Woensdag 29/06/2022

InterviewBoeken

Kristien Hemmerechts schrijft roman over een verpleegster die in Antwerpen Joden redde: ‘Ik vind: eerst de waarheid, dan de verzoening’

Kristien Hemmerechts: 'Er zijn veel dingen die mijn nieuwsgierigheid opwekken. Ik zeg snel ‘ja’ op iets. Het is pas door je in iets te storten dat je weet wat het is.' Beeld Thomas Nolf
Kristien Hemmerechts: 'Er zijn veel dingen die mijn nieuwsgierigheid opwekken. Ik zeg snel ‘ja’ op iets. Het is pas door je in iets te storten dat je weet wat het is.'Beeld Thomas Nolf

In haar nieuwe roman Hubertina vertelt Kristien Hemmerechts het levensverhaal van een verpleegster die tijdens WO II Joden hielp en later pleitbezorgster werd voor verzoening en amnestie. ‘Ik vraag me nog steeds af: waar haal je de moed vandaan om die dingen te doen?’

Julie Cafmeyer

Ik besluit om te wandelen naar het huis van Kristien Hemmerechts op de Antwerpse Cogels-Osylei. In haar laatste roman Hubertina reconstrueert ze het leven van Hubertina Aretz. Een vrouw geboren in 1893 in het Duitse grensdorp Horbach. Hubertina groeide op in een streng katholiek mijnwerkersgezin, was een pastoorsmeid in twee Nederlandse parochies en zette zich tijdens de Tweede Wereldoorlog in voor de ondergedoken Joden, werd gearresteerd en gedeporteerd naar het kamp Ravenbrück. Na de oorlog pleitte ze voor amnestie. Ondanks de gruwel die ze zelf had ervaren wilde ze verzoening.

Vanuit de Belgiëlei wandel ik door de straten die het decor vormen van Hubertina’s levensverhaal. De Boomgaardstraat, de Helenalei, de Isabellalei. Als ik aankom, zeg ik dat ik het wandelen anders ervaarde dankzij haar boek. Hier gebeurde het! Mensen hebben elkaar verraden, elkaar verstopt, elkaar beschermd, elkaar verzorgd, elkaar opgepakt, elkaar vermoord.

BIO * 66 jaar, woont in Antwerpen * debuteerde in 1987 met Een zuil van zout. Schreef sindsdien romans en non-fictiewerk * heeft een dochter en twee gestorven zoontjes uit haar eerste huwelijk * was getrouwd met Herman de Coninck, die in 1997 stierf * trouwde in 2007 met Bart Castelein * nieuwe roman: Hubertina

“Ja, dat is moeilijk om te bevatten, hè? Je had hier de collaborateurs, de Jodenjagers, de Joden, de mensen van het verzet. Alles friemelde door elkaar”, antwoordt Kristien Hemmerechts. Ze laat me neerploffen in een zetel, schenkt koffie in en gaat voort. “Ik vraag me nog steeds af: hoe kom je ertoe, waar haal je de moed vandaan om alles wat zij gedaan heeft te doen? Na het boek geschreven te hebben, hoop ik dat ze een straat krijgt.”

Hemmerechts zal niet alleen over Hubertina vertellen, maar ook over haar oeuvre, haar schrijverschap, haar interesse naar afwijkende levens. Hoe ze zichzelf zo graag verliest in het hoofd van anderen. Hoe ze elke keer bereid is om tot het uiterste te gaan.

“Er zijn veel dingen die mijn nieuwsgierigheid opwekken. Ik zeg snel ‘ja’ op iets. Het is pas door je in iets te storten dat je weet wat het is. Mensen zeggen soms: ‘Ik moet daar nog over nadenken’. Ik denk dan: je weet niet waarover je zal nadenken, want je weet nog niet wat het zal zijn. Oké, soms stort ik me in dingen waarvan ik achteraf denk, dat had ik beter niet gedaan, maar uiteindelijk doe ik heel veel dingen die ik boeiend vind.”

Hoe ontdekte je Hubertina?

“Een vriend, Luc De Munck, archivaris van het Rode Kruis, was in het archief voor nationale bewegingen gestuit op een getuigenis van een bijzondere verpleegster tijdens de Tweede Wereldoorlog, Hubertina. Wat me meteen intrigeerde, was dat ze in de interviews en getuigenissen niet de hele waarheid vertelde. Mensen hebben vaak de neiging om hun levensverhaal te verdraaien. Iedereen ‘liegt’ tot op zeker niveau. Dat prikkelde mij. Het feit dat zij tot haar veertigste pastoorsmeid is geweest, daar heeft ze nooit tegen iemand iets over gezegd. Dat ze zoiets verzweeg, geeft weer dat ze een ambitie had naar iets meer.

