Vrijdag 21/06/2019

Interview

Lara Taveirne: “Ik heb me lang diep geschaamd voor het West-Vlaams. Nu breek ik er een lans voor”

Lara Taveirne: ‘Toen ik als kind mijn grootmoeder bezocht, riep ze altijd tegen ons: ‘Gaan jullie maar op het kerkhof spelen!’ Beeld Joris Casaer

In de derde roman van Lara Taveirne (35) waart de dood in allerlei gedaanten rond. Logisch wanneer je je roman situeert in een Brugs universum van chrysantenkwekers anno 1929. Toch viert Taveirne vooral de rijkdom van het West-Vlaams. “In welke taal wordt nu het woord ‘ja’ vervoegd?”

Is het een coming-of-age-roman? Een episch volksverhaal? Of een soort dialectenencyclopedie vol sappige dialogen?

Kerkhofblommenstraat balanceert op vele koorden. “Door de kerkhofsetting moest ik vooral uitkijken dat het geen gothic novel werd”, lacht Lara Taveirne (35). Met haar derde roman hoopt de Brugse schrijver en scenarist eindelijk de karpersprong naar een groter publiek te maken. Opnieuw grijpt ze – net als in haar met de Debuutprijs bekroonde De kinderen van Calais (2014) – terug naar de verwarrende leefwereld van een vijftienjarige adolescente.

Kerkhofblommenstraat – u hoort de echo’s van Guido Gezelle zinderen – ontkiemde ooit in een toneelstuk. Maar Taveirne vond dat er meer muziek in zat. “Ik raakte bijna verstrikt in de overvloed aan verhalen in mijn hoofd.”

De roman vertelt hoe de overgevoelige puber Arabella plots haar werkschort omgordt, de school adieu zegt en zich, tegen de wil van haar ijzige moeder, onder de chrysantenkwekers voor haar eigen huis mengt. Een opmerkelijke stap, temeer daar ze de dochter is van de bedrijfsleider.

Taveirne neemt royaal de tijd voor een tableau de la troupe en verkneukelt zich in de kakelende stemmen van de kwekers, begiftigd met namen als Rosette, Johanna, Clothilde en Romanie. Woorden als ‘kringel’, ‘prutteltje’, ‘derangeren’, ‘piempampoender’, ‘klutteren’ en ‘doodstuiken’ maken voortdurend gastoptredens, tot het je soms gaat duizelen.

Pas langzaam ontvouwt de plot zich en blijken in de Vlaamse klei opnieuw veel drek en duistere geheimen te schuilen. Taveirne dempt alle opgehoopte miserie gelukkig af en toe met een schalkse, badinerende toon. “Er moest een lichtheid in zitten, zeker ook in de levensechtheid van de dialogen. Daar heb ik eindeloos op gewroet.”

Chrysantenkwekers in Brugge anno 1929, dat is een ongewone biotoop voor een roman. Hoe ben je bij die wereld terechtgekomen?

Lara Taveirne: “Toen ik als kind mijn grootmoeder bezocht, riep ze altijd tegen ons: ‘Gaan jullie maar op het kerkhof spelen!’ Ze woonde vlak naast de Brugse begraafplaats en zag er totaal geen graten in dat we ons daar amuseerden. Het was neutraal terrein, we associeerden het ook helemaal niet met de dood. Alleen onze overgrootmoeder had er een graf, Bontje Baene. Dat vonden we een grappige naam.

“Pas toen we de kindertombes ontdekten, stelden we ons vragen. Zijn die ’s avonds niet bang? Het allertriestigst vonden we de kindergraven zonder bloemen. Daarom gingen we de bloemen elders weghalen en verdeelden ze gelijkmatig over de grafzerken. In de aanloop naar Allerheiligen keken we ook altijd hevig uit naar de bloemenmarkt in de Kerkhofdreef. Vooral omdat er ook oliebollen te krijgen waren
(lacht). Zo’n ellenlange straat vol chrysanten, dat maakte een diepe indruk. Een jaar of vier geleden begon ik me echt in het universum van de chrysantenkweker te verdiepen. Ik wist dat ik een verhaal te pakken had.”

