Zaterdag 10/04/2021

De vragen van ProustInterview

Jeugdauteur Marc de Bel: ‘Hoeveel boeken ik heb verkocht? Ongeveer 2.250.000, zonder de vertalingen. Veel hè’

Jeugdauteur Marc De Bel: 'Ik ben tweeduizend jaar te laat geboren.’ Beeld © Stefaan Temmerman
Jeugdauteur Marc De Bel: 'Ik ben tweeduizend jaar te laat geboren.’Beeld © Stefaan Temmerman

Schrijver Marcel Proust beantwoordde ze ooit in een vriendenboekje, nu geeft De Morgen er een eigenzinnige draai aan. Zesentwintig directe vragen, evenveel openhartige antwoorden. Vandaag: jeugdboekenschrijver Marc de Bel (66). Wie is hij in het diepst van zijn gedachten?

1. Hoe oud voelt u zich?

“Het hangt ervan af van met welk boek ik bezig ben. Nu werk ik aan een prentenboek over een kleine chimpansee dat ik ga schenken aan het Jane Goodall Institute Belgium. Om dat te schrijven, richt ik mij tot een van onze elf kleinkinderen en dan word ik mentaal even oud. Dat is een van de weinige dingen die ik goed kan.

“Dat komt omdat ik twintig jaar lang tussen de kinderen heb gezeten, waarvan zeven jaar ad interim. De ene dag stond ik in het eerste leerjaar, de volgende dag bij gasten van twaalf jaar. Dat is een generatieverschil, je moet dus heel snel kunnen switchen. Als ik in de vierde klas een mop vertelde, lagen ze allemaal plat; als ik diezelfde mop in de derde klas vertelde, snapten ze hem soms niet. In het vijfde vonden ze hem flauw.

“Dat hadden mijn collega-schrijvers germanisten niet, die feeling. Ik weet perfect wat kinderen grappig, griezelig en romantisch vinden. Tongzoenen in een zesde klas scoort, in een eerste leerjaar vinden ze dat vies. Je moet dat weten. Dat zit in mijn genen.

“Ik ben de jongste van zes, maar eigenlijk voel ik me de oudste van mijn 21 neefjes en nichtjes. Op mijn vijfde was ik al nonkel van de kinderen van mijn oudste zus, die zeventien jaar ouder is. Op familiefeesten vermomde ik me als een grote griezel, dat vonden ze de max, en ik vond dat ook.”

2. Hoe was de relatie met uw ouders?

“Heel goed. Tot ik weigerde mijn haar te laten knippen en naar de mis te gaan. Het waren zeer brave katholieke mensen. Plots had je daar hun jongste, de eerste hippie van het dorp over wie iedereen sprak. ‘Moet dát straks aan onze kinderen lesgeven?’

“Ik woonde toen recht tegenover mijn ouders en herinner me nog dat ik plankjes was gaan halen bij mijn vader, die timmerman was, omdat een van mijn geiten weer eens uitgebroken was. ‘Als je niet meer naar de mis gaat, ben je hier niet meer welkom’, zei hij. We hadden nooit miserie gehad, altijd goed overeengekomen. Een maand of twee ben ik niet meer langsgegaan. Hij koppig, ik koppig. Maar intussen was mijn vrouw hoogzwanger en uiteindelijk ben ik mijn ouders gaan vertellen dat de familie ging uitbreiden. Mijn moeder was enorm enthousiast. En typisch voor katholieken: er is nooit meer over gepraat, alsof er niets gebeurd was.”

3. Wat is uw passie?

“Geef mij papier en potlood en af en toe een pot rijst en voor de rest ga je mij niet horen. Het enige wat ik wil is schrijven. Als ze me dat afpakken, ben ik ongelukkig.

