Vrijdag 18/10/2019

Boeken

Julia Blackburn: ‘Ik zag een regenbui van 7.000 jaar oud’

Julia Blackburn: ‘Alle ­weten­schappers met wie ik sprak waren al als kind begonnen met speuren, krabbend in oeroude grond.’ Beeld Tom Lucas

Julia Blackburn (71) schrijft doorgaans ­warmbloedige biografische portretten, maar nu dook ze in ijstijden, een verdronken land en miljoenen jaren geschiedenis. ‘Het ­verhaal omringt me al jaren. Mijn huis ligt vol fossielen, ik leef ermee.’

Julia Blackburn is altijd te vroeg. In haar pas verschenen boek Lied van de tijd, dat doorspekt is met verhalen over haar afspraken met wandelaars, strandjutters, paleontologen en archeologen, merkt ze dat zelf op als ze weer eens op iemand zit te wachten. ‘Het ligt kennelijk in mijn aard om vroeg te zijn en dan te denken dat mijn afspraak laat is.’

Opzettelijk méér dan te vroeg zit ik in het café waar we hebben afgesproken. Al na een paar minuten zie ik haar aankomen aan de overkant van de straat. Ze tuurt over de weg, loopt terug, slaat dan rechtsaf, de verkeerde kant op. Ik ga naar buiten en roep haar. Terwijl ze oversteekt schiet ze al in de lach. “Ik ben zo bijziend! Ik kon de naam van het café niet lezen.”

Laat het nu die bijziendheid zijn waaruit haar nieuwe boek is voortgekomen. Een boek waarin ze het persoonlijk nabije verbindt met wat immens, abstract en ongrijpbaar is. De kiezel op de grond en het vuursteentje in haar jaszak met de enorme wereld van ijstijden die brachten en weer opslokten wat het onderwerp is van Lied van de tijd: Doggerland. Het gebied dat Engeland ooit – lang voor de brexit – verbond met het continent. Een uitgestrekt en vruchtbaar landschap, verschenen en verdwenen na de laatste ijstijd, tussen 20.000 en 7.000 jaar geleden.

BIO 

• Engelse schrijfster van voornamelijk non-fictie 
• geboren in 1948 
• meest recente en in het Nederlands vertaalde boeken:
Wij drieën, Smalle paden en het met de New Angle Book Prize bekroonde Draad 
• was getrouwd met de Nederlandse kunstenaar Herman Makkink en woont in Suffolk

U hebt de gewoonte om naar de grond te turen, zegt u vaak meteen als het over dit boek gaat.

“Al toen ik nog kind was, deed ik dat. Ik was eenzelvig en had van die slechte ogen, waardoor ik altijd naar beneden aan het kijken was. Zolang ik me herinner, verzamel ik wat ik vind: stenen, fossielen, objecten. Van mijn grootmoeder kreeg ik ooit mijn eerste mammoettand en misschien begon het daar wel mee: mijn fascinatie voor de prehistorie en voor wat verdwenen is, voor de heel oude sporen die doordringen tot in onze tijd. Kleine, concrete dingen die het verhaal vertellen van iets groters.”

In Lied van de tijd zijn het de sedimenten en de botten, de voetafdrukken, plantensporen, veenlijken, pijlpunten en bijlbladen die het verhaal vertellen van het grondgebied waar slechts ­hypothetische kaarten van te tekenen zijn. Blackburn woont er zelf vlakbij, in Suffolk, bij de kust in het oosten van Engeland.

Aan het eind van uw boek gaat u zwemmen in zee, bij Covehithe. Uw tenen raken de grond: het verzonken land waarover u schrijft.

“Ja! Ik realiseerde me pas later dat ik er daar gewoon op stond. Het was zó mooi daar. Het leek alsof ik helemaal alleen was in die zee die ooit land was.”

Julia Blackburn: ‘Zolang ik me herinner, verzamel ik alles wat ik vind: stenen, fossielen, ga zo maar door.’ Beeld Tom Lucas

Waarom wilde u juist hierover schrijven? Doorgaans schrijft u boeken waarin een mens centraal staat.

“Omdat het verhaal mij al jaren omringt. Ik woon daar, mijn huis ligt vol met die fossielen, ik leef ermee. Ik loop langs die kust, al veertig jaar. En toen kwam er nog een andere, persoonlijke aanleiding: de dood van mijn man.”

Dat was Herman Makkink, beeldhouwer, die in haar laatste boeken vaak voorkomt, in Lied van de tijd vooral in intieme passages over aan- en afwezigheid: ‘Een paar jaar geleden is hij gestorven. Hij is weg en toch is hij nog steeds dicht in de buurt, vlak onder het oppervlak, als het ware, dus misschien probeer ik ook een glimp van hem op te vangen binnen dat grote kluwen van alles wat uit ons zicht is verdwenen.’

Het opvangen van die glimp uit het verleden tekent al Blackburns boeken. Ze schrijft het soort non-fictie waarin historische verhalen en persoonlijke notities elkaar afwisselen. Onderzoekend proza waarin ze haar personages dicht op de huid komt, maar gebouwd op helder uitgeplozen feitenmateriaal.

Ze schreef over Goya, Napoleon en Billie Holiday, over visser-borduurder John Craske, ontdekkingsreizigster Daisy Bates én over haar eigen, razendspannende en verontrustende jeugd als dochter van de aan alcohol en barbituraten verslaafde dichter Thomas Blackburn en een moeder die haar een verhouding vol seksuele rivaliteit in manoeuvreerde.

