Zondag 04/12/2022

InterviewFatma Taspinar

Journaalanker Fatma Taspinar: ‘Ik was roofbouw op mezelf aan het plegen, fysiek én mentaal’

Fatma Taspinar: ‘Mijn journalistieke voelsprieten zeggen me dat er heel veel mensen aan het afzien zijn. Er gebeuren veel onzichtbare drama’s.’ Beeld Damon De Backer
Fatma Taspinar: ‘Mijn journalistieke voelsprieten zeggen me dat er heel veel mensen aan het afzien zijn. Er gebeuren veel onzichtbare drama’s.’Beeld Damon De Backer

Voor VRT-journalist Fatma Taspinar (39) was 2021 een professionele en emotionele rollercoaster. Van het jaar dat in de steigers staat, wil ze maar één ding: zielenrust. ‘Ik heb al een paar keer kunnen huilen.’

Stef Selfslagh

Op een zaterdagnamiddag naar de VRT gaan, is een belevenis: je hebt het gebouw haast helemaal voor jezelf. Terwijl ik door de lege gangen naar de nieuwsdienst kuier, bedenk ik wat ik hier onbespied zou kunnen uitspoken. Ik zou me kruipend als een zeehond kunnen voortbewegen. Ik zou op de CEO-stoel van Frederik Delaplace een protkussen kunnen leggen. Ik zou de woorden op de autocue van Hanne Decoutere kunnen veranderen: ‘Goedenavond. Vandaag breng ik u uitzonderlijk geen coronanieuws. Wel zal ik een aria uit De toverfluit van Mozart voor u zingen en met een aantal krachtige pirouettes uitdrukking proberen te geven aan onze collectieve gevoelens van desoriëntatie.’

Maar ik beheers me en meld me braafjes bij Fatma Taspinar, die me meteen meeneemt op een expeditie naar een geschikte interviewplek. Vallen af: de cosy corners waar nooit iemand gaat zitten omdat ze cosy corners heten, en de paarse, halvemaanvormige lederen bank die veel gelukkiger zou zijn op de set van een pornofilm. Dan maar naar de redactie van Het journaal laat, waar de bureaus nog onbemand en de fauteuils nog onbeslapen zijn.

BIO * geboren in 1982 in Lier, woont in Mechelen * studeerde criminologie en journalistiek aan KU Leuven * gerechtsjournaliste en nieuwsanker voor Het journaal * maakte Mij over­komt het niet (Eén), waarin ze sprak met mensen die ongewild een ongeluk veroorzaakten * presenteerde de docu­reeks De Cel Vermiste Per­so­nen, over de gelijknamige politiedienst

Er is een reden waarom ik Fatma Taspinar heb gevraagd om het afscheidnemende jaar te keuren: 2021 is voor haar bepaald geen tussendoortje geweest. Ze draaide haar eerste volledige jaar als anker van Het journaal van 19 uur, viel ten prooi aan het virus dat maar niet wil verdrinken in onze zee van handgel en kampte met de ­naweeën van het verlies van haar vriend, filmjournalist Ward Verrijcken.

En dan waren er nog de geruchten over een nieuwe relatie van amoureuze strekking waarover we vandaag – zo weet u dat vast – níét gaan praten. Intimiteit gedijt soms beter buiten aanhalingstekens.

Taspinar maakt een montere indruk en dat heeft minstens voor een deel te maken met haar recente beslissing om haar Twitter-account te dumpen. Sinds ze het kwetteren aan anderen overlaat, is haar zelfbeeld er met rasse schreden op vooruitgegaan, zegt ze. “Twitter is geen mild medium. Je krijgt er veel bagger over je heen. Tot ik besefte dat ik die scheldkraan ook gewoon kon dichtdraaien. Dat ik niet verplicht was om mijn haters zomaar een forum aan te bieden. En kijk: vandaag bestaat Twitter niet meer voor mij. Af en toe heb ik nog eens een uitlaatklep nodig. Maar dan ga ik gewoon wat aandacht zoeken in mijn WhatsApp-groepen.” (lacht)

“Sowieso was mijn aanwezigheid op Twitter niet echt compatibel met mijn ankerjob. Zolang ik mij als journalist enkel met justitie bezighield, kon ik mij over andere onderwerpen weleens een Twitter-meninkje veroorloven. Maar als anker bericht ik over zo goed als álle maatschappelijke thema’s. En dus hoor ik mijn standpunten over die thema’s ook voor mezelf te houden.”

