Fête • speelde in verscheidene bands, waar­onder de elektro­punk­band Dendermonde • kreeg in 2016 de Vlaamse Cultuurprijs voor Cultuurmanage­ment  

Gruwez woont al lang in de buurt rond de Kerkstraat, waar de verculting van Antwerpen Lower East zich haast zichtbaar voltrekt. Kunstenaars, acteurs en muzikanten strijken er in steeds dichtere drommen neer. Straks is er geen plaats meer voor de cokedealers.

Binnen hangt er naast sigarettenrook ook grinta in de lucht. Na bijna zeven maanden huisarrest mogen Lisbeth en Maarten straks weer buitenspelen. En in hun geval betekent dat: toeren, in Vlaanderen en ver daarbuiten. Het begint met zes voorstellingen in de KVS in Brussel, maar daarna gaat het naar Venetië en Freiburg, en later ook naar Amsterdam, Oslo, Sevilla en Parijs. Tenminste, als het virus niet opnieuw roet in het eten gooit.

In betrekkelijk korte tijd zijn Gruwez en Van Cauwenberghe met hun dans-kmo’tje Voetvolk al net zo’n internationale speler geworden als Rosas van Anne Teresa De Keersmaeker en Ultima Vez van Wim Vandekeybus. Elf producties hebben ze ondertussen op hun palmares. Minstens één daarvan – het stuk met de akelig accurate titel It’s going to get worse and worse and worse, my friend (2012) – wordt wereldwijd erkend als een moderne dansklassieker. “En binnenkort komt er nog eentje bij”, lacht Lisbeth Gruwez.

Piano Works Debussy, zo heet de nieuwe voorstelling die straks in de KVS in première gaat. Lisbeth, jij danst solo op muziek van Claude Debussy, die live wordt gespeeld door pianiste Claire Chevallier. Jullie hebben dat stuk net voor de lockdown afgemaakt. Voelt het, na al wat er de afgelopen zeven maanden gebeurd is, nog juist om het nu te spelen?

Lisbeth Gruwez: “Deze voorstelling speelt niet in op de actualiteit, ze is tijdloos...”

Kun je in deze roerige tijd een tijdloos stuk spelen?

Gruwez: “Natuurlijk wel. Anders zou alle theater politiek moeten zijn of zich op de een of andere manier moeten verhouden tot de actualiteit. Wij maken niet per se werk dat de trends volgt of de tijdgeest zo dicht mogelijk op de hielen probeert te zitten. Piano Works Debussy is iets compleet nieuws voor ons, omdat we voor het eerst vertrekken van een bestaande muziekpartituur.”

Maarten Van Cauwenberghe: “Het voordeel is wel dat we dit werk hebben afgemaakt vlak voor de lockdown. We hebben het toen twee keer gespeeld, op een avant-première in Brest in Frankrijk, maar in ons hoofd was het maakproces voltooid. Anders was het de afgelopen maanden blijven sluimeren en zou er nu misschien iets totaal anders uit de bus zijn gekomen.”

Gruwez: “Het zál anders zijn, want twee keer hetzelfde spelen: ik kan dat gewoon niet, dat is bekend. Een choreografie is bij mij nooit een vast patroon waar ik niet meer aan torn. (lacht) Dan moet je van de nood een deugd maken, hè.”

Waarom koos je voor de pianomuziek van Debussy als partituur?

Gruwez: “Omdat ze zo moeilijk is, voor een danser zelfs op het randje van onmogelijk. Het is allesbehalve metrische muziek. Debussy pakt je mee en dan loopt hij weer weg en geraak je hem kwijt. Vergelijk het met een aquarel dat nog nat is: je blaast op het papier en de verf gaat alle richtingen uit. Claire, de pianiste, speelt de muziek met haar rug naar mij gekeerd. Zij creëert zo haar eigen spoor. Debussy zei dat muziek de ruimte tussen de noten is. Wel, het idee van deze voorstelling is om tussen de noten te dansen.”

Je hebt het jezelf zo lastig mogelijk gemaakt, met andere woorden?

Gruwez: “Ja, en daarom probeer ik de bewegingen vrij simpel te houden, deze keer. Ik laat heel veel plaats voor de muziek, ik dans niet alles vol. De rust vinden om niet te veel te doen, weten wanneer je moet bewegen en wanneer niet: dat kun je niet als je een jong springpaard bent, maar wel als je 43 bent.”

