Zaterdag 26/09/2020

DubbelinterviewNikkie Van Lierop & Chris Van Camp

In het reine komen met een dominante moeder: ‘In de prostitutie kun jij tenminste geld verdienen, zei ze’

Nikkie van Lierop (r.) en Chris Van Camp: ‘Je wilt niet op je ouders lijken, maar je koestert toch dingen die je hebt meegekregen.’Beeld Joris Casaer

Twee vriendinnen proberen al schrijvend in het reine te komen met hun dominante moeders. Kommer en kwel is troef in het debuut van Nikkie van Lierop, terwijl Chris Van Camp haar jeugd als bastaard ontrafelt. ‘Ik kreeg te horen dat ik niks waard was.’

Miskend en misprezen door hun moeder. Opgezadeld met een huizenhoog schuldgevoel. En meegesleurd in een carrousel van zelfdestructieve mechaniekjes. De jeugd van hartsvriendinnen Nikkie van Lierop en Chris Van Camp mag behoorlijk turbulent heten. Om er eindelijk schoon schip mee te maken, schreven ze allebei een debuutroman over hun flamboyante, dominante moeders en peuterden ze in de geheime nissen van hun jeugd.

“Als klein meisje voelde ik al dat mijn moeder me als een rivale zag. En dat is behoorlijk verknipt”, vertelt Van Lierop. “Gek genoeg ga je dat na een poos doodnormaal vinden. Je denkt dat iedereen in zo’n situatie zit en dat hoogoplopende conflicten er gewoon bij horen.” Met veel tremolo en anekdotiek serveert ze in haar volkse roman Te dom voor de duivel (“een schlager”, noemt ze het boek) de belevenissen én kuren van haar moeder: Anna, begiftigd met een gouden stem. Van de Amsterdamse Jordaan via Berlijn richting de Antwerpse cabarets en prostitutiewereld gaat het. Tot Nikkie zélf als alter ego ‘Dominique’ op de proppen komt.

Een gewaagde move van Van Lierop, dit schrijversdebuut. U kent haar wellicht als frontvrouw bij wijlen electrobands als Lords of Acid en Praga Khan. Maar misschien ook als ‘de Nimf’ – zoals schrijver Jeroen Olyslaegers zijn geliefde steevast betitelt. Het zoemde al een tijdje rond in letterenland dat ook Van Lierop na haar menopauzeboek aan een roman werkte. Nu lanceert ze Te dom voor de duivel, mét een heuse smartlap. “Je moet wel iets verzinnen in coronatijden, nu er geen presentaties voor een groot publiek mogelijk zijn. Jeroen schreef de tekst en ik nam het nummer op met Stef Kamil Carlens. En zo grijp ik terug naar mijn muzikale roots”, glundert ze.

Ook columniste, journaliste en toneelauteur Chris Van Camp deelde in de coronabrokken. Haar boek verscheen pal voor de lockdown en ze moest duchtig improviseren om haar publiek te vinden.

“Zeven dagen lang waakte ik aan het sterfbed van mijn hoogbejaarde moeder”, zegt Van Camp. “Maar het boek dat ik over haar wilde schrijven, zat al jaren in mijn hoofd. Decennialang werd ik door mijn toneelspelende moeder weggemoffeld als een bastaardkind, na haar affaire met een man die in Lier een viswinkel uitbaatte. Ik zag mijn echte vader regelmatig, want zijn vrouw was zelfs mijn meter.” In De kus van Dabrowski doorprikt Van Camp de schone schijn van deze bizarre ­ménage à quatre in korte, snedige scènes, waarin ze ook zichzelf niet spaart.

We zitten in de Antwerpse woonkamer van Van Camp, waar de houten lambriseringen en talloze snuisterijen voor een intimistische boudoirsfeer zorgen. De open terrasdeuren verdrijven de rondwarende aerosolen. Een bonbonnièredecor voor een heftig, taboeloos gesprek tussen twee vriendinnen, die bij elkaar vonden wat ze in hun familie ontbeerden: warmte, weerklank én een gevoel van thuiskomen. “We noemen elkaar zelfs tante Nikkie en tante Chris.”

