Donderdag 01/12/2022

BoekeninterviewJeroen Olyslaegers

Jeroen Olyslaegers: ‘De meervoudige liefde heeft nog een hele weg te gaan, vrees ik’

Volgende week verschijnt Willem en mijn wellust, een novelle waarin Jeroen Olyslaegers (54) opnieuw het verleden aan het heden rijgt. En waaraan een liefdevol ongenadig zelfonderzoek voorafging. ‘Ik besef heel goed dat ik een bangerik en een opportunist kan zijn.’

Stef Selfslagh

Jeroen Olyslaegers mag dan bekendstaan als een Antwerpenaar van het zuiverste Scheldewater, sinds twee jaar woont hij in een dorpje in de Franse Ardennen. Hij leeft er samen met zijn vrouw Nikkie van Lierop: thans schrijfster, maar in een vorig leven zangeres, coproducer en prettier half van de elektronische act Praga Khan. Ook de vaste researcher van Oly­slaegers, de net als de schrijver bovenmatig bebaarde Stef Franck, is inmiddels aan de Franse oevers van de Maas neergestreken. De glooiende heuvels van les Ardennes hebben duidelijk niet alleen op landschapsschilders een aanzuig­effect.

‘Nergens heb ik meer rust gevonden dan in bossen en boeken’, lees ik op een kunstwerk in de schrijfkamer van Olyslaegers. Het zijn woorden van de middeleeuwse theoloog Thomas a Kempis, die tot een plaatje gepromoveerd werden door zijn vader, kalligraaf Joris Olyslaegers. Beschrijft het citaat de gemoedstoestand van de ontwordelde stedeling die Olyslaegers geworden is?

“Absoluut. Als ik in Antwerpen een aanval van melancholie voelde opkomen, kon ik die bui meteen bezweren: ik trok de stad in, liep naar de dichtstbijzijnde kroeg en ging op in het eindeloze getater. Maar hier, in de natuur, kan ik niet aan mezelf ontsnappen. Ik word gedwongen tot reflectie, moet mijn melancholie recht in het gezicht kijken. En vreemd genoeg geeft dat mij rust. Al wandelend in de bossen zijn er al een heleboel lagen van mij weg­geschraapt.

“Ik merk zelfs dat ik steeds meer met het Ardense landschap samenval. In februari, wanneer alles hier koud en doods is, vraag ik me vaak af of ik zélf nog wel een hartslag heb. En een paar maanden later bloei ik samen met de natuur weer helemaal open.”

BIO

geboren op 5 oktober 1967 in Mortsel • schrijver en columnist • schreef o.m. Wij (2009), Winst (2012), Wil (2016), Wildevrouw (2020) en Willem en mijn wellust (2022) • won met Wil de Fintro Literatuurprijs, de Prijs van de Vlaamse Gemeenschap voor proza en de F. Bordewijkprijs • heeft een zoon van 27, leeft samen met zangeres en schrijfster Nikkie van Lierop • woont in de Franse Ardennen

Luidt zijn verblijf in de Franse Ardennen ook een thematische ommekeer in zijn oeuvre in? Of blijft hij ook vanuit zijn nieuwe domicilie de officieuze geschiedschrijver van Antwerpen? “Ik sluit niet uit dat mijn boeken zich beetje bij beetje van Antwerpen zullen losweken. Willem en mijn wellust speelt zich af in Edegem: dat is al acht kilometer buiten de stad. (lacht) Maar uiteraard blijft Antwerpen belangrijk voor mij. Ik ga er nog regelmatig op café, om te doen alsof ik een boek lees en de mensen om mij heen te beloeren. Die observaties voeden mijn geest, ik heb ze nodig. Alleen: als ik een week in Antwerpen ben geweest, wil ik zo snel mogelijk terug hier zijn. Dan verlang ik weer naar de rust, de boeken en de bossen.”

