Zondag 20/10/2019

Interview

Joost Andries over echtgenote Lies Lefever: ‘Ze kon iedereen aan het lachen brengen, maar er was altijd... iets’

Beeld Lies Willaert

‘Ik ben Liesje met het Zware Verleden.’ Zo stelde ze zich ooit aan me voor. Een wegwerpkindje, lachte ze dan, schijnbaar onbekommerd. Lies Lefever was een van de charmantste cabaretières in ons land, maar ook een van de meest gekwelde. Zeven maanden na haar dood spreken we met haar man Joost Andries over verlies, kwaadheid en onafscheidelijke liefde.

Een warme zomerdag. De wind geeuwt in Asse, en gaat dan weer moedeloos liggen onder de hittegolf. Tegenover me zit Joost in een tuinstoel. In de loop van de middag zullen we lachen om gedeelde anekdotes, maar ook huilen, en vallen we elkaar trillend in de armen. Een enkele keer wordt het gesprek ongelukkig verstoord door de gierende sirenes van een ambulance. Ik slik, hij geeft geen krimp. Dat dramatische gieren hoorde hij vaker dan hem lief was. 

Dat Lies Lefever, Liesje, een ongelijke strijd leverde met zichzelf, was niet zo bekend. Al had je dat wel kunnen afleiden uit die aangrijpende aflevering van Heylen en de herkomst. Op televisie herbeleefde ze haar kindertijd in Rwanda, waar bouwvakkers haar – ze was nog een baby – uit een beerput visten waar ze door haar moeder was ingekieperd. Wegwerpkindje. Het licht in haar ogen werd goeddeels gedoofd door de ammoniak.

Joost Andries: "Liesje was wilder dan ik, en zij nam me op sleeptouw." Beeld Stefaan Temmerman

“Mijn leven begon tussen de pis, de kak en de wormen”, vertelde ze onomwonden in het programma van Martin Heylen, die met Liesje en haar trouwe toeverlaat Joost terugkeerde naar het dorp Nyamasheke. Ze leek toen vrij onbewogen onder de horror, zoals ze iedereen altijd een rad voor ogen had gedraaid. Op de school waar haar zoontje en mijn dochter op dat ogenblik hun broek sleten, leerde ook ik Liesje kennen als een lichthartig grappige vrouw. Maar niets was minder waar.

Slappe lach

De onafscheidelijke tandem Joost en Liesje ontmoette ik voor het eerst op een schoolfeest in Asse. In een oogwenk hadden we een hoogoplopende discussie over dEUS. Zij vond hen gruwelijk, Joost en ik staken veel te enthousiast – én lang – een lofrede af over Worst Case Scenario. Ondanks die ene muzikale dwaling van haar kon je niet anders dan bezwijken voor haar charme. Dat deed dan ook iedereen. 

Ik herinner me nog hoe ze – na alweer een ander feestje ’s avonds op school – mijn arm vastgreep en vroeg: “Jij gaat me toch naar huis brengen, hè?” Ik durfde niet tegen te sputteren dat ik nachtblind was, omdat ik liever het woord ‘blind’ niet gebruikte. Liesje werd niet graag geconfronteerd met haar beperkt gezichtsvermogen.

Op een pikdonkere speelplaats waggelden we dan maar hotsend en botsend tegen drempeltjes en een hek, tot ik haar moest bekennen dat ik geen steek voor ogen zag. Ze foeterde, en stak daarna de hele weg naar huis de draak met me. “Wat een sukkeltje zijde gij, zeg! Wilde gij ons écht dood krijgen? Ge zijt nog blinder dan ik, verdomme! Gevaarlijke zot!” Stommelend naar haar huis, verdronken we in de slappe lach.

Joost schatert wanneer hij het verhaal hoort. “Ik kan me zo voorstellen dat ze je niet gespaard heeft. Niemand was zo recht voor de raap en authentiek als zij.”

Helaas was er ook een andere kant aan Liesje. Donkerder dan het donkerste grafiet.   

