Zondag 25/08/2019

Interview

Jan Siebelink over zijn Boekenweekgeschenk: “Het leven van een atheïst lijkt me niet zo spannend”

Jan Siebelink, thuis in Ede. ‘Mijn boeken zijn een poging om mijn vader te begrijpen.’ Beeld Simon Lenskens

In Jas van belofte, het Boekenweekgeschenk van dit jaar, laat Jan Siebelink uit balorigheid een wonder gebeuren. De 81-jarige schrijver heeft het gehad met het aanhoudende denigreren van het geloof. En hij houdt van opschieten. “Soms zeg ik tegen mijn vrouw: ik ga even lekker hardrijden.”

Jan Siebelink is de succesauteur die ten zuiden van Breda amper een belletje doet rinkelen. In 2005 schreef hij Knielen op een bed violen, dat in Nederland inmiddels 900.000 keer over de toonbank ging en verfilmd werd. Misschien is Siebelink in Vlaanderen nog het meest bekend vanwege de rel die voorafging aan het Boekenweekgeschenk van dit jaar.

Nota bene onder de vlag van het thema ‘De moeder, de vrouw’, naar een gedicht van Martinus Nijhoff, had de Stichting Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek (CPNB), dat de Boekenweek organiseert, twee mannen aangezocht om het Boekenweekgeschenk te schrijven: Siebelink het boek, Libris-winnaar Murat Isik het essay. Geen vrouw over een vrouwenthema, dat was gefundenes Fressen voor twitterati. Toen vorige week in het boek ook nog eens een dt-fout werd ontdekt, was de stennis compleet.

Wanneer Siebelink ons bij hem thuis ontvangt, in een knusse woning aan de rand van de Veluwe, is de storm alweer gaan liggen. De schrijver, piekfijn uitgedost in een jasje en met kraaknette schoenen, neemt zijn tijd voor het scenario dat hij voor ons heeft bedacht. Eerst krijgt de journalist zijn werkkamer te zien. “Ik kan me voorstellen dat je daar nieuwsgierig naar bent.” Het is een bureau zonder computer, maar met een elektronische tekstverwerker – het is bekend dat Siebelink zijn boeken eerst met de hand schrijft. Ook de kelder, waar het archief van de schrijver huist, maakt deel uit van de rondleiding. Straks, als hij het tijdige met het eeuwige wisselt, gaan de correspondentie en manuscripten naar het Literatuurmuseum in Den Haag, dat is al zo geregeld.

Biografie

- geboren in Velp op 13 februari 1938
- Nederlands schrijver en essayist
- groeide op in een streng-godsdienstig christelijk gezin
- werd leraar Nederlands en Frans
- debuteerde in 1975 als schrijver met Nachtschade
- ontving in 2002 de F. Bordewijk-prijs voor De overkant van de rivier
- kreeg in 2005 de AKO Literatuurprijs voor zijn bestseller Knielen op een bed violen die in Nederland al 900.000 keer over de toonbank ging en verfilmd werd
- schreef met Jas van belofte het Boekenweekgeschenk 2019

Pas wanneer we door Siebelinks echtgenote Gerda van der Haas voorzien zijn van madeleines en koffie en de schrijver ons een plaats heeft toegewezen aan de eettafel – “Ik stel voor dat jij daar gaat zitten en ik hier” – geeft hij de regie uit handen. Siebelink spreekt zoals hij schrijft: in korte zinnen, met veel ingebeelde beletseltekens. Zinnen breekt hij vaker wel af dan niet, omdat hij het antwoord op een vraag wil verfijnen of zijn argumentatie een andere richting wil uitsturen.

Laten we beginnen met de vervelendste vraag: hoe gênant was het om pas nadat er zeshonderdduizend exemplaren van waren gedrukt, te merken dat er een dt-fout in uw boek staat?

Jan Siebelink: “Ik vind het zelf niet zo vervelend, maar het is jammer: het ziet er zo mooi uit, en de tekst is ook goed. Het gekke is dat er aan de bewuste pagina nooit iets is veranderd. Plots heeft iemand na de vierde drukproef van een d een dt gemaakt – we weten niet wie. Het meisje dat als laatste door de drukproeven is gegaan, heeft me gebeld. Haar wordt het heel erg verweten, terwijl het niet haar schuld is.”

Het is helaas niet de enige fout in het boek: de Maserati van het hoofdpersonage Arthur is in het begin van het boek zwart. Op het einde hebt u het over een lichtgrijze Maserati.

“O jee. Maar ik beschrijf toch een glimmende Maserati? Was de spoiler niet lichtgrijs? Nee? Goed, ik noteer het en meld het aan de uitgeverij. Maar er komt geen herdruk van het boek – tenminste, niet de eerste jaren.”

