Zaterdag 27/02/2021

InterviewAlma Mathijsen

‘In een boek kan mijn vader terugkeren om mijn verkrachter in elkaar te timmeren’

Alma Mathijsen: ‘We krijgen in series, films en boeken nog altijd aangepraat dat aandringen romantisch is. Ik hoop echt dat die dingen gaan veranderen’ Beeld Erik Smits
Alma Mathijsen: ‘We krijgen in series, films en boeken nog altijd aangepraat dat aandringen romantisch is. Ik hoop echt dat die dingen gaan veranderen’Beeld Erik Smits

Met de precisie van een ingenieur en de liefde van een verliefde beademt Alma Mathijsen (36) Olivetta, het Italiaanse dorp waar de Nederlandse schrijfster de zomers van haar jeugd doorbracht. De hitte doet de bladzijden kraken, de heuvels groeien uit de pagina’s, en het grote geluk van het kleine meisje past niet in een alinea. Toch is ‘Bewaar de zomer’ een rauw boek geworden, vol muitend verdriet. Want Mathijsen wordt weer 9, en verliest haar vader, een onstuimige violist. En Mathijsen wordt weer 16, en wordt verkracht. ‘Sommige dingen dragen gewoon geen glinstering in zich.’

Alma Mathijsen: Bewaar de zomer is maar heel langzaam een verhaal geworden. De eerste versies waren heel wild geschreven: er viel niet echt een touw aan vast te knopen. Ik was op zoek naar wat de gebeurtenissen op mijn 9de en mijn 16de – het overlijden van mijn vader en de verkrachting – met elkaar verbond. Want dát ze verknoopt waren, was me al lang duidelijk. Maar hoe precies? Dat wist ik niet. Tot het me tijdens het schrijven begon te dagen dat het om de taal ging.”

Dat is de centrale gedachte in je boek: op de meest bepalende momenten in je leven liet de taal je in de steek.

“Ja. Toen mijn vader stierf, was er niemand om me uit te leggen wat er precies gebeurde. Het ging ontzettend snel. Hij kreeg een dubbele longontsteking, en even later was hij er niet meer. Gewoon: dood. De gebeurtenissen van die ochtend staan op mijn netvlies geëtst. Ik had bij de buren geslapen, en ’s ochtends belde mijn moeder aan. Ik was uit bed gekomen, zat bovenaan de trap te kijken, en zag hoe mijn moeder de buurman lang omhelsde. En ik wist meteen wat er gebeurd was: mijn vader was doodgegaan. Maar vervolgens, in de dagen en weken en maanden die daarop volgden, was er niemand die me bij de hand nam om de dingen uit te leggen. De taal was volkomen afwezig: ik moest zélf een verhaal bedenken.

“Bij die verkrachting was het net zo. Ik vond de woorden niet om aan mezelf te vertellen wat er gebeurd was, en maakte er mijn eigen verhaal van, zonder te snappen wat er echt aan de hand was.”

Ik was negen toen mijn grootmoeder stierf. Haar ziekbed, de dood, de weerloosheid van wie achterbleef: hoe jong ook, ik begreep het allemaal. Maar dat werd niet gezien. Er heerste een soort van schroomvalligheid: ‘Met een kind praten we daar niet over.’ En net dat maakte me boos.

“Dat herken ik heel erg. Want de dood, ja, die begreep ik – het grootse ervan, dat massieve, definitieve. Maar naar de oorzaak – wat was er precies gebeurd? – had ik het raden.

“Ik moet nu ook denken aan een ander verhaal uit mijn kindertijd. Ik had een vriendje uit de buurt met wie ik het erg goed kon vinden. Op een bepaald moment – ik was een jaar of vijf – zei mijn moeder me dat hij verhuisd was, en dat we daarom niet meer samen konden spelen. Later bleek dat hij gestorven was, en dat mijn moeder niet had geweten hoe ze me dat moest vertellen. Ik snap het ergens wel… Of nee, eigenlijk snap ik het niet. Maar ik wil wel begrijpen waar dat beschermende zwijgen vandaan kwam.

