Zondag 16/06/2019

interview

Kristien Hemmerechts: “Vlaamse SS’ers waren wreder dan hun Duitse collega’s”

In Het verdriet van Vlaanderen gaat schrijfster Kristien Hemmerechts met de tweeling Toon en Hein Van den Brempt op zoek naar de details achter het oorlogsverleden van hun moeder Lies en hun vader Henri. “De Vlaamse zaak speelde geen rol. Het ging hen om Hitler.”

Kristien Hemmerechts en de tweeling Hein en Toon Van den Brempt. Beeld Stefaan Temmerman

Ze hebben soms iets van een stel kibbelende en lachende jongeren, of van vrienden die elkaar al lang kennen, die beseffen dat ze niet altijd dezelfde mening aanhangen, maar elkaar daarom niet minder respecteren. “Op een bepaald moment moest iedereen toch geweten hebben wat er in de concentratiekampen gebeurde”, zegt de een dan. “Er waren toch al een aantal gevangenen bevrijd?” “Hoe zouden ze dat geweten moeten hebben?” reageert de ander daar verontwaardigd op. “Belden ze naar daar misschien? De Duitsers wisten heel goed dat ze de moraal van de mensen op peil moesten houden en dat kon alleen door hen af te schermen van negatief nieuws. Die gingen dus geen bericht de wereld insturen dat dit of dat kamp gevallen was.” “Ach, whatever”, lacht de eerste, “daar raken we dus nooit uit.”

Die eerste is schrijfster Kristien Hemmerechts, de tweede Toon Van den Brempt, samen met zijn tweelingbroer Hein stilaan de bekendste kinderen van de collaboratie. In de eind 2017 uitgezonden tv-reeks Kinderen van de collaboratie deden ze voor het eerst het verhaal van hun collaborerende ouders. Dat dit verhaal uitgebreider was dan het format van de reeks toeliet, was voor veel kijkers duidelijk.

Ook voor Kristien Hemmerechts, die Toon tegen het lijf liep in een concertzaal en meteen meer wilde horen over zijn familiegeschiedenis. Misschien moet ik er mijn broer Hein bij halen en kunnen we eens afspreken, stelde Toon voor. Er volgden ontmoetingen, plannen, lange gesprekken, zoektochten in archieven, uitstappen naar Duitsland en Israël en uiteindelijk een boek, Het verdriet van Vlaanderen, waarin Hemmerechts beschrijft hoe ze met hun drieën op zoek gingen naar het soms pijnlijke oorlogsverleden van Henri en Lies Van den Brempt – of Van den Broecke, zoals ze in het boek heten.

“Er zijn wel vaker mensen die vinden dat ik hun levensverhaal zou moeten neerschrijven”, gaat Hemmerechts in op mijn vraag waarom Het verdriet van Vlaanderen er is gekomen. “Bijna altijd weiger ik dat, omdat slechts weinigen het vermogen hebben om afstand te nemen van hun eigen verhaal. Sommigen zitten zo vast in zelfmedelijden dat ze eerder een therapeut nodig hebben dan een schrijver. En ze moeten ook bereid zijn tot ‘een eerlijkheid’. Mensen hangen vaak maar een half verhaal op, waarbij je voelt dat ze willen afrekenen met iemand. Bij Hein en Toon had ik dat gevoel nooit. Maar het blijft natuurlijk altijd een gok, zo’n boekenproject. Het is zoals met ­iemand naar bed gaan, dat kan meevallen en dat kan tegenvallen, dat weet je op voorhand niet.”

Lees ook: ‘Hoe meer jaren in de cel, hoe hoger de uitkering’: 27 Belgische nazi’s krijgen nog altijd Hitler-pensioen

Wanneer ik vraag of ze soms geen spijt had dat ze eraan begonnen was, zegt ze eerlijk, zoals we Hemmerechts kennen: “Toegegeven, het was niet altijd rozengeur en mane­schijn. We zijn alle drie koppige mensen met een heel uitgesproken visie. Maar botsen is prima als het iets interessants oplevert. Je begint met elkaar te vertrouwen, maar hoe verder je raakt, hoe meer je gaat beseffen dat je elkaar ook graag moet zien om zo’n project tot een goed einde te brengen. Ik zeg soms misschien te snel wat op mijn tong ligt, maar ik heb ook geen verborgen agenda.”