Het Boekenweekgeschenk was dit jaar van in het begin een bron van controverse: man schrijft boek over een vrouwenthema en krijgt het gezelschap van een andere man (Murat Isik) voor het essay. Daarop volgden een open brief en een petitie. Begreep u de heisa?

“Ik begrijp dat er enige verbazing was. Ook bij mij, omdat er naast mij geen dame was aangezocht. Dat is een beetje de usance bij het Boekenweekgeschenk: Herman Koch had Connie Palmen naast zich, Griet Op de Beeck werd gekoppeld aan Jan Terlouw. Op het hoogtepunt van de #MeToo-beweging koos de CPNB opeens voor twee mannen.”

“Maar je kunt ook zeggen: leuke keuze. Een oude witte man wordt gekoppeld aan een Nederlandse auteur van Turkse afkomst die de helft jonger is.”

Hebt u Lisette, de vrouw van Arthur, opzettelijk neergezet als een kinderloze vrouw, als reactie op de controverse?

“Nee. Wat blijkbaar niemand weet, is dat het Boekenweekgeschenk niets met het thema te maken heeft. Dat wordt pas gekozen nadat de schrijver al is aangezocht. Ik heb het boek in april ingeleverd, in juni vernam ik dat de CPNB had gekozen voor het thema ‘De moeder, de vrouw’. Maar dat geldt alleen voor het essay. Ze doen dat opdat de schrijver van het boek de vrijheid zou hebben om er een mooi verhaal van te maken.”

Weet u waarom u gevraagd bent?

“Daar heb ik niet naar gepolst. Toen ik veel boeken verkocht, heb ik wel eens gedacht: de kans bestaat dat ik ooit gevraagd word. Ik zat er niet op te wachten – je wordt toch beperkt in het aantal woorden. Maar uit de open brief en de heisa blijkt hoe prestigieus de opdracht kennelijk is.”

De overweging zou wel eens geweest kunnen zijn: Siebelink is de tachtig voorbij, straks kunnen we hem niet meer vragen.

“Ja. Nou ja. De dag dat ik werd gevraagd, was het mijn tachtigste verjaardag. Toen de voorzitter van de CPNB aan mijn voordeur op zijn knieën viel, dacht ik nog steeds: het is omdat ik jarig ben. Straks krijg ik een oorkonde of zo.”

“Ik wist onmiddellijk waar ik het boek mee wilde laten beginnen. Twee jaar geleden heb ik thuis een kleine beroerte gehad en werd ik afgevoerd met een ambulance. Ik zat aan deze tafel te werken. Toen ik wilde opstaan om met de hond te gaan wandelen, deed mijn linkerbeen het niet en begon mijn linkerarm te tintelen. Mijn vrouw was net de deur uit. Ik heb nog snel de hulpdiensten kunnen bellen. ‘Het is gedaan’, dacht ik. De scène van een man die in een ambulance ligt en zijn leven voorbij ziet flitsen, vond ik een sterk begin. Voorts put ik uit mijn leraarschap. Net zoals het hoofdpersonage Arthur heb ik als leraar Frans een eigen lokaal gehad en heb ik me afgezonderd van het schoolleven.”

Hebt u het ook aangelegd met een leerlinge, zoals in het boek?

(ontwijkend) “Neuh. In ieder geval waren de leerlingen erg op me gesteld omdat ik extra les gaf en aandacht voor ze had. Ik was een spontane leraar, vol van literatuur. Het bord stond vol met Racine en het classicisme, in de klas werd Frans gesproken.”

“Het boek bevat enkele sneren naar vernieuwingen waar ik destijds een gruwelijke hekel aan had. Zo werd op een bepaald moment het klassikale systeem losgelaten. In de gangen werden studienissen gebouwd, iedereen mocht kiezen wat hij die dag zou doen, ouders liepen de klas in en uit. Het was een totale chaos. Het ging niet meer over kennisoverdracht, nee: leerlingen moesten vaardigheden opdoen zodat ze dingen konden opzoeken. Je mocht per les maar drie minuten uitleggen, de rest van het uur waren de leerlingen vrij om te doen wat ze wilden. Daar was ik ontzettend kwaad over. Ik kon mijn verhaal niet meer kwijt.”

Het klinkt alsof u als leraar een intimiteit wilde creëren met uw leerlingen, dat u in een bubbel wilde zitten.

