Maandag 20/05/2019

Interview Boeken

Libris-genomineerde Johan de Boose: ‘Bij mij gaat Jezus naar een bordeel’

Johan de Boose: “Ik zie te veel boeken die het resultaat zijn van creative-writingopleidingen, formats met voorspelbare afloop.” Beeld Stefaan Temmerman

Met ‘Het vloekhout’ staat Johan de Boose tot zijn eigen verbazing op de shortlist van de Libris Literatuur Prijs. Wie is de man die de lezer 2.000 jaar christelijke geschiedenis serveert door de ogen van nota bene een stuk hout?

Gemiddeld zes maanden per jaar bevindt Johan de Boose (57) zich ergens in de kieren en plooien van Oost-Europa. Jagend op ‘de spoken van een plek’. Verwikkeld in research voor een volgend boek. Of gewoon, als reisbegeleider – er moet tenslotte ook geld in het laatje komen. Geen wonder dat hij me in station Gent-Sint-Pieters opwacht met een volgepropt rolkoffertje aan de hand. Want na het interview gaat het spoorslags richting de Baltische Zee. “Als ik niet reis, word ik onrustig. Het aantal dagen dat ik dit jaar thuis ben, kan ik op één hand tellen. En dat geeft me een geruststellend gevoel”, grinnikt hij, terwijl hij zijn wijd uitwaaierende grijze haardos fatsoeneert. “Deze nacht zit ik in een bus, daarna op een boot. Ik schrijf altijd, vaak half liggend. Ik doezel even weg, daarna pik ik gewoon de draad weer op. Hypnotisch schrijven, volgens de methode-­Hemingway.”

De Boose zou je kunnen typeren als een backbencher van de Vlaamse literatuur. Geen tafelspringer of haantje-de-voorste. Eerder een hardwerkende, ietwat cerebrale auteur. Sinds zijn debuut in 1994 wisselt hij reisboeken over Oost-Europa – vooral Polen, Rusland en de Balkan – af met poëzie en romans. Daarin bespaart hij niet op een stevige verhaallijn meer of minder (remember het zowel opgehemelde als verguis­de Bloedgetuigen). Als theaterauteur schreef hij onlangs met Jan Fabre Belgian rules/Belgium rules.

Nu prijkt zijn roman Het vloekhout, waarin hij zomaar even 2.000 jaar wereldgeschiedenis overspant via een observerend stuk hout, op de shortlist van de Libris Literatuur Prijs. Daar staat hij als enige Vlaming in het gezelschap van onder meer Ilja Leonard Pfeijffer, Esther Gerritsen en Bregje Hofstede.

Is dit uw doorbraak?

Johan de Boose: “Ik heb me vaak moeten verzoenen met het feit dat ik een writer’s writer ben, met veel schouderklopjes van collega’s. Maar voor je het weet blijf je hangen in een circuit van enthousiastelingen die elkaar bejubelen. Schrijf ik dan te ingewikkelde boeken? Of moeten het tegenwoordig allemaal hapklare verhaaltjes zijn?”

Hoe belangrijk is zo’n Libris-nominatie? Ligt u wakker van het prijzencircus?

“Zolang je er niet bij bent, is zo’n shortlist iets onbereikbaars. Eenmaal genomineerd begin je te speculeren. Het betekent erkenning. Natuurlijk is het een commercieel gebeuren. Toch blijft het een geweldige manier om literatuur in de schijnwerper te plaatsen, zeker omdat de aandacht voor boeken in de media de laatste jaren dramatisch is geslonken.”

Is het tegenwoordig harder knokken voor een plek onder de zon?

“Broodschrijver zijn is geen lolletje. Als je geen hoge verkoopcijfers haalt, moet je constant zoeken naar middelen en fondsen om je ding te kunnen doen. Dat ik non-fictie en romans afwissel, heeft onder meer een economische noodzaak. Sommige collega’s opteren voor een docentschap of een job die niet te veel aandacht opeist. Ikzelf koos in 2003, na mijn periode bij radiozender Klara, voor het fulltime schrijverschap. Ik wilde compleet vrij zijn. Maar dat bracht blijkbaar weer andere onvrijheden met zich mee.”

Als reisschrijver richtte u uw vizier al snel op Oost-Europa. Wanneer sprong de vonk over?