“Wat jij zegt, klopt vast: toen ik opgroeide, geloofden mensen nog dat je een kind vooral hoort te vrijwaren van de lelijkheid. Maar je begrijpt op die leeftijd al zoveel! Je kunt zoveel meer aan dan volwassenen wel denken! Maar dan moet je wel het hele verhaal krijgen. Want anders ga je er zelf iets vreemds van maken.”

In dit geval: dat het jouw schuld was. Je had je vader te weinig bezocht toen hij in het ziekenhuis lag, en daarom was hij doodgegaan.

“Ja. Als je als kind niet te horen krijgt dat je alles gedaan hebt wat je hoorde te doen, dat de dood van een vader je brutaal overkomt zonder dat je er enige verantwoordelijkheid voor draagt, maak je daar toch een verhaal van waarin het jouw schuld is. Dat was de grote waarheid die zich met plompe zuignappen in mijn hoofd vastzette. En nu, als volwassene, weet ik natuurlijk dat het onwaar was: ik heb helemaal geen schuld aan de dood van mijn vader. Maar als je zo lang geloofd hebt dat je iets verkeerds hebt gedaan, is het moeilijk om helemaal afscheid te nemen van die gedachte. Ze blijft rondzeuren in mijn hoofd.”

Ik herinner me de begrafenissen uit mijn jeugd als verwarrende, verhevigde momenten. Er waren het verdriet en de rouw, natuurlijk. Maar tegelijk voelde het ook alsof er iets op het spel stond, genóót ik misschien wel van de grootsheid van zo’n moment – om me dan meteen ook schuldig te voelen over die macabere sensatie.

“Ook dat is heel herkenbaar. Ik mocht vriendinnetjes uitnodigen op de begrafenis van mijn vader, en samen werden we in een limousine naar de plechtigheid gevoerd. Dat was op een bepaalde manier ook wel opwindend. (Denkt na) Ik mag zeggen dat er in die tijd een beetje onachtzaam met me werd omgegaan, dat er te weinig met me gepraat werd. Maar tegelijk waren er ook mensen die heel lief voor me waren. (Haalt een plakboek boven) Kijk, dit heb ik vorige week nog eens opengeslagen. Het is het plakboek dat mijn moeder voor me maakte na de dood van mijn vader: de overlijdensadvertenties zitten erin, en de brieven en de kaartjes die ik kreeg van vrienden en klasgenootjes. Het is hartverscheurend. En wat me toen het allermeeste raakte, is wat me ook nu nog helemaal broos maakt: een kort briefje van Malika, een klasgenootje. Hier heb je het: ‘Lieve Alma, ik vind het heel erg voor je.’ Meer was het niet, maar net in die eenvoudige, onopgesmukte, liefdevolle boodschap zat alles wat ik nodig had: de erkenning dat me iets noodlottigs was overkomen.

“Mijn vader was goed bevriend met Drs. P (pseudoniem van Heinz Hermann Polzer, de schrijver en muzikant die vijf jaar geleden overleed, red.). Zijn vrouw was opgegroeid in een pleeghuis, en daar waren ze indertijd haar tiende verjaardag vergeten. Dat was verschrikkelijk, natuurlijk, een litteken dat zou blijven jeuken, en ze had zich toen voorgenomen om als volwassene iemand een heel mooie tiende verjaardag te bezorgen. Dat was ik dus: ik werd tien, het was de eerste verjaardag zonder mijn vader, en ik mocht lunchen en taart eten in het Amstel Hotel in Amsterdam. Er bestaat een prachtige foto van: daar zat ik dan te glunderen in dat statige hotel, met vijf mensen die ik had mogen uitnodigen, klaar om een gigantische slagroomtaart aan te snijden. Een héérlijke dag was het. Dus ja: tussen het verdriet en het gevoel niet helemaal gezien te worden, zat ook veel liefde en troost.»

‘Ik heb één groot voordeel: ik heb al heel jong ontdekt dat het leven gevaarlijk is. We hebben alleen de onzekerheid. Als het je lukt om die toe te laten, dan krijg je misschien zicht op geluk.’ Beeld Erik Smits
‘Ik heb één groot voordeel: ik heb al heel jong ontdekt dat het leven gevaarlijk is. We hebben alleen de onzekerheid. Als het je lukt om die toe te laten, dan krijg je misschien zicht op geluk.’Beeld Erik Smits

In Bewaar de zomer kom je tot de conclusie dat je vader een man was die niet goed voor zichzelf zorgde. Dat wist je nog niet als 9-jarige.

