Donderdag 17/10/2019

Interview

Joost Zweegers: "Sinds mijn ongeval heb ik geen 2 weken zonder pijn geleefd. Maar ik heb het leren aanvaarden"

Joost Zweegers: "Net omdat ik zo gepassioneerd aan mijn songs werk, zijn ze ook zo goed." Beeld Diego Franssens

Goed nieuws: het Novastar-album waarop u al sinds de release van de limoen­frisse single ‘Home Is Not Home’ zit te wachten, is eindelijk uit. Nog beter nieuws: de auteur van de plaat – Joost Zweegers – voelt zich na een paar weerbarstige jaren weer helemaal oempalapapa. "Ik ben doodgelukkig, man."

Welkom op de plek waar ik het grootste deel van mijn leven doorbreng”, zegt Joost Zweegers. We bevinden ons in zijn herenhuis in Berchem, in een kelderhok dat zich van de drukdoenerige buitenwereld niks aantrekt. Ik zie een houten piano, een tot bandeloos meppen uitnodigend drumstel, een sofa die minstens even hard geleefd heeft als Amy Winehouse en een dertigtal gitaren die van Zweegers – iedereen heeft recht op een kleine afwijking – kaarsrecht in hun houders moeten staan. 

Voorts: een zwart-wit­foto van John Lennon en Yoko Ono, een verloren gelopen cd van Nick Drake, een stel Yamaha-keyboards, een humeurige cactus en een als hoogpolig tapijt vermomde akoestiek­regelaar. Het Zweegers-heiligdom heeft veel weg van een mancave, maar dan voor jongetjes die liever met de muze spelen dan met de Xbox.

“In deze ruimte kan ik de speelvogel zijn die ik deep down nog altijd ben”, verklaart Zweegers zijn verknochtheid aan zijn muzikale
safe room. “Ik werk hier bijna altijd ’s nachts. Het is heerlijk om muziek te maken terwijl iedereen ligt te slapen en er in de verte af en toe een trein voorbijschiet. ’s Nachts slokt de tijd mij helemaal op. Ik weet op voorhand nooit om hoe laat ik ’s ochtends weer naar boven zal trippelen.

Joost Zweegers. Beeld Diego Franssens

“Nadat ik een concert gespeeld heb, ga ik niet op café, maar kom ik naar hier. Dan wil ik nog een paar uur muziek spelen. Liefst in het gezelschap van een sigaar, een goeie fles wijn en mijn jeugdvriend Arnold, die tijdens tournees vaak mijn chauffeur is. Arnold rookt dan op de bank sigaretten terwijl ik aan het componeren ben. Het gebeurt dat ik op het einde van zo’n nacht demo’s naar mijn management stuur. Meestal ben ik dan half­dronken en denk ik: dit is zo goed, daar moeten ze nú naar luisteren.” (lacht)

Hij gaf nooit eerder een interview in zijn
jardin secret. Bij gebrek aan klassiek meubilair is het even zoeken naar het juiste gespreks­gereedschap. Maar aan twee piano­stoelen en een tafeltje waarop mijn band­opnemer zich kan uitstrekken, hebben we meer dan genoeg.

Hoewel de namiddag al flink is opgeschoten en de zon zich ‘is het al zo laat?’ mompelend uit de voeten maakt, drinken we volop koffie: Zweegers is de avond voordien gejetlagd teruggekomen uit Noord-Korea en kan wel wat cafeïne­doping gebruiken.

“Ik heb er 26 uur over gedaan om van Pyong­yang naar Brussel te reizen en heb de voorbije nacht nauwelijks geslapen. Maar ik ben blij dat ik eindelijk eens in Noord-Korea ben geweest. Ik was er met mijn twee broers. We zijn naar de Mass Games gaan kijken: een Cirque du Soleil-achtig spektakel ter ere van de Kim-dynastie. Heel Noord-Koreaans, heel gesynchroniseerd. (lacht) En ook Pyongyang was adembenemend. Het staat er vol futuristische wolkenkrabbers in bevreemdende blauw-, roze- en groen­tinten. Je waant je er in een science­fiction­film uit de jaren 60.

