Zondag 26/01/2020

interview

"Liefde is zelfmoord op lange termijn"

L.H. Wiener: 'In België is mijn oeuvre altijd warm onthaald.' Beeld Daniel Cohen

Met het overdonderende brievenboek Fallen leaves brengt L.H. Wiener (73), de ‘grootste kleine schrijver’ van Nederland, zijn leven schaamteloos in kaart. "Ooit was ik een bijtend roofdier dat zijn vijanden naar de keel sprong."

"Belgium has always been good for me”, zo verwelkomt Wiener me in zijn stemmige, van literatuur verzadigde Haarlemse appartement, met zicht op een driftig wiekende Hollandse molen en eigen boot aan de kade. “Bij jullie is mijn oeuvre altijd warm onthaald”, benadrukt hij. “In Nederland is het gemêleerd. Er zaten hier wel een aantal verkeerde knapen tussen de critici.”

De toon is gezet. De temperamentvolle Lodewijk Henri Wiener gaat zonder rem in de contramine tegen wat hem dwars zit. Maar naast die plots opstekende querulantie is er ook ‘allemaal licht en warmte’, zoals een van zijn boektitels luidt.

“Ik heb me voorgenomen in een afgemeten tempo met u te praten”, kondigt Wiener plechtig aan. “Ik ben nu aan het oefenen. Want ik heb de neiging om mezelf soms voorbij te lopen.” Vijf minuten later heeft de schrijver zijn plan al laten varen. Hij is een oneindig aantal zijpaadjes ingeslagen. Van het antisemitisme van Lucebert tot de begrafenis van zijn vriend Menno Wigman, waar hij wegbleef omdat hij niet in één ruimte wilde vertoeven met “abjecte figuren”. “De dag erna stond ik op de Amsterdamse begraafplaats Zorgvlied wel aan zijn graf.” Tot Wiener zichzelf tot de orde roept. “We moeten er een lijn in houden.”

De ‘meester van de misantropie’ en perfectionist van het korte verhaal zet graag de puntjes op de i. Verbaast het van een door de wol geverfde ex-leraar Engels? Hij is verguld met zijn brievenboek Fallen Leaves, een bijna schaamteloze greep uit vijftig jaar correspondentie. Uit achttien ordners puurde hij ruim 500 pagina’s epistolaire hoogstandjes uit de periode 1966-2016, waarin hij vrienden, vijanden, collega-schrijvers, uitgevers, familie en talloze geliefden over de bol aait, kapittelt, aanmoedigt of beschimpt.

Fallen Leaves wemelt van de formuleringen om van te smullen. Aan Geerten Meijsing schrijft Wiener bijvoorbeeld dat diens roman Tussen mes en keel 200 pagina’s korter kan: ‘Het zou dan transformeren van een knot wol tot een ivoren bol. Ik bedoel: minder breiwerk en meer driebanden.’ En over zijn vriend Jeroen Brouwers: ‘Hij giert als een noordwesterstorm, maar dan zonder wind, roken als een vrachtschip, dat wel.’

Sinds zijn debuut Seizoenarbeid (1967) is de Nederlandse einzelgänger zijn onnavolgbare stijl blijven bijslijpen. Bij Wiener knelt het leven als een korset. Er is die onafwendbare maar ook geaccidenteerde omgang met vrouwen, vaak decennia jonger dan zijn alter ego’s. Voeg daarbij een korzeligheid over het verknechtende lerarenbestaan, een portie milde paranoia, een argeloze dierenliefde die kan omslaan in wantrouwen én ettelijke kruiken Koningswater (met name whisky) en je hebt de contouren van Wieners door en door pessimistische oeuvre, vol kameleontische poses.

Maar steeds is er die bevrijdende, gitzwarte humor: “Dieren kwel ik nimmer, maar ik huur wel eens een pornofilm en ik heb ook wel eens iets weggenomen uit winkels. Al valt dat eigenlijk wel weer mee, ik bedoel: vindt u het onredelijk dat ik bij Albert Heijn twee Argentijnse biefstukken in mijn jaszak liet glijden als die grootgrutter mij een dag tevoren twee bedorven roodbaarsfilets heeft geleverd?”

Brieven schrijven was van meet af aan een heel belangrijke literaire uitlaatklep voor u. Vanwaar die drang?