Van Cauwenberghe: “Lisbeth heeft altijd de neiging gehad om te veel te willen doen. Dat is een beetje de tol van haar verleden bij Jan Fabre: die totale overgave die van haar verwacht werd, de energiebom die ze altijd moest zijn, en die ze in de ogen van velen nog altijd is. Met dit stuk bewijst ze dat ze een parcours heeft afgelegd en een evolutie heeft doorgemaakt. Hoe weinig noten haalde Miles Davis op het einde nog uit zijn trompet? Vijf of zo, maar wel de vijf goeie. Ik denk dat wat Lisbeth op de scène doet, het publiek echt wel gaat helpen om de muziek van Debussy te begrijpen. (lachje)

Maarten Van Cauwenberghe: ‘In landen als Frankrijk en Italië is het soms lastig voor ons. Daar zien mensen Lisbeth nog steeds als de muze van Jan Fabre.’Beeld Joris Casaer

“Maar makkelijk gaat het sowieso niet worden, het zal een inspanning vergen. Bij die avant-première in Brest zat er achthonderd man in de zaal. De helft vond het moeilijk, omdat ze andere dingen van ons gewend zijn: overgave, storm en drang. Maar de andere helft was in de wolken. Sommige programmatoren vonden het van het beste wat ze de laatste jaren gezien hebben, terwijl anderen, die ‘Debussy’ al in optie hadden genomen, het stuk bij nader inzien toch niet durfden te programmeren.”

Gruwez: “Iemand zei me onlangs: ‘Als je dit soort dingen maakt, moet je verticaal in de wind kunnen gaan staan.’ Dat vond ik mooi gezegd. We mogen niet horizontaal gaan voor de reacties, positieve of negatieve.”

Van Cauwenberghe: ‘Dat zal ook niet gebeuren. Het is van It’s going to get worse geleden dat ik absoluut zeker weet dat we iets moois gemaakt hebben nog voor de première heeft plaatsgevonden. Meestal ben ik razend benieuwd naar wat de mensen ervan gaan vinden, nu maakt het al bijna niet meer uit.”

Gruwez: (lacht) “Dat klinkt als arrogantie, maar het is rotsvast geloof.”

Qua dansen op ondansbare muziek hebben jullie een verleden. Vijf jaar geleden maakten jullie Lisbeth Gruwez dances Bob Dylan.

Van Cauwenberghe: “Het is geen toeval dat we net deze muziek eruit pikken. Dylan kent iedereen, maar ook Debussy was zo’n markante persoonlijkheid. Rebels, tegendraads, grimmig en ongrijpbaar. Elke keer als je denkt dat je zijn muziek begrijpt, ontglipt hij je weer. Daarom wordt dit zo’n gevaarlijke voorstelling.”

In Lisbeth Gruwez Dances Bob Dylan was er – heel a-typisch voor jullie - een vaste playlist. Waarom?

Van Cauwenberghe: “Dat had eerder praktische en financiële redenen. Het heeft ons twee jaar gekost om de rechten voor negen nummers gecleard te krijgen bij de rechtenbeheerders van Dylan. Dat was heel omzichtig manoeuvreren, want bij theaterbewerkingen denken zij meteen aan grote musicals en daar willen ze niks mee te maken hebben. Het opzet van de voorstelling werd echt heel grondig onderzocht. En wij mochten ons voorstel niet te klein maken, anders was het voor hen niet de moeite om er hun tijd in te steken, maar ook niet te groot, anders dachten ze misschien dat ze drieduizend euro per voorstelling konden vragen.”

Hoeveel heb je uiteindelijk betaald?

Van Cauwenberghe: “Vijfhonderd euro per voorstelling, voor het gebruik van de naam Dylan en negen nummers, dié en geen andere.”

Gruwez: “We gaan onze romance met Dylan trouwens afsluiten met de voorstelling Everybody Dances Bob Dylan. De toeschouwers mogen hun favoriet Dylan-nummer aanvragen en dan mogen ze er op het podium op komen dansen.”

Van Cauwenberghe: “Het feest zal plaatsvinden in de KVS in Brussel, op 19 maart 2022. Die dag zal het exact zestig jaar geleden zijn dat Dylan zijn eerste plaat uitbracht.”

Gruwez: “En die dag zal zijn ondansbare muziek definitief voor dansbaar worden verklaard.”

De eerste keer dat ik jullie samen zag optreden was op de binnenkoer van het Palais des Pâpes in Avignon. Maarten als een jonge gitaargod in een lange Brian May-jas, Lisbeth zonder jas, zonder iéts...

Van Cauwenberghe: (snel) “Je suis sang van Jan Fabre! Bijna twintig jaar geleden. Dirk Roofthooft was erbij, en Els Deceukelier. Andere tijden.”

