Dinsdag 03/08/2021

Interview

Kunstenaar Sergio De Beukelaer: ‘Dit blauw is voor mijn overleden vriendin’

Sergio De Beukelaer naast het werk On.Bronze in cc Mechelen: ‘Kunst is magie. Maar wat je allemaal moet kunnen om die magie erin te krijgen!’ Beeld Illias Teirlinck
Sergio De Beukelaer naast het werk On.Bronze in cc Mechelen: ‘Kunst is magie. Maar wat je allemaal moet kunnen om die magie erin te krijgen!’Beeld Illias Teirlinck

Wie Sergio De Beukelaer (49) nog niet kent, kan zich nu in Mechelen vergapen aan een totaalspektakel in fluoroze, goudgeel én in een blauw dat de naam kreeg van zijn vriendin. ‘Ik ben goed in mijn genre. En ik heb het zelf uitgevonden.’

Dat Sergio De Beukelaers eerste tentoonstelling van museale allure uitgerekend nu opengaat, is een wel zeer smerige speling van het lot. Begin dit jaar ontvielen hem in twee weken tijd twee mensen die maar wat graag op de eerste rij zouden hebben gestaan. Eerst Marianne Rydberg, zijn vriendin. Tien jaar lang was ze de vrouw van zijn leven, op 7 februari moest ze definitief het onderspit delven in haar strijd tegen kanker. Kort daarna gaf ook Hugo De Beukelaer, zijn vader, zijn strijd op: die tegen de alcohol.

blue.scale, 2018. Beeld Illias Teirlinck
blue.scale, 2018.Beeld Illias Teirlinck

Zijn eigen strijd is Sergio De Beukelaer aan het winnen. Dat werd tijd. Ruim twintig jaar geleden debuteerde hij op Trouble Spot Painting, de legendarisch geworden momentopname van de schilderkunst van Luc Tuymans en Narcisse Tordoir in het M HKA. Hij vond al vroeg zijn eigen vorm uit: het fat canvas – letterlijk: het dikke, opgeblazen doek – waardoor elk werk dat hij maakt het midden houdt tussen schilderij en sculptuur. Zijn concepten en zijn kleuren zijn schatplichtig aan de minimal art en de popart, maar evengoed aan de popmuziek uit de jaren 1980 en de mode. Hij wordt beschouwd als een geometrische kunstenaar, maar hij houdt van cirkels. Hij maakt abstracte kunst, maar hoe saai en ontoereikend is dat label voor wat hij in Mechelen heeft klaargespeeld.

BIO • geboren in 1971 • studeerde mode en schilder­kunst • bekeerde zich tot de abstracte kunst onder invloed van o.a. Donald Judd • debuteerde in ’99 op Trouble Spot Painting, M HKA • was begin jaren 2000 assistent van Luc Tuymans • had twee galerie­shows in New York • is nu verbonden aan PLUS-ONE gallery in Antwerpen• woont en werkt in Deurne, Antwerpen

De Beukelaer leeft en werkt in suburbia, op een zucht van het Bosuil-stadion in Deurne-Noord. In zijn atelier en woonvertrekken is alles wit. De vloeren, de wanden, de meubels, het beddengoed: alles, behalve de kunstwerken in diverse stadia van ontwikkeling en de potten verf die opgestapeld staan in een rek. Amper hebben we ons geïnstalleerd aan de twee uiteinden van de grote werktafel, of hij zegt: “Ik heb de hele ochtend gehuild, van onder de douche tot net voor je binnenkwam.”

Nee, hij is niet stilgevallen na de dood van zijn vriendin en zijn vader. “Twee dagen voor Marianne stierf ben ik beginnen opruimen. Het stond hier van vloer tot zoldering vol rommel. Het is bekend dat mensen die iemand dreigen te verliezen op zoek gaan naar controle. Ik heb die gezocht en gevonden in mijn werk. Marianne heeft tot haar laatste snik in ontkenning geleefd. Als partner ga je daar voor een stuk in mee. Op haar voorlaatste dag heeft ze nog letterlijk tegen mij gezegd: ‘Zeg, ik ga nog niet sterven, hè.’ Ze was toen al helemaal weg van de pijn.

“Drie jaar is ze ziek geweest. Ze had een weinig voorkomende, agressieve vorm van kanker. Ze heeft een jaar langer geleefd dan de meest optimistische voorspellingen. Als je niet wilt doodgaan, leef je langer. Marianne wilde 100 jaar worden. Ze is net geen 47 geworden.”