“Haar moed intrigeerde me ook. Tijdens de oorlog belandde ze in een strafkamp. Dat ze dat overleefd heeft, is een mirakel. Ze was zo mager, had zoveel ziektes. In de interviews die ik van haar las, merkte ik: ze zaagt nooit, ze klaagt nooit. Ook als ze in de gevangenis zit, blijft ze positief. Ondanks het smerige eten en de vuiligheid. Je moet het toch maar doen, hè? Waar kwam haar kracht vandaan?”

Heb je een antwoord gevonden?

“Voor de roman heb ik haar levensverhaal gefictionaliseerd. Haar geboorte heb ik ook verzonnen. Als Hubertina geboren wordt, denkt iedereen dat ze dood is. Tot haar zusje, Catharina, haar pink in het mondje van de baby doet. De baby begint te schreien, en blijkt dus te leven. Het feit dat iedereen dacht dat ze dood was, maakt haar speciaal. Je hebt mensen die denken dat ze op aarde zijn gekomen voor een bepaald doel. Ik wilde dat ze het gevoel had dat ze een missie had. ‘God heeft een missie voor mij.’ Iemand als een Jeanne d’Arc.”

Haar geloof lijkt ook de belangrijkste motor in haar levensloop. Het bidden wordt haast een mantra dat haar van de ene episode naar de andere brengt.

“Tijdens het schrijven zat ik de hele tijd aan een liedje denken. (begint te zingen) ‘Onward, Christian soldiers! Marching as to war, with the cross of Jesus, going on before.’ Haar geloof is inderdaad heel doorslaggevend, het houdt haar in leven.

“Tegelijkertijd motiveert het haar om het goede te doen. Vanaf dat ze op school zit, kiest ze voor rechtvaardigheid. Ze is bij de besten van de klas, en mag elke week een bank vooruit. Als ze helemaal vooraan zit, kijkt ze naar de meisjes die achteraan blijven zitten, en denkt: nee, dit klopt niet. Ik wil hier niet aan meedoen.

“Ook in het kamp blijft ze vechten voor haar leven en dat van anderen. Ze vindt dat ze te allen tijde solidair moet zijn. Op een moment zegt ze zelfs tegen Jezus: ‘Jij moet me hier wel in leven houden hè, anders kan ik de anderen niet helpen.’ Voor mij was het belangrijk om dat niet belachelijk te maken. Ik wil niet dat de lezers denken: wat een kwezel! Ik hoop dat je zou zien dat, in haar geval, het geloof iets heel positiefs teweegbracht. Het heeft haar gesteund en gestuwd.”

Ze krijgt ook visioenen — op een gegeven moment verschijnt haar dode moeder.

“Ja, op het moment dat Hubertina in de gevangenis zat in de Begijnenstaat, zat ze helemaal in de put. Ze had geen moed meer, en dan is haar moeder aan haar verschenen in het midden van de nacht. Dat heeft ze echt zo beschreven! Ik kan daar trouwens wel inkomen. Toen ze in het kamp was, voelde ze Gods hand. Dat heb ik ook overgenomen. Je kan dat allemaal belachelijk maken, maar bon, je zit in (concentratiekamp) Ravensbrück of in de gevangenis, en zoiets sleurt je erdoor.

'Ik denk dat het vroeger meer aanvaard werd dat er eenmaal mensen waren die geen seks hadden. Ik denk dat het voor Hubertina bijna uitgesloten was.' Beeld Thomas Nolf
'Ik denk dat het vroeger meer aanvaard werd dat er eenmaal mensen waren die geen seks hadden. Ik denk dat het voor Hubertina bijna uitgesloten was.'Beeld Thomas Nolf

“Hubertina moest als politieke gevangene werken in de fabrieken in de zoutmijnen onder verschrikkelijke omstandigheden. Dat was slavenarbeid. Ze werden heel slecht behandeld, als ze doodvielen, namen ze gewoon anderen. Na haar werk in het strafkamp schrijft ze dat ze drie dagen dood is geweest. In haar gedachten werd ze op een draagberrie naar de dodenkamer gebracht, ze was in het knekelhuis.”

