Zondag 22/09/2019

Jan Van Rompaey

Jan Van Rompaey: ‘Ik zou nu geen televisie meer willen maken’

'Met 'Echo' voelden wij de polsslag van Vlaanderen. De makers van 'Het journaal' niet, met pijnlijke gevolgen.’ Beeld Saskia Vanderstichele

Jan Van Rompaey heeft geen persoonlijke verpleger meegebracht naar de plaats van afspraak. Hij hijgt niet achter een rollator aan, maakt geen misbaar over muitende gewrichten en redeneert zich lenig door het gesprek. Ja, deze tv-coryfee wordt volgend jaar vrolijk jivend tachtig. ‘Op een bepaald moment zei men me letterlijk: ‘Nu word je toch wat te oud om in beeld te lopen, Jan.’’

In de jaren 60 begon Van Rompaey bij de radio. Later kwam het scherm: in ‘Echo’ en ‘Terloops’ wriemelde hij in het mierenhoopje Vlaanderen, in ‘Argus’ hielp hij de talkshow uit de luiers, in ‘Schermen’ en ‘Jan Publiek’ leerde hij zijn volk debatteren, en in ‘Ombudsjan’ koos hij in het eeuwige gevecht tussen argeloze consument en inhalige gladjakker partij voor die eerste. En dat is slechts een nonchalante greep uit zijn cv. Ergens tussendoor schoof Van Rompaey ook een VTM-contract met veel nulletjes weer naar de overkant van de tafel – hij vond de openbare omroep een genadige broodheer. Tezamen heet dat: tv-geschiedenis.

“Ambachtelijke tijden”, zo noemt Jan Van Rompaey de vijf decennia waarin zijn carrière zich ontvouwde.

Jan Van Rompaey: “Ik liet kijkers inbellen in een live-uitzending – als de telefoon het deed, tenminste. En in ‘Zeker weten?’ konden mensen een fax sturen. Die toonde ik dan aan de camera. Nu klinkt dat allicht charmant prehistorisch, maar toen was het revolutionair.”

Met pensioen gaan, is dat makkelijk of moeilijk voor een revolutionair?

“Mijn leven is nu rustiger, maar toch voelt het nog altijd prettig gevuld. (Grinnikt) Ik begin zo stilaan te begrijpen dat een gepensioneerde de dingen trager doet, waardoor de dagen zich automatisch vullen. Maar ik verveel me geen seconde, hoor. Dat is belangrijk voor mij, want ik heb landerigheid altijd als een vijand beschouwd.

“Het heeft me wel wat moeite gekost om op dit punt te geraken. Ik moest afkicken van de adrenalinerush. De spanning net voor een live-uitzending, je zintuigen op hun scherpst, je bloed horen suizen: ik was daaraan verslaafd. En het wegvallen van mijn bekendheid, dat was ook wennen. Niet dat ik zo gehecht was aan het statuut van publieke figuur, maar herkend worden betekende dat ik als televisiemaker gezíén werd. Zodra mensen me niet meer aanspraken, besefte ik: ik ben geen televisiemaker meer.

“Bij de VRT moest ik stoppen op m’n 65ste. Dankzij productiehuis Telesaurus kon ik daarna nog ‘Lotgenoten’ en ‘Alleen op de wereld’ maken, maar toen was het onherroepelijk voorbij. Aanvankelijk was ik boos dat ze me niet meer vroegen: ‘Ik ben toch nog maar 70?’ Maar je moet je als oudere mens geen illusies maken. Het is al moeilijk genoeg om het draaien van de wereld een beetje te volgen, laat staan om er nog actief deel van uit te maken: op een bepaald moment hebben ze je niet meer nodig. Dat heb ik letterlijk te horen gekregen: ‘Nu word je toch wat te oud om in beeld te lopen, Jan.’ Terwijl ik helemaal niet in beeld wílde lopen. In een talkshow kun je dat natuurlijk niet vermijden, maar in mijn reportages stond ik het liefst net buiten het blikveld van de camera.»