“Ja, absoluut. En vooral niet maatschappelijk relevant willen zijn. Ik wilde aan leerlingen vertellen hoe mooi een boek was. Ik was aangenomen om ze de Franse taal te leren. Ik moest dus Frans spreken, oefeningen maken, uitleggen dat ‘de’ en ‘le’ samen ‘du’ zijn. Leerlingen hadden hun mond te houden, zodat ik kon uitleggen. Weet je dat er zelfs gradaties waren uitgevaardigd voor het geroezemoes dat er in de klas mocht zijn? Terwijl de leraar gewoon stond uit te leggen! Voor mij was dat ondenkbaar.”

“Uiteindelijk is dat een geweldig conflict geweest op school. Met ouders heb ik nooit ruzie gehad, wel met collega’s. Ik heb me tien jaar lang niet in de leraarskamer vertoond. Via een onderaardse gang ging ik naar de klas. Gelukkig stond de rector stiekem achter mij. Hij was gepromoveerd op Plotinus
(Griekse filosoof, red.). In het Frans! Aan de Sorbonne! Met zo’n man kon je praten. Kom daar nu maar eens om.”

‘Ik schrijf al mijn boeken in de auto.’ Beeld Simon Lenskens

U speelt vaker met autobiografische elementen. In Knielen op een bed violen gaat het over uw vader, een bloemenkweker die in de greep is geraakt van een sinister geloof. Ook nu is er sprake van een diepgelovige vader met een bloemenkwekerij. Wilde u dat trucje nog eens herhalen, of was u nog niet uitgeschreven over hem?

“Ik wilde nog een stap verder gaan dan in Violen. In dat boek sterft de vader. Nu wilde ik het mooier vertellen: Arthur vindt de jas die zijn vader liet vallen toen die thuis wegfietste, maar zoals het enkele mensen in de Bijbel overkomt, is de vader niet gestorven. Mozes is ook weggelopen en ten hemel gevaren zonder dat hij de dood hoefde te zien. Met Jas van belofte wilde ik vertellen dat de vader een wonder is overkomen.”

Jas van belofte is een boek over vriendschap tussen twee schrijvers, of zoals op het voorblad staat: de liefde die vriendschap is. Kan vriendschap liefde zijn?

“Ja, en zonder dat het seksueel bedoeld is. De twee bevriende schrijvers zitten altijd naast elkaar in het café.”

Er hangt nochtans iets homo-erotisch over hen.

“Dat vind ik dus zelf helemaal niet.”

U laat hen kussen.

“Ik zoen al mijn vrienden, de twee beste zelfs op de mond. Als ik mijn beste vrienden op een feestje zie en we hebben elkaar niet kunnen kussen, dan zoek ik altijd een gelegenheid om het wel te doen. Anders is het onaf. Daar is niets erotisch aan.”

“De vriendschap tussen de twee schrijvers in Jas van belofte gaat over mezelf en Louis Ferron (Nederlandse schrijver die in 1990 de AKO Literatuurprijs kreeg voor ‘Karelische nachten’, red.). Wij hebben elkaar eind jaren zeventig ontmoet in de Bijenkorf in Eindhoven, toen die winkelketen nog prachtige dagen aan de literatuur besteedde. Ik had net mijn debuut Nachtschade uit. Louis en ik voelden elkaar onmiddellijk aan. Wij wilden andere literatuur schrijven dan wat toen heerste, veel gepassioneerder en exuberanter. Het waren de tijden van het Hollands realisme: een beetje ironisch, heel grijs, huiskamertaferelen. Anekdotiek zonder grootsheid. Louis heeft zich gewenteld in de Duitse romantiek, ik heb me bekeerd tot de Franse decadentie.”

Knielen op een bed violen is een van de succesvolste naoorlogse romans in ons taalgebied. Toch bent u in Vlaanderen vrij onbekend. Hoe komt dat?

“Ik denk dat het te maken heeft met het onderwerp. Het donkere calvinisme is Vlamingen te exotisch. Het is een zware, sombere vorm van een geloofsdenken waarin de mens geen enkele actieve rol heeft. De mens gaat niet naar god toe, god gaat naar de mens – de beruchte via negativa. Het is een geloof waarin geen zendingsarbeid bestaat, dat is ondenkbaar. Er is ook de continue twijfel of het wel goed genoeg is.”

“Maar goed: in Duitsland is Violen wel aangeslagen. En het boek is ook in het Italiaans vertaald. Het gaat tenslotte over een gezin dat het moeilijk heeft en waar de vrouw niet meegaat met de man.”

Hebt u het calvinisme van uw vader aangehangen?