Jeroen Olyslaegers werd schrijver in de jaren 1990: in vijf jaar tijd verschenen achtereenvolgens Navel (1994), Il faut manger (1996) en Open gelijk een mond (1999). Geen van die titels veroorzaakte echter literaire opwinding en dus legde Olyslaegers zich een tijdlang toe op het componeren van theaterteksten, onder meer voor de Koninklijke Vlaamse Schouwburg en ­Toneelhuis.

Pas in de tweede helft van de jaren 2000 kuste hij de romancier in zichzelf opnieuw wakker. In iets meer dan een decennium publiceerde hij Wij (2009), Winst (2012), Wil (2016) en Wildevrouw (2020). Vooral met Wil, een verhaal over schuld en boete in het door WO II verscheurde Antwerpen, vond Olyslaegers zijn stem als schrijver en beukte hij de poorten naar het grote lezerspubliek open.

“In de jaren 90 was ik nog zoekende. Ik ergerde me kapot aan de ernst die in de letteren heerste. Om mijn afkeer van Literatuur met een grote L kracht bij te zetten, verkondigde ik aan iedereen die het horen wilde dat ik allesbehalve een (spuwt het woord uit) oeuvre wilde uitbouwen. Dat mijn boeken gezien moesten worden als volledig op zichzelf staande blijken van genialiteit. (lacht)

“Na mijn theaterperiode, ik was inmiddels de 40 voorbij, was ik een stuk matuurder. Ik voelde me klaar om de romans te schrijven die ik altijd al wilde schrijven. Om niet langer in de marge te rommelen, maar me tot een zo groot mogelijk publiek te richten. Nu ga ik wél aan een repertoire timmeren, dacht ik. Vandaar al die W-titels: ze geven aan dat mijn boeken met elkaar samenhangen. Dat ze wel degelijk een oeuvre vormen.”

Maakt vanaf volgende week integraal deel uit van dat oeuvre: Willem en mijn wellust, een novelle die tussen de 16de en de 19de eeuw pendelt en rake dingen zegt over liefde en bezit, en het soms wazige onderscheid tussen beide. Het verhaal, vraagt u? In 1885 steelt Hippolyte van Damme, feuilletonschrijver bij een krant, in een opwelling een verzameling oude brieven. De epistels zijn van de hand van Willem Silvius, een Antwerpse drukker uit de 16de eeuw, en zijn gericht aan diens echtgenote. Aanvankelijk is Hippolyte blij met de brieven: hij denkt er inspiratie uit te kunnen putten voor zijn krantenfeuilleton. Maar al gauw blijkt dat zijn kleine diefstal grote gevolgen heeft. Vooral wanneer hij zijn jatwerk opbiecht aan Amandine, de vrouw op wie hij buitenechtelijk verlekkerd is, maakt zijn oorspronkelijke euforie plaats voor wanhoop.

Vorig jaar heette Willem en mijn wellust nog gewoon Willem en was het een cadeautje voor de klanten van onafhankelijke boekhandels. Waarom hebt u de titel voor de heruitgave veranderd?

“Omdat het een heel ander boek is geworden. Toen De Bezige Bij me liet weten dat het Willem wilde heruitgeven, heb ik de kans gegrepen om het boek te herwerken. Om er een veel ambitieuzer verhaal van te maken. Willem gaat over diefstal, Willem en mijn wellust over het bezit ná de diefstal. Het gebeurt in de literatuur niet vaak dat je eenzelfde verhaal op verschillende manieren kunt uitwerken. Ik ben blij dat ik dat voor één keer wel heb kunnen doen.”

Het hoofdpersonage in Willem en mijn wellust, Hippolyte van Damme, steelt uit lust: hij ontvreemdt de brieven van Willem Silvius omdat hij verzot is op ‘heerlijkheden op papier’. Ik herkende zijn honger naar diefstal. Ik ben ooit vijf minuten alleen geweest in het atelier van Sam Dillemans, waar prachtige tekeningen en schilderijen aan de muren hingen. ‘Sam zal er vast eentje kunnen missen’, dramde een stemmetje een moment lang in mijn hoofd.