Ik kan me wel voorstellen dat dingen als dromen, geesten en visioenen je in leven houden tijdens zulke extreme gebeurtenissen.

“Ja inderdaad, je moet zulke ervaringen niet zomaar wegvegen. Dat bijgeloof is intrigerend. Het is niet rationeel, hè? Ik heb ook een scène beschreven waarin haar moeder iemand laat komen om de boze geesten te verdrijven. Vroeger gingen ze met hun vinger heel diep in je keel om de geesten weg te jagen.

“Het straffe is, dat ik in de periode dat ik die passage over geesten schreef, een gesprek afluisterde op de trein tussen twee meisjes. Ze vertelden hoe iemand zelfs met een hele arm in de keel van hun zusje was gekomen om de boze geesten te verdrijven. Soms, als ik aan een boek werk, dan kan er zoiets gebeuren, dat alles met elkaar samenvalt. Ook dat is magisch.”

Is dat wat jou fascineerde aan Hubertina, dat ze het goede wilde doen?

“Ja, dat zijn vragen die me intrigeren. Wat maakt of je de moed hebt of niet de moed hebt om iets te doen? Wat maakt of je de moed hebt om te kiezen voor het goede of het slechte? Niet alleen bij Hubertina, tijdens het werk heb ik een aantal prachtige figuren ontdekt, zoals priester Eddy Salman, die gespioneerd heeft voor de geallieerden. Of Hugo Mortelmans die zijn paspoorten weggaf. Sommige mensen doen verschrikkelijke dingen en sommigen zijn echte helden, denk ik dan.

“Het klinkt misschien een beetje braaf, maar dat zou ik willen meegeven. Zo van: kijk, er zijn ook echt erg goede mensen die hele moedige, goede dingen gedaan hebben. In het oorlogsverhaal focussen we misschien te vaak op het slechte. Vooral dat verhaal van Mortelmans, dat is zo’n eenvoudig gebaar. ‘Hier, onze paspoorten, dan kunnen jullie vluchten.’ Waardoor er effectief twee levens gered worden.”

Soms vond ik dat gelovige bij Hubertina wel ergerlijk. Het katholieke geloof roept ook onderdanigheid, dienstbaarheid en gehoorzaamheid op. De feministe in mij werd daar opstandig van. Gelukkig werd Hubertina zelf ook opstandig.

“De corrector zei me dat het woord ‘opstand’ enorm veel in het boek voorkomt. Zij gaf me de suggestie om enkele synoniemen voor dat woord te zoeken. (lacht) Maar ja, ze is ook erg vaak in opstand! Niet alleen zij, in die tijd was er de opstand tegen de keizer, tegen de tsaar. De opstand van de mijnwerkers. Er is de hele tijd opstand, ook in haar. Dat gevecht is er. Dat maakt van haar een interessant personage. Als ze het huishouden overneemt in huis, zegt ze tegen haar broers: ‘Vanaf nu komt er geen alcohol meer in huis’.

Kristien Hemmerechts: ‘Soms stort ik me in dingen waarvan ik achteraf denk, dat had ik beter niet gedaan, maar uiteindelijk doe ik heel veel dingen die ik boeiend vind.’ Beeld Thomas Nolf
Kristien Hemmerechts: ‘Soms stort ik me in dingen waarvan ik achteraf denk, dat had ik beter niet gedaan, maar uiteindelijk doe ik heel veel dingen die ik boeiend vind.’Beeld Thomas Nolf

“Ze heeft iets kordaat, dat niet altijd sympathiek is. Ze was een beetje een chef. Tegelijkertijd zat ze daar enorm mee in, dat ze die onderdanige rol kreeg als vrouw. In de scènes met de pastoor laat ik haar daar ook mee worstelen. Dat haar plaats de keuken is. Die onzichtbaarheid knaagt. De oorlog heeft haar uiteindelijk ruimte gegeven om dingen te doen die ze anders niet had kunnen doen.”

Het lijkt alsof ze iets mannelijks in zichzelf wil oproepen. Als ze geld krijgt van haar ouders, koopt ze een zegelring met de initialen H.A. Ze wil niet Anneke genoemd worden, maar Hubertina. Alsof ze opnieuw wordt geboren, en zichzelf op de kaart zet.