Ik werp op dat er dit jaar eigenlijk maar één thema was: covid. De zucht die haar ontsnapt, doet bijna een stapeltje papier opwaaien dat drie bureaus verderop ligt. Is ze besmet geraakt met die andere virusvariant: coronamoeheid?

“Nee, maar ik vind het wel jammer dat de focus van de journalistiek vandaag zo eenzijdig op het virus ligt. Journalisten horen mensen een brede kijk op de wereld te geven. Maar in de plaats daarvan hebben we het al bijna twee jaar over slechts één onderwerp. En ik begrijp dat ook: de mensen willen weten wat hen te wachten staat. We kúnnen niet anders dan verslag uitbrengen over de laatste nieuwe virusvariant of het meest recente Overlegcomité. Maar ik betreur wel dat onze wereld daardoor zo klein geworden is. We mogen ons als journalisten ook niet blindstaren op covid, vind ik.”

Boerin wordt koningin

Honderden journaals heeft ze ­inmiddels gepresenteerd. Maar de reporter in haar krijgen hoofdredacteurs zelfs niet met geavanceerde exorcisme­rituelen verdreven. “Als er iets belangrijks gebeurt, zou ik het liefst van al de studio uit rennen om de situatie ter plaatse te bekijken. Ik ben een buikmens. Ik moet de actualiteit kunnen vóélen, met al mijn zintuigen. Vandaar dat ik ­gevraagd heb om nog halftijds gerechtsjournaliste te kunnen blijven.”

Vliegen haar twee jobs elkaar soms in de haren? Vindt de op regelmaat gestelde kijker het niet verwarrend dat ze nu eens met een microfoon achter Bart De Pauw aan holt en dan weer onverstoorbaar op haar ankerstoel zit? “Tuurlijk niet, de kijkers zijn veel slimmer dan we denken. In de rechtszaal merk ik wél dat mensen anders naar me kijken. Toen ik nog voltijds als justitiereporter werkte, was ik het journalistieke equivalent van een boerin: ik stoof het terrein op, trok mijn laarzen aan en hop, de modder in. Nu hoor ik mensen tijdens een assisenproces soms denken: ‘Oh my god, het anker is hier!’ Ankers zijn zoals koningen en koninginnen: die zie je normaal gesproken niet in het echte leven.” (lacht)

Volgens ex-nieuwsanker Jan Becaus – thans ­gecoöpteerd N-VA-senator – moet een anker het profiel van een goede aardappel hebben: ‘kleurloos, geurloos en smaakloos’. Is dat ook de job­omschrijving die aan Fatma Taspinar werd overhandigd? “Nee. We leven in 2021: een anker mag gerust zijn of haar persoonlijkheid laten doorschemeren. Maar je moet uiteraard wel 100 procent neutraal zijn. Als anker ben je de gids van álle Vlamingen: rechts of links, nationalistisch of belgicistich, woke of niet woke.

“Daarom gebruik ik zo weinig mogelijk adjectieven of andere karakteriserende begrippen. Woorden kunnen een gebeurtenis op een heel subtiele manier kleuren: noem de moord op een homo een homo­moord en je bestempelt de moord in kwestie bijna automatisch als ‘erger’ dan andere moorden. Aan de geladenheid van sommige woorden ontsnap je niet.

“Ooit bracht ik in Het journaal een nieuwsitem over een ongeval waarbij een kind was aangereden. Aangezien het om een zwaar ongeval ging, gebruikte ik het woord ‘ravage’. Martine Tanghe heeft me daar toen terecht op aangesproken. ‘Als je dit al een ravage noemt, welk woord ga je dan gebruiken als je morgen verslag moet uitbrengen over een tsunami?’ Sindsdien hou ik me ver van kwalificerende woorden. En probeer ik zo sec mogelijk te zijn.

“Sec is – althans in journalistiek opzicht – een zeer verdedigbare stijlvorm. Ik vind de media vandaag veel te labiel, op het randje van het manisch-depressieve: het ene moment zijn we ­euforisch, het andere bedrukt. Dat houden we niet vol. We putten zowel onszelf als de kijkers uit. Ik hou van terughoudendheid. Sereniteit. Zelfs als de wereld in brand staat, moet je als journalist je kalmte kunnen bewaren.”