“En soms is dat op het gênante af”, reageert Hein daarop. “Weet je hoe ze me in haar boek beschrijft? Als ‘de meest zachtaardige man die ik ooit ontmoette’.” “Dat is waar”, gaat Kristien lachend op zijn steekje in, “maar dat zou ik nu zo niet meer schrijven.”

Het verdriet van Vlaanderen is het verhaal van de families Van den Broecke en Verschueren (een pseudoniem). Henri Van den Broecke was een ambitieuze jongeman die het niet getroffen had met zijn afkomst. Geld om te studeren was er niet. Hij zou altijd een stumper blijven die her en der wat meescharrelde en daarom de bijnaam ‘de lakkere’ meekreeg, de sjoemelaar, wat tijdens familiefeesten waarbij steevast koekjes van Delacre op tafel kwamen tot veel gegniffel leidde. Zodra België bezet was door de nazi’s, sloot hij zich aan bij de SS en trok hij als Oostfronter naar Rusland.

Liesbeth Verschueren had een heel andere achtergrond. Haar ouders waren bourgeois diamantairs die iets hadden met schilderkunst en muziek, maar die in de jaren 30 failliet waren gegaan, ‘door de joden’, zoals ze daar steeds aan toevoegden. Liesbeth ging aan de slag als secretaresse van Richard Jungclaus, een van de belangrijkste SS’ers van België. Op 27 januari 1945 trouwden Liesbeth en Henri, in Duitsland, en op 1 juli werden Hein en Toon geboren. De inmiddels voorbije oorlog zou een schaduw werpen over de kindertijd en jeugd van de tweeling. Nog voor ze achttien maanden waren, zaten hun beide ouders immers achter de tralies wegens collaboratie. Moeder zou al na iets meer dan een half jaar vrijkomen, maar vader pas in 1954, waarna ze volgens de twee zussen van Hein en Toon begonnen aan hun ‘afsc – huwelijk’, waarbij het onderscheid tussen haat en liefde vaak onduidelijk was.

Henri Van den Brempt, de vader van Hein en Toon, op een politiefoto uit 1947. Voor zeno 16/02 Beeld Archief

Het verdriet van Vlaanderen gaat echter niet alleen over hen, maar ook over hun ooms aan moederskant, zoals nonkel Marc, die op zijn zestiende aan het hoofd stond van een Pools kamp; nonkel Leo, een leider van de Vlaamse Hitlerjugend; en de ergste van allemaal, nonkel Twan, onder meer verantwoordelijk voor het drama van Meensel-Kiezegem. Nadat in dat Hagelandse dorp een lid van de zwarte brigade vermoord was, gaf nonkel Twan het bevel een vergeldings­razzia uit te voeren waarbij zowat alle mannen werden gearresteerd en het grootste deel van hen afgevoerd werd naar het concentratiekamp van Neuengamme, waar 76 van hen omkwamen.

“Ja”, zeggen Toon en Hein bijna gelijktijdig, “de Verschuerens waren leidersfiguren.” Van enige trots of bewondering in hun stem is geen sprake.

Jullie situatie is uniek, precies omdat jullie een tweeling zijn. Denk je dat dit jullie gesterkt heeft?

Toon: “Vroeger zeiden wij, in navolging van Nietzsche, dat wat ons niet kapot­maakt ons sterkt, en we meenden dat. Wat een geluk dat we elkaar hebben, dat zeiden we toen nooit tegen elkaar. Nu weten we dat we zonder elkaar nooit zo goed uit dit verhaal gekomen waren. Alle zware omstandigheden ketsten af op onze twee-eenheid.”

Kristien: “Hetzelfde geldt trouwens voor de Verschuerens. Wanneer je hun brieven leest, merk je dat ze elkaar altijd steunden en jobs bezorgden. Ik denk dat die familie­solidariteit deels ook verantwoordelijk was voor hun keuze voor Duitsland.

“De Verschuerens waren in de jaren voor de oorlog failliet gegaan. Het gezin was alles kwijt en zag in die nieuwe orde een broodwinning. Vader kon gaan werken in Duitsland, moeder had opeens een goeie job en ze kregen ook nog eens een deel van de soldij van hun zonen die voor Duitsland gingen vechten.”

