Woensdag 24/07/2019

Boekenrecensie

In ‘Zout op mijn huid’ was de minnaar een visser, in het echt was hij een piloot

Benoîte Groult en haar Amerikaanse minnaar Kurt. Elk jaar stak hij de oceaan over voor een paar dagen en nachten samenzijn. Beeld '© Family Archives'

Een vurige buitenechtelijke liefde staat centraal in Zout op mijn huid van Benoîte Groult. Dat is ook het geval in haar dagboek, dat postuum is verschenen.

Het is nu nauwelijks meer voor te stellen, maar dertig jaar geleden veroorzaakte Zout op mijn huid nogal wat sensatie. In deze roman van de Franse schrijfster en feminist Benoîte Groult (1920-2016) draait het om de liefde tussen een intellectuele Parisienne en een bronstige zeebonk – beiden in eer en deugd getrouwd, maar niet met elkaar. Het levert zinnen op als: ‘Dan storten ze zich op het bed, onderzoeken elkaar nader, herkennen elkaar, nemen opnieuw bezit van elkaar met gebaren die heerlijk schaamteloos lijken, als van geliefden die elkaar pas kennen.’

Steile feministen verwierpen het boek als een hymne op de fallus, president François Mitterrand, tevens huisvriend van de auteur, durfde het ‘uit schaamte’ niet te lezen, en de meeste critici zetten het weg als de betere meisjesroman – niet geheel ten onrechte. Het publiek dacht er anders over. Zout op mijn huid groeide uit tot een heuse everseller, tot op de dag van vandaag onafgebroken leverbaar.

Onlangs verscheen dan Iers dagboek, een project waaraan de schrijfster werkte tot de alzheimer toesloeg, na haar dood voltooid door dochter Blandine. Het bevestigt wat menigeen destijds al vermoedde: aan Zout op mijn huid was heel weinig verzonnen.

In 1977 koopt Groult met haar derde echtgenoot, journalist en schrijver Paul Guimard, een lap grond in Bunavalla, pal aan de Ierse zuidkust. Ze laten er een huis bouwen, hun vierde. Voortaan zullen ze daar de lentes of zomers doorbrengen, schrijvend en vooral zeevissend – hun beider grote liefhebberij. Kinderen, familie en (beroemde) vrienden komen er graag logeren. Wel moet Paul elk jaar een tijdje verdwijnen. Dan wil Groult even alleen zijn met haar Amerikaanse minnaar Kurt.

Ooit, aan het eind van de oorlog, troffen de twee elkaar in Parijs, waar Kurt verbleef als privépiloot van generaal Eisenhower. Een stormachtige affaire volgde. Hij vroeg om haar hand, zij durfde het niet aan. Het dagelijks bestaan met hem, vreesde ze, zou haar gauw gaan vervelen.

Als ze elkaar decennia later weer tegenkomen, vlak voor het dagboek begint, slaat de hartstocht opnieuw toe. Nu vindt ze het juist heerlijk dat hij geen intellectueel is. ‘Ik heb geen zin meer om een Sartre lief te hebben: te intelligent. Ik heb mezelf, dank je.’

Man Paul zint de affaire heel matig. Lang was hun huwelijk zoals zoveel intellectuelenhuwelijken in die tijd waren: hij ‘een erge liefhebber’ van vrouwen en ‘erg ontrouw’, zij die deed alsof ze zijn affaires verdroeg – jaloezie gold immers als kleinburgerlijk. Maar als Groult in alle openheid (en met de zegen van de kinderen) de betrekkingen met Kurt hervat, kan Paul daar slecht tegen. ‘Het feit dat ik hem niet meer geheel ben toegewijd, vergalt voor hem een beetje het plezier anderen te bekoren.’

Zij daarentegen bloeit op. De knappe en viriele Kurt draagt haar op handen, heeft haar lief ‘without reservation’, zoals hijzelf zegt. Jaar na jaar steekt hij de oceaan over voor een paar dagen en nachten samenzijn; zijn vrouw weet aanvankelijk van niets. Tussendoor schrijven de minnaars elkaar vurige brieven. Uiteraard fantaseren ze soms over breken met hun respectieve echtgenoten en definitief kiezen voor elkaar. Het zal er niet van komen.

In 1979 stelt Groult tevreden vast dat ze zich beweegt tussen twee zekerheden: de liefde van Paul en die van Kurt. ‘Van de eerste kan ik niet meer volop genieten. Die mooie tijd komt niet weerom. En van de laatste geniet ik slechts sporadisch, maar op een manier die me vervult en de andere dagen in een feestelijke gloed zet. Een onthutsende situatie: op je negenenvijftigste vuriger te worden bemind dan op je veertigste!’