“Zijn gezondheid was altijd al wankel geweest, en dat was geen toeval: hij rookte meer dan twee pakjes sigaretten per dag, en dronk veel te veel. Tijdens het schrijven kreeg ik verhalen te horen die nieuw voor me waren, en de omvang van die zelfdestructie duidelijk maakten. “De anekdote over de auto, bijvoorbeeld: toen mijn vader overleden was, verkocht mijn moeder – ze doceert letterkunde aan de universiteit van Amsterdam – zijn wagen aan een studente van haar. Een paar dagen later belde die studente haar op, en vertelde ze dat ze een fles jenever had gevonden onder de motorkap. Waar slaat dát nu op, dacht mijn moeder, tot ze zich herinnerde dat mijn vader tijdens het autorijden vaak aan de kant ging om het oliepeil na te kijken. Dan deed hij de motorkap open en was hij onzichtbaar – en kon hij dus een slok jenever nemen. Ik wilde maar niet geloven dat mijn moeder al die tijd was meegegaan in dat verhaal van het oliepeil dat telkens weer dringend nagekeken moest worden. Maar ze zei heel overtuigd: ‘Jawel, dat moest zo met de auto’s uit die tijd.’ Het is een beetje tragisch, natuurlijk, maar toch ook heel aandoenlijk: het toont hoeveel mijn moeder van mijn vader hield – en nog altijd houdt.”

Het lijkt me moeilijk om het beeld van je vader te moeten hertekenen.

“In De grote goede dingen, mijn roman uit 2014, speelt hij ook een belangrijke rol. Daarin zet ik hem nog veel meer op een voetstuk, is hij de man van de uitbundige, exotische verhalen, van de brille. En zo was hij ook echt: mijn vader had iets buitenissigs. Hij zat bijvoorbeeld bij de Insektensekte, een groep van artistieke milieuactivisten die voortkwam uit de Provo-beweging. Ze dosten zich uit in prachtige kostuums en deden de vreemdste dingen – hun zelfgeschreven Vlinderopera opvoeren bij de boeren, bijvoorbeeld. Mijn vader hoorde ook bij ‘Het ontbijtgezelschap’, een clubje dat elke ochtend ging ontbijten in café Scheltema in Amsterdam, om daar samen wilde plannen te smeden. Die wilde, aantrekkelijke kant zit heel erg in De grote goede dingen

“Maar in Bewaar de zomer ben ik verder gegaan. Ik wilde mijn beeld van hem openknippen, en heb veel moeilijke gesprekken gevoerd met mijn moeder. Want het moet toch van haar komen, of van mijn vaders vrienden – met hun verhalen bouw ik een nieuwe man. Want in mijn hoofd was er alleen maar de lieve, door en door líéve vader die hij voor mij was. Dat verheven beeld hoort natuurlijk bij de kindertijd, en doorgaans ga je daar als tiener aan morrelen. Alleen is dat bij mij natuurlijk nooit gebeurd. Want nog vóór mijn puberteit ging hij domweg dood.

“Ik heb ook helemaal geen herinneringen aan dat excessieve drankgebruik. Mijn moeder heeft heel erg haar best gedaan om dat van me weg te houden. Als mijn vader dronken thuiskwam, bijvoorbeeld, moest hij beneden slapen, zodat hij me niet wakker zou maken. En ik denk dat hij zelf ook niet wilde dat ik die kant van ’m te zien kreeg.”

Maar, zo weet je nu, er gebeurden wel dingen die ver gingen.

“Ja. Dronken rijden terwijl ik op de achterbank zat: blijkbaar was dat niet uitzonderlijk. Het is een voorbeeld van de dingen die ik pas in de afgelopen jaren te weten ben gekomen. Ik vind het nog steeds lastig om die twee met elkaar te rijmen: het beeld dat ik van mijn vader in mijn hoofd heb, en de dingen die hij klaarblijkelijk deed. En toch is het allemaal niet zo onlogisch. Mijn vader wás een ontzettend lieve man – dat heb ik me niet ingebeeld. Maar hij zorgde slecht voor zichzelf, omdat hij het leven zo moeilijk vond.”