Toon: “Voor we aan het boek begonnen, hebben wij dit aspect van het verleden nooit onderkend. Van thuis uit kregen wij altijd te horen dat er twee types collaborateurs waren geweest, economische en ideologische. Zij waren idealisten die neerkeken op mensen die voor het geld met de Duitsers meeheulden. Maar als je dan naar de feiten kijkt, zie je dat ze zelf ook een aardige som verdienden aan de collaboratie.”

Kristien: “Wanneer ik over het boek vertel, krijg ik steeds dezelfde reacties: ah ja, die collaborateurs waren idealisten die voor de Vlaamse zaak opkwamen en ingingen op de oproep van de pastoors om tegen het communisme te gaan vechten. Ik benadruk dan altijd dat daar in deze dossiers, en dat zijn er van de hele familie samen toch wel heel wat, geen sprake van is. De Vlaamse zaak speelde geen rol, net zomin als het idealisme of de pastoors. Dat ging daarentegen over Hitler, het fascisme, de hervorming van de maatschappij en de aantrekkingskracht van de uniformen.”

Wat was voor jullie vader de belangrijkste reden om te collaboreren en Oostfronter te worden?

Hein: “Eén enkele reden zal er niet geweest zijn, maar hij zag in de nieuwe orde een mogelijkheid tot zelfontplooiing. Hij wist dat hij uit een arm­zalig nest kwam en besefte, een beetje zoals de Syrië-strijders van vandaag denk ik, dat hij via die club iemand kon worden. En hij was er natuurlijk ook duizend procent van overtuigd dat die club ging winnen. Het is dan ook te begrijpen dat dergelijke mensen na de oorlog neerkeken op de verzetsmannen van het laatste uur, die toen duidelijk was wie de oorlog ging winnen, zich nog snel bij het verzet aansloten.”

Kristien: “En er was het gevoel dat België geleid werd door een stel labbekakken dat er niets van bakte. In Duitsland wisten ze tenminste van aanpakken. Je merkt dat ook in de brieven van nonkel Marc, die de ‘Polakken’ verwijt zo’n mooi land te hebben en er niets mee te doen. Dan wisten de Duitsers wel beter.

Vader Henri als jonge SS’er. Beeld rv

“Maar we mogen vooral niet vergeten dat het toen niet zo zwart-wit was als wij het nu veelal zien, ook in de kampen niet. Zo hoorde ik het verhaal van een man die uit Mauthausen vluchtte en bij Tsjechische partizanen terechtkwam. Hij moest daar verbergen dat hij Joods was omdat die Tsjechen hevig antisemitisch waren. De meeste mensen trokken trouwens gewoon hun kop in en probeerden te overleven. Mijn grootvader werkte bij de spoorwegen. Ik denk niet dat hij een transport met Joden heeft tegengehouden, als hij dat al gekund had. Hij heeft geen enkele heldendaad verricht, maar hij heeft ook niemand verraden. Hij heeft gezorgd dat er eten was voor zijn kinderen, en wellicht zou ik net hetzelfde doen.”

De Verschuerens behoorden niet tot de lagere klasse. Zij musiceerden en schilderden. Het waren gecultiveerde mensen. Is het niet raar dat precies zij vielen voor het nazisme? Zij hadden toch beter moeten weten?

Hein: “Dat is toch een algemeen gegeven bij collaborateurs? Net na de oorlog zaten in de hechteniskampen van Lokeren tussen 15.000 en 22.000 mensen vast, veelal collaborateurs. In de volksmond noemde men die kampen ‘de universiteit’, omdat er zoveel dokters en notarissen bij waren.”

Toon: “Dat doet me ook denken aan wat historicus Koen Aerts me vertelde, de auteur van het boek Kinderen van de repressie, en een van de mensen achter de tv-reeks. Hij zou graag door middel van kunst mensen uit de collaboratie en uit verzetskringen bij elkaar krijgen. Dat verloopt moeilijk omdat hij in verzetskringen praktisch niemand vindt die zich met kunst inliet. Voor Kristien was het soms ook moeilijk te moeten vaststellen dat de grootste nazimisdadigers dweep­ten met de muziek van Schubert en Chopin.”