“Hoe dat vertellen begonnen is? Ik las eerst voor uit boeken die ik goed vond. Jan Terlouw, Roald Dahl. Allemaal klassiekers, ondertussen. Na vijf à tien minuten merkte ik dat sommige kinderen in hun neus begonnen te peuteren, of, erger, in die van hun buurman. Ik zag dat hun aandacht verwaterde. Dus liet ik plots een van de hoofdpersonages een scheet laten, en dan zag ik die gezichtjes opklaren: o, ooo! Ik begon ook spannende gebeurtenissen te fantaseren en personages te verrijken en uit te vergroten. Dat vonden ze de max. Toen dacht ik: ik ga mijn eigen verhalen verzinnen.

“Ik weet nog heel goed, het was in het schooljaar 1985-86. Ik begon out of the blue te vertellen: ‘Er was eens een jongetje dat elke dag door een bende uit de zesde klas werd gepest.’ Muisstil. ‘Thuis had hij het ook niet zo goed.’ Alle plagen van Egypte liet ik los op dat manneke. Hij mocht niet voetballen van zijn ouders, die hadden het te druk met hun werk. Tot op een bepaald moment die oom Trotter verscheen, en hem een ei gaf. Een ei, dat is zoiets magisch. Ik voelde van wow, dat zit hier goed. Ik vertelde telkens een kwartiertje als een soort beloning om de week af te sluiten.

“Op het einde van het schooljaar was het verhaaltje nog niet uitverteld, dus de kinderen zaten daar met hun ei. Ik wist ook niet hoe het verder zou gaan. Ik vertelde gewoon maar wat ik op het moment zelf voelde dat die kinderen leuk zouden vinden.

• Vlaamse jeugdauteur

• geboren op 7 mei 1954 in Kruishoutem

• was van 1974 tot 1983 onderwijzer

• debuteerde met het succesvolle Het ei van oom Trotter

• bekend van o.m. zijn Blinker-boeken, De zusjes Kriegel en De Boeboeks

• drie Blinker-boeken en De zusjes Kriegel zijn verfilmd

• ambassadeur van Vogelbescherming Vlaanderen

• bekroond met de Muze van Sabam 2019

• net uit: Lieze & Tine, dochters van de Duivel en Blinker en de bezemstaf van de Belleheks

“Dat was een fantastische klas. Drie jaar geleden hebben ze voor mijn dertig jaar schrijverschap een groot feest georganiseerd waar ik niets vanaf wist. Het boek dat ik hun toen gegeven had, hadden ze allemaal mee. Ik had hen namelijk beloofd dat ik tijdens de grote vakantie het einde zou opschrijven op een A4’tje of drie. Toen ik eraan begon, was het plots alsof er een schuif openging en er een tsunami uitkwam, het vloeide er blad na blad uit. Alles wat ik verteld had in de klas heb ik toen ook opgeschreven en uitgetikt met een oude schrijfmachine, waarvan de ‘e’ bleef haperen, verschrikkelijk. Samen met mijn vrouw, kinderen en vrienden hebben we alles gekopieerd en zo honderd boekjes gemaakt. Moet ik er eentje gaan halen? (toont exemplaar van ‘Het ei van oom Trotter’

“Een van die boekjes kwam via via bij mevrouw Alexander van boekhandel Beatrijs in Oudenaarde terecht. Zij zei dat ik het naar een uitgever moest sturen. Eerst dacht ik aan Lannoo, want daar kon ik met mijn fiets naartoe, maar die vonden het te dik - (heftig) te dik, hallo, hoe kan een goed boek nu te dik zijn? - en het paste niet in hun reeksen - wat ik dan wel weer goed vond. (lacht)

“Uiteindelijk ben ik bij Infodok beland, een jonge uitgeverij, zes vrijzinnigen, een beetje hippie, gasten die bij mij pasten. Ze waren laaiend enthousiast.

“Zo is het allemaal begonnen, maar natuurlijk heb ik tegenkanting gehad. Ik schreef zogezegd niet literair genoeg. (heftig) Er is geen enkel kind dat weet wat literair is. Een kind moet dat ook niet weten, je krijgt daar corona van. (lacht) Ik schreef voor de kinderen en dat werd me niet in dank afgenomen. De Gouden Uil zou ik nooit winnen. Ik ben zelfs eens live mijn gal gaan spuwen, dat het fake was, die Gouden Uil. Niet volwassenen, maar kinderen moeten beslissen wat goede boeken zijn!”