L.H. Wiener: “Ik was een heel gereserveerde jongeman. Ik leefde erg teruggetrokken, kwam nergens en wilde ook nergens komen. Toch wilde ik me uiten. Zo werd de brief mijn vehikel. Kijk, daar staat ze (wijst naar een Remington-typemachine), my old piano, daarmee is het begonnen. Vanuit mijn werkkamer sloeg ik er mijn tentakels mee uit. Er is een goed citaat dat mijn geremdheid illustreerde: ‘Ik heb er veertig jaar over gedaan om achttien te worden.’ Op die leeftijd moet je de wereld aankunnen en levenslustig uit jezelf treden. Dat had ik niet. Brieven hebben me gered. Ik legde toch voorzichtig contacten, in het tempo dat ik zelf wilde.”

‘Ik was net zo hoogmoedig en arrogant als verlegen, net zo overtuigd van mijn talent als faalangstig. Ik gaf geen hand zonder dat de andere een vuist was’, staat er ergens.

“Dat was destijds mijn devies, ja. Ik was argwanend en uit op confrontatie. In een van mijn eerste interviews in het Haarlems Dagblad – toen was ik 23 jaar en ik torste een grote snor – luidde de kop: ‘De mens is een vraatzuchtige omnivoor.’

"Dat wantrouwen tegen het monster dat mens heet, had ik al vroeg. Daarom herkende ik de thema’s van Willem Frederik Hermans zo goed, die ik nog steeds als mijn literaire vader beschouw. Ik had de neiging om tegen de stroom in te gaan, dat had te maken met mijn tragische familiegeschiedenis, mijn Joodse achtergrond. ‘En ik had spieren zo sterk als kabels en ik wilde iedereen op zijn bek slaan die te lang naar me keek’, zo noteerde ik ooit.”

Zoiets houd je natuurlijk geen heel leven vol.

“Die agressie en wraakgevoelens zie je bij veel jonge schrijvers in hun oeuvre opduiken. Langzamerhand accepteren mijn hoofdpersonages dat je maar zeer zelden je wil aan een ander kunt opleggen. Het gaat om overleven in plaats van aanvallen en killen. Ik zit nu in het stadium dat ik een zekere levenswijsheid heb bereikt – ja, ik durf dat woord te gebruiken. Ik heb me onkwetsbaar weten te maken voor allerlei schadelijke, negatieve invloeden. Ik ben intussen een man van 73 jaar. Heb ik iets bereikt? Heb ik het goed gedaan? In ieder geval: ik ben er nog. En wanneer je alle ellende en dood om je heen ziet, moet je je even koest houden.”

Wiener wordt mild. Dat is nieuws.

“Ik heb een gouden vriendin nu. Dat scheelt. Het gaat om een diepe, pure vriendschap die je niet met een man kunt hebben (lacht). We hebben samen een boot en gaan binnenkort drie maanden langs de zuidkust van Engeland varen. En wat ontzettend goed uitkomt – en dat zie je haast nooit – is dat zij evenveel van zeilen houdt als ik. Daar maak ik nu tijd voor, meer dan ik actief schrijf.”

U hebt intussen zelfs een paar schrijversvriendschappen opgebouwd. Terwijl u vroeger vooral grossierde in vijandschappen en veel collega’s polemisch bejegende?

“Ik ben nog steeds licht ontvlambaar. Vijandschap kan best lang aanhouden. W.F. Hermans glorieerde daarin. In een artikel over hem noem ik het ‘een rancune van goud’. Lange tijd ging ik zelfs principieel schrijvers uit de weg. Ik ben er intussen wel in geslaagd een aantal aangename mensen te ontmoeten. Auteurs, ja. Een clubje mensen met wie ik vriendschappelijk omga: A.L. Snijders, Christophe Vekeman, Dimitri Verhulst, Pieter Waterdrinker, Geerten Meijsing, P.F. Thomése, om er een paar te noemen.”

Er zijn in dit brievenboek wel nogal wat critici die een dreun op hun kop krijgen. Kwestie van uw woede te ventileren?

“Veel auteurs reageren principieel niet op slechte kritieken. Om zo de suggestie te wekken dat ze erboven staan. Misschien is dat het beste. Maar als je kritiek krijgt die van kwade wil of wanbegrip getuigt en pertinente onjuistheden bevat, dan voel je je als schrijver persoonlijk aangevallen. Dan wil ik terugslaan. Dat zit in mijn aard en mijn karakter. Zeker is dat met een slechte of ondermaatse kritiek aan een auteur de eerste klap wordt uitgedeeld. Dat doet pijn. En ik onthoud dat. Ik heb nu eenmaal een olifantengeheugen.”