Geestig: in de zomer van 1985 laat ze Paul het manuscript van Zout op mijn huid lezen. Hij vindt het ‘heel mooi’, noemt het de ‘Roman van haar romans’, al bevalt het hem niet dat ze voor haar boeken zoveel uit haar eigen leven put én uit het zijne.

Behalve over de liefde tobt Groult, die meerdere facelifts onderging en alle drie haar dochters er een cadeau deed, heel wat af over de ouderdom. Dat doet ze met een mengeling van zelfspot en bittere ernst. Als ze tegen de 60 loopt schrijft ze: ‘Gisteren was het mijn kin: voor het eerst merk ik op dat die niet meer glad en rond is, maar een beetje gevlekt met ondiepe kuiltjes. Op mijn bovenlip tekenen zich verticale rimpels af, erg lelijk.’ Vier jaar later: ‘Je kunt je huid opknappen wat je wilt, er komt een moment waarop de schoonheid van binnenuit verdwijnt. Vooral de ogen die hun glans verliezen. Het haar wordt ook minder dik. En boven mijn mond zijn allemaal verticale rimpeltjes, wat uitzonderlijk lelijk is.’

Weer een jaar later: ‘Elke dag ontdek ik in de grote spiegel iets wat me onherroepelijk ontvalt. De bil is haar bolling kwijt en eindigt onderaan in een druppel die uit de curve breekt.’

Ouwemannenkop

En heeft ze zich met deze feiten min of meer verzoend, dan dienen de kwaaltjes zich aan. Het maakt haar razend. Op zeker moment kan de altijd zo energieke Groult zich amper meer staande houden in wind en regen, niet langer zware viskorven tillen, de artritis niet meer negeren. Toch probeert ze vol te houden. Ierland en waar het voor staat blijft haar ‘droom’, schrijft ze als 79-jarige. ‘En ook wat me nog aan jeugd rest.’

Haar echtgenoot is minder strijdlustig. ‘Paul’, constateert ze, ‘laat zich door de ouderdom belegeren als een zandkasteel door het opkomende tij.’ Bijna wellustig beschrijft ze diens drankmisbruik, nicotineverslaving en groeiende onverschilligheid. ‘(...) hij kan nauwelijks bij zijn teennagels vanwege zijn pens, zijn voeten zijn gemummificeerd in sokken die hij niet uittrekt, zijn haar hangt op zijn kraag, zijn kamerjas is net zo onder de vlekken als die van Léautaud. ‘Van Balzac!’ corrigeert hij. Dat alles laat me toch niet onberoerd.’

De minnaar, acht jaar ouder dan Groult, ontsnapt evenmin aan haar kritische blik. ‘Soms zie ik zijn ouwemannenkop door de andere heen opdoemen en dat doet me pijn.’ Zijn ze langere tijd samen, dan ergert ze zich aan Kurts ‘ingesleten gemeenplaatsen’, zijn bekrompen opvattingen over ‘bonenvreters’, zwarten en Haïtianen (‘Was hij niet Joods geweest, dan was hij antisemiet!’). Maar wat haar in hem irriteert ‘als hij verticaal is’, verdwijnt spoorloos ‘in het horizontale vlak’.

Niet al Groults ontboezemingen maken indruk. Kurts onvoorwaardelijke liefde doet dat wel. Hij sterft in februari 2001. Een paar dagen later ontvangt ze zijn laatste brief, door diens dochter op de post gedaan. ‘Mijn aanbeden Benoîte, ik wilde dat je deze woorden die ik zo vaak heb gebruikt nog eenmaal zou lezen. Dat hart, zo vol van liefde voor jou, mijn lief, is nu tot rust gekomen. Ik ben het leven dankbaar dat ik voor jou ben gegaan, mijn lief: het zou ondraaglijk zijn geweest om zonder jou in deze wereld te zijn. (...) Mocht er een andere tijd, een andere plaats zijn, dan wil ik die aan jouw zijde. Ja?’

Dat voorjaar, weer terug in Ierland, draagt Groult de brief permanent bij zich. Ze kan hem niet herlezen zonder te huilen.

Benoîte Groult, ‘Iers dagboek. Herinneringen aan liefdevolle jaren. 1977-2003', Meulenhoff, 384 p., 22,99 euro. Vertaald door Nele Ysebaert. Beeld rv
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
© 2019 MEDIALAAN nv - alle rechten voorbehouden