Joost Andries en Lies Lefever tijdens de voltrekking van hun huwelijk. Beeld Lies Willaert

Internetkoppel

“Ik viel altijd op sociaal vlotte, grappige meisjes”, vertelt Joost. “En zij viel op slimme, lieve, grote jongens. Kwam dát goed uit. (lacht) We leerden elkaar rond de eeuwwisseling kennen, denk ik. Eigenlijk zijn we een internetkoppel. Nog voor Tinder hebben we elkaar ontmoet op Rendezvous.be. (lacht) Niet per se om een lief te zoeken, trouwens. Meer om mensen te zoeken met wie je kon afspreken om iets leuks te doen. We werden moderne pennenvrienden. Zij schreef graag, veel en goed. Af en toe spraken we af in Antwerpen, soms hoorde ik wekenlang niets van haar. Liesje had veel vrienden.

“Voor ik Liesje leerde kennen, was ik redelijk nerdy. Niet erg sociaal ingesteld ook. Ik was het type dat te lang bleef rondlopen met een veel te korte broek. Traag van puberaal begrip en onhandig. In het begin van het middelbaar behoorde ik nog tot het coole vriendenclubje, maar met de jaren schoof ik steeds meer op naar de marge. (lacht) Het hele jongens-meisjesgedoe ging me erg moeizaam af. Ergens wilde ik wel een wilder en sociaal leven: ik viel altijd op meisjes die zo’n leven leidden. Maar ik durfde hen zelden aan te spreken, omdat ik dacht ze me sowieso niet zouden zien staan. Liesje was eigenlijk ook zo’n meisje. Maar zij nam me op sleeptouw.”

“De vonk is pas overgeslagen toen we gingen kamperen in de tuin van de ouders van vrienden. De eerste avond lagen we samen, met een vriendin tussen ons in. Op een bepaald ogenblik zei die: “Goh, ik denk dat ik toch maar eens in een ander tentje ga liggen.” Wij begrepen niet waarom. (lacht) Maar blijkbaar zag iedereen al lang dat er iets in de lucht hing. Die nacht hebben we voor het eerst gekust. En sindsdien zijn we onafscheidelijk. We verveelden ons ook geen moment samen.”

 “We hadden allebei een romantisch beeld van de liefde. Een beeld dat je vandaag eigenlijk niet meer tegenkomt. Ik vlinderde nooit van het ene vriendinnetje naar het andere. Alleen wanneer ik het écht meende, kon ik met iemand samenzijn. Liesje was dan ook mijn eerste serieuze lief, en vice versa.”

“Als tiener had Liesje wel een vriendje. Ze waren een hele tijd onafscheidelijk, maar al puberend ontdekten ze samen dat hij toch eerder op jongens viel. Daar plaagde ze hem nog vaak mee, zoals ze iedereen plaagde. Liesje zou getuige zijn geweest op zijn huwelijk, deze zomer.” (stilte)

Niet goed in haar vel

“Liesje dacht dat niemand zat te wachten op een zwart, slechtziend meisje. Ze zat toen al niet zo goed in haar vel. Ze droeg veel te wijde kleren, kap over haar hoofd. Ze verborg zich echt. Dat was zo dubbel aan haar: Liesje kon iedereen aan het lachen brengen, maar er was altijd… iets.”

“In het begin merkte ik al dat haar verleden veel gevoeliger lag dan ze liet uitschijnen. Zo werd ze eens overdreven kwaad toen ik haar wilde helpen met het intoetsen van haar pincode. Aan medelijden had ze lak. “Ik zou me wekelijks een depressie kunnen laten aanpraten door goedbedoelende wildvreemden”, schreef ze eens op haar blog. Ze wilde graag tonen dat ze zelfstandig was. Ze kón ook veel zelf. Ze heeft even op een blindenschool gezeten, maar ik merkte dat ze meer vrijgevochten was, minder bescherming nodig had.”