De moederroman beleeft al een tijd een ongekende hausse, van Tom Lanoye tot Maarten ’t Hart, Adriaan van Dis of recent Arnon Grunberg en Ivo Victoria. Hoe groot was de noodzaak voor u om dit verhaal aan het papier toe te vertrouwen?

Nikkie van Lierop: “Het moest eindelijk eens opgeschreven worden. Toen mijn moeder vijf jaar geleden overleed, zat ik opgescheept met een immense berg vragen. Ik kwam tot de conclusie dat ik haar nooit echt goed heb gekend. Ook omdat ze een heel mysterieuze vrouw was. Ze schermde haar geheimen volkomen af. Toch gaat dit boek ook over vergeving. Niet het minst ten aanzien van mezelf.”

Verklaar u nader?

Van Lierop: “Sinds ik van haar als kleuter te horen kreeg dat ik niks waard was, bestond mijn eigenwaarde lang niet meer. Ik liep constant met schuldgevoelens rond. Alles wat misging tijdens mijn jeugd, voelde aan als mijn eigen fout. In feite heb ik een gigantische doos met 50.000 puzzelstukjes van mijn moeder op de grond gegooid en geprobeerd haar leven te reconstrueren. Om haar te kunnen begrijpen. Te vatten hoe ze geworden is zoals ze was. Een leven waar ik nu vrede mee heb.”

Het is een flamboyant levensverhaal. Maar het is en blijft wel een roman. Het kan niet anders of u hebt er uw verbeelding flink op losgelaten?

Van Lierop: “Er is uiteindelijk veel meer fictie ingeslopen dan eerst gedacht. Er zitten elementen in die 100 procent kloppen – Elvis Presley zat ooit in de zaal – maar ik heb ook af en toe ‘gaten’ moeten opvullen.”

Nikkie Van Lierop: ‘Een dochter krijgen zou extra zwaar zijn geweest. Omdat ik het bloed van mijn moeder zo hard door mij voelde stromen. Ik was bang voor mezelf’ Beeld Joris Casaer

Je merkt inderdaad die onstelpbare verteldwang, alsof de ene anekdote weer de andere oproept.

Van Lierop: “Ja, het was een kraantje dat werd opengezet. Maar het viel me soms ook zwaar, omdat er veel pijn en verdriet naar boven kwam. Ik ben dapper blijven doorschrijven. Het lastigste was misschien wel het vinden van de juiste vertelstem. Wie laat ik aan het woord? Het mocht onder geen beding een slachtofferboek worden. Ik ben beginnen te schrijven vanuit het standpunt van Anna, de moeder. Pas aan het eind komt Dominique, mijn alter ego, haar rol opeisen én geef ik haar de kans op een weerwoord.”

Van Camp: “Uw moeder was bij leven eigenlijk al een romanfiguur: de werkelijkheid is bijna ongeloofwaardiger dan de fictie.” (lacht)

Van Lierop: “En dan heb ik me af en toe nog ingehouden. Er zijn nog wel een fiks aantal scènes geschrapt.”

Het is haast een rollercoaster waarin je de lezer meesleurt: haar geaccidenteerde omgang met haar kinderen, haar eerste muzikale stappen in Amsterdam, dan haar carrière in Berlijn en in de cabarets, tot ze in de Antwerpse prostitutie belandt én later haar eigen baancafés opstart. Was het niet uitkijken voor miserabilisme? Terwijl u, Chris, eerder de fijne borstel gebruikt in De kus van Dabrowski?

Van Lierop: “Je bedoelt dat er te veel kommer en kwel in zit? Het is natuurlijk een smartlap. Daar mag geschmierd worden en daar hoort pathetiek bij. Je huppelt inderdaad van de ene miserabele scène naar de andere. En net als je denkt ‘ah, het gaat haar eindelijk goed’, tuimelt ze nog lager. Bam! Dat was ook zo in het werkelijke leven.”