Ben je er al achter waarom dat zo was?

“Hoe meer ik over hem te weten kom, hoe beter ik het begrijp. Zijn moeder was een Duitse die in Nederland woonde, en fout was in de oorlog. Het was niet de grote collaboratie, dat absoluut niet, maar er was een zekere affiniteit met de bezetter: ze was vriendelijk voor de Duitse soldaten, en gebruikte hen om brieven aan haar familie in Duitsland te bezorgen.

“Nu, mijn vader was een vreselijk eerlijke man, op een haast zelfdestructieve manier, en dat zijn ouders dát verleden hadden, was voor hem echt gruwelijk. Van elke winkel in Amsterdam wist hij hoe de uitbaters zich tijdens de oorlog gedragen hadden, en als ze ook maar een beetje fout waren geweest, weigerde hij pertinent om er binnen te gaan. Zo was hij in alles: eerlijk, principieel, voortgestuwd door een groot rechtvaardigheidsgevoel. En dus: vaak teleurgesteld. De lelijkheid van de wereld rijmde niet met de schoonheid die in zijn hoofd zat.”

Het is een beetje eng om het te bekennen, maar het kostte me weinig moeite om tijdens het lezen in het hoofd van je vader te kruipen. Allicht wilde hij het liefst alleen uit liefde bestaan, alleen die gloedvolle vader voor zijn dochter zijn. Maar: het is een vergissing om te denken dat het ouderschap iemand van z’n demonen kan afhelpen. Wat aan je plakt, blijft aan je plakken.

(verrast) “Het raakt me dat je dat zegt. Omdat ik ervan uitga dat mensen het boek lezen vanuit het standpunt van het kind. Maar je kunt het natuurlijk net zo goed lezen vanuit het standpunt van de vader. (Denkt lang na) In het boek voer ik Angela op, een vrouw uit het dorp in Italië waar we onze zomers doorbrachten. Elke keer wanneer ze me ziet, pakt ze me vast, en zegt ze: ‘Jouw vader hield zoveel van jou, kind, zóveel.’ Dat geloof ik, dat weet ik, en dat zij dat zo zegt, bevestigt me in dat gevoel.”

Ben je tegelijk ook boos op hem? Verwijt je je vader dat het ondanks die massieve liefde niet lukte om een ander, bedaagder leven te leiden?

“Soms denk ik: het zou wel gezond zijn als ik het zo kon bekijken. Als ik eens heel boos zou worden, en zou roepen: ‘Verdomme, ík was er toch?’ Maar dat doe ik niet. Ik wil nog steeds van mijn vader houden. Als ik daardoor sommige kanten van hem goedpraat, dan is dat maar zo. Natuurlijk was het beter geweest als hij een evenwichtige, rustige man was geweest. Maar dat was hij niet – klaar. En dat ik daarmee kan leven, komt omdat er ook die andere werkelijkheid was: die van de vader die nooit op liefde bespaarde.”

En: het is niet verboden om een kleine mythe te beitelen. Een mens mag het verhaal maken dat hij nodig heeft, toch?

“Ja, dat vind ik ook. (Glimlacht) Al vloekt dat natuurlijk wel enigszins met het opzet van dit boek: ik wilde net genadeloos eerlijk zijn. Maar er is een reden dat ik in lastige situaties nog steeds het beeld van mijn vader oproep, dat ik hem mij nog altijd laat vergezellen. Ik voed de liefde nog altijd, en dat is prima.”

‘Vroeger geloofden mensen nog dat je een kind vooral hoort te vrijwaren van de lelijkheid. Maar je begrijpt op die leeftijd al zoveel! Je kunt zoveel meer aan dan volwassenen wel denken!’ Beeld Erik Smits
‘Vroeger geloofden mensen nog dat je een kind vooral hoort te vrijwaren van de lelijkheid. Maar je begrijpt op die leeftijd al zoveel! Je kunt zoveel meer aan dan volwassenen wel denken!’Beeld Erik Smits

Heeft de geschiedenis van je vader je alerter gemaakt voor wat je zelf nodig hebt?