“Het was een combinatie van toevalligheden. Op mijn achttiende wilde ik acteur worden maar mijn vader stak daar een stokje voor. Hij vond het theater een verdorven wereld. Daar had hij gelijk in. (lacht) Maar ik moest dus eerst iets serieus doen. Zo koos ik voor Slavische talen, de opleiding met de minste studenten. Daar kwam ik in aanraking met Tsjechov en Tolstoj en de mooiste taal ter wereld: het Russisch. Toen ik voor het eerst naar de Sovjet-Unie trok, belandde ik in een donker land maar ontdekte er wel kleurrijke subculturen. Idem in Polen, waar ik toneelmaker en beeldend kunstenaar Tadeusz Kantor ontmoette. Hij werd mijn spirituele grootvader. De autoriteiten zetten hem weg als een ongevaarlijke gek, maar in het buitenland werd hij als het politieke geweten van Polen beschouwd.”

‘Ik heb me vaak moeten verzoenen met het feit dat ik een writer’s writer ben, met veel schouderklopjes van collega’s.’ Beeld Stefaan Temmerman

Hebt u de belangstelling voor Oost-Europa ferm zien toenemen?

“Dat wisselt. Ik heb de laatste dagen van de Sovjet-Unie en het ineenstorten van het communisme in Polen aan den lijve ondervonden. Toen dacht ik: de Muur is weg, de openheid komt er én de interesse voor Oost-Europa gaat crescendo. Dat was niet het geval. Goed, als reisbestemming is Oost-Europa populairder. Maar wie verdiept zich eigenlijk in zijn cultuur, film of literatuur?”

Hoe verklaart u die tweespalt?

“Oost-Europa wordt nog steeds als een mono­lithisch blok gezien. Voor veel mensen zijn zelfs de Baltische landen en de Balkan, of de Zwarte en de Kaspische Zee, één pot nat. Terwijl de verschillen tussen de Oost-Europese landen even groot zijn als tussen pakweg Scandinaviërs en Noord-Afrikanen. Alleen: ze hebben lang on­der hetzelfde Russische juk geleefd, ze delen een gemeenschappelijke geschiedenis. De kennis van het Russisch is vrij algemeen, je kunt met die taal vrijwel overal terecht. Anderzijds zie je tegenwoordig een golf van neonationalisme in Hongarije en Polen. Omdat het collectivisme en het communisme zo lang heersten, koestert men nu fanatiek die eigenheid. Hoogst verontrustend.”

U graait in uw boeken voortdurend in de geschiedenis. In Het vloekhout laat u een stuk hout 2.000 jaar wereldhistorie registreren. Dat doet denken aan Julian Barnes’ The History of the World in 10 ½ Chapters, waar de geschiedenis door een houtworm wordt verteld.

“Ik wilde 2.000 jaar christelijke cultuurgeschiedenis op een originele manier serveren, met de klemtoon op momenten waarop de mensheid dacht dat het einde der tijden was aangebroken, zoals de 1ste of de 14de eeuw. Maar een menselijk wezen kan zoveel tijd niet overzien, enkel een object is daartoe in staat. Zo liet ik een stuk hout observeren, dat nog dienstdeed aan het kruis van Christus. Ik noem het ergens ‘een dikke spaander met een gekweld geheugen’.”

Stelt zo’n vertelperspectief de geloof­waardigheid niet flink op de proef? Zo converseert het vloekhout met de voorhuid van Jezus en met de lijkwade van Turijn.

“Je moet de voorwaarden van de parabel aanvaarden. Daarvoor put ik ook uit de Joodse verteltraditie. Maar ik geef het hout wel menselijke trekjes. Schuilt daar geen herkenbaarheid in? Bovenal is Het vloekhout een schelmenroman. Ik laat bijvoorbeeld Jezus naar een bordeel gaan. Dat waren toen de plekken waar mannen met vrouwen konden praten, wat in hun gezin blijkbaar niet zoveel gebeurde.” (lacht)

De zin en onzin van geloof, is dat het leid­motief van deze roman?

“Ja, en bovenal de nietigheid van de mens. Ik vraag me ook af waarom religie in het Westen tegenwoordig als soft of verdacht wordt afgeserveerd. In Afrika, Oost-Europa en Noord- en Zuid-Amerika is religie meer dan ooit aanwezig. Bij ons niet. Wanneer is dat verschoven? Kijk, tijdens de verlichting was de band tussen religie en wetenschap nog verrassend sterk. Voltaire was geen atheïst, hij probeerde een modus vivendi te vinden. Ik zie vooral het Eerste Vaticaans Concilie als een sleutelmoment. Daar stelde de Kerk dat de paus onfeilbaar is en dat wetenschap en religie van elkaar moeten worden losgemaakt. Maar denk aan Einstein. Hij zei: ‘Hoe meer ik begrijp van de wetenschap en de kosmos, hoe religieuzer ik word’. Dat is fascinerend. Ik ben ongelovig, maar religieuze verhalen zijn een gigantische bron van epische energie.”