Van Camp: “Mijn vertelprocedé is inderdaad anders. Ik werk met een miniatuurtje. Wat stormachtig is, zit verborgen onder die dikke laag van hypocrisie. Dat moest ik bovenspitten. Mijn boek is een veldtocht tegen hypocrisie, tegen de schone schijn. Aan het anekdotische had ik niet genoeg. Vandaar dat die week aan het sterfbed van mijn moeder het verhaal structureert. Een week aanschuiven bij iemand die stervende is, is alsof je stop-motion doet, hè. Er is altijd een moment waarop je denkt: ‘Ga!’ Ik vond het ook belangrijk om voor mezelf streng, waarachtig en consequent te zijn. Daarom staan er ook lelijke dingen over mezelf in.”

Van Lierop: “Ik laat de gebeurtenissen meer voor zich spreken. Maar ook bij mij is er dat sterfbed aan het eind. Dat is en blijft een cruciaal moment. Pas daarna kun je bevrijd schrijven. Jij had iets meer tijd om afscheid te nemen, Chris. Weet je dat ik twee dagen voor haar dood niet eens wist dat ze op sterven lag? Ze lag in de ‘verbeterkamer’, zei ze zelf, op de afdeling geriatrie. Tot ik toevallig haar buurvrouw tegenkwam. ‘Ze ligt op palliatieve zorgen!’ Ik ben er meteen naartoe gegaan maar ook direct weer buitengehold van de schrik. Ik herkende mijn moeder niet meer, ze droeg haar doodsmasker al. Ik vond dat heel bizar, dat je tot op het eind liegt over je werkelijke situatie. Er hing in die kamer ook een tv aan de muur, die een documentaire over Stalin toonde. En ik zat plots een beetje te giechelen: ziehier, dat gaat over u, dacht ik. Gij kleine dictator!” (lacht)

Van Camp: “Kennelijk mogen de moeders toch niet te veel over onze schouders meekijken. De meeste moederboeken zijn geschreven na hun dood, tenzij ze dement worden. Bij leven is dat geweten veel groter.”

Van Lierop: “Ik heb mijn moeder tijdens het schrijven toch regelmatig gevoeld, hoor, ook al was ze dood. En toen zei ik: ‘Dit is mijn boek, scheer je weg!’”

Te dom voor de duivel is niet voor niets een aaneenrijging van hoogoplopende conflicten.

Van Lierop: “Onze band was niet goed, hè. Bovendien was de band met haar moeder evenmin goed. Dat accumuleerde zich. Ze kwamen allebei uit de Jordaan. Alles werd binnengehouden, maar ze konden ook ontzettend ontploffen. Ik heb veel heftige ruzies meegemaakt, al wist ik niet altijd waarover dat ging. Er werd dan bijvoorbeeld geroepen: ‘Moffenhoer!’ Maar waarom? Was er een Duitser in het spel? Was het omdat mijn moeder in Berlijn ging optreden? Ik weet het niet.”

Toch werden die ruzies blijkbaar wel snel bijgelegd.

Van Lierop: “De liefde aan de basis van alles was er ergens wel. Gelukkig maar. Maar telkens was er ook dat zelfdestructieve mechanisme. Het ging om patronen die van generatie op generatie worden doorgegeven. Tot iemand zegt: ‘Dit moet stoppen!’ Al die zwaarte komt op je schouders terecht. Ik heb een tijdlang met zelfmoordgedachten rondgelopen en ben zelf in een serieuze depressie gesukkeld. Ik heb zelfs voorgesteld om samen met mijn moeder in therapie te gaan. Nooit wilde ze mee. ‘Neen’, zei ze, ‘ik ben niet gek’. En de schone schijn moest worden opgehouden, te allen prijze. Ook de tijdgeest speelde daarin mee.”