Op dit moment zorg ik best goed voor mezelf. Maar ik heb ook een wilde kant, en ik hou van drinken. Ik heb aan de Rietveld Academie gestudeerd: daar moest je erg je best doen als je het een beetje rustig wilde houden. In mijn eerste half jaar daar heb ik heel gulzig meegedaan. Ik had een vriend die dat zó goed kon, feesten, die met veel flair tot twaalf uur ’s middags doorging. En ik dus ook. Het was een leuke tijd, maar op een bepaald moment heb ik mezelf wel toegesproken: ‘Je moet nu kiezen. Je blijft bij de feestjes, of je gaat iets maken.’ Het is het tweede geworden. Want de literatuur staat voor mij op de eerste plaats. Zodra ik dus besloten had om te gaan schrijven, loste het verlangen naar elke dag een feestje op.”

Je moet ‘voor eeuwig werken met dat wat me zo bedrogen heeft,’ schrijf je in ‘Bewaar de zomer’ over de taal.

“Dat is één van de tegenstrijdigheden in het boek. De taal hééft me in de steek gelaten. En toch blijft ze datgene waar ik voor leef.

“Ik had geen zin om van dit boek een verhaal van hoop te maken. Mijn moeder heeft me altijd prachtige verhalen verteld, maar er zat wel steeds een moraal in, een glinstering. Maar sommige dingen dragen gewoon geen glinstering in zich. Sommige dingen zijn gewoon fundamenteel treurig. En dat mag.”

Goed dat je dat zegt. Ik krijg tieten van lui die beweren dat alles een functie heeft, dat ellende je sterker maakt, dat de narigheid die je overkomt het opstapje is dat je nodig hebt om een compleet mens te worden.

“Ja! Precies! Terwijl: het was beter geweest als mijn vader niet was gestorven. Het was beter geweest als ik niet was verkracht. Daar wil ik boos over blijven. Ik hoef die dingen niet als een puzzelstuk te zien dat me mee gemaakt heeft tot wie ik ben. Het is precies zoals Malika het schreef na de dood van mijn vader: ‘Ik vind het heel erg voor je.’ Je hoeft dat niet tot iets moois op te wrijven.”

Dat geldt ook voor wat je op je zestiende hebt meegemaakt.

“Inderdaad: ook die verkrachting is iets fundamenteel droevigs, en dus wilde ik er geen afgebakend verhaal over schrijven waarin de dingen na verloop van tijd op de juiste plaats vallen, en er op het einde een keurige levensles wacht. Neen, ik wilde vertellen hoe het is gegaan, in al z’n ruwheid.”

Pas vijf jaar na die ene avond vond je het juiste woord voor wat er gebeurd was. Je had een vriendin nodig om het je aan te reiken: verkrachting.

“Mijn hele lichaam schreeuwde dat wat er gebeurd was, zo verkeerd was. Op duizend manieren zat het niet goed: dat wist ik. Maar ik kende alleen het verhaal van de man die je in de bosjes trekt en je misbruikt terwijl je je verzet. Ik kende niet het verhaal dat ik beleefd had: dat van een kennis, iemand die je vertrouwt, en die je vervolgens zijn wil opdringt. Ik wist niet dat dat net zo goed verkrachting is. Tot die vriendin me de ogen opende, had ik gedacht dat het wel mijn schuld moest zijn dat het zo’n afschuwelijke ervaring geweest was. Dat ze het benoemde, was een openbaring. Als iemand me dat de dag na de verkrachting gezegd had, zou me dat een hoop zorgen hebben bespaard.”

De meeste verkrachtingen gebeuren door een bekende.

“Inderdaad. En vaak zullen de daders het zélf niet labelen als een verkrachting. Het heeft er veel mee te maken dat jongens en meisjes nog altijd te horen krijgen dat een nee niet altijd een werkelijke nee is. We krijgen nog altijd aangepraat, in series, films en boeken, dat aandringen romantisch is. En ik weet natuurlijk dat het menselijke gedrag complex is, en bepaald door zoveel factoren. Maar in de concrete praktijk kun je het wel heel simpel maken: vráág het gewoon, of het oké is wat je doet, of die andere zin heeft in waar jij zin in hebt.