Het omgekeerde wordt nu gewaardeerd: reporters die dominant aanwezig zijn. Je personality laten shinen, Jan!

“Klopt, ja. Daar heb ik niets op tegen, zolang je zelf maar niet de ster van je reportages wordt. De slinger is op dat vlak wat doorgeslagen, vind ik – ik denk nu aan Kobe Ilsen, die zo nadrukkelijk de camera opeist dat je haast geen oog meer hebt voor het eigenlijke onderwerp.

“In ‘Echo’ en ‘Terloops’ kwam ik niet in beeld, tenzij het absoluut noodzakelijk was. Dat was comfortabel: je werd in die tijd minder snel een BV. Bekendheid overviel je niet, je bouwde ze op.”

Het was de tijd waarin televisie nog als iets sacraals werd gezien. ‘Echo komt zondag!’ blokletterde een groot spandoek in een dorp waar jullie een reportage gingen draaien.

“We hadden meer dan een miljoen kijkers, en dat was volstrekt normaal. Er was geen VTM, geen internet, geen digitale televisie. Nu moet je voor een miljoen kijkers echt véchten.

“Ik was blij met die hoge cijfers, want ik heb er altijd naar gestreefd om iets te maken wat een grote massa mensen beroerde én tegelijkertijd een zeker kwaliteitsniveau haalde. Al werd ons dat niet in dank afgenomen door de klassieke journalisten op de nieuwsdienst: bij ‘Het journaal’ en ‘Panorama’ vonden ze ons sukkeltjes die zich bezighielden met ‘het marginale nieuws’. ‘De vuilnisbak van het journaal’ werden we genoemd, omdat we ook weleens naast het harde nieuws keken, en gewone mensen aan het woord lieten. Ik herinner me Paul Van Hoeydonck, de kunstenaar die een beeldje had ontworpen dat in 1971 door de astronauten van de Apollo 15 op de maan werd gedropt – een originele plaats voor een vernissage. Ik belde hem voor een interview. Zijn antwoord: ‘Meneer, ik wil niet te zien zijn in een programma voor de boeren.’ We moesten opboksen tegen dat dedain, maar stilaan vonden we onze weg en werd het programma heel populair. Al vind je tot vandaag nog sporen van die minachting: ik was behoorlijk pissig toen er in ‘Dank dat u bij ons was’, die docuserie over de geschiedenis van de nieuwsdienst, met geen woord gerept werd over ‘Echo’ en ‘Terloops’. Terwijl wij dus wel deel uitmaakten van de nieuwsdienst, hè.”

'Jan Publiek' bracht het maatschappelijke debat in de studio.'Ik zou nu geen televisie meer willen maken. Die lawine aan reacties op sociale media heeft iets intimiderends.'

Die programma’s hebben de weg gebaand voor ‘Man bijt hond’ en ‘Iedereen beroemd’. Is dat geen groter compliment dan een vermelding in een docuserie?

“O ja, dat doet me plezier, want het zijn uitstekende programma’s. Ze kúnnen ook meer omdat de middelen nu zoveel beter zijn. Wij draaiden indertijd op pellicule, in de beginperiode zelfs nog in zwart-wit.”

Ook in ‘Het journaal’ zijn het fait divers, het niemendalletje en het kleine nieuws niet meer zonevreemd.

“Ja, de schotten zijn weg: er zijn nu items die zowel in ‘Het journaal’ als in ‘Iedereen beroemd’ zouden kunnen zitten. Al zie ik toch nog vaak de oude reflexen. ‘Het journaal’ opent bijvoorbeeld vaak met de resultaten van een studie, terwijl zo’n statistieken eigenlijk saai nieuws zijn. Ik ben er altijd voorstander van geweest om nieuwsuitzendingen te openen met dat wat mensen het méést beroert. Dan begin je niet met een enquête, wel met een ramp.”

In archiefprogramma’s blijven verschillende van je stukjes leven. Opvallend: het gaat dan bijna altijd over komische items.