In je roman wordt nogal laconiek omgegaan met de overledenen. Alsof je de dood een beetje jent.

“Klopt. In 2014 was ik vaak op het kerkhof te vinden, bij het graf van mijn overleden broer Wolf. Ik liep er dan zelf met een bloemstuk in mijn handen. Vanaf dat moment beleefde ik een begraafplaats helemaal anders. Toen ik eens met mijn grootmoeder naar het graf van Wolf ging, zei ze: ‘Kom, we gaan eerst naar de Aldi, boodschappen doen. En daarna naar je broer.’ Dat trof me. Omdat het een pragmatische manier was om met de dood om te gaan. Mijn grootmoeder praatte ook tegen de doden, gaf hen een bolwassing of zette hen op hun nummer. Alsof ze nog leefden. Die toon wilde ik in Kerkhofblommenstraat bewaren.”

Via de titel Kerkhofblommenstraat breng je natuurlijk ook een aubade aan Guido Gezelle, die in 1858 een bundel schreef met als titel Kerkhofblommen. Waarom verdient hij herwaardering?

“Al vroeg was ik doordrongen van Gezelles statuur. Op het Brugse kerkhof torent zijn graf als een kathedraal boven alle andere uit. Maar in het middelbaar proefde zijn poëzie toch vooral als de verplichte hap levertraan. Onlangs begon ik hem te herlezen en ging ik helemaal overstag. De West-Vlaamse woordenschat die Gezelle verzamelde, is fenomenaal. Neem nu het woord ‘Kerkhofblommenstraat’, hoeveel associaties roept dat niet op? De dood ja, maar ook de ontpoppende kracht van bloemen en de banaliteit van een straat.”

Je hebt vier jaar aan dit boek gewerkt. Een moeilijke bevalling?

“Snelheid is mijn grootste valkuil (lacht). Mijn eerste twee boeken schreef ik in een euforische roes, alsof ik op een glijbaan zat: De kinderen van Calais was beeldend, Hotel zonder sterren eerder recht door zee. Nu nam ik veel meer tijd en ben ik voor het eerst tevreden met het eindresultaat.

“Toegegeven, ik heb serieus geworsteld en gevloekt. Dit was het heftigste schrijfproces ooit. Ik vergaloppeerde me al eens met de taal en ik had zo veel verhaallijnen uitgezet dat het onmogelijk leek om ze weer samen te krijgen. Pas toen ik me een tijdje in een klooster verschanste, ging de bal echt aan het rollen. Ik hoop dat de lezer merkt dat mijn ambacht erop vooruit is gegaan.”

Lara Taveirne. Beeld Joris Casaer

Net als in je debuut De kinderen van Calais vormt een adolescentenmeisje de spil van je verhaal, met alle ambiguïteiten van dien.

“Voor mij is dat bijna vanzelfsprekend. Ik vind niets fascinerender dan een meisje van vijftien. Nooit is een gedachtewereld zo complex en tegenstrijdig als op die leeftijd. Het is een gesloten wereld waar van alles begint te broeien. Hier vraag ik me af: waarom zet Arabella uit dit beschermde milieu de stap naar dat chrysantenveld? Omdat ze bij die ongedwongen volksvrouwen de warmte vindt die haar kille, afstandelijke moeder haar onthoudt? Of om via hen de geheimen uit haar jeugd te ontrafelen?”

Arabella lijkt verscheurd tussen die koele, geblokkeerde moeder en een innemende, goedmoedige vader. Maar ook hij blijkt talloze schaduwkanten te hebben.

“Aanvankelijk lijkt het of Arabella zich vooral tegen haar moeder wil afzetten. Maar zo zwart-wit is het niet. Eigenlijk kantelt het verhaal gaandeweg. Haar onwetendheid is een van de stuwende krachten van de roman. Arabella beseft pas laat hoe weinig ze weet, terwijl ze er met haar neus op staat te kijken.”

Vader Gérard is als ondernemer eerder progressief. Maar ook hij misbruikt zijn macht.