“Zoiets heb ik zelf ook al meegemaakt. Een paar jaar geleden logeerde ik met de familie van Nikkie een week in een huis op het Engelse platteland. Op de eerste verdieping van dat huis was er een bibliotheek. En die was ronduit adembenemend: de eigenaar had zelfs twee exemplaren van de eerste druk van The Devils of Loudun van Aldous Huxley. De hele week heb ik in die bibliotheek moeten vechten tegen mijn neiging tot diefstal. Elke avond zat ik mij af te vragen welke boeken ik zou meenemen. Echt rustig was die vakantie niet.” (lacht)

Hippolyte van Damme verkeert regelmatig in gewetensnood over zijn diefstal. Maar, zegt hij: ‘We hebben niet alleen een geweten, maar ook het vermogen om daar met onszelf over te onderhandelen.’ Hoeveel rek mag er op de onderhandelingen met ons geweten zitten? Wat valt te vergoelijken en wat niet?

“Je kunt niet over álles onderhandelen. Neem nu de jonge Russische soldaten die in Oekraïne vrouwen verkrachten. Die jongens zijn zonder twijfel zwaar geïndoctrineerd en moeten om te overleven wellicht doen wat de brulapen in hun eenheid hen opdragen. Je zou dus een relatief genuanceerd oordeel over hen kunnen vellen.

“Maar: ze verkrachten wel Oekraïense vrouwen. En dus zijn het, alle nuances ten spijt, klootzakken. Dat moet je blijven zeggen. Want als je dat níét doet, spuw je in het gezicht van die Oekraïense vrouwen. Je kunt wel empathie opbrengen voor mensen die ontsporen, of onderhandelen met je eigen geweten, maar aan het einde van de rit moet je toch liefdevol ongenadig zijn. Anders kun je de begrippen goed en kwaad maar beter afschaffen.”

In Willem en mijn wellust buigt u zich ook over de ongemakkelijke vraag of liefde – ­iemand willen bezitten – alles welbeschouwd ook geen vorm van diefstal is.

“Zodra je in een relatie exclusiviteit eist, is de notie van diefstal niet ver weg: willen dat iemand ‘van jou’ is, betekent onvermijdelijk dat je die persoon van anderen steelt. Ik ben zelf zo monogaam als een bever, maar ik vraag me oprecht af wat een exclusiviteitscontract met liefde te maken heeft. Iemand willen bezitten is toch een vorm van geweld.”

Iedereen polyamorist dan maar?

“Dat zou je denken, maar ook in polyamoreuze relaties gaat het vroeg of laat over bezit. (op een klagerig toontje) ‘Hoezo, je komt niet vrijdag? We hadden toch afgesproken dat je wél zou komen?’ Lijkt me erg vermoeiend. (lacht) Vergeet ook niet dat mannen die er vrolijk op los vogelen vaak niet kunnen verdragen dat hun vrouw hetzelfde doet. Ze duiken met mannelijke overmoed van het ene bed in het andere, maar als ze op de gsm van hun vrouw een bericht lezen waaruit blijkt dat ook zij zich niet onbetuigd laat, denken ze: ‘Maar godverdomme, die slet.’ (lacht) De meervoudige liefde heeft nog een hele weg te gaan, vrees ik.”

Zelf gelooft u in liefde van de symbiotische, allesomvattende soort. Maar is symbiose ook geen vorm van diefstal? Wie de totale samen­smelting verlangt, ontneemt de ander toch het recht om zichzelf te zijn?