Lies Lefever. Beeld Familiearchief

“‘Fistful of Love’ van Antony and the Johnsons was de openingsdans van ons huwelijk. Die song hebben we ook op de ceremonie in januari gedraaid, na haar dood. Voordien had ik nooit begrepen hoe dramatisch die song precies was. We wilden gewoon niets meligs op ons trouwfeest horen. Er was ook een mooie herinnering aan verbonden: in Bologna speelde Antony ooit gratis op een prachtig plein. In een zotte opwelling zijn we toen vanuit België naar Italië gereden. Tentje in de auto en rijden maar. Aan concrete plannen deden we niet. Ons idee was altijd: we zien wel.” (lacht)

“Ik luister sinds januari nog altijd vaak naar de muziek die we allebei mooi vonden. Maar ik ben nu wel meer bezig met de teksten. Vaak zijn dat zwaarmoedige, treurige liedjes. Soms voel ik dat de tranen klaarstaan, en om mezelf nog een klein duwtje te geven, leg ik dan Jason Molina, Sophia en EELS op. Of ‘Long Live the Queen’ van Frank Turner, terwijl ik naar foto’s van ons kijk.” 

Onderstroom

“In de eerste maanden na haar dood voelde het aan alsof ik meegesleurd werd door een onderstroom in de oceaan. Ik was triestig en kwaad tegelijk. Kreeg mijn emoties ook niet onder controle. Voordien had ik mijn gevoelens altijd in de hand, maar de voorbije maanden kon ik onaangekondigd woedend worden. En vanuit het niets viel het verpletterende idee op me dat ik voortaan alles zonder Liesje zal moeten beleven.”

“Ik ben onlangs veertig geworden. Een absolute kutdag. Ook toen Wannes zijn lagereschooldiploma behaalde, of toen Kobe zei dat hij koksschool wilde volgen, miste ik haar enorm. Maar eigenlijk is het gemis constant aanwezig. Het zit hem nog veel meer in alle kleine en grote dingen van elke dag, dan in die grote momenten. Sommige zaken in het leven kun je vooraf inschatten. Maar je kunt eigenlijk nooit weten hoe het écht zal aanvoelen om er ineens alleen voor te staan.”

“Onze jongens zijn stiller geworden. De grond onder hun voeten is volledig weggevaagd. Sinds de dood van Liesje hangen we alledrie gelukkig heel sterk aan elkaar. Maar we moeten nog een lange weg afleggen. Aan vriendjes vertellen ze eigenlijk niets, aan mij net iets meer. Ik besef wel dat haar laatste jaren en haar dood steeds zullen blijven terugkomen in hun emotionele ontwikkeling. Dat kan over een paar jaar zelfs nog heftiger worden, wanneer ze de liefde ontdekken, of op andere scharniermomenten. Dat zal nog voor veel moeilijkheden zorgen, maar ik zal ervoor proberen te zorgen dat ze hun weg blijven vinden.”

“Was Liesje vijf jaar geleden gestorven, dan zou ik ongetwijfeld in een blinde paniek zijn geschoten. Ik had niet geweten hoe ik dit leven moest leiden. Een gezin, werk en een sociaal leven combineren: ik heb dat allemaal van haar geleerd. Dankzij haar heb ik nu het vertrouwen dat ik het wel zal aankunnen: voor onze jongens zorgen, en ook nog een eigen leven opbouwen.”

Niet te bevatten

“Ik praat weleens met een goede vriendin, die toevallig psychologe is. In de eerste weken na Liesjes dood heb ik haar dagelijks gebeld. Soms zelfs om vier uur ’s nachts. Op zulke ogenblikken besefte ik weer iets beter hoe gruwelijk moeilijk Liesje het moet hebben gehad. Dat was van een orde die voor jou of voor mij onmogelijk te bevatten is.”

“In de week nadat ze is gestorven, heb ik nachtenlang niet geslapen. Ik moest honderd-en-een zaken regelen, voelde me verloren. Ik was kapót. Toen besefte ik plots: zo was het leven dus altijd voor Liesje. Zij sliep geen enkele nacht écht door. En ook zij moest haar leven op de rails zien te houden, terwijl die tragedie van vroeger haar nooit losliet.”

“Toen ik haar verloor, zat ik dieper dan ooit. Maar zo zag voor haar een gemíddelde dag er dus uit. Of dat geloof ik toch, omdat ik me gewoonweg niet kan voorstellen hoe zwaar elke nieuwe dag moet zijn geweest.”

Joosts stem begint te stokken. “Ik ben haar enorm dankbaar dat ze het zolang heeft volgehouden. Dat ze mij en onze jongens zover heeft gebracht dat het wel zal lukken met ons drieën. Hoe moeilijk dat ook is.”

We pauzeren even. Drinken iets.