“Mensen herinneren zich de gekke dingen – mijn interview met de Franse komiek Fernandel, bijvoorbeeld. Maar ik heb ook heel veel ernstige en sociaal bewogen reportages gemaakt. Dat zijn de dingen die decennia later nog aan me kleven. In ‘Echo’ heb ik ooit iets gemaakt over een tweeling van een jaar of twaalf: die jongens werden in een tehuis binnengebracht nadat hun ouders gestorven waren in een auto-ongeval. Dat beeld van die twee kinderen, op hun bed met alleen een pyjama en een tube tandpasta in hun handen, staat nog altijd op mijn netvlies geëtst. Maar het zit dus niet in het collectieve geheugen. Nu, het zij zo, humor was óók een essentieel onderdeel van mijn werk, maar ik vind het wel belangrijk om te benadrukken dat ‘Echo’ een spiegel was van de samenleving, en niet alleen wat komische spielerei.”

Rond de eeuwwisseling explodeerde reality-tv: de gewone man en vrouw werden televisiekapitaal. Heb jij mee de weg gebaand voor ‘Big Brother’ en ‘Temptation Island’?

“Het klopt dat wij de gewone man – wat een vreselijke term, er plakt weer een soort dedain aan – in beeld brachten, in plaats van de gestudeerde hoofden in ‘Het journaal’. Alleen was de gewone man of vrouw in ‘Echo’ en ‘Terloops’ een ándere dan die in ‘Temptation Island’. Wij zochten naar mensen die iets bijzonders waren of konden, ook al speelde dat zich af in een microkosmos. In ‘Temptation Island’ is er vaak geen specifieke reden om iemand op te voeren, die mensen ontlenen hun betekenis aan het feit dát ze in dat programma zitten. Er is geen aanwijsbaar talent, geen boeiend verhaal, geen bijzonderheidje waaraan je blijft haken – of het moet een iets te krap bemeten bikini zijn. (Schudt het hoofd) Nee, ik vind dat niet interessant.”

Je kunt het ook bekijken als de ultieme emancipatie. De gewone man gebruikt de televisie nu, in plaats van omgekeerd.

“Dat is waar: zo’n Pommeline weet heel goed wat ze doet. Die kent het spel, weet wat van haar verwacht wordt, en puurt daar een carrière uit: over elke nieuwe tatoeage, plastische ingreep en relatiebreuk wordt uitvoerig bericht. Slim, zeker, maar ik vind het luie televisie.”

Vlaamse primitieven

Was jij zo’n tv-tijger die door showbizzland walste, tulpglaasje prosecco tussen de vingers? Schuimde je de feestjes en recepties af?

(lacht) “Wel integendeel. Ik stam uit de tijd dat beroemdheid als collateral damage werd beschouwd: je werkte voor de televisie, en dus werd je na verloop van tijd op straat herkend en aangesproken. Dat hoorde erbij, maar je streefde het niet na. Ik heb weinig à-côtés gedaan, en als ik op het Filmfestival van Gent met mijn vrouw over de rode loper moest, glipten we weg en liepen we achter de fotografen door. Ik stond weleens op de cover van Humo, ja, maar dat was vanwege de programma’s die ik maakte. Het heeft me nooit geboeid om een mediapersoonlijkheid te worden.

“Het is ook niet gezond als journalisten zich opsluiten in die luchtbel van glamour. Met ‘Echo’ voelden wij indertijd de polsslag van Vlaanderen. We opereerden tussen de mensen, in la Flandre profonde, en we zagen, hoorden en voelden veel. De mensen die ‘Het journaal’ maakten niet. Die kloof bestaat nog steeds: het hoffelijke gekissebis van politici, analisten en hoofdredacteurs in de opinieprogramma’s heeft z’n waarde, maar het staat wel mijlenver af van wat er leeft onder de mensen. En dat heeft soms pijnlijke gevolgen. Journalisten die de verkiezingsoverwinningen van de N-VA niet voelden aankomen, of recent de heropstanding van het Vlaams Belang, hebben gewoon niet goed opgelet.”

Wat heb je in al die jaren veldwerk opgestoken over Vlaanderen en de Vlaming?