4. Wat vindt u een belangrijke eigenschap van uzelf?

“Op mijn site staat de volgende zin: ‘Als ik twee kinderen bezig zie, voel ik me algauw een van de drie.’

“In het middelbaar voelde ik mij heel slecht in mijn vel. Ik wou terug naar de lagere school, weer klein zijn zoals Peter Pan, dat jongetje dat niet ouder wilde worden, want volwassenen waren zo saai.

'In het middelbaar voelde ik mij heel slecht in mijn vel. Ik wou terug naar de lagere school, weer klein zijn zoals Peter Pan.' Beeld © Stefaan Temmerman
'In het middelbaar voelde ik mij heel slecht in mijn vel. Ik wou terug naar de lagere school, weer klein zijn zoals Peter Pan.'Beeld © Stefaan Temmerman

“Later kreeg ik een inspecteur in mijn klas die zei: ‘Meneer De Bel, uw klas is een rommelklas.’ Ik zei: ‘Natuurlijk, meneer de inspecteur, dat kan niet anders, 32 kindjes in een klas van 35 vierkante meter, plus hun boekentassen, aquaria, bloempotjes voor moederdag, kostuums voor het schooltheater, en een plekje achter de deur waar we kaas maken’ - heel de school stonk naar kaas. Natuurlijk was dat een rommelklas. ‘Het ruikt hier niet zo lekker’, zei hij. ‘Je moet misschien eens proeven’, zei ik hem.” (lacht)

5. Is het leven voor u een cadeau?

“Absoluut. Ik geniet elke dag, elk moment. Dat komt ook omdat mijn vrouw en ik elkaar heel graag zien. Volgend jaar zijn we vijftig jaar in lief en leed samen. Is dat geluk? Ja dat is geluk. Of is het karma?”

6. Hoe zou u liefde definiëren?

“Heel eenvoudig: de ander altijd op de eerste plaats zetten. De eerste kers, de eerste aardbei die ik in mijn tuin ontdek, is telkens voor mijn vrouw. En de eerste noot, de eerste appel die zij vindt, geeft ze aan mij.

“Eigenlijk ben je samen yin en yang, ben je de helft. Daarom dat ik dat oude woord ‘wederhelft’ zo mooi vind. In elk weder, goed of slecht, ben je de helft van één.”

7. Welke geluksscore geeft u zichzelf?

“Tien. Ik herinner me nog dat ik na een Halloweenbal op school een Chinees wenskoekje vond waarop stond: ‘Het verlangen naar meer mag nooit groter zijn dan de vreugde van wat je hebt.’ Een cliché, maar toch.

“Dat papiertje staat nog altijd in mijn glazen kast. Ik zou niet weten wat mijn leven beter zou kunnen maken.”

8. Welke alledaagse gebeurtenis kan u blij maken?

“Mijn schrijfkamer is boven de keuken. Als ik mijn muziek niet te luid zet, hoor ik mijn vrouw soms meezingen en -fluiten met de liedjes op de radio beneden. Ik vind dat zo zalig, dan heb ik plots ongelooflijk veel energie en goesting om te schrijven of om naar beneden te spurten en haar eens goed vast te pakken. Het was Urbanus die zong: ‘Als moeder zong was heel het huis in vreugde.’ Dat klopt, hier is dat ook zo.”

9. Wat is uw zwakte?

“Mijn zwakte is ook mijn sterkte: mijn ongeduld.”

10. Waar hebt u spijt van?

“Op de normaalschool had ik een heel goede vriend, Jan De Boever. Allebei waren we fan van Louis Paul Boon, we hadden alles van hem gelezen en wilden hem graag interviewen. Maar het kwam er niet van. Op 7 mei 1979 belde hij me op om me proficiat te wensen met mijn verjaardag en toen hebben we afgesproken om die zomer Louis Paul Boon te interviewen. Drie dagen later was de schrijver dood.”