Gruwez: “En na elke voorstelling was het groot feest, op en onder het podium. Rock-’n-roll, expressionisme, totale uitbundigheid! Hoe heb jij die show ervaren?”

Zoals de rest van het publiek: met gemengde gevoelens. Op het einde veerde de helft van de toeschouwers recht om een staande ovatie te geven, en de andere helft bleef zitten, joelde en schold jullie verrot.

Gruwez: “Dat weet ik nog heel goed. In de finale scandeerden wij (slaat ritmisch op tafel): ‘Je-suis-sang, san-gui-sum!’, waarop iemand uit het publiek riep: ‘Oui, sans-vête-ments!’”

Nu draag je doorgaans een donkere broek en een wit hemdje op het podium. Netjes, vormelijk, niet het minste effectbejag.

Gruwez: “Het heeft wel tijd en moeite gekost om tot die uitzuivering te komen. De eerste twee voorstellingen van Voetvolk waren nog heel fabriaans. In één ervan gebruikten we zelfs een bloedmachine. (lacht) Eigenlijk was It’s going to get worse... de eerste productie waarbij ik me realiseerde: nu ben ik mijn eigen taal aan het vinden.”

Liesbeth Gruwez: ‘Als we onze structurele subsidie kwijtraken, dan ga ik biogroenten kweken.’Beeld Joris Casaer

Van Cauwenberghe: “Lisbeth maakte bij Jan Fabre al haar eigen choreografieën. Jan is in de eerste plaats een beeldend kunstenaar, geen choreogreef pur sang. In elk van zijn voorstellingen zitten drie, vier, vijf beelden die zo straf zijn dat je ze nooit meer vergeet. Met Voetvolk vertrekken we nooit vanuit het barokke beeld, en we streven er ook niet naar. Bij Lisbeth gaat het altijd om de schoonheid van de beweging en de choreografie, en ze heeft daar almaar minder toeters en bellen bij nodig. In landen als Frankrijk en Italië is het soms lastig voor ons. Daar zien sommige mensen Lisbeth nog steeds als de muze van Jan Fabre. Daar moet je er wel eens expliciet op wijzen dat we ondertussen al tien jaar eigen werk maken dat naast het werk van Fabre kan staan.”

Komt Fabre naar jullie voorstellingen kijken?

Gruwez: “It’s going to get worse... heeft hij zelfs meerdere keren gezien. Hij is een echte pleitbezorger van die voorstelling geworden, wereldwijd. Hij vergeleek mij met d’Artagnan! (lacht) Jaren nadat ik bij hem was weggegaan en eigen werk begon te maken, bestond ik ineens voor hem, als een zelfstandig organisme. Hij sprak me aan met ‘hey, collega’. Maar de jongste jaren heb ik hem niet meer gezien.”

Sinds de #MeToo-aantijgingen tegen hem verstopt hij zich, ook voor jullie?

Van Cauwenberghe: (knikt, stilte) “Dit is zo moeilijk. Ik kan mij voorstellen dat Jan wel iets zou willen zeggen, maar dat hij niet mag van zijn advocaten. (denkt na) Waarom gaat Bart De Pauw een rechtszaak niet uit de weg? Omdat hij het na de uitspraak van een rechter tenminste achter zich kan laten, of hij nu gestraft wordt of niet. En niet alleen hij, ook de slachtoffers, iedereen. Maar rond Fabre durft niemand te bewegen.”

Gruwez: “Je kúnt fouten gemaakt hebben. Maar je kunt ook tot inkeer zijn gekomen. En ik denk dat je daar op zo’n manier over kunt praten dat er een oplossing uit de bus kan komen, dat het niet blíjft etteren.”

Van Cauwenberghe: “Maar ondertussen dreigt alles wat je erover zegt te worden geïnterpreteerd als ‘kant kiezen’. Wij kunnen het weten, we zaten er middenin. Toen de zaak naar buiten kwam hebben wij één simpel statement achtergelaten op Facebook: ‘Wij hebben dit zelf niet ondervonden, maar we vinden het heel erg voor de mensen voor wie dat wel zo was’.”

Gruwez: “Iedereen kwaad!”

Van Cauwenberghe: “Wij weten gewoon te weinig over de feiten om er een uitgesproken mening over te hebben.”

De tijd van ‘het extatische lichaam’, het thema van jullie eerste stukken, lijkt voorbij. Is dat de keerzijde van #MeToo?