Altijd is er in haar boeken de persoonlijke link: hoe ze als kind in haar moeders atelier Goya’s gruwzame etsen bekeek, hoe ze op woeste jarenzeventigfeestjes voor het eerst de stem van Holiday hoorde of in het oeroude Italiaanse bergdorp van haar boek Smalle paden haar grote liefde terugvond. “Als ik terugkijk op mijn boeken, denk ik dat ik altijd in hetzelfde geïnteresseerd ben: de aanwezigheid van het verleden in het nu. Nooit in het chronologische, het lineaire.”

In Lied van de tijd schrijft u: ‘Dit boek is vooral een poging om door het feit van een afwezigheid heen te kijken.’

“Ik ben geïnteresseerd in wat Henry James de ­‘visitable past’ noemt. Als je over iemand schrijft die al lang dood is, je overal in verdiept, wordt zo iemand op een gegeven moment vertrouwd. Dan is de afstand in tijd er niet meer.”

Uw onderwerpen getuigen altijd van grote persoonlijke affiniteit, maar zijn zeer uiteenlopend. Hoe kiest u ze?

“Het is toeval, vaak. Je weet niet van tevoren of iets een boek gaat worden, zoals je van mensen die je ontmoet niet van tevoren weet of je vrienden wordt. De directe aanleiding voor het boek over Doggerland was dat een vriend schilderijen maakte van dat verdwenen land. Ik vond het steeds interessanter. Toen ben ik een keer naar een conferentie over het onderwerp geweest en daar dacht ik: bloody hell, kan ik dit doen? Durf ik dit aan?

“Gaandeweg groeide mijn zelfvertrouwen. Het eerste jaar moest ik alleen maar mijn weg vinden in het onderwerp. Lagen aanleggen, ermee spelen alsof het verschillende kaarten waren. Ik begon met de informatieve, dat werd te academisch. Toen schreef ik de ‘Time Songs’, korte, poëtische teksten om het academische kwijt te raken. Daarna begon ik er passages over mezelf in te schrijven en kwam het tot leven.

Beeld rv

“Aanvankelijk sprak ik vooral met mensen zoals ik: schuimend over het strand, onderzoekend uit liefhebberij. Pas toen ik moed had verzameld, ging ik de wetenschappers opzoeken. Daar bleek overigens iets opmerkelijks: die hadden allemaal gemeen dat ze, net als ikzelf, al als kind begonnen waren met speuren en verzamelen, krabbend in oeroude grond.”

Hoe is uw schrijfpraktijk?

“Ik werk met notitieboeken, altijd. Trouwe notebooks die ik vol schrijf in mijn enorm chaotische handschrift. Dan werk ik het uit, tik het in, ga schuiven met tekstgedeelten, schrijf weer stukken in mijn notitieboek en verwerk die weer. Een voortdurend rangschikken, een beetje zoals de stenen die ik rangschik en verplaats in mijn huis. Hoofdstuk voor hoofdstuk. Ik geloof erg in not knowing where you’re going.”

De manier waarop u uw onderwerp te lijf gaat, het zoeken en proberen, maakt altijd deel uit van uw verhaal. U geeft gesprekken weer, maar vertelt ook dat iemand te laat is of waterbestendig gekleed. Waarom?

“Omdat ik een verbinding wil houden met de manier waarop het brein werkt. Daarin zwemt alles alle kanten op, je waarneming en je concentratie schieten zó weg. Als je die wegschietende wegen van je brein durft te volgen, als je daarop vertrouwt als schrijver, kan de lezer met je mee. Vroeger dacht ik: als ik zo schrijf, zullen mensen daarom lachen. Maar mijn redacteur vond het altijd goed.”

Wat was de eerste zin die u opschreef?

“Het tweede hoofdstuk was mijn eerste, geloof ik. Dat begint met ‘Ik woon dicht bij de zee en de zee waar ik dicht bij woon strekt zich uit over een land dat we tegenwoordig Doggerland noemen.’”

Je hebt die ‘Time Songs’, die ook nog vergezeld gaan van illustraties, je hebt de verschillende verhaallijnen, bijna als verschillende aardlagen. Waar bent u zelf het meest tevreden over?

“Over zo’n passage als die waarin ik op pad ga met Martin Bell, een archeoloog die gespecialiseerd is in bewaard gebleven voetafdrukken en die me ook kon uitleggen hoe dat kon bestaan. Met hem ging ik op excursie aan de kust bij de Severn, een fantastische tocht. Ik heb eeuwenoude sporen gezien, van een vogel, een hert, vage voetafdrukken van mensen. Maar wat vooral indruk op me maakte, waren de talloze kleine putjes in de klei, achtergelaten door een regenbui tussen 5.500 en 5.200 voor Christus.”

Ze leest het einde van de passage voor: de kraanvogel die gevlogen is, de kinderen die verdwenen, maar de regen die bleef. “Dat is zó mooi. Je denkt: dit kan niet bewaard zijn, maar het is er. Het wijst je op de relativiteit van tijd.”

Ergens schrijft u over een fax van uw man Herman, die schreef hoe jullie nu voor altijd verbonden zijn. Dat u dat aanvankelijk las als liefdesverklaring, maar dat het later deel ging uitmaken van uw ongewisse ideeën over tijd. Wat zijn die ‘ongewisse’ ideeën?

“Ah, ja. Die doet me huiveren nu, die passage. Ik zie tijd als een gordijn dat je scheidt van het verleden, maar het is een beweeglijke, poreuze scheiding. Hij kan pats! weg zijn en zicht bieden op iets wat verder ligt dan je eigen tijd. Alsof je inzoomt met een camera en het naar je toe haalt. Die sensatie zoek ik. A floating present.”

Julia Blackburn, Lied van de tijdDe Bezige Bij, 240 p., 29,99 euro.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234