11. Wat is uw grootste angst?

“Het verkeer. Als ik naast mijn vrouw in de auto zit en er komt een grote zware camion veel te snel af, dan verkramp ik. Sinds we dat zware ongeval gehad hebben, op 19 januari op de E17, toen we als bij wonder uit dat wrak zijn geklauterd, is dat alleen maar verergerd.”

12. Wanneer hebt u het laatst gehuild?

“Een paar maanden geleden, toen ik research deed voor mijn boek Lieze & Tine, dochters van de Duivel. Toen ik las wat die nonnen – ik noem ze in het boek de non-mensen – met de baby’tjes van die meisjes van zestien hebben gedaan, dat is zo smerig. Afpakken en verkopen. Ik ben daar nog altijd kapot van.”

13. Wanneer bent u ooit door het lint gegaan?

“Één keer in mijn leven. Mijn vrouw zegt dat ik een totaal andere Marc was. Het was tijdens een voetbalwedstrijd waarin mijn oudste zoon meespeelde samen met twee van zijn vrienden, twee broers met een donkere huidskleur. Telkens als een van hen aan de bal kwam, begon de tegenpartij vanop de bank oerwoudgeluiden te maken. Ik stapte naar de scheidsrechter en vroeg hem of hij dat hoorde. ‘Ge gaat toch niet onnozel doen zeker?’, antwoordde hij. ‘Kom, voortspelen.’ Waarop de supporters alleen nog maar meer opgehitst raakten.

‘Tongzoenen in een zesde klas scoort, in een eerste leerjaar vinden ze dat vies. Je moet dat weten. Dat zit in mijn genen.’ Beeld © Stefaan Temmerman
‘Tongzoenen in een zesde klas scoort, in een eerste leerjaar vinden ze dat vies. Je moet dat weten. Dat zit in mijn genen.’Beeld © Stefaan Temmerman

“Plots lichtte iemand een van de twee broers een voetje. Er ontstond een schermutseling, mijn zoon bemoeide zich ermee en kreeg een slag in zijn nek. Ik zag dat gebeuren, ben op die gast gevlogen en heb hem net niet gewurgd. Voor hetzelfde geld viel hij op zijn kop en was hij dood of zat hij in een rolstoel. Dom, dom.”

14. Wat is uw vroegste herinnering?

“Ik moet zo’n jaar of drie geweest zijn en stond plots boven onze tuin. Wat was er gebeurd? Een metselaar was onze garage aan het optrekken en ik was de stelling opgeklauterd. Die mens schrok zich rot en heeft me nog net beet kunnen pakken en me naar beneden gebracht.

“Ik weet nog goed dat ik daar stond en het gevoel had dat ik een vogel was. Ik zag alles plots vanuit een ander perspectief. Alsof ik op een hoog podium stond. Misschien daarom dat ik zo graag theater speel.”

15. Hebt u ooit een religieuze ervaring gehad?

“Toch iets gelijkaardigs. Het was op het einde van de Golfoorlog, de laatste zaterdag van januari 1991. We zitten in de auto op weg naar een vriend in Oudenaarde en zien ineens een fel lichtje boven de horizon in het zuidoosten. Het lichtje wordt groter en zakt, dus eerst denken we dat het een helikopter is. Maar bij het binnenrijden van Oudenaarde hangt er zo’n zestig, zeventig meter voor ons een gigantische driehoek, met in het midden een groot, en op de hoekpunten een kleiner licht. Mijn vrouw stopt, ik stap uit en hij is weg.

“Ik zie mijn vier kinderen op de achterbank zich nog omdraaien en door de achterruit kijken. ‘Wat is dat?’, vroegen ze. Ik zei: ‘Een ufo.’

“Achteraf bleek dat er wel tweeduizend meldingen waren binnengekomen, maar niemand heeft ooit kunnen achterhalen wat het eigenlijk was.

“Toen mijn kinderen nadien op school vertelden dat ze een ufo hadden gezien, kregen ze te horen dat hun vader ze al heel zijn leven ziet vliegen.” (lacht)

16. Wat is een misvatting over u?

“Dat ik en andere auteurs de twintig euro krijgen die iemand voor een boek betaalt.

