Maandag 05/12/2022

BoekeninterviewLieve Joris

Lieve Joris schrijft tedere hommage aan overleden zus met downsyndroom: ‘Sterven, dat moest ze alleen doen. Dat was hard’

Tekeningen van Hildeke. Joris:  'Ik besefte pas bij het vormgeven van dit boek hoe mooi ze kon schilderen en tekenen. Ik leerde er aandachtiger naar te kijken.' Beeld Hildeke Joris
Tekeningen van Hildeke. Joris: 'Ik besefte pas bij het vormgeven van dit boek hoe mooi ze kon schilderen en tekenen. Ik leerde er aandachtiger naar te kijken.'Beeld Hildeke Joris

In het fijnzinnige memoir Hildeke wekt Lieve Joris haar gekoesterde zusje met het syndroom van Down tot leven. En meteen ook weer het nest waaruit Joris weg­fladderde. ‘Ik heb in de tunnel van mijn leven gekeken. Nu ben ik klaar voor een nieuwe start.’

Dirk Leyman

‘Ken je die bordjes aan Franse onbewaakte overwegen? Daar lees je: ‘Un train peut en cacher un autre.’ Wel, dat is precies wat er gebeurd is met mijn boek Hildeke. Nadat ik Terug naar Neerpelt had geschreven, dacht ik het familiehoofdstuk te hebben afgesloten. Ik wou weer op reis. Maar dit wagonnetje kwam er dus achteraan.” (lacht)

Daar had de pandemie de hand in, geeft Joris (69) toe tijdens ons meanderende Skype-­gesprek vanuit Venetië, waar ze zich veertien dagen ongedwongen onderdompelt in de Biënnale. “De wereld schroeide destijds helemaal dicht en toen vroeg het magazine Wil­fried me om een verhaal te schrijven dat zich afspeelde in België. Binnen de kortste keren zat ik weer in het ouderlijk huis en kwamen er verhalen boven over mijn vader en Hildeke, het zevende kind in onze familie, die het syndroom van Down had. Uitgever Tilly Hermans zei me: ‘Volgens mij ben je opnieuw begonnen.’ Ze had gelijk. En toen ben ik gewoon doorgegaan.”

Hildeke is perfect zelfstandig te lezen, maar het borduurt wel voort op de atmosfeer en familieomgeving van Terug naar Neerpelt, waarin de neergang door drugs van haar broer Fonny prominent stond. “Ik heb het nooit als een tweeluik bedoeld,” vertelt Joris, “maar in de praktijk versterken die boeken elkaar natuurlijk.” Uiteraard is Hildeke veel tederder van opzet, opgebouwd uit miniaturen en anekdotes, die Joris puntig en met vaart opschrijft, zonder in zoetsappigheden te vervallen. “Ik mag hopen dat het niet sentimenteel is. Dat kun je toch ook verwachten van een schrijfster die haar veertiende boek schrijft?”

Dit memoir is een respectvolle, integere aubade voor een wezen dat vanaf haar geboorte veel zorg en bekommering nodig had, op haar 58ste overleed na epilepsieaanvallen en dementie, maar in zekere zin ook – vanwege haar ‘zingend hartje’ – het bindmiddel was van de familie. “Terwijl mijn broer Fonny vanaf zijn veertiende serieus in de problemen zat, aan de drugs raakte en onhandelbaar was. Mijn ouders wisten er niet goed raad mee, hij stierf op zijn 47ste aan een overdosis. Maar Hildeke charmeerde iedereen, was aimabel. Het was makkelijk om van haar te houden.”

Zoals u ook schrijft: ‘Tegen Fonny moesten we ons wapenen, Hildeke moesten we ­beschermen.’

“Ja, dat is zo. En het mooie is: mijn broers en zussen namen hierin allemaal hun verantwoordelijkheid. We hadden een collectieve beschermingsreflex tegenover de buitenwereld, al verbleef Hildeke vanaf haar vijfde in een instelling. Tegelijk werd ons – vooral door onze moeder – op het hart gedrukt geen gêne te vertonen over ons ‘mongooltje’.”