Van Camp: “De hypocrisie, het verzwijgen, ik weet er ook alles van. Het heeft veel te maken met het niet willen opnemen van de verantwoordelijkheid voor je daden. Als kind probeer je emotioneel je omgeving te doorgronden en ben je vaak pienter genoeg om te zien waar het misloopt. Ik zat geprangd tussen twee vaders en families. Maar toch breng je ook in sommige slechte dingen een hommage aan je ouders. Je wilt er niet op lijken, maar je koestert toch dingen die je hebt meegekregen. Of je wilt aan de verwachtingen voldoen. Als zestienjarige viel ik op getrouwde mannen, ja, wat had ik anders gezien?”

Beeld Joris Casaer

Nikkie, de talloze mannen die in Te dom voor de duivel de revue passeren hadden vaak losse handjes. Het zijn bijna clichématige macho’s die zich keer op keer misdragen. Maar zowel vrouwen als mannen komen niet zo bijster positief uit uw boek?

Van Lierop: “Het is dubbel. Het ging soms echt gelijk op. Mijn moeder had verschillende minnaars, ze staan er zelfs niet allemaal in. En ze was heel dominant. Ze viel op echte machomannen, types met brillantine in hun haar dat in hun hemdskraag lekte. (lacht) Maar die hadden hun trots en lieten zich allerminst doen. Bovendien speelde alcohol een perfide rol. Drank maakt enorm veel kapot, ik heb dat heel vaak van nabij gezien.”

Een van die mannen was Slavko. Uw vader. Maar u weet zelfs niet of hij nog leeft?

Van Lierop: “Ik ga ervan uit dat hij mijn vader is. Ik heb hem nooit gekend. Het enige dat ik over hem weet is dat hij pianist en Joegoslaaf was. Voorts heeft ze alles angstvallig geheimgehouden. En hoe meer zij hem uitschold voor een klootzak, hoe meer ik Slavko op een verhoog zette, hoe meer hij de ridder op het witte paard werd.”

Waarom wilde ze dat niet vertellen?

Van Lierop: “Ik heb het haar zo vaak gevraagd. Maar ze hing daarover verschillende verhaaltjes op. Ik zal nooit weten wat er nu eigenlijk precies aan de hand was. De ene keer was hij een bedrieger, dan weer een alcoholist. Enfin, er was nooit iets goeds aan die man. En als ze kwaad was op mij, klonk het: ‘Je bent precies je vader!’”

U hebt veel zorg besteed aan het decorum. Hoe wist u die atmosfeer van cabarets en schlagerketens te vatten?

Van Lierop: “Ik heb mijn moeder nog zien optreden als kind, met haar tepelkwasten. Ik was zo trots als iets. Als kind kijk je daar anders naar: je ziet alleen de glitter en de glamour. Maar onlangs ben ik gaan scouten en researchen in Amsterdam. Je moet weten: als kind had ik een hekel aan smartlappen, al werd ik er steeds in meegesleurd, half jankend, half lachend. Maar de Amsterdamse periode moest en zou zich in de Jordaan afspelen. Dus toen Jeroen een tijdje writer in residence was in Amsterdam, zijn we de kroegen van de Jordaan gaan verkennen. Om halfvier begint de muziek al te spelen en vloeit het bier rijkelijk. Het was een openbaring. Sindsdien ben ik een groot liefhebber van die tearjerkers.”

CHRIS VAN CAMP

• geboren in Antwerpen in 1963

• studeerde pers & communicatie (VUB)

• schreef columns voor De Morgen (gebundeld in Wild campereren op maandag), Knack en Klara. Nu voor Apache.

• maakt scripts voor tv, schrijft theater- monologen (Loverboy, Borderline en Back to School), ‘tweespraken’ (32, Rue aux Juifs) en prequels en sequels in boekvorm bij films en series

• schrijft verhalen voor Radioboeken van cultuurhuis deBuren

• haar nieuwste boek is Schöller, De kus van Dabrowski

Op een bepaald moment komt Anna effectief aan lager wal en belandt ze in het Schippers­kwartier in de prostitutie. U stelt het voor alsof het haar eigen keuze was?