Ze neemt een slokje van haar VRT-koffie en houdt een pleidooi voor journalistieke ambachtelijkheid. “Ik vind het goed dat we bij Het journaal meer en meer naar onze journalistieke roots terugkeren. Als we de afgelopen twee jaar iets geleerd hebben, is het wel dat mensen nog altijd naar Het journaal kijken om er iets van op te steken. Dat het nieuws niet noodzakelijk in almaar sneller en flitsender formats gewrongen moet worden.

“De kijkers houden nog het meest van journalisten zoals Jan Balliauw, Rudi Vranckx, Caroline Van den Berghe, Stefan Blommaert en Ivan Ollevier: ervaren rotten met tonnen expertise. Er zijn televisiejournalisten met minder grijze haren dan Jan Balliauw, maar de mensen willen in de eerste plaats iemand horen die ze kunnen geloven.

“Bij de rekrutering van jonge journalisten hebben we de voorbije jaren misschien de neiging gehad om voorrang te geven aan mensen die voor alle ­media kunnen werken: radio, tv én online. Maar we mogen vorm niet met inhoud verwarren. We hebben vooral behoefte aan een nieuwe lichting journalistieke iconen. Mensen met bagage, die tot de nieuwe Rudi Vranckx of de nieuwe Jan Balliauw kunnen uitgroeien. De huidige generatie VRT-­hoofdredacteurs denkt daar ook zo over.”

'In een journaal gebruikte ik het woord 'ravage' bij een zwaar ongeval. Martine Tanghe heeft me daar toen terecht over aangesproken.' Beeld Damon De Backer
'In een journaal gebruikte ik het woord 'ravage' bij een zwaar ongeval. Martine Tanghe heeft me daar toen terecht over aangesproken.'Beeld Damon De Backer

Ze serveert nog meer bespiegelingen over haar vak. Moeten organisaties die honderd man en een ­paardenkop vertegenwoordigen wel een stem ­krijgen in Het journaal? Zijn alle meningen even ­relevant? Verdient een spontaan opgehoeste vox­pop evenveel zendtijd als het inzicht van een ­expert die twintig jaar heeft gestudeerd? Ze heeft niet op al haar vragen een antwoord. Maar al mijmerend etaleert ze een mooie kwaliteit: de drang om ­algemeen aanvaarde denkbeelden van hun onwrikbaarheid te ontdoen. Om opinies die met uitroeptekens zijn geëquipeerd op hun deugdelijkheid te testen.

Ik lees haar enkele zinnen voor waarmee ook Joël De Ceulaer in deze krant tot meer journalistieke weerbarstigheid opriep: ‘Journalisten moeten meer doen dan de microfoon opendraaien en zonder tegenkanting de verhalen van beleidsmakers en experts registreren. Het is en blijft onze taak om zin van onzin en waarheid van leugen te scheiden.’

Ze knikt en zegt: “Jonathan Foster, een Amerikaanse professor in de journalistiek, zei ooit: ‘Als iemand zegt dat het buiten regent en iemand anders zegt dat het buiten droog is, is het niet de taak van journalisten om dat enkel te melden. Ze moeten zélf uit het raam kijken.’ Daar ben ik het helemaal mee eens. Je moet meer doen dan andermans woorden herhalen. Je moet een analyse van die woorden maken. Onderzoeken of ze wel steek houden. En het hardop zeggen als dat niet het geval is.

“Alleen heb ik het gevoel dat weinig journalisten dat vandaag nog durven. Omdat ze vrezen dat ze door een minderheid partijdig genoemd zullen worden. Dat hun kritische houding als activisme bestempeld zal worden. Onze sector is collectief bang geworden. Voor haat­sprekers met weinig scrupules en veel volgelingen. Voor tweets waarin ons hoogste goed – onze onpartijdigheid – openlijk in twijfel wordt getrokken. Resultaat: nogal wat journalisten beperken zich tot registreren en laten de kritische analyse aan anderen over.

“Nog niet zo lang geleden kwam een collega van me – een jurist van opleiding met een grote expertise inzake detentie – met een zorgelijk gezicht naast mijn bureau staan. ‘Fatma, zeg eens eerlijk: ben ik activistisch?’ Onder invloed van sociale­media­comments waarin hem partijdigheid werd aangewreven, was hij zowaar aan zichzelf beginnen te twijfelen.

“Terwijl hij gewoon deed wat hij als journalist hoorde te doen: met veel kennis van zaken verslag uitbrengen over wat volgens wetenschappers de beste manier is om met gedetineerden om te gaan. Kun je geloven dat die man – een van de meest geëngageerde journalisten die ik ooit heb gekend – ondertussen ontgoocheld uit de journalistiek is gestapt? Dat breekt mijn hart, echt waar.”