“We konden bellen noch surfen, we waren volledig afgesloten van de rest van de wereld. Ik had werkelijk geen idee van wat er op het thuisfront met mijn muziek aan het gebeuren was. Best wel raar, vlak voor de release van mijn nieuwe plaat.”

Eenmaal terug in België volgde de Novastar-update. Die luidde, kort samengevat: het gaat nog altijd rete­hard. Sinds de release van ‘Home Is Not Home’, ‘Pale Eyes’, ‘Life Is All’ en ‘Holly’, de nummers die zich de voorbije maanden zo behaaglijk in uw buis van Eustachius nestelden, is Novastar zonder enige tussenkomst van Russische hackers weer hot en trending.

“De reacties op de nieuwe songs doen me soms denken aan hoe mijn debuut­plaat onthaald werd: er wordt me weer van alle kanten warmte en liefde toegeworpen. Heel innemend allemaal. En dan moet de rest van het album nog uitkomen.”

Het album in kwestie heet In the Cold Light of Monday, is sinds gisteren overal verkrijgbaar en gaat door het leven als een liedjes­assortiment dat niet gepersonaliseerd, gecureerd of ge-wat-dan-ook moet worden: letterlijk élk nummer behoort tot het beste wat Novastar ooit op plaat zwierde; zelfs mijn op eclectische afspeellijsten beluste oren lieten me weten dat ze de nieuwe Novastar bij voorkeur in zijn geheel consumeren.

“De songs zijn allemaal in dezelfde kleuren gedrenkt”, zegt Joost Zweegers. “Ze vormen samen een schilderijtje. En daar is zelfs in streamingtijden niks ouderwets aan. Ik ken veel jongeren die – ook op Spotify – nog altijd naar albums luisteren. Dankzij de Netflix-serie Stranger Things is Rumours van Fleetwood Mac zelfs een van de meest gedownloade platen van de afgelopen jaren.”

It’s been a long time’, luidt de eerste regel op je nieuwe plaat. Gepast openingszinnetje: het heeft naar goeie Novastar-traditie weer vier jaar geduurd voor je album klaar was.

Joost Zweegers: “Ik was nochtans een hele tijd geleden al aan deze plaat begonnen. Samen met John Leckie, de producer met wie ik ook Inside Outside heb gemaakt. Maar net voor we zouden opnemen, werd John ziek. Er zat niks anders op dan alles om te gooien. Ik besloot met Mikey Rowe en Andrew Britton als producers te werken en de preproductie van Leckie overboord te kieperen: je kunt nieuwe compagnons de route niet opzadelen met het werk van hun voorganger. Mikey, Andrew en ik selecteerden andere nummers voor de plaat en besloten ze ook op een andere manier op te nemen. Niet live, maar track to track. Niet ’s nachts, maar overdag. En niet in Londen, maar in Brighton. Vandaar de vertraging.”

Volgens Rowe en Britton heb je de neiging steeds weer nieuwe versies van je songs te maken. Ze wijten dat aan het feit dat je zo getalenteerd bent: omdat je zo makkelijk het tempo of de klankkleur van een nummer kunt veranderen, dóé je dat ook. Dat gefreewheel verklaart vast ook waarom je er zo lang over doet om een plaat te maken.

(knikt) “Ik ben heel kritisch voor mezelf. Ik ben aan deze plaat begonnen met 35 nummers en heb er uiteindelijk 12 overgehouden. En van een nummer als ‘Holly’ heb ik wel vijftig verschillende versies gemaakt. Dan duurt het maken van een plaat langer, natuurlijk. Maar dat kan me niks schelen. Net omdat ik zo gepassioneerd aan mijn songs werk, zijn ze ook zo goed.

Op Pukkelpop werd ‘The Best Is Yet to Come’ deze zomer door drie verschillende generaties meegezongen. Dat gebeurt niet zomaar, dat komt omdat ik jaren aan dat nummer gewerkt heb: het staat als een huis. Mijn net niet neurotische manier van werken loont dus.”