“Na een lezing zeg ik altijd dat kinderen me alles mogen vragen. Dan komen de vingertjes en krijg je vaak: ‘Verdien je veel met boeken schrijven?’ Dan zie je de juf kijken van: je moet dat niet vragen. Dan zeg ik dat het een goede vraag is en dat ik veel verdien, op voorwaarde dat ik veel boeken verkoop. Een schrijver krijgt geen loon zoals papa of mama. Per boek krijgt hij twee euro, als het boek twintig euro kost. Dan is er algemene verontwaardiging. Dan zeggen ze: ‘Amai dat is toch niet eerlijk.’ Natuurlijk niet! Een auteur moet veel meer krijgen. Net als een boer, die ook veel minder verdient dan de tussenpersoon of de Delhaize.

“Tien minuten later komt dan de vraag: ‘Hoeveel boeken heb je al verkocht?’ (lacht)

“Hoeveel? 2.250.000 ongeveer, zonder de vertalingen. Veel, hé.”

17. Wanneer hebt u het laatst gelogen?

“Als je liegt bedrieg je eigenlijk vooral jezelf. Ooit moest ik bij een zeer dikke pastoor komen, de voorzitter van de katholieke lagere school van Oudenaarde, voor een korte babbel. Op het einde vroeg hij of ik kerkelijk was. Ik zei: ‘Nee, eerwaarde.’ Hij antwoordde: ‘Tegenwoordig zijn wij in de Kerk heel ruimdenkend, dat is geen probleem.’ Een uur later had hij een vervanger voor mij gevonden, zijn neefje dat net was afgestudeerd, terwijl ik zes monden te voeden had. Ik wou niet liegen. Als je liegt pakken ze eerst dit, dan dat, en op den duur hebben ze je helemaal.”

18. Welk boek heeft voor u een speciale betekenis?

Turks fruit van Jan Wolkers. Als ik het nu lees, vind ik het niet zo goed meer, maar destijds was het verboden lectuur en natuurlijk las ik dat. Als gastje van 17 verdiende ik tamelijk wat geld met voetballen. Telkens als we wonnen verdiende ik 2.500 frank op één zondag en we werden kampioen, dus kon ik veel platen en boeken kopen.

“Op een dag zat ik op school tussen mijn atlas stiekem Turks fruit te lezen, maar de surveillant betrapte me. De dag nadien riep hij ons allemaal op de speelplaats samen. Blad voor blad verscheurde hij en gooide hij in een vat, hij stak er een lucifer aan en hield een openbare boekverbranding van de roman die ik gekocht had met mijn eigen zoet bij elkaar gevoetbalde spaarcenten.

‘Ik ben op die gast gevlogen en heb hem net niet gewurgd. Voor hetzelfde geld viel hij op zijn kop en was hij dood of zat hij in een rolstoel. Dom, dom.’ Beeld © Stefaan Temmerman
‘Ik ben op die gast gevlogen en heb hem net niet gewurgd. Voor hetzelfde geld viel hij op zijn kop en was hij dood of zat hij in een rolstoel. Dom, dom.’Beeld © Stefaan Temmerman

“De week nadien zat ik opnieuw in de studie. Dit keer heel demonstratief te lezen in een nieuw exemplaar van Turks fruit. Iedereen keek achterom. De surveillant stormde op mij af en op het moment dat hij het boek uit mijn handen wilde rukken zwaaide ik met een briefje waarop stond: ‘Ik, Paul Muys, leraar Nederlands’ - later heeft hij Panorama nog gepresenteerd - ‘geef toelating aan Marc de Bel tot het lezen van ...’, en ik mocht invullen wat ik wilde. Natuurlijk had ik Turks fruit ingevuld.” (lacht)

19. Hoe voelt u zich in uw lichaam?

“Ik zorg ervoor. (toont bicepsen) Kijk die bodybuilder hier. (lacht) Ik werk veel in mijn tuin, ik heb het geluk dat mijn hond me af en toe uitlaat en ik voetbal. Ik ben 1 meter 72 en wil nooit meer dan 72 kilogram wegen. Anders eet ik gewoon niet. Ik wil fit blijven, ook geestelijk. De Grieken zeiden het al: een gezonde geest in een gezond lichaam.”