Kaboel calling

Ze loopt naar het koffiezetapparaat en sommeert het om twee cappuccino’s bijeen te pruttelen. Terwijl ze wacht tot de kartonnen bekers zich langzaam vullen, zegt ze: “Noem mij naïef, maar ik zit in de journalistiek omdat ik verhalen wil vertellen waar de maatschappij iets aan heeft. Dat engagement is een vorm van dienstverlening, niet van activisme. En het is perfect verzoenbaar met onpartijdigheid. Sterker nog: een geëngageerd journalist is per definitie onpartijdig. Wie niet met een onbevangen blik naar de wereld kijkt, kan niet inschatten waar die wereld het meeste baat bij heeft.”

We roeren in onze cappuccino’s tot de schuimlaag zich in de melk heeft teruggetrokken en het vuur in haar ogen opnieuw op een waakvlam staat. Ik zeg dat ik haar aanleg voor verontwaardiging benijd. Dat mijn eigen verbolgenheid een eerder beperkt uithoudingsvermogen heeft. Ze produceert een flauw glimlachje. “Ik moet er alleen over waken dat mijn verontwaardiging me niet opbrandt.

“Het is goed dat ik mijn sector kritisch onder de loep neem. Maar ik mag me niet laten ontmoedigen als blijkt dat ik de journalistiek daardoor niet meteen van koers doe veranderen. Ik moet blij zijn met elk steentje dat ik verleg. En me erbij neerleggen dat er wellicht niet elke dag een steentje verlegd kán worden.”

Haar gsm bliept. Een sms’je uit Kaboel. Rudi ­Vranckx wil weten of zij dan wel Hanne Decoutere hem om 19 uur gaat interviewen. Ze antwoordt binnen de halve seconde. Even later belt ze naar Hanne Decoutere om haar van het ge-sms op de hoogte te brengen en naar de eindredacteur van Het journaal om hem te melden dat Rudi Vranckx om 19.17 uur interviewklaar zal zijn. Tegenover mij zit geen anker meer, maar een reporter die de wereld al bellend en ritselend in de gewenste plooi legt.

“Mijn reportersbloed stroomt zelfs wanneer ik op mijn ankerstoel zit”, zegt ze nadat ik mijn profielschetsje met haar gedeeld heb. “Deze zomer werd het lichaam van Jürgen Conings (de voortvluchtige militair die een tijdlang als terreurverdachte gold, red.) gevonden. Dat gebeurde terwijl ik Het journaal van 13 uur aan het presenteren was, ongeveer een halve minuut voor Catherine Van Eylen aan het sportnieuws zou beginnen. Terwijl Catherine de sport deed, heb ik snel het federaal parket gebeld om het nieuws over Conings te laten bevestigen, justitie-expert Philip Heymans gevraagd of hij naar de studio kon komen om de nodige toelichting te geven en de teksten geschreven waarmee ik na de sport het breaking news zou bekendmaken. “Mijn innerlijke reporter heeft die dag een mooie pas de deux gedanst met het anker in mij.” (lacht)

Als gerechtsjournaliste is ze de seismologe van onze samenleving: ze registreert maatschappelijke breuklijnen nog voor die een schokgolf door de wereld jagen. Wanneer ik haar vraag welke sociale etter­buil er momenteel op barsten staat, twijfelt ze geen seconde: onze mentale gezondheid staat zwaar onder druk.

“Ik was gisteren op een presentatie van het Vlaams expertisecentrum voor Alcohol en andere Drugs. Een experte uit het veld zei me: ‘Jullie hebben het in Het journaal altijd over het aantal coronabedden op de ic-afdelingen van onze ziekenhuizen. Maar eigen­lijk zouden jullie ook moeten meegeven hoeveel bedden er in de psychiatrie momenteel bezet zijn.’

“Ik snap haar punt. We zijn al bijna twee jaar ­bezig over onze fysieke gezondheid. Maar ondertussen is onze psychische gezondheid ernstig aan het ­wankelen gegaan. Dat is minder goed in curves en tabellen te vatten, maar het is wel minstens even alarmerend.”

“Mijn journalistieke voelsprieten zeggen me dat er ontzettend veel mensen aan het afzien zijn. Mensen die hun werk verloren hebben, die de voorbije twee jaar compleet vereenzaamd zijn, die zich tussen hun gezinsgenoten gevangen voelen... Er zijn in onze huiskamers veel onzichtbare drama’s aan het gebeuren. En het is onze journalistieke plicht om de wereld daarop te blijven wijzen. Anders zouden we na de coronacrisis weleens versteld kunnen staan van hoeveel mensen we zijn kwijtgeraakt.”