Het artistiek monument dat hij voor haar heeft opgetrokken – een serie werken in blauw, zwart en wit – dateert al van voor ze ziek werd. Het blauw kreeg haar naam: Marianne RydBerg Blue (MRB). “Dat is natuurlijk een verwijzing naar Yves Klein met zijn International Klein Blue (IKB). Voor mij is blauw de kleur van de hoop, van de kansen en de mogelijkheden. En van de schoonheid. MRB symboliseert pure schoonheid voor mij. Wat Marianne ook was. Uiterlijk, dat kon iedereen zien, maar ook vanbinnen. Wie haar heeft gekend, voelt zich gezegend. Nu is die MRB-serie haar legacy binnen mijn werk geworden. Des te beter. Marianne verdient niets minder dan eeuwigdurend eerbetoon. Sommige mensen denken dat ik een koele, geometrische kikker ben, maar ik garandeer je: mijn werk is pure emotie, van voren naar achteren.”

Sergio De Beukelaer was 10 toen hij voor het eerst in aanraking kwam met kunst. Het gebeurde ten huize van de familie Barman. “In het vijfde en zesde leerjaar zaten Tom Barman en ik op dezelfde lagere school in Antwerpen, bij de jezuïeten. Wij waren schoolkameraadjes die bij elkaar gingen spelen en bleven overnachten. Stoere gastjes, met een vroegrijpe interesse in al wat nieuw was, wat eruit popte, wat graaf, sexy en rock-’n-roll was. In de muziek, in de film en later ook in de kunst. We daagden elkaar uit en vuurden elkaar aan. Daarin zijn we met het volwassen worden alleen maar erger geworden, vrees ik.

Zelfportret (ego).  Beeld Sergio De Beukelaer
Zelfportret (ego).Beeld Sergio De Beukelaer

“Billy Barman, de papa van Tom, was een kunstliefhebber met een eigen collectie. Heel goed en smaakvol allemaal; ik keek mijn ogen uit. Billy wakkerde mijn kinderlijke belangstelling aan. Vader Barman was de eerste wereldburger die op mijn pad kwam. Een slimme papa, die veel bereikt had in zijn leven, en die mij aandacht en complimenten gaf: ik krijg nog altijd een warm gevoel als ik terugdenk aan die tijd.”

Zijn ontdekking van de abstracte kunst was een coup de foudre met het werk van Donald Judd. “We schrijven eind jaren 80, ik was zeventien of achttien jaar, ik zat nog op de kunsthumaniora. Een leraar kwam met het eerste boek van Judd naar de klas en zei: ‘Sergio, dit is iets voor jou, je mag het houden tot volgende week.’ De werken waarbij de schellen me van de ogen vielen, waren zijn aan elkaar geschroefde metalen bakken uit de jaren 60. Die kubussen, die vlakken: dat was kunst, ofwa? Oké, dacht ik, dan ben ik vanaf nu een kunstenaar. Die reflex had ik onmiddellijk.

“Ik heb abstracte kunst vanaf het begin niet aangevoeld als zijnde abstract. Integendeel, voor mij waren die bakken van Judd juist heel concreet. En tegelijk hadden ze een onverklaarbare magie. Het werk van Judd was voor mij verbonden met God. Het woord geloof: daar draait alles om in de kunst. Geloof je dat dit kunst is? Ja, dat geloof ik. Kunst is magie. Maar wat je allemaal moet kunnen om die magie erin te krijgen!”

Over zijn opleiding aan de Antwerpse modeacademie wil hij niet te lang uitweiden. “Na de kunsthumaniora heb ik me ingeschreven aan de modeacademie, omdat ik beter wilde leren tekenen. Veel modeontwerpers zijn goeie tekenaars. Maar van mijn silhouetten waren ze aan de academie niet zo onder de indruk. (lacht) Ze hebben mij buitengesjot. Daarna ben ik schilderkunst gaan volgen, en daar hebben ze mij ook buitengesjot. Twee keer in het derde jaar. Telkens als er over mijn werk moest worden geoordeeld, was de ene helft van het docentenkorps voor mij, en de andere helft virulent tegen. Ik kreeg hoge punten van de ene groep, en bijzonder lage van de andere. Achteraf gezien was dat een goed teken, maar op het moment zelf was het behoorlijk zwaar om dragen. Ik ben duidelijk een fiftyfiftyman. Mensen zijn ‘mee’ met mijn werk, of ze zijn helemaal niet mee. Dus ik moet er altijd voor zorgen dat mijn focus op mijn geluk ligt. Dat heb ik met vallen en opstaan geleerd. Nu ook weer: Marianne dood, papa dood, maar ik heb meer inspiratie, meer energie en betere ideeën dan ooit.”