Gruwez: “Ik zie nog altijd graag een voorstelling met mensen die zich smijten en de scene in vuur en vlam zetten. Ontploffen op een podium, buiten de lijntjes kleuren, de extremen opzoeken: dat is iets heel wezenlijks dat je met performance kunt doen. De stukken die ik zelf maak zullen altijd minstens een broeierige ondertoon hebben, de mogelijkheid van een ontploffing, ook al gaat mijn persoonlijke evolutie als danser veeleer in de richting van verfijning en detail, van implosie in plaats van explosie.”

Van Cauwenberghe: “De toekomstprojecten die we nu aan het uitwerken zijn, zijn zelfs conceptueel. Die gaan niet meer in eerste instantie over choreografie en beweging, maar over ideeën. Het eerste is Into the Open: een concert, in een muziektempel, voor een staand publiek, waarbij we de muziek willen laten bewegen. De première is in de grote zaal van de AB, daarna volgt een tour langs concertzalen zoals Paradiso in Amsterdam.”

Gruwez: “Maak je borst maar nat, Maarten, want de muzikanten zullen evenveel moeten bewegen als de dansers en de dansers evenveel spelen als de muzikanten. Onze zoektocht naar dansers die ook een instrument bespelen is bij deze begonnen.”

Van Cauwenberghe: “Zo’n verbreding van je bereik kan enorm deugd doen. We hebben dat gevoeld bij Lisbeth Gruwez Dances Bob Dylan: plots zaten er mannen op leeftijd met een baard en een hoed op in de zaal. Ze hadden waarschijnlijk nog nooit een dansproductie gezien, een wereld ging open! En hopelijk gebeurt het ook met Piano Works Debussy: dat we zowel het danspubliek als het klassieke muziekpubliek bereiken.”

Gruwez: “En het project daarna, met als werktitel Hunters & Collectors, zal echt gaan over de thema’s van nu: migratiestromen, klimaat, duurzaamheid. Het is de bedoeling dat we de afstanden tussen de theaters waar we spelen, te voet gaan afleggen. Een tour wordt een voettocht: van Amsterdam over Rotterdam en Antwerpen naar Brussel. Dat willen we een jaar lang doen: alleen maar wandelen en spelen. De mensen zullen alles kunnen volgen via sociale media, en als ze willen mogen ze een eind met ons meelopen. Ik kan haast niet wachten om aan dat avontuur te beginnen.”

'Eigenlijk zouden ze blij moeten zijn met ons: wij wíllen namelijk niet groot worden. Met 300.000 of 500.000 euro kunnen wij al heel veel doen.'Beeld Joris Casaer

Van Cauwenberghe: “Productioneel wordt dat een zware dobber, maar inhoudelijk is het razend belangrijk. Ook al omdat het zich goeddeels buiten de muren van het theater zal afspelen.”

Gruwez: “Ik wil in elk geval nooit meer naar Singapore vliegen voor één voorstelling, zoals we ooit hebben gedaan, gauw gauw, tussen twee shows in Vlaanderen in.”

Dat brengt ons naadloos bij de politiek. Maarten, jij kreeg in 2015 de Vlaamse Cultuurprijs voor Cultureel Ondernemerschap, en je was ook betrokken bij het overleg tussen de cultuursector en het kabinet-Jambon over de aangekondigde besparingen en een nieuw kunstendecreet. Is er al licht aan het einde van de tunnel?

Van Cauwenberghe: “Waar moet ik beginnen? Misschien met te zeggen dat er ook veel goeds in de visienota van het departement Cultuur zit: meer middelen voor de individuele kunstenaar, een substantiële verhoging van de projectsubsidies en beurzen. Goed nieuws. Maar anderzijds vrees ik dat hun uitgangspunt gewoon niet klopt.

“Volgens de minister zal de Vlaamse cultuur nog meer gaan stralen, beter gaan stralen en internationaal gaan stralen als ons kunstenlandschap meer gedragen wordt door grote instellingen. Men wil een nieuwe categorie maken voor de middelgrote instellingen: de kerninstellingen. En daarnaast wil men dan zwaar gaan snoeien in de kleinere structureel gesubsidieerde organisaties.

“Tja, als ik dat hoor en lees, dan zakt de moed mij eerlijk gezegd in de schoenen, want de werkelijkheid op het terrein is volgens mij totaal anders dan wat de Vlaamse regering zich inbeeldt. De Vlaamse cultuur wordt niet gestut, en zeker niet opgestuwd in de internationale vaart der volkeren door de grote instellingen, maar door de kleine, veerkrachtige, wendbare spelers.”

Gruwez: “Het zijn vaak de kleine organisaties die voor de jus moeten zorgen, voor de vernieuwing, voor het experiment en het avontuur.”