Romans die de grenzen tussen fictie en non-fictie aftasten doen het tegenwoordig goed. En ook de historische roman beleeft een revival, met bijvoorbeeld medegenomineerde Jan van Aken. Surft u mee op die golf?

“Ik juich dat uiteraard toe. Passie voor de geschiedenis vind ik vanzelfsprekend. Hoe meer je reist, hoe intenser je met de geschiedenis geconfronteerd wordt. Ik kan niet schrijven over Rome, Siberië of Karelië zonder ter plekke te zijn geweest. Ik moet die genius loci, de geest van een plek, voelen. Ik betrap me wel eens op een didactisch trekje. Ik vind het heerlijk om te instrueren, kennis te verspreiden. Een boek schrijven is een probleem oplossen, iets uitklaren wat ik niet begrijp.”

‘Ik hou niet van afgekloven, zuinige zinnetjes. De taal mag zingen. Ik ben gevormd door Hugo Claus.’ Beeld rv

In de literaire kritiek valt soms te lezen: Johan de Boose is een maniërist, zelfs een barokke auteur.

So what? Ik hou niet van afgekloven, zuinige zinnetjes. De taal mag zingen. Ik ben gevormd door Hugo Claus. Later raakte ik verslingerd aan Salman Rushdie, Isaac Bashevis Singer, Konstantin Paustovski, Vladimir Nabokov, Bruno Schulz, James Joyce. Tegenwoordig zie ik te veel boeken die het resultaat zijn van creative-writingopleidingen, formats met voorspelbare afloop. Bij mij mag het iets meer zijn. Ik werk even lang aan een prozazin als aan een dichtregel. Wat is er mis met barok? Vaak beheers ik me nog. Je zou de oorspronkelijke versie van mijn teksten eens moeten zien!”

U hield zich steeds ver van het autobiogra­fische. Of komt daar nog verandering in?

“Het is opvallend hoeveel schrijvers van middelbare leeftijd tegenwoordig over hun ouders schrijven: Tommy Wieringa, Oscar van den Boogaard, Erwin Mortier, Peter Verhelst, Tom Lanoye, noem maar op. En kijk, ik zal je bekennen dat ik zelf ook aan een vaderboek bezig ben: Dondersteen. Na Het vloekhout ben ik me gaan herbronnen. Ik kwam uit bij mijn vader, die veertien jaar geleden gestorven is. Hij liet me een enorme collectie schedels, mineralen en gesteenten na: zand uit Mexico, fossielen uit de Indische Oceaan, een oud Chinees apenschedeltje... Ik wist niet wat ermee aan te vangen. Hij was leraar technisch tekenen en amateur-natuurkundige, maar hij reisde nooit. Toch stond de hele wereld in zijn kamer. Ik besloot hem achterna te reizen, naar waar hij nooit geweest was. Zo blaas ik dode objecten nieuw leven in. Op elke reis neem ik een leeg sigarettenpakje mee met zand uit zijn verzameling.”

Altijd weer keert u terug naar het theater. Onlangs schreef u voor Jan Fabre de tekst Belgian rules/Belgium rules.

“Ik vind Fabre een fenomenale kunstenaar. Hij gaat tot het uiterste. Hij is een ware bulldozer én onvermoeibaar gepassioneerd. Belgian rules/Belgium rules schreven we tijdens het repetitieproces. Een unieke ervaring.”

Hoe kijkt u als eersterangsgetuige naar de #MeToo-verwikkelingen rond Fabre?

“Er is in de media een beschadigingsoperatie gevoerd. Er zijn grove leugens verteld. Er is van alles bijgesleurd dat er totaal niets mee te maken heeft.”

Wat bedoelt u daarmee?

“Over de grond van de zaak spreek ik me niet uit, ik kan alleen getuigen dat ik zes maanden dag en nacht naast hem heb gezeten en niets heb gemerkt van wat er is geponeerd. Jan Fabre eist veel, maar heeft het grootste respect voor de mensen met wie hij samenwerkt. Ik hoop dat hij de draad van zijn theaterwerk snel opnieuw kan oppikken.”

Johan de Boose, Het vloekhout, De Bezige Bij, 214 p., 21,99 euro

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.