“Niet echt, maar ons gezin was er natuurlijk vol van. Op zondag las mijn vader een preek voor van dominee Paauwe, die uit de kerk gezet was omdat hij te streng was. Ook mijn vader had de kerk verlaten om een oorspronkelijk christen te zijn. Met een groepje van tien leefde hij in een gebedsgroep. Ze baden soms dagen aan een stuk om een teken van boven te krijgen. Zijn vrouw en kinderen stonden daar buiten. Toen mijn vader stierf, mochten wij niet aanwezig zijn.”

“Niettemin ben ik opgegroeid in een leuk gezin. Er moest wel hard geploeterd worden om het hoofd boven water te houden. We leefden in armoede. Maar mijn vader was een lieve man. Ik stond dicht bij hem, ik was de oudste en zijn meest geliefde zoon. Ik wilde als hij zijn. In wezen zijn mijn boeken pogingen om hem te begrijpen, maar dat gaat me nooit lukken. Er zijn geen brieven bewaard gebleven en hij praatte zelden over zichzelf.”

Jas van belofte staat vol met bijbelse referenties. Een van de personages verzucht zelfs: ‘Wat mij, ondanks mijn ongeloof, persoonlijk stoort, heden ten dage, dat is dat de oude mythische verhalen, maar ook begrippen als zoenoffer, zondeval, kruisdood… alles wordt op één grote hoop gegooid en bij het oud vuil gezet. Daar gaan we nog een keer spijt van krijgen.’ Je leest de zin en je denkt: hier spreekt de schrijver.

“Ik merk, ook bij mijn volwassen kinderen, een volstrekt niet-religieus zijn – althans niet in kerkelijke zin. Laatst was er op televisie een quizvraag over Goede Vrijdag. Geen enkele kandidaat kon de precieze betekenis ervan duiden. Mensen hebben geen idéé meer. Dat is een verarming. Nederland is verwoed aan het seculariseren en bij ons is het zo, dat als iets niet meer deugt, het volledig op de schop moet.”

Gaat u nog naar de kerk?

“Nee, maar ik geloof nog steeds dat het goed met me komt. Dat ik word opgevangen, dat er hierna nog een leven is. Ik heb wel mijn rationele twijfels, maar het leven van een atheïst lijkt me minder spannend dan dat van iemand die probeert te geloven. Atheïsten zijn zo zeker van hun zaak. Ik wil graag een beetje hoop hebben op het onvoorstelbare. Natuurlijk is dat niet redelijk te bewijzen, juist omdat het zo onvoorstelbaar is en wij een beperkt verstand hebben. We hebben het over de oerknal, maar wat was er daarvoor?”

Niets.

(verontwaardigd) “Dat kan toch niet?”

De oerknal was een singulariteit. Ervoor bestonden geen tijd en ruimte.

“Wat mij stoort, is het aanhoudend honen en denigreren van religie. Religie heeft veel fout gedaan, maar waarom zou een mens niet kunnen geloven dat zijn leven verankerd is in een hoger wezen? Dat kun je toch niet belachelijk maken?”

“Misschien heeft het met het huidige wereldbeeld te maken. Alles ligt vast, we kunnen alles bereiken. De digitale wereld kent geen vertwijfeling, alleen maar feiten. Dan krijg je een soort kaalheid, een vervlakking. Met mijn boek probeer ik een diepgang te maken. Ik beoog dat er een wonder mogelijk is. Een mooi boek en een goed verhaal kunnen ons nog betoveren. Dat is de kracht van de literatuur.”

U bent 81, uw toekomst is dichterbij dan uw verleden. Bent u bang van de dood?

“Zeker. Ik ben bang voor het niets, voor de eeuwige stilte. Hopelijk besef je dat dan niet. Ik ben ook bang voor andere mensen in het hiernamaals. De hemel is ofwel helemaal vol of helemaal leeg.”

U bent banger voor het hiernamaals dan voor het doodgaan an sich?

“Ik weet niet hoe het gaan zal, dus probeer ik er zo weinig mogelijk aan te denken. Vandaar dat ik het ‘divertissement van Blaise Pascal’ aanhang: zoveel mogelijk doen. Schrijven is een bezwering van de angst. Zolang ik achter mijn bureau zit, kan me niet veel gebeuren.”

Is dat de reden waarom u er een verschroeiend werkritme op nahoudt? Sinds uw debuut in 1975 is er elk jaar een roman, verhalenbundel of vertaling van uw hand verschenen.

“Ik ben niet altijd aan het schrijven, hoor. Als vrienden me bellen, moet mijn vrouw vaak zeggen dat ik net de deur uit ben. Ik ga veel op stap: naar Arnhem, naar het atelier van mijn vriend, de schilder Klaas Gubbels. Ik werk geweldig efficiënt. Elke ochtend sta ik op om zes uur en zet ik me aan de tafel in de woonkamer. Daar maak ik aantekeningen en als het beneden drukker wordt, ga ik naar boven.”