Decennialang stond u te boek als ‘de meest verwaarloosde schrijver’ of ‘de grootste kleine schrijver’ van Nederland. Wanneer kwam de kentering?

“Ik doe zelf weinig aan public relations. Ik zit niet op sociale media, ik kijk neer op die slangenkuil. Veel auteurs zijn er voortdurend mee bezig. Allemaal maar krabben, aaien, likken, roddelen en slijmen op dat Facebook. Maar ik ben wel blij met gedegen recensies en interviews.

' ‘Als het me te bar wordt, vaar ik op mijn boot een eindje door de stad, met een flesje wijn erbij. Dat werkt prima.' Beeld Daniel Cohen

“Er is veel veranderd toen ik de F. Bordewijkprijs kreeg voor Nestor (2002) en op de shortlist van de Libris Literatuurprijs belandde met De verering van Quirina T. (2006). Ook schrijvers als Dimitri Verhulst en Jeroen Brouwers staken mijn werk omhoog. Vooral aan Jeroens voorspraak heb ik veel te danken. Voor het grote publiek schrijf ik te literair, dat zal altijd zo blijven, denk ik. Anderzijds scoor ik heel hoog in het circuit van bibliofiele uitgaven, verzamelaars en boekenfetisjisten.”

Een geëngageerde schrijver zou ik u niet noemen. Maar in Fallen Leaves valt wel op hoe groot uw betrokkenheid bij de buitenwereld is.

“Ik sta niet op de barricaden, dat klopt. Maar de werkelijkheid stemt me voortdurend treurig. Vorige week zag ik op tv die gemene, enge, toegeknepen oogjes van Vladimir Poetin, hoe ie op dat grote podium af wandelde en de wereld toesprak. En dan heb je die volkomen ontoerekeningsvatbare Trump of die Noord-Koreaanse gek met die opgeschoren nek. Dat is dus de wereld waar we mee zitten.

“Dan zwijg ik nog over Syrië. Ik kan die gruwelbeelden niet meer aanzien. We hebben geen wereldoorlog maar het zit wel altijd op het randje. Overal heerst brand. Wat moet je doen? Ik heb het leren accepteren als een noodlot, als een balance of terror tussen de totale ondergang en wat we nog hebben aan fraais.”

Vluchten in schoonheid als tegenwicht?

“Ja, ik denk het wel. En zonder dat ik soft word: ik heb er geen bezwaar tegen om me terug te trekken in klein geluk. Een geweldig boek lezen, bijvoorbeeld. Blij zijn met je poes en lekker tegen haar aan lullen. Of verguld zijn met je vaderschap. Ik heb hier een bootje voor de deur liggen. Als het me te bar wordt, ga ik een eindje door de stad varen met een flesje wijn erbij. Dat werkt prima.

“Je zou denken dat er bij het ouder worden een soort emotionele erosie plaatsvindt, zoals bij liefdesverhoudingen. Dat je ongevoeliger wordt. Maar bij de beelden van het journaal is het nét andersom. Dan wil ik weg uit die shit. Noem het gerust escapisme.”

Een rode draad in de brieven is de spanning tussen uw schrijverschap en uw lerarenbestaan. Heeft het leraarschap u voor de ondergang behoed?

“Ik ben veertig jaar leraar geweest. Omdat ik te laf was om 100 procent voor het schrijverschap te gaan. Maar als ik dat had gedaan, zat ik hier niet meer, evenmin als Lennaert Nijgh. Ik heb een sociaal contract afgesloten, het was niets voor mij om bohemien te worden. Ik heb namelijk een grote angst voor onbetaalde rekeningen. Ik zeg het altijd zo: ‘Ik ben half Joods en denk dus de helft van de tijd aan geld.’ (lacht) Dat dateert rechtstreeks uit mijn jeugd. Mijn vader had een grote prikker waarop hij alle onbetaalde facturen spietste. Hij liet ze maar oplopen. Je wilt niet weten hoeveel geld hij zo aan dwangbevelen kwijt was.”

‘Schrijven en niet zeiken, want zeiken kan iedereen, maar schrijven niet’, zo formuleerde u het ooit. U bent altijd doorgegaan met schrijven, ook als u in een impasse zat?