Vier jaar geleden vroeg ik haar naar haar levens­beschouwelijke principes. “When life gives you lemons, make lemonade”, zei ze toen. Maar de realiteit heeft niet de gewoonte om zich naar oneliners te schikken: toen ruim een jaar geleden haar beste vriend Ward Verrijcken stierf, wist ze met de beste wil van de wereld niet hoe ze van zijn dood iets positiefs kon maken. In een ultieme poging om de werkelijkheid wandelen te sturen, schreef ze in haar afscheidsbrief: ‘Lieve vriend, wil je nog één keer online komen?’ Maar Ward Verrijcken kwam niet meer ­online. En Fatma Taspinar verstopte haar verdriet in haar ­agenda.

“Na de dood van Ward ben ik nog harder beginnen te werken dan ik al deed. Ik was zelfs trots op mezelf. ‘Zie mij hier eens gaan’, dacht ik. ‘Ik sta elke dag op, ik werk mij te pletter, ik ben niet aan het instorten, ik ben superflink.’ Maar toen ik deze zomer op aanraden van een vriendin toch eens met een psycholoog ging praten, kreeg ik een heel ander geluid te horen: ‘Jij bent je rouwproces aan het uitstellen. En dat gaat je vroeg of laat zuur opbreken.’ Ik had mijn gevoelens uitgeschakeld. Afgevlakt. Tot ik op den duur helemaal níks meer voelde.

“Aanvankelijk vond ik het ontbreken van grote emoties best prettig. Ik maakte me veel minder druk dan vroeger. ‘Eindelijk rust’, dacht ik. Maar eigenlijk was ik gewoon apathisch geworden. Lusteloos. Ik at niet meer, was keihard vermagerd, ik was zowel fysiek als mentaal roofbouw op mezelf aan het plegen.

“Mijn psycholoog wees me erop dat het tijd was om even stil te staan. Om mijn gevoelens eindelijk onder ogen te komen. Dat heb ik deze zomer gedaan. Met wat hulp van de juiste muziek heb ik zelfs een paar keer keihard kunnen huilen. Iets wat me zelden of nooit lukt. (lachje) Nu gaat het weer beter met me. Vorige maand ben ik nog twee weken op vakantie geweest. Dat heeft me deugd gedaan.”

Vervloekt

Behalve Ward Verrijcken verloor ze recent nog een andere compagnon de route: Christophe Lambrecht (in 2019 overleden StuBru-presentator). Een mens zou nog gaan denken dat bevriend zijn met Fatma Taspinar risico’s inhoudt. “Je zegt dat nu al glimlachend, maar ik heb een tijdje écht het gevoel gehad dat mijn vrienden vervloekt waren. Ik heb Xavier Taveirne en Gilles De Coster – nog twee goeie vrienden van me – al kordaat toegesproken: ‘Nu even niet sterven, oké? Zeker niet beslissen om er zelf een eind aan te maken en als jullie dat toch zouden overwegen: eerst met mij bellen.’

'Ik was apathisch geworden, lusteloos. Ik at niet meer, was keihard vermagerd. Nu gaat het weer beter.' Beeld Damon De Backer
'Ik was apathisch geworden, lusteloos. Ik at niet meer, was keihard vermagerd. Nu gaat het weer beter.'Beeld Damon De Backer

“Sinds de dood van Ward weet ik: het is niet omdat je in je leven al iets ergs hebt meegemaakt dat je van verdere miserie gevrijwaard zult blijven. Je kunt nooit denken: ik heb mijn portie malheur al gehad, nu zullen ze mij wel een paar jaar gerust laten. (stil) Wat als ik binnenkort opnieuw een dierbare verlies? Ik heb een grote familie en een uitgebreide vriendenkring, zo hypothetisch is die vraag niet. Ik krijg er ’s nachts soms hartkloppingen van.”

Wat als?

Zonder schroom praten over een rouwproces waarvan nog maar de prelude is ingezet: Fatma Taspinar kan dat. Aangemoedigd door haar parler vrai zeg ik dat het lang geduurd heeft voor in de nieuws­items over de dood van Ward Verrijcken het woord zelfmoord opdook. Alsof dat begrip zelfs anno 2021 alleen op fluistertoon mag worden uitgesproken.