Kristien: “Wat mij vooral verraste, is dat de Vlaamse SS’ers erger waren dan de Duitse. In Breendonk was dat het geval, maar dat blijkt keer op keer ook uit de brieven die we vonden, van bompa Verschueren en nonkel Twan bijvoorbeeld, die de Duitsers verweten veel te laks te zijn en niets te doen tegen het verzet. We weten ook wie verantwoordelijk was voor de deportaties uit Meensel-Kiezegem, geen Duitse, maar Vlaamse SS’ers. Die Vlaamse SS’ers waren veel wreder dan hun Duitse collega’s en ze gingen ook stukken grondiger te werk. Dat zou Vlaanderen eens onder ogen moeten zien.”

Is dat niet te verklaren doordat hier alleen de meest ideologisch gedreven mensen toetraden tot de SS, terwijl dat in Duitsland misschien minder het geval was?

Kristien: “Waarschijnlijk. De mensen die hier SS’er werden, hadden al op voorhand die brutaliteit in zich. Ik vind het bijvoorbeeld tekenend dat Twan na de oorlog zei dat als Ludwig von Falkenhausen – de officier die aan het hoofd stond van de Belgische SS en later zou meewerken aan de aanslag op Hitler – geweten had dat hij verantwoordelijk was voor de razzia in Vorst, hij hem ongetwijfeld voor de krijgsraad had gesleept. Hij wist dus perfect dat er ook in oorlogstijd regels waren en dat hij die overschreden had. Je kunt alleen maar besluiten dat de schofterige mensen toen aan de macht waren.

“Wat mij beangstigt, is dat dit zomaar kon gebeuren, en dat dit vandaag opnieuw zou kunnen gebeuren. Ook vandaag hoor je weer bijzonder brutale stemmen die openlijk beweren dat ze het recht hebben op vrije menings­uiting. Dat we respect moeten hebben voor anderen en dat iedereen gelijke rechten heeft, kan vandaag weer zonder enig probleem in vraag worden gesteld.”

Toon, is dat de reden waarom je na de Pano-uitzending over Schild & Vrienden een lezersbrief schreef naar De Morgen?

Toon: “We waren die dag naar Yad Vashem geweest, de officiële herdenkings­instelling voor de Joodse slachtoffers van de Holocaust in Jeruzalem. Nog behoorlijk onder de indruk van wat we daar gezien hadden, checkte ik ’s avonds nog even mijn e-mail. Een vriendin mailde me dat ze net naar Canvas had gekeken en niet goed was van wat ze had gezien. De ochtend nadien heb ik de uitzending bekeken. De sfeer van Yad Vashem zat nog in mij. Toen ik Dries Van Langenhove en zijn kompanen bezig zag, kon ik niet anders dan die brief schrijven, uit pure verontwaardiging: waar zijn jullie in feite mee bezig?”

Hoe reageerde de familie na de uitzending van Kinderen van de collaboratie?

Toon: “Een aantal Verschuerens willen het verleden niet onder ogen zien, en daar zijn ze volgens ons fout in. Zij verwijten ons dat wij een gesloten boek weer opendoen. We hadden gehoopt dat we dit onze kinderen konden besparen, zeggen ze. Als ik ooit weer on speaking terms kom met hen, zal ik hen zeggen dat dit wel het slechtste is wat je kunt doen, want uiteindelijk komt zoiets toch uit en dan gaan die kinderen jou vragen waarom je het niet verteld hebt.”

Hein: “Voor mij wijst dat erop dat zij het verleden veel minder verwerkt hebben dan wij. Zij zitten nog steeds klem.”

Wanneer je onderzoek doet over de collaboratie, stoot je nog altijd op heel veel taboes, stiltes en verdringingen?

Kristien: “Ik heb het al genoeg gezien, iedere familie heeft de neiging op zo’n moment de gelederen te sluiten. Het is een beschermende reflex die ik ergens ook wel mooi vind. Ik heb in het verleden wel eens gesproken over mijn zus die psychisch ziek is. Mijn broer neemt me dat gigantisch kwalijk. Dat doe je niet, zegt hij dan. Het heeft iets heel menselijks. Ik heb ooit een boek geschreven over Ann, een meisje met anorexia. Na de publicatie was de moeder heel boos op me en heeft Ann haar kant gekozen, waardoor ik niet naar haar begrafenis mocht gaan.”