Van Lierop: “Ja, dat was ook zo. Ze heeft bijvoorbeeld nooit een pooier gehad. Het was een noodoplossing om op eigen benen te kunnen staan. Nooit wilde ze afhankelijk zijn van iemand anders. Nooit! Ze was een knokker, een overlever. Zodat ze niemand iets verschuldigd was. Maar ik heb haar effectief wel een keer achter het raam zien zitten, al heeft ze dat altijd ontkend. Ze wist wel heel goed hoe ze haar seksualiteit en uiterlijk moest uitspelen. Daarna begon ze haar eigen zaken op te zetten, waaronder baancafés.

Toch lezen we ook: ‘In zowat elke man zit een schlemiel die kwistig is met geld als hij daar wat warmte voor terugkrijgt. Als iemand daar goed in is geworden, is zij het wel, ook al ging dat geld voor het grootste deel naar de bazen en werd zij altijd met een kater wakker. Dat is pas misbruik.’

Van Lierop: “Toen zij in de cabaretwereld en champagnebars werkte, was ze inderdaad niet autonoom en vloeide het geld meestal naar anderen. Daarom vind ik de hoerenwereld eerlijker. Je weet wat je daar krijgt, als klant en als vrouw. De transactie is duidelijker dan in een cabaret. Zolang er geen pooier in zicht is, vind ik dat prima. Natuurlijk zitten er in de prostitutie veel meisjes onder dwang. Maar in de jaren zeventig was het allemaal nog iets onschuldiger. Ik herinner me dat pleintje in Antwerpen, de Koolkaai van weleer, als iets gezelligs. Als ik mijn moeder hoorde praten over het milieu, dan werd daar ook enorm veel gelachen. En geen van hen had een pooier.”

Bizar genoeg wordt Dominique door haar moeder bijna in het prostitutiemilieu gelokt?

Van Lierop: “Ja, dat is effectief gebeurd; ze vond Dominique, mij dus, ‘te dom voor de duivel’. Daar kun je tenminste geld verdienen, zei ze, ‘en moet je niet pretenderen om iets anders te kunnen’. Maar in die bar werken, nee… Ik voelde nattigheid. Ik ben keihard gaan lopen. Dat begon heel scheef te gaan, we kregen een hele grote ruzie. Ik heb haar daarna een aantal jaren niet meer willen zien. Maar toen ik in de muziek terechtkwam met Praga Khan, vond mijn moeder dat oké. Misschien omdat er toen met geld naar je kop werd gesmeten? Nochtans frustreerde dat milieu mij ook. Nu pas voel ik me zangeres en ben ik met mooie projecten bezig.”

Van Camp: “Wat ik knap vind aan je boek, is dat je over jezelf in de derde persoon spreekt. Het is een veiligheidsschild, terwijl iedereen wél weet dat het over jou gaat. En het is uiteindelijk ook goed dat je zelf geen dochter hebt gekregen.”

Chris Van Camp: ‘In Lier was het alom bekend dat ik de dochter was van Rik van de viswinkel, maar toch moest het verborgen blijven. Ik was er de speelbal van, ja.'Beeld Joris Casaer

Van Lierop: “Ik snap wat je bedoelt, Chris. Na twee miskramen kreeg ik een zoon, die nu bij zijn vader in Israël woont. Een dochter zou extra zwaar zijn geweest. Waarom? Omdat ik het bloed van mijn moeder zo hard door mij voelde stromen. Ik was bang voor mezelf. Nu heb ik het destructieve mechanisme kunnen stopzetten. Ik heb enorm veel slaag gekregen en ik voelde ook tijdens de opvoeding van mijn zoon mijn handen soms wapperen. Maar ik dacht: ‘Nee, dat ga ik mijn kind niet aandoen.’ Ik vond mezelf lange tijd de slechtste moeder ter wereld. En dat heeft me lang parten gespeeld. Ik moest mijn zoon loslaten, met veel heartbreak. We zijn het erover eens dat dat voor iedereen het beste was. Ik heb met hem het gesprek gevoerd, hij was toen amper acht jaar. Hij stelde vragen over zijn oma. Nu zijn we dicht naar elkaar gegroeid, de band is er, al woont hij dan ver weg.”