Van Cauwenberghe: “Wij kregen tot nog toe 158.000 euro structurele subsidie. Daar kun je naast je algemene kosten twee voltijdse werknemers van betalen. En voor de projecten vroegen we dan telkens nog een projectsubsidie aan, die we al dan niet kregen. Ik zou ons geen subsidieslurpers noemen, maar subsidieschrapers, subsidieschooiers.

“Wij doen heel veel met heel weinig. We werken met een klein team waaraan we hoge eisen stellen. Wij huren geen kantoor maar kunnen gebruikmaken van een ruimte van kunstencentrum NONA in Mechelen. Wij hebben geen opslagplaats maar steken alles in mijn garage en die van Lisbeth. Op dit moment hebben wij het geluk dat we veel kunnen spelen, zo’n 70 shows per jaar. Wij zijn populair in onze niche, in binnen- en buitenland. (denkt na) Wat ik niet begrijp is dat men zo hard tegen de verzuiling in de samenleving is, maar dat men in de cultuur alleen maar grotere zuilen bij wil creëren.”

Wat vind je van het idee van Tom Van Dyck om de grote theaters weer met vaste gezelschappen van acteurs te laten werken? Nu zijn er veel die geen acteur en zelfs geen regisseur meer in dienst hebben, iedereen werkt freelance.

Van Cauwenberghe: “Daar geloof ik helemaal niet in. Dan krijg je een soort Champions League van acteurs die alles mogen doen, ook de jobs op tv en in de reclame, terwijl de rest meer en meer op droog zaad komt te zitten.”

Gruwez: “Het is gewoon voor iedereen anders. Er zijn mensen die goed gedijen in een bestaande structuur, er zijn mensen die graag freelancen omdat ze van afwisseling houden, en er zijn mensen zoals wij, die hun dromen proberen te realiseren met eigen ondernemerschap. Laat iedereen toch werken in het systeem waarin hij of zij het beste rendeert. (lacht) Eigenlijk zouden ze blij moeten zijn met ons: wij wíllen namelijk niet groot worden. Met 300.000 of 500.000 euro kunnen wij al heel veel doen.”

Van Cauwenberghe: “Een punt dat we jammer genoeg ook onder ogen moeten zien is dat er in de praktijk weinig solidariteit is in de kunstensector. We zijn níét tous ensemble. Iedereen praat voor zijn eigen winkel. We willen wel solidair zijn, maar kunnen we het niet. We moeten er dus niet op rekenen dat er bij de grote instellingen mensen opstaan die zeggen: ‘Weet je wat, we zullen een deel van ons geld aan jullie geven. Jullie kunnen het beter gebruiken dan wij.’

(zucht) “Misschien moeten we om te beginnen eens ophouden met te pas en te onpas van de daken te schreeuwen hoe belangrijk de kunsten wel zijn. Tot vervelens toe, alsof er niets anders bestaat. Terwijl je er niet omheen kunt dat wij qua relevantie al langs alle kanten zijn voorbijgestoken, eerst door tv, vervolgens door social media. Iemand met een migratieachtergrond of een transgender in Thuis is belangrijker voor de diversiteit en de verbondenheid in de samenleving dan een theaterproductie met iemand uit die doelgroep.”

“Een beetje nederigheid zou ons, denk ik, veel meer in dank worden afgenomen. En misschien moeten we ineens ook stoppen met het noemen van cijfers en bedragen. Wij eisen honderdduizenden, miljoenen voor de cultuur. Dat lijkt veel geld, maar binnen het totaalplaatje is het eigenlijk een habbekrats, en bovendien leeft een groot deel van de mensen die werken in de cultuur op de rand van de armoede.”

Gruwez: (lacht) “Ja, misschien gaan ze ons dat weinige geld dan rapper gunnen!”

Van Cauwenberghe: (ernstig) “Ik zeg dit op een moment dat wij echt wel moeten vrezen voor ons voortbestaan.”

Wat als?

Van Cauwenberghe: “Als wij onze structurele subsidie zouden verliezen en voortaan van project naar project moeten sukkelen, de ene keer subsidie krijgen, de andere keer niet... Ik denk niet dat ik daar de energie nog voor kan opbrengen. Dan stopt het voor mij. Dan zijn we alles kwijt wat we hebben opgebouwd.”

Lisbeth: “Dan ga ik biogroenten kweken. Dat kan ik goed. Tenminste iéts wezenlijks op terug te ­vallen.”

Info over alle voorstellingen van Voetvolk, kijk op: voetvolk.be

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234