“Liesje hield in het openbaar altijd een scherm hoog”, vertelt Joost. “Na een voorstelling klampten mensen me weleens aan, en zeiden: “Dat moet toch wel tof zijn, om met zo iemand samen te leven!” Dan knikte ik wezenloos voor me uit. Thuis hoefde ze namelijk géén masker op te houden. Dan viel die last weg, maar dat zorgde er ook voor dat het de laatste vijf jaren voor ons niet tof was. Dat hoofd van haar blééf maar malen. Als kind sliep ze al slecht, en ze was heel lang op zoek naar rust. Dan ben je al snel vatbaar voor verdovende middelen. Drank, in haar geval. Drugs niet. Daar was ze te bang voor. Ze wilde wel, maar durfde niet. Als die angst er niet was geweest, zou ze aan zwaarder spul verhangen zijn geweest. Anderzijds… Het verhaal is nu ook al erg genoeg.”

Beeld Lies Willaert

Demonen

Om dat verhaal te vertellen, moet hij een aanloop nemen, zegt hij. “Dat het al lang niet goed ging met haar, dat wist je, hè? De opnames in psychiatrische instellingen, de therapeuten… Al onze vrienden hadden daar weet van.”

“De laatste vijf jaar waren een ramp. Na een opname of een paar bezoeken aan een psycholoog of therapeut zocht Liesje algauw uitvluchten om er niet langer naartoe te moeten gaan. Ze wilde wel, wist ik... Maar ook weer niet. Het viel haar te zwaar om over die demonen in haar hoofd te praten.”

“Ik nam eens contact op met die hulpverleners. Door wat ze mij zeiden, kwam ik tot het besef dat Liesje hen zes maanden lang eigenlijk níéts had verteld. Nog altijd vind ik dat pijnlijk en onvergeeflijk. Dat zoiets mogelijk is. Her en der vond Liesje wel mensen die oprecht met haar begaan waren, maar het systeem van hulpverlening is rot. En zelfgenoegzaam. De mensen in de psychiatrie zijn er heilig van overtuigd dat ze goed bezig zijn, maar ik kreeg vaak het idee dat je in zo’n instelling in de jaren 60 binnenstapte.”

“Het laatste jaar is ze gelukkig opgenomen in Zelzate. Die psychiater was heel betrokken. In therapiecentrum De Bleekweide zag ik ook dat ze vorderingen maakte, maar toen was Liesje eigenlijk al te ver heen. Voordien moest ze vaak een paar dagen op voorhand een afspraak maken om dan een half uur met iemand te kunnen praten, terwijl ze op het moment van de afspraak dieper dan ooit in de put zat. Dat is waanzin. Ik weet dat Liesje zich daar heel ambetant over heeft gevoeld. Ik heb één psycholoog ooit kwaad gezegd dat ze net zo goed tegen een plant had kunnen praten.”

“Het was onvoorstelbaar frustrerend. Liesje ging uiteindelijk alleen in opname om mij een plezier te doen. Omdat we het thuis niet meer volhielden. Maar het was altijd tegen haar zin. Ergens hoopte ik dat die opnames een verschil zouden maken, maar ze speelde toneel. Van in het begin. Ze kon er iedereen om haar vinger winden, omdat ze wist wat die mensen wilden horen. Soms denk ik dat ze het nooit serieus heeft genomen.” 

Opgebrand

“Hoe het nu zou zijn als Liesje nog leefde? Kei-slecht. De hel. Dat is pijnlijk om te zeggen, maar ik wist vorig jaar echt niet meer wat ik moest aanvangen. Ze dronk, maar was ook losgeslagen. Ze bleef soms nachtenlang weg van huis, belandde in Oostende of Brussel op de spoeddienst zonder te weten hoe ze daar was terechtgekomen.”

“Ik heb haar ook eens bij de politie als vermist moeten opgeven. Toen ik vorig jaar eens op een feestje was, in de Kempen, kreeg ik een telefoontje van haar: ‘Joost, ik bel je om afscheid te nemen.’ Ik raakte natuurlijk in paniek, belde meteen naar politie, ziekenhuis en vrienden. Om dan te horen dat die vrienden bij haar hadden aangebeld, en ze verwonderd de deur opendeed: “Wa komde gélle hier doen?” Die waanzin sloopt je. Ik was op alle gebied kapot. Ik kon het niet meer aan. In september vorig jaar ben ik zelfs gestopt met werken, omdat ik opgebrand was. Met onze jongens ging het toen trouwens ook niet zo goed. Wannes ging niet meer graag voetballen, en de jongens bleven te vaak ziek weg van school.”