Toon: “We hebben dat ook zelf meegemaakt. We bezochten onze neef, de oudste zoon van nonkel Twan, in Zuid-Duitsland. Hij is een half jaar ouder dan wij, een schattige kerel, cultureel begaafd, regisseur geweest, wij keken altijd naar hem op. Hij had weinig tot niets te maken met het gedachtegoed van zijn vader omdat hij door zijn moeder werd opgevoed, een actrice. 

“Wij gaan dus op bezoek bij hem, in een home. Door het levenslange roken is hij op de sukkel geraakt en is zelfs bijna een been kwijtgespeeld. Hij biedt ons met moeite een stoel aan en legt het doosje pralines dat we van zijn tante hadden meegekregen zonder kijken opzij. Wanneer Kristien hem vraagt hoe zijn vader was, zegt hij: ‘
Ganz normal.’ Waarna hij uitlegt dat zijn vader niet bij de SS was, maar wel bij de Waffen-SS, wat natuurlijk iets heel anders was.

De tweeling Hein en Toon Van den Brempt rond 1950. Beeld RV

“Als hij bijna moet gaan eten, wijs ik op het bakje bier dat onder zijn stoel staat en zeg ik: ‘We gaan er toch een drinken voor we afscheid nemen?’

‘Ja maar, zegt hij, dat zijn mijn flesjes, daar moet ik de hele week nog mee toekomen.’ Uiteindelijk heeft hij twee flesjes opengedaan, maar het was heel erg tegen zijn zin. Die man was nog een schaduw van zichzelf, een stuk verdriet. Hij verdrong alles en herinnerde zich alleen wat hem goed uitkwam.”

Kristien: “Ik denk dat dit typerend is voor de houding van heel Vlaanderen tegenover de collaboratie. En niet alleen tegenover de collaboratie, trouwens. Toen ik ging scheiden, was dat een schande voor de familie, terwijl dat toch alleen maar over mij ging? Maar nee, zo zagen mensen dat niet, als je dochter ging scheiden, dan was jij wellicht ook een losbandig schepsel. En dat geldt ook voor positieve situaties. Als je kind iets goeds doet, is dat de verdienste van dat kind en dan moet jij de pluim niet op je hoed steken. De Verschuerens zouden de wereld ook eens op die manier moeten gaan zien. Hen treft geen schuld voor wat hun ouders en grootouders hebben gedaan.”

Over jullie vader werd na de oorlog in de gevangenis een moreel dossier opgesteld. Hoe streng werd hij daarin beoordeeld?

Toon: “Helemaal niet streng. Hij heeft het gepresteerd de mensen die zijn dossier moesten opstellen te doen geloven dat hij als Oostfronter in Rusland alleen maar fiches heeft zitten invullen en nooit een wapen heeft gedragen.”

Kristien: “En dan was er die Franstalige psychiater die na een grondig onderzoek zei dat er ethisch helemaal niets mis was met hem. Over hun moeder werd gezegd dat het begrijpelijk was dat ze tegen de Joden was, want haar ouders waren door hen failliet gedraaid.”

Toon: “Ik ben ervan overtuigd dat onze nonkel Twan tijdens de ondervragingen door zijn auditeurs getraind geraakt is om zaken te zeggen die niet te veel straf opleverden. Op latere leeftijd is hij geïnterviewd op tv over zijn oorlogsverleden. Hij vertelde toen dat hij op een bepaald moment een SS-uniform zag en helemaal smolt. Ik had toen de neiging om dat te geloven, maar nu niet meer. Ik denk dat dat een latere invulling is van de feiten. Hij vertelde liever een verhaal over een uniform dan dat hij bekende dat zijn vader financieel omvergeblazen was door de Joden en hij uit was op wraak. Dat zou meer straf opgeleverd hebben.”

Kristien: “Het militair dossier van Twan is verdwenen, maar we weten dat hij voor een aantal razzia’s en deportaties verantwoordelijk was, voor die in Vorst, Meensel-Kiezegem, Boechout en wellicht nog een paar. Hij heeft eigenhandig mensen vermoord. Uiteindelijk is hij na zestien jaar op vrije voeten gesteld. Ik vind de welwillendheid van de mensen die de morele dossiers moesten opstellen, bijna onvoorstelbaar groot. Zet daar nu eens het lot van Salah Abdeslam tegenover, een van de terroristen die de aanslag pleegde in Parijs op 13 november 2015. Op het laatste moment bedacht hij zich en gooide hij zijn bomgordel in de vuilnisbak. Hij heeft dus geen slachtoffers gemaakt, maar hij moet er niet aan denken ooit nog uit de gevangenis te komen.