20. Wat vindt u erotisch?

“Mijn vrouw die een beetje tipsy is. (lacht) Ze krijgt dan bij het minste de slappe lach en dat is heel aanstekelijk. Ik vind dat heel lief ook. Dat kriebelt wel.”

21. Wat is uw goorste fantasie?

“Ik ben bezig met research voor een nieuw boek dat volgend jaar zal verschijnen. Een vervolg op Epinona dat zich afspeelt in het oude Rome in de eerste eeuw na Christus. Als ik lees hoe die Romeinse keizers vanaf Claudius, en vooral Nero, in hun luxueuze villa’s in Baia hedonistische orgieën organiseerden, dan leef ik me daar heel graag in in. Die luxe van die baden en paleizen, dat eten dat ronddreef op schalen in het zwembad, ongelooflijk decadent. Daarop mogen ze mij uitnodigen. Ik ben blijkbaar tweeduizend jaar te laat geboren. Ik verkneukel me nu al dat ik dat binnen een maand of twee allemaal ga mogen uitschrijven.

‘Natuurlijk heb ik tegenkanting gehad. Ik schreef zogezegd niet literair genoeg. Maar er is geen enkel kind dat weet wat literair is! Een kind moet dat ook niet weten, je krijgt daar corona van.’ Beeld © Stefaan Temmerman
‘Natuurlijk heb ik tegenkanting gehad. Ik schreef zogezegd niet literair genoeg. Maar er is geen enkel kind dat weet wat literair is! Een kind moet dat ook niet weten, je krijgt daar corona van.’Beeld © Stefaan Temmerman

“In vergelijking met die Romeinse orgieën waren onze orgietjes destijds wel heel erg klein. Ik spreek nu over de jaren 70, hé. Het begon met een kampvuur hier in de tuin, iedereen bracht zijn gitaar mee, ik speelde op de tamtam. Er werd gedanst, er werden jointjes gesmoord. Af en toe verdween er iemand. Je vond hem dan terug onder een struik en als je er niet over viel lag hij er drie dagen later misschien nog.” (lacht)

22. Bent u een goede vriend?

“Voor de intieme vrienden wel, en voor de vrienden met wie we samen in communevorm geleefd hebben in de jaren 70. Wat we samen beleefd hebben is niet weg. Dat komt heel snel weer naar boven.”

23. Hoe zou u willen sterven?

“Heel bewust. Ik zou dat niet willen missen want je kunt het maar één keer meemaken. Niet te veel morfine of pijnstillers dus. Ook pijn moet je kunnen beleven.”

24. Wat zou u wensen als laatste avondmaal?

“De perencake met chocolade die mijn vrouw vaak maakt. Maar dan wel een hele cake voor mij alleen, niet als dessert.”

25. Wat zou u nog willen doen voor het te laat is?

“Een grote wereldreis maken. David Attenborough achterna.”

26. Welk moment zou u graag herbeleven?

“20 november 1971. De eerste keer dat mijn vrouw en ik met elkaar gebabbeld hebben op een thé-dansant, hier in het dorp. Ik zag haar zitten, vroeg of de stoel naast haar vrij was, we zijn gaan babbelen en dat doen we nu nog altijd.

“Vroeger schreef ik ook liefdesgedichtjes. (draagt voor) ‘Telkens als ik jou zie raak ik op slag van slag en alles kwijt/ Het noorden, mezelf, mijn adem, de tijd/ Maar vooral mijn kluts/ I love you so muts.’

(lacht) Dat is toch schoon? (nog eens) “‘Je kwam en je zei dat je hield van het behang/ Je bleef die avond, je bleef die nacht, en je bleef je leven lang.’”

Lieze & Tine, dochters van de Duivel, Pelckmans, 3121 p., 20 euro.

Blinker en de bezemstaf van de Belleheks, Houtekiet, 172 p., 17,99 euro.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234