“Het is paradoxaal. Als ik niet steeds geloof had gehecht aan mijn schrijverschap, dan was ik de greep op mijn leven verloren. Hoewel ik de pen tegelijkertijd als een doem ervaar. Maar ik ben blij dat ik verdoemd ben. Het lerarenwezen werd pas een beproeving toen het monster van de gewijzigde leerplannen opdook. De leraar moest geen leraar meer zijn, maar een coach, een begeleider. De leraar werd in feite uit zijn ambt ontheven. Ik herinner me het woord taakdrager. Toen had ik het wel gezien.”

Als schrijver wilt u met uw boeken vooral sporen nalaten. Is dat niet al te ijdel?

“Dat is alleszins mijn credo. Iedere schrijver die niet toegeeft dat hij schrijft om niet anoniem te passeren, is een leugenaar. Noem het een strijd tegen het onvermijdelijke vonnis der nutteloosheid dat ooit over ons zal worden voltrokken.”

Er is ook het alomtegenwoordige Koningswater. ‘Drinken betekent automatisch: niet schrijven en niet schrijven betekent automatisch: drinken’, lezen we. Speelt drank tegenwoordig een andere rol in uw leven?

“Drank is een medicinaal vergif. Drank is mijn vijand, zei Gerard Reve. Dat geldt ook voor mij. Het is een trouweloze vriend die me relaxeert. Ik word nu ouder, ik wil nog wat verder leven. Dus ik moet uitkijken. Alcohol is een creator maar ook een sloper. Maar stoppen met drinken is moeilijker dan minderen. Alles wordt zo vlak, braaf en flets zonder drank. De hele maand januari stond ik droog, maar nu loopt het weer onbehoorlijk uit de hand… ‘Er moet iets gebeuren’, om Maartje Wortel te citeren…”

U bent vrij vaak van uitgever gewisseld. Schoot u zichzelf daarmee niet een paar keer in de voet?

“Uitgevers zijn als vijanden. Je kunt niet zonder. Ik veranderde steeds van uitgever na een conflict. En dat ging niet alleen over geld, zoals bij mijn eerste uitgever Meulenhoff, na een rechtszaak over mijn eerste verhalenbundel Seizoenarbeid. Soms, zoals bij Van Oorschot, speelden er emotionele redenen. Bij De Bezige Bij, waar ik één boek uitgaf, luwde het enthousiasme na een vernietigende literaire kritiek van Frans de Rover. Toen werd De Bezige Bij plots veel stroever. Ik mocht een woord als ‘enigszins’ of ‘echter’ niet meer gebruiken. Ik zei: ‘Sodemieter op: ik verander geen woord.’ Mijn gevoel voor stijl zei: ‘Goodbye.’

“Mai Spijkers, toen nog bij Bert Bakker, fluisterde me in die periode in mijn oor dat ik welkom was bij uitgeverij Bert Bakker. Hij was toen nog een good guy… Hoe komt het toch dat die man later zo vicieus is geworden? Hij is een complete geldwolf zonder ethiek. Ooit noemde ik hem nochtans de Maxwell Perkins van de Herengracht. En hoewel ik me toen vaak misdroeg en de poète maudit uithing, toonde hij begrip. Tot hij de baas werd bij Bert Bakker en een titel van me, Koningswater, verkwanselde aan een andere auteur.

“Nadat ik met Spijkers had gebroken, had ik veel moeite om een nieuwe uitgever te vinden. Uiteindelijk kwam ik bij Contact terecht en werd Mizzi van der Pluijm mijn uitgever en Sander Blom mijn redacteur.”

Na Fallen Leaves stapt u over naar Pluim, de nieuwe uitgeverij van Mizzi van der Pluijm?

“Het is heel eenvoudig: wij werken al decennialang in volledig vertrouwen samen en als er onrust rond de onafhankelijkheid van haar positie ontstaat omdat de geldwolven in het bos beginnen te huilen, dan trek ik mijn conclusies. Ik was de eerste die haar publiekelijk en onvoorwaardelijk steunde. Want er staat geen streep onder mijn schrijverschap. Wellicht in 2019 verschijnt er een nieuw boek met korte portretten en verhalen.”

Is het korte verhaal nog steeds uw summum?