“Vlak voor Nieuwjaar wilde ik een dilemma voorleggen aan mijn psycholoog. “Ik hou het niet meer vol. Onze jongens ook niet. Ik ben al zevenhonderd keer over mijn grens gegaan. Maar als ik Liesje laat vallen, gaat ze dood, dat besef ik ook. Ik ben haar laatste strohalm. Wat moet ik doen?””

“Zover is het dus nooit gekomen.”

We pauzeren weer even.

Verborgen flessen

“Liesje voelde zich gruwelijk schuldig omdat het niet goed ging met haar en ze ons daarin meesleurde. Dat maakt alles zo triest. Maar tegelijk is ze in het drinken haar grenzen blijven verleggen. Eerst dronk ze gewoon om een lichte roes te beleven. Tegen het eind wilde ze gewoon zo lang mogelijk weg zijn van de wereld, en viel ze soms letterlijk om.”

“Ik twijfel er geen seconde aan dat ze goed wist dat ze zich op een gevaarlijk pad had begeven. Ze heeft ook vaak genoeg op de spoedafdeling gelegen om een wake-upcall te krijgen.”

“Ze dronk nooit zichtbaar. Liesje was geen sociale drinker. Nog steeds kom ik in huis verborgen flessen tegen. En ik hoor van buren dat ze flessen in de struiken aantroffen. Ik heb ooit nog geprobeerd haar op te sluiten, maar dan sprong ze gewoon door een raam. Als de drang er was, kon je haar niet tegenhouden. Zelfs een isoleercel was geen oplossing: daar hebben ze ook nog toestanden met haar beleefd. (zucht) Ik werd het mettertijd gewoon, maar nog stierf ik duizend doden als ik haar weer eens niet kon vinden en alle ziekenhuizen moest afgaan.”

Joost Andries. Beeld Stefaan Temmerman

“Onze laatste mooie herinnering was Parijs, rond oud en nieuw. Schaamteloos staken we rijen voorbij aan musea, omdat ze een gehandicaptenkaart had. (lacht) Maar de dag erna reden we naar huis, en zag ik haar gemoedstoestand versomberen. Op den duur zie je dat, maar dan is het eigenlijk al te laat om er nog iets aan te doen. Zij voelde het vast al veel langer opborrelen, maar kon er gewoonweg niet over praten. De eerste dagen van dit jaar is ze eigenlijk geen moment nuchter geweest.”

“Liesje was onaangenaam dronken. Ze kon agressief zijn en dan zei ze de meest gemene, grove zaken tegen mij. Ik wéét dat ze het niet meende, maar toch was het moeilijk om daarmee om te gaan. Meestal herinnerde ze zich achteraf ook niet meer wat ze had gezegd. En na zo’n crisis wilde zij er ook niet over praten. Dan lagen onze jongens en ik uitgeteld in de zetel, en bakte zij een cake. Kun je anders eens niet gewoon normaal doen, vroeg ik me toen wel eens af.” 

Zware bonk

“Op het einde was zelfs samen slapen geen optie meer. In dronken toestand kende ze het verschil tussen dag en nacht niet meer. De laatste middag lag ze in de zetel haar roes uit te slapen, omdat ze weer een hele nacht wakker was geweest. Iets over tienen ’s avonds wilde ik naar bed gaan, maar ik wist dat het weinig zin had. Omdat ze misschien niet zou weten waar ze was, als ze wakker zou worden.”

“Twee minuten later hoorde ik gestommel in de achterkamer, en een zware bonk. Ik ging kijken en zag dat ze gevallen was, gestruikeld over een wasrekje. Ze zag er nog altijd heel dronken uit. In eerste instantie was ik kwaad: godverdomme Lies, zie u hier nu eens liggen. Ik had verwacht dat ze zou opkrabbelen, maar dat gebeurde niet. Ze staarde gewoon wat voor zich uit op de grond. Toen merkte ik dat ze zwaar ademde. Meteen de ambulance gebeld. Op dat ogenblik besefte ik nog niet dat het zo erg was.”