Chris, uw moederverhaal is iets minder kosmopolitisch. U hekelt sterk de kleinburgerlijke reflex van uw moeder. Altijd begaan met wat anderen over haar dachten in het provinciestadje Lier. En waar u de dupe van was?

Van Camp: “In Lier was het alom bekend dat ik de dochter was van Rik Schöller van de viswinkel, wiens achternaam ik nu aan de mijne heb toegevoegd. Alleen mocht niemand dat hardop zeggen. Ik woonde samen met mijn moeder en haar wettelijke man Jan, maar er werden constructies opgezet om elkaar toch te ontmoeten. Iedereen zag daar doorheen, maar toch moest het verborgen blijven. Ik was er de speelbal van, ja. Er zijn grote parallellen tussen mij en mijn moeder. Maar zij nam geen initiatief of verantwoordelijkheid. Zij kreunde op haar beurt onder haar dominante moeder – de grootmoeder van alle oorlogen, heb ik ze weleens genoemd – maar ik vond haar laf en zei dat ook weleens. Ze was nochtans flamboyant, speelde theater. En als ze op het podium stond met Rik, die ook amateurtoneel speelde, leek mij dat een volmaakte situatie, al was het dan een soort operette.”

Ook het stadje Lier komt er bekaaid af in De kus van Dabrowski. ‘De weg naar Lier is de weg naar af’, schrijft u.

Van Camp: “Ik voelde me daar misplaatst. Er hing altijd een rare sfeer. Lier heeft de pretentie van een stad maar de mentaliteit van een dorp. En dat is een kwalijke combinatie. Ik zat te wachten tot iemand mij een schaalvergroting toestond. Op mijn zeventiende heb ik het ouderlijk huis verlaten. Nu heb ik een secret handshake met mensen die uit Lier zijn gaan lopen.”

‘In onze happycultuur voel ik mij een levend anachronisme’, schrijft u ook. U benadrukt nogal uw einzelgängerschap.

Van Camp: “Ik koester een existentieel outsiderschap, ja. En dat wordt op den duur een comfortabel jasje. Je wordt je eigen beste vriend en leert je problemen oplossen. Toch wist ik op gezette tijden niet meer hoe ik moest leven, toen mijn ouders een officieuze vechtscheiding inzetten, toen de vader van mijn dochter besloot ons kerngezin op te blazen. En dan heb ik het niet over een depressie, maar over een totale reset.”

U vond uw heil in de denkbeelden van de Poolse psychiater en therapeut Kazimierz Dabrowski, waar u uw boek ook mee afsluit?

Van Camp: “Dat was een ware aha-erlebnis. Dabrowski honoreert emoties en overprikkelbaarheden, en waar zijn collega’s een diagnose opplakken, benoemt hij als tools om tot persoonlijke groei te komen.”

Nikkie Van Lierop

• geboren in Simmern (Dui) op 7 maart 1963

• zangeres onder de naam Jade 4U

• brak door in de newbeat-periode, o.a. met Maurice Engelen

• nam in 1996 met CJ Bolland ‘Sugar Is Sweeter’ op, dat een hit werd in Europa

• was in 1996-’97 zan­geres van Milk Inc.

• was frontvrouw bij electrobands als Lords of Acid en Praga Khan

• was producer van het debuutalbum van ex-toptennisser Guillermo Vilas

• is getrouwd met schrijver Jeroen Olyslaegers

• ­schreef het boek Te dom voor de duivel

Hoezo dan? Dat klinkt nogal ambitieus.