“Typ in het zoekvenster van Google ‘Ward Ver­rijcken’ in en meteen verschijnt de aanvulling ‘doods­oorzaak’. Veel mensen hebben dus zelf opgezocht hoe hij gestorven is. Maar eigenlijk hadden ze zich die moeite kunnen besparen. Als er in een nieuwsbericht gewag wordt gemaakt van een ‘onverwacht overlijden’, weet je wel wat er gebeurd is. Waarom mogen we dat dan niet benoemen?

“We doen in onze samenleving vaak alsof zelfmoord niet bestaat. We willen mensen namelijk niet op ­ideeën brengen. Maar blijkbaar werkt die aanpak toch niet zo goed, want België heeft het hoogste zelfmoordcijfer in West-Europa. Is zwijgen over zelfmoord dan écht de beste manier om te vermijden dat mensen zich in een opwelling van het leven beroven? Of zouden we meer mensen kunnen redden door erover te praten? Ik vermoed het laatste: woorden zetten meer in gang dan stilte. Ik vind het dus niet verkeerd om te zeggen dat Ward zelfmoord gepleegd heeft. Als ik er maar in één adem aan mag toevoegen dat hij dat niet had hóéven te doen. Dat niemand ooit alleen is.”

Dat is precies wat zelfdodingen zo tragisch maakt, zeg ik: ze zijn vaak zo onnodig. Omdat ze meestal niet door een chronisch en ondraaglijk lijden zijn ingegeven, maar door een onpeilbaar, zij het tijdelijk verdriet. “Je leest vaak dat zelfmoordenaars die gered worden achteraf spijt hebben van hun poging. Dat lijkt erop te wijzen dat zelfmoord plegen toch dikwijls in een impuls gebeurt. De eerste weken na de dood van Ward dacht ik: ik moet zijn beslissing respecteren, er was niks aan te doen. Maar nu begin ik meer en meer te geloven dat zijn dood vermeden had kunnen worden. Dat hij het leven, hoe zwaar het hem de laatste tijd ook viel, ooit wel weer omarmd zou hebben.

“Al blijf ik het moeilijk vinden om dat met zoveel woorden te zeggen. Omdat er dan meteen ‘wat als?’-scenario’s ontstaan. Wat als Ward zijn telefoon wél had opgenomen toen ik hem een paar uur voor zijn dood nog belde? Wat als ik de coronaregels het voorbije jaar wél aan mijn laars had gelapt en hem nog vaker had bezocht? Had hij vandaag dan nog geleefd? Het zijn onbeantwoordbare vragen, ik weet het, maar dat maakt ze niet minder onvermijdelijk.”

De intervallen tussen haar zinnen worden langer, haar stem zachter. “Denk nu niet dat ik onderschat hoe diep Ward zat. Dat hij zichzelf pijn heeft gedaan om te kunnen sterven, bewijst voor mij hoe vastberaden hij op dat moment geweest moet zijn. Ward was iemand die al bang was voor een griepprik. Hij had een behoorlijk lage pijngrens. (na een stilte) Maar het ergste vind ik dat hij moederziel alleen is gestorven. Niemand zou in eenzaamheid mogen sterven. Niemand.”

Ze valt stil, legt in slow motion een eigenzinnige haarlok op haar plaats en zegt dan, met een warme gloed over het gezicht: “Ik wou dat Ward tijdens zijn leven had beseft hoe graag iedereen hem zag. Er is na zijn dood ongelooflijk liefdevol over hem gesproken en geschreven. Had hij al die woorden nog maar in zijn hart kunnen opslaan.”

“Eigenlijk zou je de toespraken die mensen op je begrafenis geven, moeten horen terwijl je nog leeft. Wat zou het ons deugd doen om nog bij leven en welzijn onder loftuitingen en liefdesverklaringen bedolven te worden. We zouden nogal glunderen.”

Wacht niet tot het noodlot binnenwipt om je geliefden te bezweren hoeveel je van ze houdt: met die boodschap op zak neem ik afscheid en trek ik de koude winteravond in. Ik wil mijn nieuwe credo meteen met de parkeerwachter van de VRT delen, maar de versteende blik in zijn ogen vertelt me dat hij niet in de stemming is voor levensveranderende inzichten. Misschien moet Fatma Taspinar er voortaan maar haar journaals mee af­sluiten.

Wie met vragen zit over zelfdoding kan terecht bij de Zelfmoordlijn op het gratis nummer 1813 en op www.zelfmoord1813.be.

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234