“Dat, als je alles bij elkaar optelt, de Vlamingen toch een warm volk zijn. Ik meen het: ik heb veel tederheid en zorgzaamheid aangetroffen. Tegelijk vind ik de Vlaming té meegaand met sterke leidersfiguren. Er is te veel slaafse gehoorzaamheid. De warmte en het mededogen vertalen zich niet altijd in het stemgedrag.”

Ik heb in mijn kennissenkring heel wat mensen met volkomen ándere denkbeelden, soms ronduit racistisch en homofoob. Maar ik merk dat die mensen óók tederheid in zich dragen. Het één sluit het ander niet uit.

“Voilà. Je politieke denkbeelden zeggen natuurlijk iets over wie je bent, maar je kunt een mens niet reduceren tot zijn overtuiging. Iemand kan racistische ideeën hebben en tegelijk een zorgzame vader of moeder zijn, of een tedere vriend, of iemand met wie het fijn streekbiertjes drinken is.

“Maar het is waar: er woekert veel racisme in Vlaanderen, veel homofobie. Met ‘Echo’ drongen we ook door in die laag van de samenleving. Aanvankelijk kostte me dat moeite, want ik kom niet uit een volks milieu. Het duurde even voor ik de juiste toon vond, de sleutel om te converseren met wie anders dacht en zich anders uitdrukte dan ik. Maar ik vond het heel belangrijk dat dat gebeurde: een goeie journalist heeft scherpe antennes nodig.

“Nu goed, of je als journalist écht impact hebt… Mensen reageren soms heel primitief. Ik zie eerlijk gezegd niet in hoe je dat kunt veranderen.”

Er wordt vaak gewichtig gedaan over ‘het maatschappelijk debat’. Maar wanneer heb jij nog eens iemand horen zeggen: ‘Tiens, je hebt me overtuigd met je argumenten. Voortaan denk ik hier anders over’?

Beeld Saskia Vanderstichele

We hebben het eigen gelijk gebetonneerd. Ik merkte dat indertijd al bij ‘Jan Publiek’. We lanceerden een stelling, en mensen thuis gaven via televoting aan pro of contra te zijn. Daarna werd er uitvoerig gedebatteerd door het panel in de studio, en aan het einde mochten de mensen thuis opnieuw stemmen. ‘Immigranten moeten stemrecht krijgen’ is een goed voorbeeld: haast iedereen was tegen. Na een uur grondige discussie deden we opnieuw een televoting, en in mijn oortje hoorde ik Jean Philip De Tender, de toenmalige eindredacteur, zeggen: ‘Verdorie, er is niets veranderd. De resultaten zijn gewoon hetzelfde.’ Om maar te zeggen: ik denk dat de debatprogramma’s die ik gemaakt heb boeiend genoeg waren om te mogen bestaan, maar ik geloof niet dat ze voldoende wógen, dat we echt iets teweeggebracht hebben. Een klein shockeffect – een confronterend filmpje, bijvoorbeeld – kan een tijdelijke impact hebben op de publieke opinie, maar ik geloof niet dat je daarmee op langere termijn iemands visie op mens en samenleving verandert.”

Intussen braakt iedereen z’n socials vol met meningen en verontwaardigd gekrijt. Om een onderschatte filosoof te citeren: ik word daar zo moe van.

“Al dat driftige reageren op sociale media zwelt aan tot zo’n enorme orkaan dat ik me afvraag of er nog een maatschappelijk nut is. Je uit er je frustraties mee, ja, je gaat een podium op dat je in vroegere tijden niet ter beschikking had, en dat kan dus een persoonlijk nut hebben. Maar je stem verdrinkt toch in het gekrakeel?

“Ik zou nu geen televisie meer willen maken, net door die sociale media. Ik vind die lawine aan reacties op een programma iets onheilspellends hebben, iets intimiderends.”

Van mussen en mensen

Kun je benoemen wat al die tijd je drijfveer is geweest?