“Als je definitie van symbiotische liefde ‘de totale samensmelting’ is, is het inderdaad een vorm van diefstal. Maar voor mij hoeven geliefden elkaar helemaal niet te overlappen. Een symbiotische relatie nastreven, betekent vooral: zorg dragen voor elkaar. Veel mensen hebben de neiging om van alles te eisen van hun partner. Ze vragen zich voortdurend af of ze wel voldoende aandacht en genegenheid krijgen. Maar in de liefde gaat het niet over jou, maar over de ander. Daarmee bedoel ik niet dat je jezelf moet wegcijferen. Wel dat je moet beseffen dat je in een relatie niet alleen bent. Dat je bereid moet zijn je over je geliefde te ontfermen.”

Hippolyte van Damme omringt de vrouwen in zijn leven níét met zorg: ten opzichte van zijn wettige echtgenote is hij een hufter, ten ­opzichte van Amandine, zijn minnares, een poseur.

“Hippolyte wil Amandine vereren. Dat zie je wel vaker bij mannen die met een mooie vrouw samen zijn. Ofwel zetten ze haar op een piëde­stal en zeggen ze ‘Ik ben zo blij dat ik naast haar mag lopen!’, ofwel beschouwen ze haar als hun bezit en zeggen ze: ‘Kijk eens wie er van mij is.’ In het eerste geval maken ze zich klein, in het tweede geval verwarren ze hun vrouw met een vaas. (lacht) Maar in beide gevallen is de mooie vrouw eraan voor de moeite: je wilt met een dweper noch met een bullebak samenzijn.”

Kunt u zich voorstellen dat onze denkbeelden over de liefde ooit fundamenteel zullen veranderen? Dat we over dertig jaar eens goed gaan lachen met wat we vandaag als het summum van de romantische liefde ­beschouwen?

“Ja. Misschien komt er ooit een dag waarop we seksuele orgieën niet langer als heimelijke, ­zweterige swingersfeesten zullen zien, maar als manifestaties van naastenliefde en vrijheid. Wij beschouwen onszelf als een geëvolueerde soort en hebben de neiging om te denken dat onze levensstijl de beste is. Maar dat is hilarisch, want de geschiedenis bewijst dat we al eeuwenlang tegen dezelfde problemen aanlopen. En dat we die meestal ook op dezelfde, domme manier proberen op te lossen. Onze historische kennis zou ons niet hoogmoedig, maar nederig moeten maken.”

In de catacomben van het verleden tijdloze inzichten opdelven: het is Jeroen Olyslaegers’ letterkundige specialiteit geworden. Wil speelt zich af tijdens de Tweede Wereldoorlog, maar stelt actuele vragen over de schimmige grens tussen neutraliteit en lafheid. Wildevrouw situeert zich in de 16de eeuw, maar reflecteert op een eigentijdse manier over onze weerbarstige omgang met andersdenken. En Willem en mijn wellust reist naar de 19de eeuw maar bevat ongedateerde inzichten over de illusie van bezit.

‘Een goeie historische roman is ook een ­hedendaagse roman’, luidt de literaire wapenkreet van Olyslaegers. Omdat het verleden ­beter geschikt is om iets over het heden te zeggen dan het heden zelf? “Het bestuderen van het verleden is zowel emanciperend als relativerend. Emanciperend omdat het je oogkleppen doet afvallen en je bevrijdt van een al te beperkte kijk op je bestaan. En relativerend omdat het je doet inzien dat we keer op keer dezelfde dingen meemaken. Als je een minimum aan historisch besef hebt, denk je niet zo gauw: ‘Wat ons nu overkomt, is het ergste wat een mens kan meemaken.’ Je voorouders hebben het namelijk ook al eens meegemaakt.”

U trekt zich steeds meer terug in de niche van de historische roman. Is dat een kwestie van literaire positionering? Denkt u: mijn historische romans hebben succes, dus laat ik dat soort romans maar blijven schrijven’?