Het echte begin van zijn kunstenaarschap situeert De Beukelaer bij de uitvinding van het fat canvas. (met plots glazige blik) “1996. Ik was 25 jaar. Het gebeurde in mijn slaapkamer, in het ouderlijk huis in Deurne. Romantisch. Heerlijk. (denkt na) Om uit te leggen hoe ik tot het fat canvas ben gekomen, moet ik even een kunsthistorische omweg maken. Mijn persoonlijke heilige drievuldigheid van de kunst, dat zijn Donald Judd, Ellsworth Kelly en Andy Warhol. De grafiek van Warhol, het verfgevoel van Kelly en de vormen en concepten van Judd. Het fat canvas is een kind van die drie stiefouders. Warhol is Warhol. Van hem raken we nooit meer af. Hij was diep en ondiep tezelfdertijd. Zeker in het begin had hij een naïeve, haast kinderlijke kijk op kunst. Of dat pose was of niet, dat doet er niet meer toe.

(stilte) “En nu ga ik iets zeggen dat tegelijk bescheiden én zeer onbescheiden is: ik ben ook zo! Daardoor ben ik bij het fat canvas uitgekomen. Ik dacht, naïefweg: hoe komt het dat men in de popart alles opblies: formaten, figuren, verpakkingen, details, pixels, tekstballonnen, woorden – álles, behalve het vlak zelf waarop men schilderde, het canvas. Het blow-upidee uit de popart ligt aan de oorsprong van het fat canvas. Op een dag was ik zo vermetel om te denken: wat als ik nu eens gewoon dat hele canvas opblaas? (lacht) Ik ben nooit vies geweest van enige popularisering. Ik heb wat ik doe wel eens ’publicitaire abstractie’ genoemd.”

Blauw vlak. Beeld Sergio De Beukelaer
Blauw vlak.Beeld Sergio De Beukelaer

Zijn eerste werk op fat canvas heette Zelfportret (ego), een groot rood vlak met daarop, in Lego-letters: ‘Sergio, Lego, Ego, Go, Oh!’ En in dezelfde periode maakte hij Blauw vlak (1999): een kopie op fat canvas van het verkeersbord met de aanduiding ‘Deurne 1500 m’. Ook een soort zelfportret. “Toen ik die werken af had, voelde ik: de speeltijd is voorbij, hier begint mijn universum. Je leest vaak in interviews met artiesten dat ze gênant arrogant waren in het begin van hun carrière. Ik was ook zo. Maar dat heb je zo hard nodig! Anders gebeurt er niks.”

Begin jaren 2000 is hij een tijd assistent geweest van Luc Tuymans, een kunstenaar uit een ander idioom en van een andere generatie. “Ik heb veel van Luc Tuymans geleerd. Hoe je een werk groter kunt laten lijken dan het is. Hoe je de aandacht kunt richten naar een werk, door het juist in de ruimte te plaatsen. Het belang van een juiste schaling en een juiste titel ook. Dat lijken details, maar ze zijn ongelooflijk belangrijk.

“Tuymans is bovendien kunsthistoricus. Hij heeft mij een aantal geschiedenislessen gegeven die mij gevormd hebben, die ik niet meer kan vergeten. Ik hing ook aan zijn lippen wanneer hij de inside story’s uit de internationale kunstwereld opdiste. Anekdotes, roddels, grappige verhalen of pijnlijke. Banaliteiten kunnen ook een zekere diepte hebben. Ze kunnen veel zeggen over een kunstenaar. En ze maken de kunstwereld tezelfdertijd interessanter en lichter.

“Maar ik bewonder Luc Tuymans het meest omdat hij niet bang is. Veel kunstenaars zijn bang: om de verkeerde dingen te zeggen, om iets anders te doen dan wat ze al deden, om niet au sérieux genomen te worden. Hij niet, nooit.”

Zelf laveert De Beukelaer al twintig jaar tussen het sérieux van het minimalisme en de lichtheid van de popart. “Je zou ook kunnen zeggen dat ik het sérieux uit het minimalisme wil halen, en het ondraaglijke uit de lichtheid. (lacht) Ik wil hier een pleidooi houden voor oppervlakkigheid. Welke artiest die zich verschanst in een ivoren toren, is vandaag nog interessant? Dat is voorbij, het spijt me wel. De wereld is veranderd. Reclame, mode, internet, Instagram, TikTok en allerlei andere fenomenen die voor plat en vluchtig worden versleten, zijn vandaag dominant.