“Dat wij daar vandaag veel radicaler tegenover staan dan vroeger heeft wellicht te maken met de aantallen. Er waren immers zoveel collaborateurs. En nonkel Twan was ook iemand ‘van ons’ natuurlijk, terwijl Abdeslam dat niet is, al mag hij dan nog honderd keer in België geboren zijn. Ik zeg niet dat Twan langer gestraft had moeten worden, daar gaat het mij niet om. Wat ik hier wil aankaarten is dat men altijd zegt dat de repressie zo erg was, terwijl ik dat nergens gemerkt heb.”

Toon: “Ik weet niet of het altijd welwillendheid was. Wanneer je die dossiers leest, krijg je soms ook de indruk dat de ondervragers naïef en onderbemand waren.”

Kristien: “En er was ook weinig informatie voorhanden waarop de ondervragers konden voortgaan. Ze moesten het meestal stellen met de getuigenissen van de aangeklaagden zelf, en dan weet je het wel natuurlijk: ‘I know nothing. I’m from Barcelona.’ (lacht) Uiteindelijk had hun vader bij de SS gezeten, had hij valse identiteits­papieren gemaakt en was hij verdacht van de betrokkenheid bij de moord op een politieman. Alleen dat laatste is uiteindelijk onderzocht. Ik zeg niet dat hun vader niet genoeg gestraft is. Ik vind het alleen onjuist dat hij nooit zijn misdaden heeft moeten bekennen. Het zou zoveel genoegdoening geschonken hebben als hij bekend had wat hij gedaan had, dat hij wist dat dat fout was en dat hij zich daar rot voor schaamde. Maar dat eiste het ondervragingssysteem niet, dat zette alleen aan tot het vinden van excuses. ‘Ik had geen geld en trok daarom naar het Oostfront’, van die dooddoeners.”

“Ons vader is wel in zekere mate tot inkeer gekomen, maar zeggen dat hij zich schaamde voor wat hij had gedaan ging hem te ver.” Beeld Stefaan Temmerman

Hein: “Ons vader is wel in zekere mate tot inkeer gekomen, maar zeggen dat hij zich schaamde voor wat hij had gedaan ging hem te ver. In tegenstelling tot zijn zonen, want wij hebben met ons tweeën meer schaamtegevoel dan alle Verschuerens samen, denk ik.”

Toon: “Onze ouders waren ook heel bedreven in het ophangen van een mooi verhaal. Moeder was een grote comédienne en vader een ongelooflijk goeie verkoper. Drukkerijmachines, postkaarten, boekbindmachines, breimachines, verzekeringspolissen, je kunt het zo gek niet bedenken of hij heeft het wel verkocht, en iedere keer met succes. Op de eerste plaats verkocht hij echter zichzelf. Hij stak de auditeurs gewoon in zijn zak.”

Wanneer beseften jullie dat je vader fout was?

Hein: “Hij kwam in 1954 uit de gevangenis en begon meteen wetten te stellen. Telkens als hij voorbijkwam, voelde ik de drang om mijn voet uit te steken en hem beentje te lichten. Een beetje Oedipus wellicht, we waren toen negen. Er volgde een scheiding en toen we dertien waren, trouwden onze ouders opnieuw. We verhuisden daarna van Antwerpen naar Brussel, stapten van de lagere school over naar de middelbare en mochten thuis opeens ook geen Antwerps meer spreken, toch onze moedertaal.

“Ook toen heeft hij op een verschrikkelijke manier de wetten gesteld en dweepte hij nog tot in het absurde met Hitler. Dat botste enorm met ons. Het onderscheid tussen übermenschen en untermenschen zat ingebakken in onze vorming.

“In 1959 of 1960 kreeg ik via vader een boekje in handen over onze jongens in Duitsland, met foto’s van SS’ers en soldaten. Ik vond dat nogal een teleurstelling, omdat er van die übermenschen maar weinig te zien was. Ik zag alleen lelijke gasten met flaporen. Hier klopt iets niet, dacht ik toen.