U hebt veel gereisd en was daardoor vaak ­afwezig. Was u dan wel de best geplaatste persoon om over Hildeke te schrijven?

“Je bent niet de eerste die deze vraag opwerpt. ‘Zou ons Lieve over de familie kunnen schrijven, die was er toch nooit?’, hoorde ik weleens. Maar ik hield mijn antennes altijd op het thuisfront gericht. In Afrika of de Arabische wereld bevond ik me vaak in grote families die me aan de mijne deden denken.

“Ik heb me in het boek toegespitst op de ­momenten waarop ik dicht bij Hildeke was. ­Periodes waarin ik, na de dood van mijn ­ouders, veel tijd met haar doorbracht en met haar naar Spanje en Estland reisde. Ik heb haar voor dit boek écht moeten terughalen. Bij ­Fonny had ik zijn taal en onze dialogen. Hildeke was minder spraakzaam. Ik moest het van snippers, fragmenten hebben. Ik zie haar nog zitten als kind bij de verwarming met haar papiertjes, die ze als een waaier in de hand hield.

“Laatst zei iemand: ‘Het lijkt me moeilijk om over mensen met down te schrijven. Ze zijn zo knuffelig, zo lief… Hoe pak je dat aan zonder in clichés te vervallen?’ Maar Hildeke is Hildeke: ze is met ons opgegroeid. Wel besefte ik pas bij het vormgeven van dit boek hoe mooi ze kon schilderen en tekenen. Ontwerpster Tessa van der Waals wees me erop dat dit echte art brut is. Ik leerde er aandachtiger naar te kijken.”

Toch is dit boek lang niet alleen aan Hildeke gewijd. Het valt uiteen in twee luiken. U neemt ook afscheid van uw vader. En de ­beroerte van uw moeder komt ter sprake. We lezen in feite hoe bij drie familieleden hun geest het langzaam laat afweten.

“Ja, dat klopt. Mijn moeder aanvaardde haar lot. ‘Ik heb het mijn gehad’, zei ze. Ik ben in mijn jeugd deels opgegroeid bij mijn grootmoeder, mijn moeder kende ik minder goed. Mijn vader pleegde verzet tegen zijn aftakeling. En Hildeke, die wist eigenlijk niet hoe het moest. Hoe laat je zo iemand gaan? Er is een moment waarop je haar moet loslaten. Sterven, dat moest zij alleen doen. Terwijl ze vasthing aan mensen, tot op het laatst. En wij aan haar. Dat was heel hard.

“Wat mijn vader betreft: ik was over hem nog niet uitgeschreven. Ik trok heel erg naar hem toe, al op jonge leeftijd. De liefde voor het woord kreeg ik ongetwijfeld van hem mee. Hij was ontvanger bij de belastingen – een complexe man. Eigenlijk vonden in zijn persoon de laatste stuiptrekkingen van het katholicisme plaats. Hij was erg nieuwsgierig naar de buitenwereld, toch liep zijn veelbelovende leven vast. Hij was niet uitgerust om een familie van negen kinderen te ‘besturen’. Hij keek weg als hij een situatie niet aankon.”

Af en toe stralen deze herinneringen ook een zekere machteloosheid uit. Zaken die niet meer recht te trekken zijn, zoals dat ook het geval was in Terug naar Neerpelt?

“Tuurlijk. Dat voelde ik regelmatig. Toen ik ­vertrok naar Amsterdam en daar junks zag schuifelen langs het Centraal Station, zag ik onze ­Fonny op zoveel manieren terug. En dan kom je thuis en ontkennen je ouders dat hij überhaupt een junk is. Bij Hildeke was het ook zo. In Nederland zag ik mensen met down ­theater spelen en onbegeleid op de bus zitten. In Vlaanderen was zoiets nog ondenkbaar.