“Ja. Ten eerste is de historische roman helemaal mijn genre: ik tracht er echt in uit te blinken. En ten tweede zijn mijn lezers mij erg dierbaar. Niet alleen omdat ze mijn boeken kopen, maar ook omdat ik met hen een mooie band heb opgebouwd. Er gaat geen week voorbij of ik ga met mijn lezers in interactie. Dat is voor mij heel waardevol. Ik heb lange tijd gedacht dat ik als einzelgänger door het leven zou moeten gaan. Dat ik er niet bij hoorde. Mijn lezers hebben mij van dat gevoel verlost.”

Waarom dacht u dat u er niet bij hoorde?

“Als kind was ik een buitenbeentje: ik stond vaak alleen op de speelplaats en werd net niet gepest. Taal werd mijn afweermechanisme: ik gebruikte woorden om mijn belagers op afstand te houden. Maar ik ben in dat opkomen voor mezelf een beetje doorgeslagen. Ik ging van ‘Shit, ik hoor er niet bij’ naar ‘Fuck it, jullie kunnen allemaal mijn gat kussen’. Toen ik tot de literaire wereld toetrad, was dat met een air van: ‘Ik hoef geen deel uit te maken van jullie zielige clubje.’ Ik opereerde in de buitenbaan en maakte mezelf wijs dat het zo hoorde.

“Tot ik vele jaren later besefte dat ik mezelf op die manier saboteerde. Dat ik moest ophouden met verbitterd te zijn en een genereus schrijver moest worden. Want ook voor een auteur geldt: hoe meer je geeft, hoe meer je terugkrijgt. Zodra ik besloot dat ik voortaan een groot publiek wilde bereiken, is mijn schrijverscarrière in haar plooi gevallen. Vandaag schrijf ik de boeken die ik wil schrijven en heb ik niet langer het gevoel dat ik er niet bij hoor.”

Alleen is er nu het angstbeeld dat uw publiek u op een dag de rug zal toekeren. In het studentenblad Veto zei u: ‘Als ik geen succes meer zou hebben, moet ik naar de therapeut.’

(knikt) “Ik wil niet opnieuw boeken schrijven waar niemand van wakker ligt. Het geeft weinig voldoening om twee jaar aan een boek te werken, het na amper drie weken uit de winkels te zien verdwijnen en vervolgens met een klein stemmetje te moeten zeggen: ‘Ik zal dan maar aan een nieuw boek beginnen, zeker?’ Ik weet hoe het voelt om met de onzichtbaarheid te flirten. En ik wil het niet opnieuw meemaken.”

Toen u op uw achttiende aan uw vader vertelde dat u schrijver wilde worden, vroeg hij u: ‘Heb je al iets te vertellen?’ Dat bleek niet het geval te zijn, want u debuteerde pas negen jaar later.

“Ik heb lang moeten wachten, ja. Ik ben struikelend en prutsend volwassen moeten worden voor ik het gevoel had dat ik iets te melden had.”

Als je een begenadigd stilist bent, móét je dan wel iets te vertellen hebben? Vorm kan toch ook inhoud zijn?

“Sommige schrijvers zijn vormtechnisch zo superieur dat ze inderdaad interessanter zijn dan schrijvers die een belangrijke boodschap menen te verkondigen. Ik heb lang bezwaar aangetekend tegen stilistiek die een gebrek aan inhoud moet verdoezelen. Maar daar ben ik van teruggekomen. Vorm kan, zoals je zegt, wel ­degelijk inhoud worden.”

Kunt u leven met de adjectieven waarmee uw eigen schrijfstijl doorgaans omschreven wordt? Bruegeliaans, weelderig, barok?

“Mensen zijn nogal lui in het beschrijven van literaire stijlen. Ze noemen het taalgebruik van schrijvers ofwel zuinig ofwel weelderig. Alsof er tussen die twee uitersten geen tientallen schakeringen zijn. Zelf vind ik de satire in mijn boeken veel belangrijker dan mijn zogenaamd weelderige schrijfstijl. De lach is de hartslag van mijn werk.”