Tot ze ineens niet meer ademde. Toen wist ik niet meer wat gedaan.

“Meer dan een uur lang zijn de ambulanciers met haar in de weer geweest: hartmassage, elektrische schokken, injecties… Onze jongens werden wakker, maar ik zorgde dat ze boven bleven. Toen de MUG-arts kwam, vroeg Kobe wel: ‘Papa, dit is niet zo goed, hè?’ Toen voelde ik ook al dat het niet meer goed zou komen. Maar het duurde nog een hele tijd voordat de dokter zei dat ze de reanimatie moesten stoppen. Dat is het moment waarop je wereld instort. Ik denk dat ik toen kalm ben gebleven.” (stilte)

“Het zwaarste moment was toen ik het de jongens moest vertellen. De trap opklimmen en hun kamer binnenstappen.”

Kleine dingen

Het lijkt alsof Joost dit verhaal ontelbare keren heeft herhaald in zijn hoofd. Maar het went nooit, zegt hij.  

“Ik mis het samenzijn. Hier in de hof zitten, en denken dat ze er ook bij zou kunnen zijn… dat mis ik echt nog het meest. De aanwezigheid in kleine dingen. Ik vind het nog vaak raar dat ze niet mee aan de ontbijttafel zit.” 

“Nooit heb ik de afgelopen maanden gedacht aan verhuizen. Vanuit de gedachte: er is al genoeg veranderd in ons leven. Extra veranderingen kosten te veel energie. Ik heb dat houvast ook nodig: alles hier ziet er nog altijd hetzelfde uit, zelfs de prullen die zij liet rondslingeren. Ik heb geen probleem met de donkere herinneringen. Op de plaats waar ze stierf, kan ik nog altijd komen.”

“Ik hou me liever vast aan de zaken die ik me het liefst van haar herinner. Liesjes lach was enorm schattig. Alles aan haar was schattig. Ze had een enorme flair. En ze kwam altijd oprecht over. Liesje had geen talent om te acteren. Vooraf geschreven moppen: daar deed ze niet aan mee. In televisie­programma’s moest je haar ook geen uitgeschreven script voorleggen. Wat ze op een podium deed, was een uitvergroting van wie ze in het echte leven was.”

“Wist je trouwens dat ze per toeval in de comedy is beland? Eigenlijk wilde ze een cursus ‘schrijven’ volgen, omdat ze zo graag met taal bezig was. Maar omdat er geen plaats meer was, koos ze voor een comedycursus bij Henk Rijckaert. Grappig doen leek haar ook wel iets. (lacht) Ze schreef nooit mopjes, maar vertelde liever op een geestige manier wat er in haar omging.””

Lies Lefever. Beeld Familiearchief

“Op het eind van de cursus moest ze in The Joker in Antwerpen spelen. Eigenlijk durfde ze toen nog niet het podium op. Maar die avond was ze veruit de beste, met haar gitaar en een beetje gebabbel. De eigenaar, Fokke, een heel grappige kerel, zei achteraf: ‘Normaal moet ik niets van gitaren, vrouwen en negers hebben, maar jij mag terugkomen.’ (lacht) De week erna mocht ze opnieuw het podium op. Daarna werd ze in het voorprogramma van Kamagurka geboekt, en toen is de bal aan het rollen gegaan.”

“Ik ben nog altijd trots dat ze zichzelf, haar angsten en onzekerheden heeft overwonnen om zulke mooie zaken voor andere mensen te doen. Ik zag ook dat ze dat graag deed.”

“Ik mis Liesje nog elke dag. Maar ik geloof ook dat ik nog altijd iets kan maken van mijn leven. Jammer genoeg zal dat niet zijn wat altijd mijn droom is geweest. Laat het dan maar iets anders zijn. Geen idee of de buitenwereld daar goed op zal reageren, maar ik ben pas veertig geworden, pakweg in de helft van mijn leven. Ik ben niet van plan om alleen te blijven. Samenzijn is veel leuker dan alleen door de wereld gaan. Dat hebben Liesje en ik ook altijd geweten.”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234