“En dan was er ook nog die straat­scène in Schaarbeek, met ons vader die aan een stel Congolezen vroeg: ‘Messieurs, est-ce-qu’on peut vous aider?’ Ik dacht meteen: hoe kan dat nu? Die zegt ‘messieurs’ tegen die negers. Dat was nog zo’n eye­opener die ons stilletjes­aan wakker maakte.”

Waarom zijn jullie niet in de ideologische voetsporen van jullie vader getreden en een aantal van jullie neven en nichten Verschueren wel?

Toon: “Een van de redenen is de opstandigheid tegenover ons vader die er niet in slaagde zijn zonen aan zijn kant te krijgen. Onze afkeer voor hem sloeg over op alles waar hij voor stond. Bovendien waren wij natuurlijk niet echt opgevoed door hem, maar door ons moeder. Hij zat in de gevangenis tot we negen waren en dan is een opvoeding al voor een stuk klaar. Onze opleiding in het atheneum van Etterbeek zal er ook wel iets mee te maken hebben, en nadien die aan de VUB. En toen moest mei ’68 nog komen. De wind waaide opeens enorm de andere kant op. Ik kreeg toen een boek in handen gestopt van een zekere Marx. Die kende ik niet, want daar had ons vader nooit iets over gezegd. Maar anderzijds had hij ons ook nooit geïndoctrineerd. Dat gebeurde evenmin bij de Verschuerens trouwens. Het anti­semitisme en het neerkijken op zwarten wel, maar het werd nooit expliciet.”

Hein: “Het ging zelfs verder. We hebben al genoeg meegemaakt en aan politiek moet je niet beginnen. Laat dat idealisme maar aan anderen over. Dat was de sfeer die bij ons thuis heerste. Maar zo waren de Verschuerens niet. Zij waren er trots op dat ze uit hun burgerrechten waren gezet en dus niet mee mochten doen aan de verkiezingen. Dat mijn vader eerherstel vroeg, vonden ze beneden hun waardigheid.”

Kristien: “In de reeks Kinderen van de collaboratie viel me op dat het heel moeilijk is om er verklaringen voor te vinden waarom sommigen de ideologie van hun ouders aanhangen en anderen zich ertegen verzetten. Het zou mooi zijn als dit niet zo was en als we zouden weten wat we moeten doen om kinderen weg te lokken van het extremisme van hun ouders, maar dat kunnen we niet. Over Dries Van Langenhove zeiden sommigen dat de UGent hem niet had mogen wegsturen, maar hem cursussen had moeten laten volgen om zijn blik te verruimen. Daar geloof ik niet in. Die gast is 25 en heeft al heel veel opleidingen achter de rug. Die verander je niet met een cursus.”

Wanneer ik Hein en Toon vraag of ze hun ouders anders zijn gaan zien na wat ze allemaal over hen hebben ontdekt, blijft het lang stil. “Toch wel ja”, zegt Hein uiteindelijk schoorvoetend. “Er zijn confronterende zaken uitgekomen. Meer dan Toon heb ik altijd afstand gehouden van mijn vader, tot op zijn sterfbed. En nog ben ik teleurgesteld. Ook in mijn moeder trouwens. Wij hebben haar ooit wel gevraagd hoe het zat met de Joden die in Antwerpen op de trein werden gezet. Wij dachten dat zij naar betere oorden werden gebracht, zei ze dan altijd, naar een heropvoedingskamp of zo. Ik denk dat dat een van die verhalen is die ze nadien is gaan ophangen en na verloop van tijd nog zelf is gaan geloven ook, om zichzelf niet als slecht te moeten zien.”

“Dat is het verdriet van Vlaanderen”, voegt Toon er nog aan toe, “dat we nog lang niet klaar zijn met het oorlogsverleden. En toch moeten we de jongeren van vandaag vertellen wat er toen gebeurd is, zodat ze niet dezelfde fouten maken.”

Kristien Hemmerechts, Het verdriet van VlaanderenOp pad met Hein en Toon, tweeling van de collaboratie, De Geus, 352 p., 21,50 euro.

Bij het boek hoort ook een voorstelling waarin teksten gebracht worden uit het boek, Toon en Hein muziek spelen en er tekeningen getoond worden van Toon die betrekking hebben op hun verhaal. De première is op 27 februari in de Leuvense bibliotheek Tweebronnen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
© 2019 MEDIALAAN nv - alle rechten voorbehouden