“In mijn collegejaren moest ik vaak naar de mis, en toen ik eens in zo’n volle kerk zat, besefte ik plots hoe fijn ik het zou vinden om voor een massa iets van betekenis te doen. Om véél mensen te begeesteren. Dat heeft me altijd gedreven. Het is ijdelheid, natuurlijk: in het televisievak ben je op zoek naar erkenning. Daarnaast werd ik altijd vooruitgestuwd door een gulzige nieuwshonger, en door het verlangen om in een kleine ruimte omringd te zijn door een hoop creativiteit. Ik mocht mijn redacties zelf samenstellen en dat deed ik puur op intuïtie. Heel af en toe liep dat mis, maar meestal werkte het. De redacties van ‘Echo’ en ‘Terloops’, bijvoorbeeld: heerlijke zootjes ongeregeld. Dat bruiste!”

Is er iets wat je, met de kennis die je nu hebt, je 18-jarige zelve had willen toevertrouwen?

“Ik kreeg ooit de kritiek dat ik heel veel verschillende dingen heb gedaan, waardoor ik nergens echt in uitblonk. Terwijl iemand als Mark Uytterhoeven zijn speeltuin wel duidelijk afbakende, en daarin dan excelleerde. In mijn carrière zie je twee sporen: het studiowerk en de reportage. En achteraf gezien heb ik iets te veel tijd in de studio doorgebracht. Ik had me beter gespecialiseerd in reportagewerk. Dan was ik misschien nog verder geraakt. Tja, en dat aanbod van VTM, daarmee zou ik het nu allicht financieel beter hebben gehad. Al vind ik nog altijd dat ik toen de juiste beslissing heb genomen, uit loyaliteit aan de VRT, die me zoveel kansen had gegeven.

(Denkt na) “Ach, het is goed geweest – ik heb een prachtige carrière gehad. Dat ik toch die ‘wat als’-vragen stel, heeft te maken met mijn eeuwige rusteloosheid: het gevoel dat het altijd nog een tikje beter kan. Dat had ik met élk programma: ik vond nooit dat het helemaal was zoals het had moeten zijn. Zeker bij live-uitzendingen: de tocht naar de studio was dan een adrenalinerush, ik voelde me tot het uiterste gespannen en ontzettend alert, klaar voor het perfecte programma. En nadien was er dan altijd die lichte teleurstelling: er was telkens wel iets wat ik in mijn ogen beter had kunnen doen. Zo is het ook wanneer ik op mijn hele carrière terugblik: het palmares is mooi en rijkelijk gestoffeerd, maar ik durf niet te zeggen dat het helemaal áf is.”

'Ik zie de wereld steeds groter worden voor jonge mensen, terwijl die van mij krimpt. Ouder worden is een oefening in eenzaamheid.’ Beeld Saskia Vanderstichele

‘Ik hou niet van dingen waarvan ik weet dat ze nooit zullen veranderen,’ zei je ooit in Humo. ‘Ik heb moeite met een fait accompli, op alle gebied.’

“Ik kan niet tegen mensen die zeggen: ‘Zo is het, en niet anders.’ Er moet voor mij altijd ruimte voor beweging zijn, voor verandering. Ook letterlijk: ik ben altijd gek geweest op varen, vliegen en rijden. Ik vind het heerlijk om in luchthavens en treinstations te zijn, en te kijken naar de tienduizenden mensenlevens die daar langslopen. Mijn vader was ingenieur bij de spoorwegen – allicht heb ik die passie van hem geërfd.

“Zelfs nu ik met pensioen ben, blijft die gejaagdheid in mij zitten. Dat heeft misschien wel met mijn jeugd te maken: mijn vader moest voortdurend veranderen van werkplek, waardoor we vaak verhuisd zijn. Dat heeft me een zekere soepelheid opgeleverd: ik pas me makkelijk aan aan een nieuwe omgeving. Maar: ik ben er ook vaak snel weer weg. Dat kwam me als reportagemaker uiteraard goed van pas.”