“Ja, dat is ook zo. Bij haar thuis werd ze Anneke genoemd, of Tinchen. Hubertina was haar derde naam. Ik weet dat ze zo’n zegelring had. Toen ze terugkwam uit het kamp heeft ze meteen gevraagd of haar zegelring er nog was. Zo zie je maar dat er vrouwen zijn die met zichzelf trouwen.”

Een romantisch of passioneel leven lijkt ze niet gehad te hebben. Op een gegeven ­moment zegt ze over een andere vrouw: ‘Ze was een losbandige vrouw die leefde voor haar sensuele genot’. Alsof dat haar afschuw opwekte.

“Ik dacht: ze zal waarschijnlijk niet iemand geweest zijn met sterk ontwikkelde lustgevoelens. In haar geschriften is daar niets over gevonden. Ik heb mij afgevraagd, zou ze dan op vrouwen zijn gevallen? Er is een scène dat een zigneurmeisje haar ontluist in het kamp, haar hand vasthoudt en er een kusje op geeft. Misschien vond ze de omgang met vrouwen wel prettiger. (aarzelt) Misschien zijn wij nu ook wel zo gefocust op dat idee van seksualiteit. Ik denk dat het vroeger meer aanvaard werd dat er eenmaal mensen waren die geen seks hadden. Ik denk dat het voor haar bijna uitgesloten was, omdat je dan zo je reputatie op het spel zette.”

Ze is uiteindelijk bekend geworden door haar strijd voor amnestie.

“Ja, dat gebeurde in de jaren 50. Ze beweerde dat zij de eerste was die het woord ‘amnestie’ gebruikte in Vlaanderen, maar dat is niet waar. Ze had wel de neiging om haar rol wat op te blazen.

“Maar toch was ze een belangrijk figuur omdat zij uit het kamp van het verzet kwam, en de roep om amnestie kwam natuurlijk van de kant van de collaboratie. Na de oorlog konden diegenen die in het verzet zaten een statuut aanvragen van politieke gevangene of oorlogsslachtoffer. Zij kregen van de staat een toelage als compensatie van het geleden leed. In het geval van Hubertina was dat een behoorlijke som omdat ze zo gehandicapt was door dat verblijf in de kampen, dat ze niet meer kon werken.”

Mensen van het verzet kregen eretekens, titels en een vergoeding. En aan de andere kant kreeg je de collaborateurs die bestraft werden en hun burgerrechten verloren.

“Hubertina vond dat de twee kampen zich moesten verzoenen. Nu, die verzoeningsgedachte leefde wel, maar polariseerde ook. Je had ook stemmen die het gingen omkeren en die deden alsof de collaborateurs de slachtoffers waren. Het was niet meer slachtoffers van de collaboratie, maar slachtoffers van de repressie. En dat leeft nu nog, men stelt ze voor als onschuldige lammeren, idealisten die hun leven hebben gegeven om België te vrijwaren van het communisme. Dan gaat het niet meer over de waarheid. Ik vind: eerst de waarheid, en dan de verzoening. Maar goed, voor Hubertina was het strijden voor amnestie een motivatie om eindelijk op de voorgrond te treden. Dénk ik.”

En toch is ze uiteindelijk gestorven in een bescheiden woning in Berlaar. Om de een of andere manier raakte dat detail me. Je kan je nog zo inzetten voor het goede, zo strijdvaardig zijn, en uiteindelijk blaas je je laatste adem uit in een klein huisje in Berlaar.

“Vind je het triest dat ze vergeten was?”

Nee, het zit misschien niet in erkenning van buitenaf, meer de vraag: wat is dat dan, wat iemand de moed geeft om je telkens weer in te zetten voor waar je in gelooft.

“Ze heeft ook een spion geholpen in een militair hospitaal. Ze redde het leven van een jonge vrouw, met risico voor haar eigen leven. Als ik daarover nadenk, ik zou niet die moed hebben gehad. Echt niet.”

In jouw werk zit er toch ook veel strijdlust en moed?

“Ja, maar geen levensgevaar!”

Wat is jouw persoonlijke noodzaak om telkens zo diep in het leven van een ander te graven?

“De motor van mijn schrijverschap is een grote nieuwsgierigheid. Langs de ene kant heb je het menselijk gedrag zoals het zou moeten zijn, bijvoorbeeld de relatie tussen ouders en kinderen moet liefdevol en zorgzaam zijn. Of de relatie tussen geliefden, hoe die zou moeten zijn, en hoe die is. Als je kijkt naar de realiteit zie je dat er een kluwen van gevoelens zit dat helemaal niet overeenkomt met ‘hoe het zou moeten zijn’.