“Ik streef ernaar dat mijn werk wordt gezien als iets neutraals. Ja, als een verzameling clichés! Volgens mij is dat de hoogste ambitie die je als kunstenaar kunt hebben. Warhol, Judd en al mijn andere grote voorbeelden: allemaal hebben ze beelden gecreëerd die nu helemaal geneutraliseerd zijn, verworden tot een cliché, en die muurvast zitten: in de geschiedenis, in ons geheugen, in onze beeldenbank.

“De Mona Lisa is het allerbeste voorbeeld. Voor hetzelfde geld heeft Leonardo da Vinci daar vijftien versies van geschilderd, en veertien ervan weer weggegooid, omdat hij besloten had dat déze glimlach de juiste was, de mooiste, de graafste van allemaal. De rest is geschiedenis. Wie durft nu nog te beweren dat de Mona Lisa slecht is? Dat mag je zeggen, hè, geen probleem, maar het is compleet zinloos. Want dat schilderij is neutraal geworden, een voldongen feit, iets dat er gewoon is en nooit meer weggaat.

‘De vader van Tom Barman was de eerste wereldburger die op mijn pad kwam.’ Beeld Illias Teirlinck
‘De vader van Tom Barman was de eerste wereldburger die op mijn pad kwam.’Beeld Illias Teirlinck

“Op dezelfde manier denk ik over mijn kleuren. Geloof me, die kleuren mengen is een hels karwei. Het minste toonverschil, dat ene laagje te veel, kan een werk naar de knoppen helpen. Maar toch wil ik de indruk wekken dat het simpel is. Sterker nog: ik wil dat je als toeschouwer gelooft dat de verf recht uit de tube komt, dat ik er niks mee gedaan heb. Sommige kunstenaars werken met readymades, met gevonden beelden en objecten. Ik heb een voorliefde voor de gevonden kleur. Ik blijf mengen tot ik dat stadium bereik; tot jij denkt dat die kleur allang bestond. Maar daarvoor moet ik alles uit de kast halen. En veel verf wegkieperen.”

Sergio De Beukelaer is overduidelijk een kind van de jaren 80. (glundert) “Op en top. De eighties waren het decennium van de onuitputtelijke mogelijkheden. Te mooi om waar te zijn. Wij, de generatie die toen opgroeide, zijn de kinderen van de totale bevrijding. De generatie die geen katholiek juk meer heeft gekend, die door niets of niemand werd belemmerd. Wij mochten álles: uitgaan, drinken, drugs gebruiken, het kon niet op. En ik deed dat ook allemaal met enige overgave. Al heb ik me tijdens het roken van mijn eerste joint meteen de bedenking gemaakt: ‘Sergio, op een dag zal dit gedaan zijn.’ Dat was een afspraak die ik met mezelf maakte. En het is ook vanzelf overgegaan. Als mijn jeugdvrienden tien jaar later een joint opstaken, dacht ik bij mezelf: ‘Hoe, smoren jullie nu nog?’”

Maar nostalgie vindt hij dubieus. “In de muziek vond ik álles goed in de jaren 80: de postpunk, de elektro, de New Romantics.

“Van Joy Division en New Order tot Duran Duran en ABC. De kleren die ze droegen, de clips die ze maakten: ik word daar nog altijd goedgezind van.

“En waarom was die muziek zo goed? Ik heb daar een theorie over: omdat de synthesizers en de computers die men gebruikte nog niet op punt stonden. Daardoor klinkt alles zo hoekig en krakkemikkig, alsof de muzikanten nog niet goed konden spelen. Men probeerde platte popmuziek te maken, maar het lukte niet, men kreeg het niet glad. (lacht) In het decennium daarna, de vreselijke nineties, kon dat allemaal wél omdat de computers toen al veel geavanceerder waren. Daarom heeft men in die jaren zo veel popmuziek gemaakt die niet om aan te horen is.

“En nu zal ik een brugje maken naar de kunst: hetzelfde geldt voor Warhol. Warhol was eigenlijk een heel ambachtelijke schilder, terwijl hij zich profileerde als nieuw, fris, helder, visionair, toekomstgericht, repetitief, commercieel, noem maar op. Het feit dat zijn werk een hybride was van wat hij was, een ambachtelijke schilder, en wat hij beweerde te zijn, een kunstmachine, maakte hem zo fenomenaal goed.