En is ongetwijfeld verschrikkelijk vermoeiend.

(lacht) “Na elke nieuwe plaat zeg ik tegen mijn vrouw Isabelle: ‘Dit is de laatste plaat die ik gemaakt heb. Ik heb er weer zoveel van mezelf in moeten investeren, ik ben gewoon op.’ Maar ze gelooft me al lang niet meer. Ze ziet ook wel hoe diep muziek mij blijft raken.”

Wat gebeurt er met de songs die net niet goed genoeg zijn? Gooi je ze weg of laat je ze sudderen in ontevredenheid tot ze zich spontaan aanbieden om verbeterd te worden?

“Dat ligt eraan. ‘Home Is Not Home’ had ik al vrij lang, maar stond qua structuur nog niet helemaal op punt. Dat nummer heb ik vlak voor de opnames van de nieuwe plaat weer opgepikt en afgewerkt. Maar over het algemeen grijp ik niet zo snel terug naar vervlogen kladjes. Het is spannender om aan een nieuw nummer te beginnen dan om een oude song af te maken.”

Kán een Novastar-nummer wel af zijn? Je zei ooit dat je live je eigen songs covert. Met andere woorden: dat je er zelfs op het podium steeds weer nieuwe versies van maakt.

“Ja, maar dat doe ik sinds kort niet meer. Op verzoek van mijn nieuwe management. (lacht) ‘Speel je nummers nu eens gewoon zoals ze zijn in plaats van ze al spelend te herschrijven’, zeiden ze. Dat doe ik sindsdien en mét resultaat: mijn songs klinken live heel punchy, heel energiek. Ze komen als een wervelwind op je af.”

Je noemt In the Cold Light of Monday een vervolg op je debuut­plaat.

“Ja, omdat ik uit de reacties van mensen opmaak dat beide platen aan elkaar verwant zijn. Ze hebben dezelfde frisheid, denk ik. En zowel op mijn eerste als op mijn nieuwe plaat is mijn stem naar voren gemixt. Al was het niet nadrukkelijk de bedoeling om terug te keren naar mijn roots. Ik laat me nooit leiden door een vooraf bepaald plan. Ik vertrek altijd vanuit mijn intuïtie, de emoties van het moment.

“Sommige mensen raden me dat af: ‘Je gaat vroeg of laat tegen de muur knallen, Joost. Probeer die hele songschrijverij ook eens als een job te zien.’ Maar dat kan ik niet. Ik móét me laten meevoeren door mijn emoties. Anders ben ik niet trouw aan mezelf.”

Hoe vervelend is het om – nadat je je intuïtie gevolgd hebt – te moeten constateren dat je je fans hebt afgeschud? Na de release van In­side Outside haakte een deel van je publiek af.

“Een deel van mijn poppubliek wel, ja. Daar­tegen­over stond dat ik plots muziekliefhebbers aantrok die mij daarvoor te lichtvoetig vonden. (lacht) Er zijn mensen die over Inside Outside heel negatief zijn, maar er zijn ook mensen die het mijn beste plaat ooit vinden. Laten we het er dus maar op houden dat het een bijzondere plaat is. Het was in ieder geval het album dat ik toen móést maken. Ik had de songs van Inside Outside al een hele tijd in mijn schuif liggen. Op een gegeven moment wilde ik ze ook opnemen. Had ik dat niet gedaan, dan had ik geen plaats gecreëerd voor iets nieuws. Dan was ik bij die liedjes blijven hangen.”

Was je ten tijde van Inside Outside teleur­gesteld in je publiek?