‘De reden dat ik ben gaan schrijven, was dat ik het officiële discours niet kon verbinden met wat ik zelf ervaarde en ook observeerde.’ Beeld Thomas Nolf
‘De reden dat ik ben gaan schrijven, was dat ik het officiële discours niet kon verbinden met wat ik zelf ervaarde en ook observeerde.’Beeld Thomas Nolf

“De reden dat ik ben gaan schrijven, was dat ik het officiële discours niet kon verbinden met wat ik zelf ervaarde en ook observeerde. Er is nog zoveel hypocrisie en ‘doen alsof’. Vroeger kon ik dat moeilijk hanteren, ik dacht: hou daar toch mee op! Ik denk dat je uiteindelijk wel de keuze kunt maken om wel of niet mee te gaan in dat sociale spel.”

De levens over wie je schrijft zijn ook vaak afwijkend.

“Elk leven is afwijkend. Als je met mensen praat en je geeft aan: je moet niet doen alsof, dan komen er snel verhalen boven, de kwetsuren en de fouten. In onze maatschappij, in order to remain sane, houden wij vast aan een idee: dit is het normale en zo hoort het. Dat is misschien niet slecht, maar zodra je dat laagje vernis weghaalt, komen de tegenstrijdigheden en de complexiteit naar boven.

“Bij Michelle Martin heb ik dat ook gedaan, je zuigt je vol met haar verhaal. Ja, mensen kunnen dan verontwaardigd zijn. Wat schrijft die nu! Natuurlijk is het verkeerd wat ze heeft gedaan, maar het gebeurt wel. Ik denk dat het voor ons als samenleving belangrijker is dat we proberen te achterhalen waarom mensen doen wat ze doen in plaats van daar te staan als politieagenten.

“In mijn boek Ann schreef ik het verhaal van een vrouw met anorexia. Dat boek heeft mijn leven veranderd. Ze heeft me al haar dagboeken gegeven. Het is een enorm privilege als je dicht bij een mens komt, dat je in het hoofd van iemand binnenstapt.

“Ik heb Susie Orbach eens ontmoet, zij was de therapeute van Lady Diana, zij had het ook over ‘the excitement of entering into somebody’s head and heart’. Als jij me nu zou zeggen: ‘maak een boek over mij’, ik zou dat doen.”

Oké. Je mag weleens in mijn hoofd kruipen!

“Het is ook de wildheid die mij zo inspireert. Dat klinkt misschien chique, maar bij de personages in Schuld en boete van Dostojevski heb je dat ook. Veel van die Russische personages hebben een gekte waarvan je denkt: wat doen die nu weer? Ik vind dat een fascinerend onderwerp. De beweging van een beschaving is om het wilde en het irrationele in banen en perken te houden, maar je kan het niet uitroeien. De mens is wat de mens is. En dan hoor je de hele tijd ‘het moet zus en zo’. Ja, inderdaad. Als je een kind krijgt moet je echt van het kind houden. En dan krijg je een kind en je houdt er niet van. Wat nu?”

Voelde je die gekte ook bij Hubertina?

“Een vrouw die bij haar in het kamp zat, zei: ‘Elle avait le caractère maniaque’. Voor mij was dat de grote uitdaging: ik wilde niet dat ze werd weggezet als een zottin, als een oude vrijster, als een trut. Doorheen het schrijfproces kreeg ik iets beschermends tegenover haar. Ik kan me voorstellen dat als ik die vrouw had ontmoet, ik dacht: o my god, wat voor iemand is dit! Tegelijkertijd wilde ik haar vanuit mijn feminisme weer tot leven wekken. Dankzij het boek kunnen ook anderen bewondering en sympathie voor haar voelen.”

Wat is je volgende project?

“Dankzij het werken aan Hubertina heb ik de dagboeken van Leopold Flam ontdekt. Hij zat bij het Joods verdedigingscomité en is later prof geworden aan de VUB. Vanaf zijn dertiende tot zijn sterfbed heeft hij dagboeken bijgehouden. Het is een ongelofelijk egodocument én tijdsdocument. Voor mijn volgende boek selecteer ik de dagboekfragmenten die het boek zullen halen. Het is weer zo fascinerend om in iemands hoofd te zitten. Ik hoor een stem die eerlijk is, die niets verbloemt.”

Kristien Hemmerechts, Hubertina, De Geus, 352 p.,22,50 euro.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234