“Eigenlijk schrijf ik al mijn boeken in de auto. Daar gebeurt het denkwerk.”

In de Maserati?

“Die is weg. Hij was té snel. Als je ’m aanraakte, zat je al aan het einde van de straat. Er zat zo’n sportknop op, ging ie nog harder. Het was een GranSport, in het donkerste zwart dat er bestaat. In Nederland rijden er maar tien of zo van rond. Van heinde en verre kwamen vaders met hun zoon foto’s maken van de Maserati die voor mijn deur stond. Ik reed van hier de Duitse Autobahn op en wat er in het boek staat, is ook echt gebeurd: op een dag kwam een Lamborghini naast me rijden. Je had het gezicht van de bestuurder moeten zien toen hij achter het stuur een oude man zag zitten.”

En toen die blik: zullen we racen?

“En ik won! Zulke dingen kun je toch niet bedenken? Pas als ik het heb meegemaakt, kan ik het zo neerschrijven dat jij het gelooft.”

Toen u ver in de zeventig was, ging u nog een stukje straatracen?

“Nou... Autobahn-racen. Maar mijn vrouw vond het te eng, ze wilde niet meer dat ik ermee wegging. Ik heb nog een klein sportautootje, een Mazda MX5. Een goeie, hoor. Met notenhout. Daar geniet ik van.”

Choqueert u graag?

“Dat ligt eraan.”

In NRC Handelsblad maakte columnist Marcel van Roosmalen zich vrolijk over het feit dat u ermee koketteert dat u op het Boekenbal ooit gepijpt bent door een onbekende vrouw. Klopt dat?

(wuift weg) “Ik heb dat eens verteld in een documentaire over het Boekenbal.”

Maar is het echt gebeurd?

“Dat zeg ik niet. Dat doet niet ter zake.”

Van Roosmalen, die hier in de buurt woont, zegt dat hij u soms door de stad ziet lopen, en dat u zich dan gedraagt als ‘de grote schrijver’. Wat moet ik me daarbij voorstellen?

“Dat ik dan leuke suède schoenen aanheb. Ik sta erom bekend dat ik bijzondere schoenen heb. (strekt zijn benen en wijst naar zijn schoenen) Deze zijn ultramarijn, maar ik heb ook rode schoenen uit Milaan. Een mooi kostuum vind ik ook leuk. Dat de mensen denken: hé, die kerel is 81 jaar, maar we moeten oppassen dat hij onze vrouw niet verleidt. Harry Mulisch had dat ook. Tot zijn dood hadden ze het over zijn achthonderd vriendinnen.”

Uw zoon Jeroen wijdde in zijn boek Vaders & zonen een hoofdstuk aan jullie. Volgens hem bent u ‘een groot kind, doortrokken van zichzelf’. Hij was vroeger bang voor uw buien. Was u een driftige vader?

“Bij mij moeten de dingen snel gebeuren. Als me iets dwarszit en er een machteloos gevoel is, dan kan ik snel boos worden. Maar dat is voorbij. Met mijn zoon ben ik nu wel goed.”

“Vroeger gaf ik les, had ik ouderavonden, er was het schrijven. Tussendoor werkte ik nog aan een dissertatie die nooit is afgeraakt. Ik moest ook regelmatig naar Parijs om de laatste boeken te kopen. En dat allemaal na schooltijd. Er zat angst achter. Ik was bang dat me iets zou overkomen, dat ik iets niet zou kunnen voltooien. Dat is nu minder, ik ben geruster. Ik kan ’s morgens opstaan en eraan beginnen.”

Het is voltooid?

“In zekere zin wel. Maar ik hoop niet dat dit boek mijn zwanenzang is. Het succes van Violen hoef ik niet meer te evenaren. Ik ben trouwens nooit bang geweest dat ik daarna niets meer kon schrijven. Blokkades zijn me vreemd, omdat ik altijd onderweg ben. Dan stap ik de auto in en zeg ik tegen Gerda: ‘Even lekker hard rijden.’ Niet ver hoor, gewoon naar de grens en terug. Dan ben ik helemaal opgelucht.”

De Boekenweek in Vlaanderen vindt plaats van 30 maart tot en met 7 april. Bij een aankoop van minimaal 12,50 euro in de boekhandel krijgt u ‘Jas van belofte’ van Jan Siebelink cadeau. Het Boekenweekessay van Murat Isik is die week te koop voor 3,75 euro. Beeld rv
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
© 2019 MEDIALAAN nv - alle rechten voorbehouden