Van Camp: “Zie het als uiteenvallen om je daarna weer beter terug op te bouwen. Het is de totale sloop die wordt ingezet. Sommige burn-outs zijn niets anders. Hij noemt dat ‘positieve desintegratie’. Door die crisissen gooi je ook ballast overboord. Wat ik vooral mooi vind in zijn theorie, is dat hij ervan uitgaat dat we kunnen evolueren naar ons betere, meer empathische zelf. Dat uit pijnlijke ervaringen een groeisprong kan komen. Je komt sterker uit je ‘sloopmomenten’, uit je crisissen. Kijk, er zijn in een week tijd twee dierbaren van mij gestorven, maar wie word ik daarna? Word ik beter? Dabrowski houdt de mens in ere. En hij ziet depressie bijvoorbeeld als een gevolg van het feit dat je je eigen waarden te lang hebt moeten verraden.”

Nikkie Van Lierop Chris Van CampBeeld Joris Casaer

Wat vonden jullie uiteindelijk het zwaarste aan debuteren?

Van Lierop: “In het begin schreef ik van de hak op de tak. Mijn gedachten tolden alle kanten op. Het was een groot leerproces. Non-fictie is makkelijker, maar ik heb de smaak nu wel te pakken. Ik begin binnenkort aan mijn tweede boek en dat is natuurlijk het Dominique-verhaal.”

Van Camp: “Om de literatuur te dienen moet je de realiteit soms opofferen, omdat het beter werkt. Ik heb zolang gewacht met dit boek tot ik ervan overtuigd was dat ik het kon. Ik wilde het al op mijn elfde schrijven. Ik had de eerste zin al in mijn dagboek geschreven. ‘De man wiens naam ik draag, is niet mijn echte vader.’ Ik heb mijn boek vorige zomer in zes weken tijd geschreven. Ik ben heel ambachtelijk te werk gegaan. Wat wil je vertellen? Hoe komt het over bij je lezer? Dat is heel belangrijk. Want je wilt een publiek. Ik wachtte zolang met schrijven tot het er in één keer uitgulpte. Ik maakte kladjes in mijn hoofd, tot de emmer overliep.”

Van Lierop: “Uw demonen komen tijdens het schrijven altijd aankloppen. Er is altijd het moment waarop je denkt: ‘Niemand gaat dat willen lezen, dat werkt niet, dat klopt niet.’ Jeroen heeft dat overigens ook nog altijd. ‘Die daimonen gaan er altijd zijn’, zegt hij dan. En hij schrijft al twintig jaar. Al las ik zelden iets voor aan Jeroen. Ik dacht toch: ‘Die gaat dat niks vinden.’”

Tegelijk, zegt Van Lierop, heeft ze Olyslaegers gestimuleerd om toegankelijker te schrijven, hij die inderdaad ooit weleens als postmodernist en experimenteel schrijver werd geklasseerd. “Er zit een commercieel trekje in mij. Als ik iets doe, dan moet dat renderen”, vervolgt Van Lierop. “Dan wil ik dat veel mensen dat horen, zien of lezen. Tegen Jeroen zei ik: heel veel mensen moeten je boeken kunnen lezen. Dat mag niet te moeilijk zijn en niet te hoogdravend. Ik ben een simpele lezer. Als iets me niet interesseert, gaat het aan mij voorbij. ‘Never be boring’, zegt Jeroen nu. Je mag geen seconde een saaie passage invlechten of de lezer is direct foetsie.

“Of we ooit samen een boek willen schrijven? Ja, daar fantaseren we weleens over. Horror of een thriller, why not?” (schatert)

Jullie schrijven allebei vrij openlijk over de seksualiteit van jullie ouders. Hoe moeilijk was dat?