“Dus ja, ik kan heel nostalgisch worden over de jaren 80, máár: dat mag maximaal elf minuten duren. Ik leef te veel in het nu om oeverloos nostalgisch te kunnen zijn. Ik wil een kunstenaar van de 21ste eeuw zijn. Een goede vriendin van mij, van uitheemse origine, heeft eens gezegd dat ze mijn werk ziet als een feestelijke emanatie van de westerse, Europese vrijheid. Dat vond ik grappig. Maar het klopt als een bus. Vrijheid, ik zit er vol van. Vrijheid is de enige echte humuslaag van de kunst.”

white.border, 2019. Beeld Sergio De Beukelaer
white.border, 2019.Beeld Sergio De Beukelaer

De expo in Mechelen werkt als een heilzaam kleurenbad in donkere tijden. Ze bestaat voor het overgrote deel uit nieuwe werken, opgedeeld in drie reeksen: 1.the.bronze.series, 2.the.silver.series en 3.the.gold.rush. De dominante kleuren zijn roze, blauw en geel, en die spatten in de lumineuze ruimtes van het cc Mechelen letterlijk van de muren. In elke zaal lijkt een fijne nevel van kleurpartikels te hangen.

Een cruciaal werk uit 2.the.silver.series is getiteld Silver.Sea. Ook dat is een liefdesverklaring aan Marianne Rydberg. “Al jaren liep ik rond met het idee voor een monochroom schilderij in zilverkleur. Enkele jaren geleden waren Marianne en ik aan het wandelen in Finland, het land van haar moeder. Rond de middag kwamen we uit bij zee. Het harde licht van de zon viel schuin op het water, het wateroppervlak was een en al oogverblindende glinstering. ‘Hier heb je je Silver Sea’, zei Marianne, op een licht ironische, haast cynische toon. Ik zei: ‘Marianne, dat is geniaal!’ Daarmee had ik mijn schilderij in monochroom zilver. Gewoon het idee was niet genoeg, begrijp je? Het was pas toen Marianne de term ‘silver sea’ liet vallen, dat ik dacht: nu zijn we er helemaal.

“Ik ken zeker twintig kunstenaars die veel beter kunnen schilderen dan ik, maar die geen Silver Sea zullen schilderen. Die daar niet opkomen. Of die niet kunnen wachten tot ze erop komen. En daarom zal mijn Silver Sea beter zijn, meer geladen zijn, meer urgentie hebben dan een gelijknamig werk van hen. (lacht) En het mijne zal ook groter zijn, want Silver Sea is het schilderij waarmee ik mijn liefde voor Marianne uitdruk. Dat krijg ik niet gezegd in een klein formaatje.”

Het werk van Sergio De Beukelaer wordt met de dag ruimtelijker en imposanter, maar de tentoonstelling in Mechelen overrompelt vooral als totaalspektakel. In de scenografie is ook op de kleine details gelet. De ruimte waar de vuistdikke catalogus wordt aangeboden, is een environment ontworpen door de kunstenaar. De catalogus is getiteld (cat.). En de titel van de expo is een grafische abstractie -..., onuitspreekbaar maar puntgaaf. Het enige wat ontbreekt is een extra zaal met De Beukelaers greatest hits van de voorbije twintig jaar – de kans die de Vlaamse musea voor hedendaagse kunst, en met name het Antwerpse, maar blijven missen.

“De vormentaal die ik gebruik is eenvoudig”, zegt De Beukelaer. “Maar zoals mijn eminente collega Sol LeWitt eens heeft gezegd: ‘A simple form doesn’t give necessarily a simple experience.’ Het is elke keer opnieuw wroeten, schuren en schaven om een werk zo zuiver mogelijk te krijgen en toch een maximaal effect te bereiken. Om eerst de ideale sculptuur te maken voor het beeld dat ik voor ogen heb – perfect op schaal, technisch volmaakt en als het even kan ook nog een beetje elegant – en dan met verf en kleur de gloed erin te brengen, de magie. Soms stel ik me de vraag: ‘Is dat nu eigenlijk moeilijk, wat ik doe?’ Doorgaans luidt het antwoord dat ik aan mezelf geef: ‘Het is in elk geval niet gemakkelijk.’ Maar ik zal er mij nooit gauw gauw van afmaken. Dat vind ik, euh, deontologisch niet verantwoord.

“Weet je waar ik goed in ben?”, zegt hij bij het buitengaan. “In mijn genre. En wie heeft dat genre uitgevonden? Ik. Dat is wat een kunstenaar moet doen: een genre ontwikkelen, en daarbinnen de pan uit swingen.”

De expo -... van Sergio De Beukelaer, tot 21 maart 2021 in De Garage/Museum Hof van Busleyden, Mechelen. De expo vindt plaats in het Cultuurcentrum Mechelen.

De monografie (cat.) van SergioDe Beukelaer verscheen bij Stockmans. stockmansartbooks.be

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234