“Hij was zijn tijd vooruit. Gérard wilde een soort socialistisch en geëngageerd ondernemer zijn met mededogen voor zijn personeel en vol goede bedoelingen. Hij liet zelfs een tuinwijk bouwen. Maar tegelijk toon ik in de roman hoe gevaarlijk macht is en hoe ze in arbeidsverhoudingen tot misbruik kan leiden.

“Een link naar het #MeToo-tijdperk? Ja, maar niet bewust. Want je ziet ook hoe de volksvrouwen gebrand zijn op aandacht van hun baas, het is allemaal vrij dubbelzinnig. Ik wilde Gérard niet als de absolute slechterik afschilderen. Er speelt nog veel meer.”

Sommige lezers zullen zeggen: lap, weer een verhaal uit la Flandre profonde, met spanningen tussen bazen en werkvolk. Hadden we Cyriel Buysse en Stijn Streuvels niet al gehad?

“Goh, mij is het toch vooral om het vieren van de taal te doen. Ik breek in dit boek een ferme lans voor de schoonheid van het West-Vlaams, ik leg een soort compendium aan. Het bizarre is: ik had lange tijd een vreselijke afkeer van mijn Brugs dialect. Ik schaamde me er diep voor, wilde zelfs niet dat mijn vrienden mijn ouders of grootouders hoorden praten. Op de theaterschool in Gent vormde mijn West-Vlaamse achtergrond echt een struikelblok.”

Werd je niet serieus genomen?

“Ik was vooral bevreesd om niet voor vol te worden aangezien. Voor de veiligheid fabriceerde ik dan maar een soort tussentaal. Tegelijk voelde dat als hoogverraad. Tot ik tijdens de Germaanse een test deed: ‘Hoe goed beheers je je dialect?’ Dat bleek uitmuntend te zijn, ah ja. Toen moedigde een professor taalkunde me aan om er niet langer misprijzend over te doen, maar vooral mijn taal te bewaren én door te geven. Het is toch onwaarschijnlijk hoe rijk en uitgebreid het West-Vlaams is? We hebben zelfs een heel eigen grammatica. In welke taal wordt nu het woord ‘ja’ vervoegd?

“Kortom, ik herontdekte mijn liefde voor het oudestraatjes-Brugs. In dit boek ben ik teruggekeerd naar mijn taalroots, vooral die van mijn grootmoeder. Nu doe ik niets liever dan in mijn omgeving West-Vlaams luistervinken. Toch speelde die haat-liefdeverhouding me lang parten. Is het daarom dat ik voor een Nederlandse man ben gevallen? Dan kon ik tenminste via de liefde mijn taal bijschaven.”

Ben je nu niet bang voor het etiket ‘heimatschrijver’?

“Nee, want ik koester taal uit emotionele en esthetische overwegingen. Niet om een statement te maken over ‘de Vlaamsche taal’, laat daar – zeker na deze verkiezingen – geen enkel misverstand over bestaan. Ik wil vasthouden wat ik in mijn korte leven blijkbaar al aan het kwijtraken was en spitten in herinneringen. Het is toch niet omdat je de Kinderliedjes van Gezelle weer revalideert dat je een politieke vuist maakt?”

Het is in ieder geval een erg plastisch boek geworden. Een discipel van het zuinige schrijven zul je wel nooit worden?

“Ik vrees het. Toch lees ik zelf bij voorkeur spaarzaam uitgepuurd proza, zoals de nieuwe roman van Bart Moeyaert of het met de Bronzen Uil bekroonde boek van Lenny Peeters.

(fel) “Ik ben een absolute voorstander van weinig woorden in de literatuur. Maar zodra ik aan de schrijftafel zit, kan ik mezelf blijkbaar niet intomen. Dan geef ik me graag over aan meanderende zinnen en krachtige beelden. Dat zal het dichtst bij mezelf zitten, zeker? (lacht)

“Geloof me, ik heb nog een volledig schrift met mooie, ongebruikte West-Vlaamse woorden. Veilig achter slot en grendel.”
(schatert)

Lara Taveirne, ‘Kerkhofblommenstraat’, Prometheus, 311 p., 19,99 euro. Beeld RV
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
© 2019 MEDIALAAN nv - alle rechten voorbehouden