Van Camp: “Jazeker, al zou mijn moeder er een grondige hekel aan hebben gehad. Maar als je taboes doorbreekt, betreed je toch het universele, merk ik. Toen mijn ouders in hun officieuze vechtscheiding terechtkwamen, zeiden ze erg lelijke dingen over elkaar. Dan vertelde mijn echte vader, haar minnaar dus, soms aan mij hoe preuts mijn moeder was. Hij voegde eraan toe dat hij hoopte dat ik eerder zijn aard had en niet de hare. Dat was een heel raar gesprek. Je zit als dochter niet te wachten op zulke details.”

Van Lierop: “Ach ja, men gaat ervan uit dat oudere mensen geen seks hebben. Maar seks is toch iets heel normaals? Ik zoek dat graag uit. Natuurlijk gaat dat af en toe gepaard met perversiteiten. We zijn mensen, hè. Ik heb mijn moeder ook schaamteloos zien flirten met andere mannen, hele avonden lang. Zelf kan ik niet flirten. Ik kan zelfs niet met mijn wimpers wapperen om een man te lokken.”

Van Camp: “Als ze haar zinnen op een man heeft gezet, schakelt ze mij in: vraag jij het eens aan.” ­(algemeen gelach)

Van Lierop: “Of ik trap op zijn voet en zeg: ‘O pardon’. Ik zorg gewoon dat ik in zijn zicht loop. (lacht) Bij Jeroen was dat anders. Ik heb me aangesteld. Ik ben echt achter hem aangelopen. En dat op mijn vijfenveertigste!”

Zijn er bepaalde auteurs met wie jullie verwantschap voelen?

Van Camp: “Ik ben een grote fan van Elfriede ­Jelinek. Omdat ze de lelijke details niet schuwt en tegelijk is er toch die bevreemdende afstandelijkheid. De mond van mijn stervende moeder als een kippenkontje beschrijven, dat is een hommage aan Jelinek.”

Van Lierop: “Bij mij is er die enorme bewondering voor Jeroen Brouwers omdat hij het gênante niet uit de weg gaat. Ik zou graag zo brutaal en ongenadig willen zijn. Als tegenwicht is er die esthetiserende stijl.”

Mogen we concluderen dat jullie je postuum toch enigszins ‘verzoend’ hebben met jullie moeder? Voelt het aan als een afronding?

Van Camp: “Natuurlijk. Na dit boek kan ik weer op een kinderlijke manier van mijn ouders houden, zonder wrangheid. Het is niet langer beladen. De leugen en de constructie om ze te bewaren, is ontrafeld. Ik kon mijn dochter, aan wie het boek is opgedragen, eindelijk haar volle stamboom geven.”

Van Lierop: “Mijn moeder heeft haar lichaam aan de wetenschap geschonken. Typisch iets voor haar. Ik heb dat moeten regelen. Dat houden ze dan anderhalf jaar bij en dat wordt pas nadien gecremeerd. Dan krijg je het bericht dat je een ceremonie kunt houden. Toen mijn boek af was, heb ik mijn moeder ritueel begraven bij volle maan. Dat is zeer belangrijk voor mij. Rituelen hebben me ooit ook uit een depressie getild. Ik zat maar te mokken in mijn huisje in Borgerhout. Tot ik op een bepaald moment een pruik opzette en het nylonpakje uit mijn Praga Khan-tijd uit de kast haalde en naar de Meir fietste. Daar ben ik met de micro in mijn hand beginnen zingen. Het kostte moed, maar het gaf me energie. Zelfs toen iemand aan het eind van de eerste dag een brandende sigaret in mijn laars mikte. Ik heb me zelf uit een depressie getakeld. (schalks) Ge moet soms ne zotten hoed opzetten, toch? Ik ben nu sterker dan ooit.”

Beeld rv
te dom voor de duivel - nikkie van lieropBeeld rv

Chris Van Camp-Schöller, De kus van Dabrowski, Manteau, 170 p., 19,99 euro.
Nikkie van Lierop, Te dom voor de duivel, Lebowski, 270 p., 22,99 euro.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234