“Nee, ik ben nogal nuchter in die dingen. Ik wist dat de nummers die ik toen geschreven had, niet zo poppy waren. En dat ik met John Leckie als producer geen doorslagje ging maken van wat ik daarvoor al had gedaan. Dat Inside Outside mijn minst commerciële album is geworden, is geen ramp. De opnames met Leckie zijn voor mij een levens­veranderende ervaring geweest. En een aantal nummers op de plaat – ‘Closer to You’, ‘Kabul’ – reken ik nog altijd tot het beste wat ik ooit heb gemaakt. Bovendien: ik heb niks met geld, ik volg mijn hart. Ik ben Inside Outside destijds in een aantal Antwerpse cafés gaan spelen. Van die optredens kwam ik ziels­gelukkig thuis. Omdat ik de muziek had gespeeld die ik op dat moment wóú spelen.”

Vind je als fan soms dat een van je idolen de verkeerde weg inslaat? Zelf ben ik verzot op de John Grant van Queen Of Denmark, maar niet echt op die van Pale Green Ghosts.

“Dat heb ik ook weleens, maar ik zal artiesten die hun hart volgen nooit afvallen. Ook al vind ik hun muziek tijdelijk wat minder, ik bewonder hun artistieke eerlijkheid. Ik heb een groter probleem met artiesten die ik een zekere echtheid toedicht, maar die op een gegeven moment de commerciële kaart trekken omdat ze hun publiek per se willen behouden. Dat levert vaak belabberde muziek op.”

“Gaat het goed?”, vraagt hij plots. “Ik praat natuurlijk wel veel, maar daar heb je zelf om gevraagd, niet?” (lacht) Hij verdwijnt naar de keuken om verse dosissen cafeïne te bereiden, ik blijf alleen achter in zijn walhalla. Terwijl ik ongegeneerd om me heen gluur, valt me een blad papier op dat met een kleefbandje aan een muur is bevestigd. ‘Music is a moral law’, staat erop. ‘It gives soul to the universe, wings to the mind, flight to the imagination, a charm to sadness, gaiety and life to everything. It is the essence of order and lends to all that is good, just and beautiful.’ Was getekend: Plato. Al had het – weliswaar wat minder bombastisch geformuleerd – net zo goed een Joost Zweegers-quote kunnen zijn.

Muziek beroert hem zo mogelijk nog meer dan vroeger, vertelde hij me in het begin van ons gesprek. “Als ik Paul McCartney op zijn nieuwe plaat met die brozer wordende, gecraqueleerde stem hoor zingen, raakt dat werkelijk elke vezel in mijn lijf.”

Word je soms nog ontroerd door je eigen muziek?

“Toen ik voor het eerst ‘Home Is Not Home’ op de auto­radio hoorde – ik kwam terug van Noord-Frankrijk en stak net de grens over – schoot ik helemaal vol. Je moet weten: pas als je een nieuw nummer op de radio hoort, weet je of het iets voorstelt. En het klonk mooi, man! (lacht) Dus ja, mijn eigen songs ontroeren me weleens.”

Beeld Diego Franssens

Heerlijk dat je dat gewoon toegeeft.

“Ach, ik kan veel dingen niet, maar muziek maken wél. Dat is te danken aan het talent dat mij is toebedeeld, maar vooral aan de doortastendheid waarmee ik dat talent probeer te ontwikkelen. Ik ben extreem veel­eisend voor mezelf. Van alles wat ik maak, gooi ik 90 procent weg. En ik schrijf elke dag muziek, kun je nagaan.”

Jouw talent voor muziek ontbolsterde nadat het toeval je op tienjarige leeftijd knip­ogend een Beatles-plaat in de handen had geduwd.

“Daarvoor wees niks erop dat ik ooit muzikant zou worden. In mijn ouderlijke woning in Neerpelt was geen piano of gitaar te bespeuren. Het is dankzij Lennon en McCartney dat ik mijn lotsbestemming ontdekt heb. Die Beatles-platen betekenen alles voor mij.”

Samen met The Beatles sloop ook Engeland in je hart.

“Ja. Al zitten ook The Stranglers daar voor iets tussen: ‘Golden Brown’ riep bij mij weemoedige beelden op van een Noord-Engelse stad in herfst­modus. Ik was al verliefd op Engeland nog voor ik er één voet aan wal had gezet. (lacht) En dat gevoel is nooit meer weggegaan. Nog altijd rij ik met vlinders in de buik naar Calais. Wanneer ik met de auto de ferry oprij en de meeuwen in de lucht hoor krijsen, ben ik inwendig al aan het jubelen.”