“Mijn metier is het kort verhaal. Altijd gebleven, altijd geweest. Al heb ik wel trucjes uitgehaald. Want als je op een listige manier een paar in de lijn liggende korte verhalen aan elkaar lijmt, dan heb je een roman met een spanningsboog. Dat is gelukt bij Nestor, waar ik essayistisch werk met verhalen en brieven afwisselde. De verering van Quirina T. was op dezelfde leest geschoeid.”

Wat moet er in de ingrediëntentrommel van het perfecte kort verhaal zitten?

“Een goed kort verhaal moet een enkelvoudig en eenduidig thema hebben en in de zuiverste bewoordingen worden opgevoerd. Het moet de indruk wekken dat het alleen zo en niet anders kon worden geschreven. Virtuoze uitweidingen zijn niet geoorloofd, hetgeen bij de roman juist een extra kan opleveren. En kies bij voorkeur een ‘klein’ thema dat dan door de uitwerking illustratief wordt voor een veel groter mechanisme.”

Koestert u voorbeelden van korteverhalenschrijvers?

“Nee, tenzij weer Hermans met Het behouden huis en Een wonderkind of een total loss… Daar zitten juweeltjes in. Later ontdekte ik John Cheever en op school behandelde ik vaak J.D. Salinger en zijn Nine Stories. Ook Bob den Uyl is me dierbaar, de levensworstelaar met een apart soort humor. Tegenwoordig vallen me Joubert Pignon en A.L. Snijders op. Maar ze schrijven Zeer Korte Verhalen, ZKV’s, in feite aangeklede anekdotes.”

Steeds weer jongleert u in uw werk met zwarte humor en romantisch sarcasme.

“Dat zijn de stilistische middelen waarmee ik mijn wereldbeeld vorm geef. De humor verdiept de tragiek, de helaasheid der dingen, zou Dimitri Verhulst zeggen. En in mijn sarcasme – of cynisme – kenmerkt zich mijn verhouding tot de menselijke soort. Toch heeft zich tijdens mijn leven een verschuiving voorgedaan. Aan het begin van mijn literaire loopbaan was ik een bijtend roofdier dat naar de keel van zijn vijanden sprong. Die bloeddorst maakte stilaan plaats voor een meer berustende levensopvatting, onder het adagium: wat is het leven anders dan een poosje machteloos tegenstribbelen? Probeer te genieten van wat er te genieten valt en mijd de verbittering.”

Een belangrijk aspect in dit brievenboek is natuurlijk uw gevarieerde omgang met vrouwen. U kreeg een paar keer ook het verwijt van misogynie. Tegelijk plaatst u de vrouw vaak op een piëdestal. Vanwaar die tweespalt?

“Voor alle duidelijkheid: ik ben absoluut geen misogyne man. De kern is dat ik gedurende mijn leven vaak te veel heb verwacht van verhoudingen. Ik had graag de allesoverheersende liefde van mijn leven ontmoet. Dat is niet gebeurd. Daarom ben ik gaandeweg – na scheidingen en liefdesbreuken – ironischer en cynischer gaan aankijken tegen relaties. En ik kon flink uithalen, met zinnetjes als ‘Vrouwen die geen zin hebben, zijn zinloos.’ Dat is natuurlijk pesterige onzin, dat weet ik ook wel.”

‘Vrouwen beginnen met de beste papieren, maar zijn zeer gebrekkig in hun administratie’, is er eentje uit dezelfde koker in uw brievenboek.

“Ach, je zou het gesublimeerde teleurstelling kunnen noemen. Een misantroop is een mensenhater omdat hij het graag anders had gewild. Je wordt niet zomaar als misantroop geboren. Dat komt gaandeweg. Mijn gehannes met vrouwen heb ik vaak zwaar aangezet en plagerig gemaakt, altijd ingepakt in ironie en humor. Maar dat is me bijvoorbeeld door de feministische dames uit de Opzij-hoek niet in dank afgenomen. Een vrouwelijke recensente als Daniëlle Serdijn, rechtstreeks afkomstig uit die hoek, heeft mijn boeken altijd gekraakt. Ze neemt alles een-op-een en ontbeert elk gevoel voor humor.”

‘Seks kun je op een lijn stellen met literatuur, want de narigheid die het bedrijven van deze kunst met zich meebrengt is eveneens met geen pen te beschrijven’, schrijft u ook.