‘Mijn ambitie wordt met de jaren alleen maar groter’, liet u onlangs optekenen. Tot waar reiken uw schrijversaspiraties?

“Ik droom stiekem van dat ene, allesomvattende boek. Het boek dat verklaart wie we zijn en wat we hier doen. Maar ik vrees dat het schrijven van zo’n boek een onmogelijke onderneming is. Hoe langer ik leef, hoe minder ik lijk te weten. En hoe meer ik me daarbij neerleg. Vroeger was ik een echte Faust: in ruil voor ongebreidelde kennis zou ik een pact met de duivel gesloten hebben. Vandaag heb ik die kennishonger niet meer. Ik denk al gauw: words, words, words. Het gevolg is dat ik mijn goeroe-ambities heb opgeborgen. Ik weet nu dat ik altijd weinig zal weten. Dat ik geen leraar ben, maar een prutser.”

Een getalenteerd prutser dan toch.

“Ik kan mensen hypnotiseren met een verhaal, ja. In mijn familie was je pas belangrijk als je iets kon vertellen. Je werd afgemaakt als je een verhaal vertelde dat nergens op sloeg. Vandaar ook mijn schrijversmotto: never be boring.”

Zou u ervoor te porren zijn om een reeks voor pakweg Netflix te schrijven?

“Zeker. Al is zo’n klus niet zonder gevaren: voor je het weet ben je onder druk van producenten allerlei compromissen aan het sluiten en ben je medeverantwoordelijk voor een draak. In mijn theaterperiode heb ik af en toe puur voor het geld teksten geschreven. Uit wanhoop, om te overleven. Telkens was de vernedering die ik ervoer veel groter dan de som geld die ik ontving. (lachje) Maar hoe dan ook moet ik kunnen schrijven. Anders is het gedaan met mij. Als ik een paar dagen niet schrijf, ben ik één rillende brok ellende. Voor mij is het heel eenvoudig: schrijven is leven, leven is schrijven.”

Een half jaar geleden werd Jeroen Olyslaegers De Morgen-columnist. Twee keer per week verschijnen op de voorpagina van deze krant honderdzeventig woorden waarmee hij hetzij de actualiteit hetzij een flard privéleven herkadreert. Ik vraag of het schrijven van columns hem koortsig maakt. Of hij soms nagelbijtend denkt: ‘Shit, ik heb deze week nog niks meegemaakt waarover ik kan schrijven, ik zal zélf maar wat columnwaardig drama veroorzaken’?

“Nee, ik creëer geen situaties om er kunst uit te kunnen puren. Er zijn artiesten die dat wél doen. Ik ken muzikanten die hun relatie beëindigen omdat ze een break-upplaat willen maken, niet omdat ze hun partner beu zijn. (lacht) Maar zelf bezondig ik me niet aan dat soort praktijken. Als je intens leeft, en dat doe ik, neemt je leven uit zichzelf een heleboel wendingen.”

Zeventien jaar geleden kwam er een einde aan de amoureuze vennootschap met zijn eerste vrouw. De zoon die ze samen hadden was nog klein, de band tussen vader en kind nog broos. Hoewel hij zijn vaderschap ooit ‘een van de portalen tot een dieper begrip’ noemde, is het nog altijd een bron van twijfel en onzekerheid. Wanneer ik pols naar wat hij als vader geleerd heeft, bots ik op een bescheiden muur.

“Ik vind het heel moeilijk om in interviews over mijn vaderschap te praten. Ik heb het gevoel dat ik mijn zoon zou bedriegen als ik daar met jou over zou reflecteren. Omdat hij zelf niet bij dit gesprek aanwezig is, begrijp je? (denkt na) Er is tussen mij en mijn zoon veel onuitgesproken gebleven. Af en toe voelt het alsof we met z’n tweeën in een moeras zitten en tegen elkaar zeggen: ‘Niet te veel bewegen, anders zinken we nog dieper weg.’ (na een nieuwe stilte) Hoe hard je als ouder ook je best doet, elke opvoeding veroorzaakt wonden. Ouders zijn gedoemd om prutsers te zijn.”