Je gaat regelmatig een paar maanden in Engeland werken. Heb je nooit zin om er met je gezin te gaan wonen?

“Nee. Wat mijn liefde voor Engeland intact houdt, is dat ik er telkens weer van terugkeer. Daardoor kan ik het land vanaf een afstand blijven aanschouwen. Plus: ik hou ervan om in mijn eentje in Engeland te zijn. Als ik er met Isabelle en de kinderen zou wonen, zou het voor mij een heel ander land worden. Het is net de einzelgängerij waaraan ik mij in Engeland kan overgeven, die mijn passages daar altijd zo rijk en fantasievol maakt.”

Je nam je nieuwe plaat op in Brighton. Wat sijpelt er van zo’n stad door in je muziek?

“Ik heb Brighton tijdens de herfst en de winter meegemaakt. In die tijd van het jaar overspoelt de laaghangende zon de victoriaanse huizen met melancholische herfst­tinten. Terwijl de heldere lucht tegelijkertijd iedereen op scherp zet. Die combinatie van weemoed en frisheid zit volgens mij ook in de plaat.”

Heeft de geschiedenisfreak in jou tijdens je verblijf nog iets opgestoken over archeologisch Engeland?

“Ik heb in Cornwall tinmijnen bezocht die dateren van 4.000 voor Christus. Dat was heel bijzonder. Maar mijn passie voor geschiedenis beperkt zich niet tot Engeland: ik weet ook alles over de historiek van Antwerpen. Als ik buitenlandse vrienden op bezoek heb, speel ik vaak stadsgids voor hen. (wijkt af) Weet je wat mij gelukkig maakt? Een paar gestolen uren doorbrengen op het terras van het Paters Vaetje: een klein café in de schaduw van de Onze-Lieve-Vrouwe­kathedraal. Als de zon schijnt, ga ik er vaak zitten. Dan drink ik een Corsendonck en lees ik een geschiedenisboek. En af en toe kijk ik half verlegen naar De Dame, die magnifieke kathedraal die boven alles en iedereen uittorent.”

Behalve met citaten van Griekse filosofen leukt Joost Zweegers de muren van zijn keldertempel ook op met tekeningen van zijn kinderen. Boven de sofa hangt een studie van een bloeddorstige draak. Of van een genetisch gemanipuleerd konijn met kannibalistische trekjes, dat kan ook.

Drie kinderen heeft hij inmiddels: Lucy (9), Judy (6) en Elton (3). En nee, die namen verwijzen niet naar ‘Lucy in the Sky with Diamonds’, ‘Hey Jude’ of Elton John. Zijn kinderen moesten gewoon namen hebben die klinken als een klok. En geef toe: Elton Zweegers, veel swingender kan een duet van voornaam en familienaam niet zijn.

Hij is een speelse vader, zegt hij. Een jongetje dat papa genoemd wordt. “Ik hou ervan om mijn kinderen mee te nemen op avontuur. We gaan weleens samen over de rotsen lopen in Noord-Frankrijk. Ik ben niet echt van het beschermende type, nee. Ik laat mijn kinderen liever – op een verantwoorde manier – tegen de muur botsen dan dat ik ze voor alles probeer te behoeden. Wat niet wegneemt dat ik me wel degelijk zorgen maak om hun veiligheid in het verkeer. Ik huiver als ik een auto te hard door onze straat hoor rijden.”

Mis je je kinderen wanneer je weer eens voor een paar maanden in Engeland zit?

“Natuurlijk. Maar ze zijn gelukkig nog klein. Als ik weer terug ben, pikken we de draad snel weer op. Zelf zijn ze vooral droevig wanneer ik vertrek. Daarna gaan ze gewoon door met hun leven.”

Vind je het een opgave om het songschrijverschap te combineren met het vaderschap?