“Liefde is zelfmoord op lange termijn. In die uitspraak zit weer dat gefrustreerde idealisme. ‘Seks is oorlog’, ook zo’n lekkere oneliner. Seks heeft niets met liefde te maken. Als het wel zo is, dan beleef je een ideaal, een toppunt. Als er een gehele versmelting is, dan heb je het helemaal voor elkaar. Maar seks is uiteindelijk de grootste agressieve bende die er op de wereld bestaat, dat weten we ook.”

U geeft in dit brievenboek royaal opening van zaken over de moeder van uw kinderen, Carina Wijnberg, de naam die we uit uw oeuvre kennen. Zelfs met foto’s van Arend en Salomé erbij.

“Carina Wijnberg was een oud-leerlinge van me. Toen ze op haar drieëntwintigste in San Diego studeerde, kreeg ik opeens een briefje van haar: ‘Het was altijd zo gezellig bij je in de les, hoe gaat het met je? Maar je zult me wel niet antwoorden.’ Natuurlijk heb ik haar geantwoord. We ontmoetten elkaar toen ze weer naar Nederland kwam. Zo kwam van het een het ander. Ze werd de moeder van mijn kinderen. Dat huwelijk is na een aantal jaar ook weer misgelopen. Onze karakters botsten.

“Toen zei ze: ‘Ik ga weg.’ Ik zei: ‘Wat?’ In de tuin heb ik toen de schutting in elkaar geschopt. Maar ik besefte wel: ‘Ik moet jou laten gaan.’ Het werd geen vechtscheiding, we hadden geen kinnesinne over de kinderen. We hebben het netjes opgelost.”

Nadien kreeg u met een andere ex-leerlinge een relatie die u boek­staafde in uw roman De verering van Quirina T. ?

“Carina Wijnberg was 24 jaar jonger dan ik. Toen ging ik er nog even ‘overheen’ met Quirina T. Zij was 42 jaar jonger op het moment dat ik haar leerde kennen. Met dien verstande dat ze niet meer op het stedelijk gymnasium zat. Ik was heel voorzichtig en beducht voor de reacties van de buitenwereld. Tegelijkertijd was ik erg gecharmeerd. Quirina was een superintelligente, mooie meid. Het werd gezellig, we gingen op vakantie en mijn kinderen schoten geweldig met haar op. We hadden afgesproken dat het niet langer dan een jaar of twee mocht duren. Daarna moest ze een jongen van haar eigen leeftijd vinden. Zo zouden wij aan onze omgang allebei een goede herinnering bewaren.

“Uiteindelijk heeft de relatie drie jaar geduurd. Toen was het op. Maar ik heb er geen spijt van. Ik heb in mijn leven altijd hele mooie vrouwen om me heen gehad. Ik mag dan wel mopperen dat het nooit iets blijvends werd, ik knijp me ook in de vingers.”

Hoe kijkt u – als ex-leraar – eigenlijk naar de hele #MeToo-discussie?

“Dat mannen viespeuken zijn, dat beaam ik meteen. Maar vrouwen zijn geen haar beter. Ze spelen het gewoon anders. Een man is een hond die blaft en zich meteen uitlevert. Een vrouw is een kat met van die zachte voetjes waar veel nagels onder zitten. Dat er zoveel meer weduwen zijn dan weduwnaars, dat komt omdat al die weduwen die mannen hebben doodgepest. (lacht) Ja, schrijf dat maar op.

“Serieus nu. Grensoverschrijdend gedrag is zeer laakbaar. Dat is een verkeerd soort mannenwereld waar ik niets mee te maken wil hebben. Ik vind het terecht dat rakkers zoals filmbaas Harvey Weinstein aan de schandpaal worden genageld, Of denk aan wijlen premier Ruud Lubbers, nog zo’n billenknijper. Dat nu iedereen met stokoude, moeilijk te bewijzen zaken naar boven komt, vind ik wel tricky. Het wordt wel ontzettend opgeblazen.

“Nog altijd van veel grotere proportie lijken me de seksuele misbruiken in de rooms-katholieke kerk. Dat hele priesterschap is slecht geregeld. Het is onnatuurlijk om een man het celibaat op te leggen, dat is vragen om problemen. Dan heeft de anglicaanse kerk het toch beter voor elkaar.”

L.H. Wiener, 'Fallen Leaves', Brieven 1966-2016, Atlas-Contact, 558 pagina’s, 29,99 euro. Beeld rv
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234