Het grootste fait accompli…

“…is de dood, ja. (Zucht) Je kunt het zolang mogelijk ontkennen, maar dat is nu eenmaal wat er gebeurt wanneer je de tachtig nadert: de dood wringt zich je leven binnen. Eerst sterven je grootouders, dan je ouders, en ten slotte de mensen uit je directe omgeving. In dat stadium zit ik nu, en ik vind het moeilijk om daarmee om te gaan. Ik word er een beetje bang van.

“Ouder worden is verliezen. Ook terwijl je nog in leven bent: ik zie de wereld steeds groter worden voor jonge mensen, terwijl die van mij krimpt. Mensen vergeten me. Niet dat ik ze dat kwalijk neem: als jonge gast had ik het zelf te druk met de hemel bestormen. Met een klein groepje mannen komen we elke maand samen in een restaurant. Dirk Sterckx is daarbij, en mijn gewezen collega Fred Janssen. Dan voel ik dat zij daar ook mee worstelen. Het overkomt iedereen: ouder worden is een kleine oefening in eenzaamheid.”

‘Men merkt soms hoe het meestal zo zonnige wezen Jan Van Rompaey ineens betrekt, alsof iets heel weemoedigs ongevraagd door zijn memorie sluipt,’ schreef Guy Mortier al in 1974 over jou.

(lacht) “Daar is iets van aan, ja. Er zit een vinnige melancholie in mij. Ik schrijf sinds twee jaar een wekelijkse column in Het Nieuwsblad, en ik merk dat daar automatisch veel weemoed in kruipt. Dat heeft te maken met mijn visuele geheugen. Vraag me niet naar data of feitelijkheden, maar ik heb wel een bibliotheek van duizenden beelden in mijn hoofd. Soms flitst er plots iets voorbij – ikzelf als jonge gast, met m’n Kodakske wandelend langs de Brugse Vaart – en dan bén ik daar weer. Dan voel ik hoe ik een zwak had voor de herfst, voor de kleuren en de geuren van dat seizoen.

“Het klopt wel: ik ben nooit ver weggegaan van het donkere. Fred Janssen vertelde me onlangs nog over een reportage die hij ooit gedraaid heeft: een man was in volledige eenzaamheid gestorven, en er was dus niemand op zijn begrafenis. Letterlijk niemand: de kerk was leeg, alleen Fred en zijn cameraman waren daar. Ik zie die beelden nog zo voor mij. De onpeilbare tragiek, de tristesse van zo’n leven dat geleefd is, maar niemand die het wat kan schelen…”

Als je al over een database van mistroostigheid beschikt, is het dan wel zo’n goed idee om getuigenissen op te tekenen voor het patiëntenblad van UZ Leuven? Want dat doe je al vele jaren.

“Ja: ik ga in de kantine zitten, leg mijn recordertje ergens neer en luister. Daar kom je wel wat tegen. Een namiddag op de palliatieve afdeling, dat is weinig zonneschijn en veel ellende. Maar ik ben geïnteresseerd in de kwetsbaarheid van een mensenleven. En dat kruipt onder de huid, ja: na zo’n gesprek heb ik ’s avonds niet de behoefte om het er nog uitgebreid met mijn vrouw over te hebben. Het blijft even gisten in mijn hoofd, en enkele dagen later ben ik dan klaar om er haar over te vertellen.

“Maar dat is dus wat ik mijn hele leven gedaan heb. Wat ik móést doen – zo voelt het voor mezelf toch aan. Ik heb ooit een reportage gedraaid over een vrouw die net voor haar huwelijk een zwaar ongeval had meegemaakt, en volledig verlamd was: ze kon alleen nog met de ogen knipperen. Haar man bouwde voor haar een aangepast huis, en daarin reed hij haar rond in een soort van mobiel bed. Dat was hun leven. We hebben toen zo’n dag geregistreerd: de facteur bracht de krant, een uur later kwam de melkboer, nog een uur later zagen we een mus door een fontein trippelen. En dat was het: de tijd tikte koud en traag weg. Dat raakt je midscheeps, zoiets, dat zegt wat over de mens en het leven. En dat wilde ik registreren. In een programma als ‘Temptation Island’ zit dat allemaal niet, toch?”

©Humo

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234