“Nee. Maar dat heb ik vooral te danken aan Isabelle, die perfect begrijpt waarom ik naar Engeland moet om een nieuwe plaat op te nemen. Isabelle steunt mij in alles wat ik doe, ze heeft mij nog nooit proberen tegen te houden. Ze verkiest een gelukkige, maar nu en dan afwezige Joost boven een standvastige, maar uitgedoofde versie van mezelf.

“Eén keer heeft ze me tot de orde geroepen: toen het met mijn vorige plaat maar niet wilde lukken en ik op de rand van een depressie balanceerde. Toen heeft ze gezegd: ‘Nu is het genoeg, Joost. Ik zie jou helemaal wegkwijnen en dat ga ik niet toelaten. Je hebt kinderen, dit moet nú stoppen.’ Gelukkig kreeg ik niet lang daarna de kans om in Engeland met John Leckie te gaan werken. Isabelle was toen de eerste om te zeggen: ‘Dóén. Dit gaat je helpen om uit je dal te kruipen.’”

Joost Zweegers: "Sinds het ongeval in 2005, toen ik in Vorst Nationaal van het podium viel heb ik geen twee weken zonder pijn geleefd." Beeld Diego Franssens

In ‘Kabul’ zing je: ‘Cause everything I’ve ever learned from love is / Maybe I’m just not grateful enough.’ Iets zegt me dat die regels auto­biografisch zijn.

“Ik kan Isabelle niet dankbaar genoeg zijn. Ze wordt elke ochtend goedgezind wakker en straalt enorm veel positiviteit uit. Ze maakt van mij een beter en vrolijker mens.”

Uit jezelf neig je meer naar melancholische somberte?

“Ik heb een hele tijd nogal wat negativiteit met me meegezeuld, vrees ik. En dat heeft veel te maken met het ongeval dat ik in 2005 heb gehad. Ik ben toen vanaf grote hoogte van het podium gevallen in Vorst Nationaal. Resultaat: een verbrijzelde hiel die enkel gerepareerd kon worden door mijn gewricht te beschadigen.

“Ik wil het niet dramatiseren – er zijn ergere dingen in de wereld – maar ik heb sindsdien geen twee weken zonder pijn geleefd. En geen lichte, negeerbare pijn, maar pijn die voelt alsof iemand een mes in je voet aan het knallen is. Op sommige dagen kan ik niet stappen. En voetballen met mijn zoontje – hoe graag ik dat ook zou willen – lukt ook niet. Ik heb er behoorlijk wat moeite mee gehad om dat allemaal te aanvaarden.”

Je moest ook mentaal revalideren?

“Ik voelde me gefrustreerd en kwaad. Ik haalde soms uit naar andere mensen, wat niet altijd correct was. En ik neigde naar zelfmedelijden: zelfs kleine tegenvallers werden in mijn hoofd onoverkomelijke problemen.

“Ondertussen heb ik leren leven met de gevolgen van mijn ongeval. Ik heb nog altijd dezelfde voetproblemen, maar mentaal zit het weer helemaal goed. Ik bekijk het leven weer een stuk positiever en laat me niet meer zo snel uit mijn lood slaan. Er zijn mensen die me zeggen dat mijn ongeval me zowaar in gunstige zin heeft veranderd. En na dertien jaar vind ik dat eindelijk zelf ook.”

Novastar speelt op 20 december in de Ancienne Belgique in Brussel. Info en tickets: abconcerts.be.

Wie is Joost Zweegers?

geboren in Sittard, Nederland, op 1 april 1971/ groeide samen met zijn twee oudere broers op in Neerpelt / won in 1996 Humo’s Rock Rally / bracht tot nog toe vijf albums uit: Novastar (2000), Another Lonely Soul (2004), Almost Bangor (2009), Inside Outside (2014) en In the Cold Light of Monday (2018) / ging in 2001 op tournee met Neil Young / woont in Antwerpen, samen met zijn vrouw Isabelle en zijn kinderen Lucy (9), Judy (6) en Elton (3)

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234