“Een Nederlandse kennis zei me laatst: ‘Ik moest tijdens het lezen van Terug naar Neerpelt soms aan hooimijten denken.’ Terwijl er geen hooimijt in voorkomt! Hij bedoelde wellicht dat het Vlaanderen in mijn boek zich voordeed als een oud land, een boerenland. Maar mijn ­ouders waren geen boeren. Die hadden een mooie villa aan de rand van het dorp. Het komt door de omgangsvormen en familiebesognes, geloof ik. Die deden gedateerd aan.”

Is er tegenwoordig meer positieve aandacht voor het syndroom van Down? Kijk maar naar het intense programma Down the Road.

“Hildeke heeft haar eerste schooljaren doorgebracht bij de nonnetjes. Later verbleef ze in een instelling met kleine units, de zorg was er professioneel en warm. De kandidaten bij Down the Road zijn natuurlijk uitgezocht voor televisie. Zo is Pieter behoorlijk slim. Op een dag huilt hij tijdens het eten en ze vragen hem: ‘Waarom huil je?’ En dan zegt hij: ‘Ik wil geen down hebben. Ik wil ook studeren, net als de anderen. Maar ik kan dat niet.’ Dat greep me erg aan. ­Hildeke zou zoiets nooit hebben gezegd. Was het omdat ze minder zelfbesef had, omdat ze anders opgroeide? Dat weet ik niet.”

U memoreert ook een aantal verliefdheden van Hildeke, maar schrijft ook hoe die altijd platonisch bleven. En dat ze ook een boon had voor Bobby Ewing en – of all people – Walter Capiau?

“Ja, die oefende kennelijk een grote aantrekkingskracht uit op mensen als Hildeke. (lacht) Maar relaties aanknopen voor mensen met down? Dat werd destijds nog absoluut niet bevorderd. De ouders waren er vaak tegen. Terwijl je nu ziet dat samenwonen onder down­patiënten wél aangemoedigd wordt.”

‘Zelf ben ik dwarser, opstandiger, veeleisender, bij mij is ze op haar hoede, ik moet haar telkens weer voor me winnen’, schrijft u ook. Wrong het soms?

“Kijk, als ik zo openlijk over mijn familie en hun herinneringen schrijf, moet ik ook mezelf met mijn gebreken en kleine kantjes laten zien. Aan Hildekes gezicht kon je direct aflezen hoe ze zich voelde. Als ik haar bijvoorbeeld ging afhalen aan de Zoo in Antwerpen, omhelsde ze me. Maar meteen daarna voelde ik weerstand bij haar: ‘O, wat gaan we nu doen? Ik zou toch teruggaan met de anderen?’ Ik was veeleisend, misschien te onbesuisd. Terwijl, mijn jongere of oudere zus, die hadden een enorm gemak in de omgang met haar. Dan zag je bij Hildeke totale overgave. Ik gooi er soms te snel de beuk in.” (lacht)

Een van de sleutelfrasen van het boek is misschien wel: ‘Hildekes aanwezigheid scherpt onze blik, dankzij haar kunnen we dieper in de harten van de mensen kijken.’

“Jazeker, de omgang met mensen met een beperking is vaak een graadmeter voor de menselijkheid in een samenleving. Door op te groeien met Hildeke ontwikkelde ik een scherp oog voor diegene die beschermd moet worden. Als ik in Congo bij vrienden logeer, trekt mijn oog meteen naar de troublemaker of naar diegene in de familie die niet mee kan. In Estland zag ik dan weer weinig begrip voor mensen als Hildeke. Daar hebben ze nog een lange weg te gaan.”

‘Lachen en huilen liggen dicht bij elkaar’, ­noteert u ook. Blijft down ‘een raadselachtig landschap’?