U noemt zichzelf vaak en graag een prutser. Uit een existentieel soort masochisme? Of omdat u de stumperd in uzelf als een integraal onderdeel van uw identiteit beschouwt?

“Het tweede. Ik besef heel goed dat ik, net zoals Hippolyte van Damme, een bangerik en een opportunist kan zijn. Maar die vaststelling duwt me niet in een depressie. Ik kijk met veel liefde naar mijn gebreken. Falen hoort bij het leven. Maar dat durven we nauwelijks te erkennen. We willen succesverhalen horen. Over mensen die moeilijkheden overwinnen en triomferen. Mensen die falen, daar hebben we het nog altijd moeilijk mee. En dus beschouw ik het als mijn taak om het met een zekere hardnekkigheid over dat falen te hebben.”

Moeten we niet vooral de dualiteit in onszelf leren aanvaarden? Het feit dat we zowel ­engel als demon zijn, zowel held als lafaard?

“Natuurlijk. In het leven is alles momentaan. De ene dag ben je klaar om de wereld te veroveren, de andere zou je jezelf iets aandoen. Het ene moment ben je aan het huilen, het andere aan het schateren. Dat is volstrekt normaal en er zit zelfs iets troostends in. Maar we horen liever níét hoe fragiel we zijn. Hoe alles van contextjes en momentjes afhangt. We willen alleen het consequente gedrag zien, de rechte lijn.”

Terwijl het leven een stuk leuker is als we af en toe inconsequent durven te zijn.

“Absoluut. Zelfs in maatschappelijk opzicht is inconsequent zijn soms de beste optie. Stel: je bent een rechts politicus. Wellicht ben je dan voor een slanke overheid en vind je dat iedereen voor zichzelf moet leren zorgen. Maar wat als je voor de mensen die vandaag hun energiefactuur niet meer kunnen betalen toch een vorm van solidariteit zou willen organiseren? Waarschijnlijk ga je dan het verwijt krijgen dat je niet consequent bent. Durf je in dat geval door te zetten of hou je je in? Ik zou doorduwen. Soms is het verstandiger om je levensbeschouwelijke axioma’s even los te laten. Altijd maar consequent moeten zijn: het is in zekere zin zelfs ontmenselijkend.”

We verklaren ons gesprek voor voltooid, Sofie van de uitgeverij moet nog gebeld worden. Voor ik weer verdwijn, stopt hij me nog snel een anekdote toe.

“Een vriend van mij heeft mijn stamboom gereconstrueerd tot in 1290. Zo ben ik te weten gekomen dat ik genetisch verwant ben aan Quinten Matsijs, de schilder die beschouwd wordt als de laatste belangrijke vertegenwoordiger van de Vlaamse primitieven. ‘So what?’, denk je misschien, ‘er zijn zoveel mensen die een genetische verwantschap met Quinten Matsijs kunnen claimen.’ Maar Matsijs is nog op een andere manier mijn leven binnengedwarreld: toen ik in het Vleeshuis in Antwerpen Wildevrouw aan het schrijven was, stond zijn originele wildevrouwbeeldje in mijn werkkamer. Toeval? Misschien. Maar voor mij brengt zoiets mysterie in het leven.”

Nog meer mysterieus toeval: op weg naar huis rij ik een tijdje achter een auto met een gepersonaliseerde nummerplaat waarop ‘WILLEM’ staat. ‘WELLUST’ was natuurlijk nog mooier geweest.

Jeroen Olyslaegers, Willem en mijn wellust, De Bezige Bij, 112 p., 18,99 euro

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234