“Ik hoor mensen soms beweren dat dat de magie zou doden. Dat verleiding een spel is dat intuïtief gespeeld moet worden. Maar ik zie de tegenstelling niet. Het is toch niet onsexy om iemand te vragen of die hetzelfde verlangen voelt? Ik hoop echt dat die dingen gaan veranderen. En soms zie ik het positief in, maar vaak vind ik het nog veel te traag gaan. Dat is niet onlogisch, natuurlijk: we zijn iets aan het veranderen dat honderden jaren bestaan heeft. Het is een berg die we met z’n allen aan het verschuiven zijn, en dat gaat traag. Maar dat is natuurlijk wel frustrerend voor de mensen die op dit moment nog nare dingen moeten meemaken.”

Je benadrukt ook altijd dat we ons niet moeten focussen op anekdotiek, wel op het systeem.

“Het is zo makkelijk om de misdaden van Harvey Weinstein en Jeffrey Epstein uit te lichten, en te roepen: ‘Afschuwelijk!’ Je ziet de gruwel, en die stelt je gerust: ‘Oef, zo ben ik niet.’ En dan hoef je geen verantwoordelijkheid te nemen. Maar dat is nu net wat we met z’n allen wel moeten doen: onze sociale afspraken herbekijken. De codes herprogrammeren. Tegen het licht houden wat we onze kinderen vertellen over mannen- en vrouwenrollen.”

Bij het begin van de eerste lockdown was je single. In een mooie column schreef je hoezeer je opzag tegen de verplichte isolatie: ‘Niemand zal me aanraken.’ Ik was blij om dat te lezen, want het betekent dat je van lichamelijkheid houdt. Dat die verkrachting je dat niet heeft afgepakt.

“O ja: ik kan een ander lichaam nog altijd vertrouwen. Mijn eerste vriend – ik was 21 – heeft me daar enorm mee geholpen. Hij won mijn vertrouwen terug. Het is een lange weg geweest en soms word ik weer even opgeslokt door het wantrouwen, maar het gaat de goede kant uit.”

Het is toch treurig om vast te stellen hoeveel schade mensen telkens weer bij elkaar aanrichten. Hoe we elkaars ziekte zijn.

“Ja. Alhoewel: voor de dood van mijn vader geldt dat niet. Hij wilde helemaal niemand pijn doen. (Peinzend) Ik vraag me weleens af hoe het voor hem zou geweest zijn om nu nog altijd te leven. Of hij daar zelf wel gelukkig mee was geweest? Of er misschien niet ook een bepaalde opluchting zat in het sterven?”

Ik vind het moedig dat je je die vraag durft te stellen.

“Misschien helpt het me wel een beetje. Want natuurlijk willen de mensen die overblijven dat die andere er wel nog zou zijn. Maar of die andere dat zelf wil… Dat is iets anders. Mijn vader had heel veel talent voor het leven. Maar misschien, en dat moet ik durven inzien, had hij niet zoveel talent voor het gelukkige leven.”

En jij?

“Moeilijke vraag. Ik heb alleszins één groot voordeel: ik heb al heel jong ontdekt dat het leven gevaarlijk is. Dat je niet moet denken dat je het kunt vatten, dat je de dingen kunt regelen, dat je de andere altijd goed zult kunnen lezen. We hebben alleen de onzekerheid. Als het je lukt om die onzekerheid toe te laten, dan krijg je misschien zicht op geluk. Maar dat is niet evident. Dat hele schrijven van me is natuurlijk een zoektocht naar zekerheid. Naar een vader die z’n handtekening onder een contract zet: ‘Ik blijf leven.’”

Is het schrijven voor jou wat de viool voor hem was?

“Dat denk ik wel. Ik associeer schrijven met veiligheid. In mijn boeken kan ik alles laten gebeuren: ik kan mijn vader laten terugkeren, en hem die jongen van de verkrachting in elkaar laten timmeren. Ik geloof dat het voor mijn vader ook zo was: in zijn vioolspel kon hij weg van de wereld die hij zo lastig vond. En hij speelde zo mooi, zo gruwelijk mooi.”

Alma Mathijsen - Bewaar de zomer Beeld Humo
Alma Mathijsen - Bewaar de zomerBeeld Humo
Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234