“Ergens wel. Op het ene moment was Hildeke ongedwongen gelukkig en voelde ze zoveel ­dingen aan, dan was ze plots weer vermoeid of droevig. En wou ze even daarna toch weer gezwind gaan wandelen. Ik had bijvoorbeeld ook nooit verwacht dat ze moeiteloos in een vliegtuig zou stappen. Maar hup, ze liep zo de trap op. Of dat ze van klassieke muziek zou houden, zoals bleek tijdens onze vakantie in Spanje. Want ze was toch meer vertrouwd met de ­liedjes van Juul Kabas.”

“Het voelt goed om die blik op mijn familie te hebben gericht”, bedenkt Joris. “Ik was het afgelopen voorjaar drie maanden in de Verenigde Staten, waar ik een aantal jaren woonde na mijn negentiende. Ik merkte dat ik heel stevig in mijn schoenen stond en dat het reizen mij goed afging. Die boeken speelden daar waarschijnlijk een rol in. Ik weet heel goed waar ik vandaan kom en wie ik ben. Ik kan in de tunnel van mijn leven kijken. Nu ben ik klaar voor een nieuwe start.”

Is het ook een gevoel van opnieuw thuis­komen, na zoveel wereldse omzwervingen?

“Ja, want ik kom uit een woelige, complexe ­familie en heb ook heel lang een moeilijke ­verhouding gehad met het dorp waar ik vandaan kom. Maar als ik daar nu terugkeer, denk ik: het is paradijselijk, het is mijn Arcadia. Het licht, dat kanaal, die bossen, kastanjebomen en ­geuren: die zijn hetzelfde gebleven. Dat kun je natuurlijk niet overal in Vlaanderen zeggen.

“Op zich is het al bijzonder dat je terug kunt naar je geboorteplaats. Een privilege dat veel mensen uit oorlogsgebieden als Syrië of ­Oekraïne niet hebben. Ik besef ook dat ik ­gezegend ben omdat de zachte hand van mijn grootmoeder op mij rustte, waardoor ik niet gehavend uit ons gezin ben gekomen. Ik kan de dingen aan omdat er iemand was die onvoorwaardelijk van mij hield. Gezinnen met een ­geschiedenis als de onze kunnen erg uit elkaar gedreven worden. Dat is niet gebeurd.”

null Beeld RV
Beeld RV

Er is een zekere rust over haar neergedaald, geeft Joris toe aan het eind van het gesprek. Het heilige ‘moeten’ is verdwenen. Of ze in haar ­volgende boeken toch weer de reisdraad zal ­opnemen, vraag ik voorzichtig?

“Ik ben niet het soort schrijver die als het ene boek klaar is al precies weet wat het volgende wordt. Ik heb nu vooral behoefte om nieuwe dingen te zien zonder de noodzaak ­erover te schrijven, zoals hier, flanerend door Venetië van het ene stadspaleis naar het andere paviljoen. Kijk, ik ben vanaf mijn negentiende bezig geweest een wereld voor mezelf te ­creëren. Is het dan niet fijn om er rustig in rond te kunnen lopen? Of in Washington DC, waar ik vroeger woonde, een oude geliefde en vriendinnen op te zoeken? Let’s hang out, zoals een vriend in DC het zei. Wel, dat ben ik aan het doen.

“Er is een mooie uitspraak van Julie Harris, die twee jaar lang Emily Dickinson speelde toen ik in de VS woonde. Toen ze een nieuw stuk zou opvoeren, werd ze geïnterviewd door The Washington Post. Hoe voel je je nu, vroeg de journalist. ‘Als ik Emily Dickinson ben, ben ik als een fles gevuld met een roze vloeistof’, zei ze. ‘En als ik straks een ander stuk speel, word ik langzaamaan gevuld met een blauwe vloeistof. Tussen die twee in ben ik transparant…’ Dat is de staat waarin ik me nu bevind. Die heb je nodig om iets nieuws te laten gebeuren.”

Lieve Joris, Hildeke, Atlas/Contact, 142 p., 19,99 euro.

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234